wpddca9381.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Hieronder staat een werkstuk dat ik heb geschreven in het kader van het college Editietechnieken in het eerste semester 2006-2007 aan de Universiteit Leiden. De noten - inclusief literatuurverwijzingen - zijn weggevallen. Wie interesse heeft in een exemplaar met noten en literatuurverwijzingen kan een e-mail sturen naar marjoleingommers@home.nl
Veel leesgenot!

Der minnen loep: het Leidse versus het Haagse handschrift

Inleiding

Er zijn in de middeleeuwen heel wat ‘artes amandi’ geschreven: pseudo-wetenschappelijke verhandelingen over de kunst van het beminnen. Deze artes amatoria bevatten gewoonlijk voorschriften of aanwijzingen voor de minnaar over de wijze van benaderen en omgaan met de beminde. Het genre is in West-Europa tot stand gebracht door Ovidius met zijn Ars amatoria en Remedia amoris.
Binnen de Middelnederlandse letterkunde kan Der minnen loep van Dirc Potter als een ars amandi beschouwd worden. In deze nota staan de twee overgeleverde handschriften van dit werk centraal, welke ik naar analogie van de huidige bewaarplaats zal aanduiden met het Leidse en het Haagse handschrift. Ik ben nagegaan in hoeverre beide handschriften overeenkomsten en verschillen vertonen en hoe deze verschillen verklaard kunnen worden.

Het Leidse handschrift

Het Leidse handschrift is thans eigendom van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden en bevindt zich in de Leidse universiteitsbibliotheek onder signatuur Letterk. 205. De Maatschappij verkreeg het handschrift uit het legaat van Z.H. Alewijn. Voor Alewijn is Balthasar Huydecoper de bezitter geweest. Huydecoper vermeldt in zijn Proeve dat het handschrift voor hem in bezit is geweest van Pieter Vlaming.
Het handschrift is onderverdeeld in vier boeken. Het eerste boek opent met een proloog die betrekking heeft op het gehele werk. De verteller introduceert zichzelf en zet uiteen hoe hij ertoe gekomen is om de gang van zaken met betrekking tot de liefde te gaan beschrijven: toen hij in Rome was voor een geheime zending, liet de godin Venus zich aan hem zien tijdens een wandeling langs de rivier. Ze vroeg hem om liefdesverhalen op te tekenen en om te schrijven over de liefde. De verteller kon dit verzoek niet weigeren. Vervolgens gaat hij in op het begrip ‘minne’. Volgens de verteller zijn er vier soorten minne: de ‘gheoerloefde, goede ende ongheoirloft, ende ghecke minne’, ofwel de geoorloofde, de goede, de ongeoorloofde en de dwaze liefde. Pas tegen het einde van het eerste boek deelt de verteller mee dat hij in dit boek de dwaze liefde heeft besproken en dat hij de andere drie in de resterende boeken zal bespreken.
Aan het einde van het eerste boek staat op fol. 67r ‘Hier vol eyndet dat eerste boeck der minnen loep bi mi claes willemsz’. Aan het einde van het tweede boek staat op fol. 163v ‘Hier eyndet dat andere boec der minnen loep bi mi claes willemsz’. Op fol. 190r staat ‘Hier eyndet dat derde boeck der minnen loep bi mi claes willemsz’. Tenslotte staat op fol. 239v ‘Hier eyndet dat vierde boeck der minnen loeps bi mi claes willemsz Int jaer ons heren M CCC lxxxvi op sinte maertijns auont’.

Lang is gedacht dat Claes Willemsz de auteur van Der minnen loep was en dat hij zijn werk in 1486 voltooid had. De eerste die bij de toeschrijving aan Claes Willemsz een vraagteken plaatste, was J.A. Clignett (1756-1827). Hij kwam tot de conclusie dat Claes Willemsz waarschijnlijk slechts de kopiist van het handschrift was. De naam was immers niet in het gedicht zelf, maar in het naschrift van elk boek te vinden. Dit zou in strijd zijn met de gewoonten van onze oude schrijvers. Wanneer zij in hun werken hun naam wilden vermelden, dan noemden zij die in de tekst en dit slechts eenmaal. Het feit dat de naam van Claes Willemsz. viermaal in een afzonderlijk naschrift wordt vermeld, dient dan ook beschouwd te worden als bijvoegsels van de afschrijver.
Sinds 1844 wordt Der minnen loep toegeschreven aan Dirc Potter. In dat jaar ontdekte L.Ph.C. van den Bergh (1805-1887) dat in het Leidse handschrift de eerste letters van de slotregels van het werk (fol. 239r) de naam ‘Dirc Potter’ vormen. In de jaren 1845-1847 combineerde Leendertz de gegevens over de ik-figuur met wat elders uit archiefmateriaal over Dirc Potter bekend was. Deze gegevens vullen elkaar zo goed aan, dat sinds Leendertz onder onderzoekers geen enkele twijfel meer bestaat aan Potters auteurschap.
Het gehele werk bevat afwisselend theoretische uiteenzettingen over de liefde en demonstratieve verhalen die de theorie toelichten. Als toelichting op de liefdesleer komen er ruim 50 liefdesgeschiedenissen in het werk voor, die grotendeels aan de Heroides en de Metamorphoses van Ovidius en aan de Bijbel zijn ontleend. De Heroides bestaat uit 21 gefingeerde liefdesbrieven van beroemde geliefden en de Metamorphoses bestaat uit 250 vertellingen die allemaal betrekking hebben op ‘gedaanteverwisselingen’.
Het totale handschrift telt 247 bladen. De tekst is verdeeld over één kolom van 24 tot 32 regels per bladzijde. Ieder boek begint met een versierde letter, ieder nieuw verhaal met een blauwe letter en iedere kleinere afdeling met een rode letter. Ieder verhaal bevat een afzonderlijk opschrift en de verhalen zijn elk door een afbeelding opgesierd, die een hele of bijna een hele bladzijde beslaat.

Het Haagse handschrift

Het Haagse handschrift bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag onder signatuur 128 E 6. Het Haagse handschrift werd in 1717 bij toeval in Leiden ontdekt door Daniël van Alphen. In 1721 kreeg hij het handschrift geschonken. Voor het handschrift staat: ‘Dit boek hebben de Heren Meesteren van de Catharinae ende Caeciliae Gasthuisen, my op den 28en April 1721, thuis gesonden door hunnen Binnevader, en vereert. En heb ik, op den 5en May, gemelde Heeren op hunne ordinaris Vergadering, daer tegenwoordig waren de Heeren Jacob van Dorp, Nicolaes van Weede, Nicolaes Heyns, en Mr. Jan Alensoen, bedankt.’ Een ander schreef eronder: ‘Dit bovenstaande is de hand van den Heer Mr. Daniel van Alphen, Raad en Burgemeester der stad Leiden, overleden 10 Julij 1733.’ Na zijn dood kwam het handschrift bij zijn nakomelingen terecht. Later kwam het handschrift in bezit van J.A. Clignett. Sinds 1828 is het handschrift in bezit van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, die het kocht op de veiling van Clignetts bibliotheek.
Het Haagse handschrift wordt op basis van het handschrift en het watermerk gedateerd rond 1480. Der minnen loep is in één band gebonden met de gedichten van Willem van Hildegaersberch (fol. 1-128) en een verzameling tweeregelige spreuken (fol. 128-130). Het totale handschrift telt 195 bladen en de tekst van Der minnen loep bevindt zich op fol. 131-195. De tekst is verdeeld in 2 kolommen per bladzijde in 43 tot 46 regels per kolom.
Ook het Haagse handschrift is ingedeeld in vier boeken, waarbij in ieder boek één van de door Dirc Potter onderscheiden liefdes centraal staat. Het eerste boek heeft geen afzonderlijke titel, het tweede boek heeft de titel ‘hier beghint dat anderde boeck als vander goederreyndre minnen’, het derde boek ‘van ongheorilofde minne’ en het vierde boek ‘hier beghint dat vierde boeck, vander gheoerlofder minne’. Aan het begin van het vierde boek heeft het een gekleurde en versierde letter en aan het begin van de overige boeken en afdelingen eenvoudig een rode letter.

Het Leidse versus het Haagse handschrift

Op het gebied van de vormgeving vertonen het Leidse en het Haagse handschrift duidelijk verschillen. De tekst in het Leidse handschrift is verdeeld over één kolom, ieder verhaal bevat een afzonderlijk opschrift en de verhalen zijn elk door een afbeelding opgesierd. De tekst in het Haagse handschrift is verdeeld over twee kolommen, de verhalen bevatten geen afzonderlijke opschriften en het handschrift bevat geen afbeeldingen. De kopiist van het Leidse handschrift heeft duidelijk samenhang in de tekst proberen te creëren door het gebruik van titels of opschriften en door de grafische structurering (het toevoegen van de afbeeldingen).
Maar bestaan er ook inhoudelijke verschillen tussen beide handschriften? We hebben hier waarschijnlijk te maken met twee kopieën van een ouder handschrift. Misschien is één van de teksten zelfs een kopie van de oorspronkelijke auteurstekst. Het is bekend dat de kwaliteit van kopieën in de middeleeuwen heel uiteenlopend is, van quasi-perfecte afschriften tot met fouten bezaaide afschrijfsels. Met die ‘fouten’ moet men echter voorzichtig zijn. Niet altijd hadden kopiisten de bedoeling om een getrouwe kopie te leveren. Ze maakten hun eigen werk door aanpassing van de taal, door stilistische ingrepen en soms ook door inhoudelijke veranderingen waar ze de tekst niet konden of niet wilden verstaan.
In hoeverre hebben de kopiisten van het Leidse en het Haagse handschrift inhoudelijke veranderingen doorgevoerd? Er is geen autograaf van Dirc Potter overgeleverd, dus blijft er niets over dan het Leidse en het Haagse handschrift met elkaar te vergelijken. Vanwege de beperkte omvang van dit onderzoek was het echter onmogelijk om binnen de beschikbare tijd beide teksten vers voor vers met elkaar te vergelijken. Ik ben op zoek gegaan naar verschillen op minder gedetailleerd niveau en ik heb een belangrijk verschil tussen het Leidse en het Haagse handschrift aangetroffen. Het gehele werk bevat afwisselend theoretische uiteenzettingen over de liefde en demonstratieve verhalen die de theorie toelichten. De volgorde van de verhalen in het Leidse en het Haagse handschrift wijkt echter van elkaar af. De kopiist van het Leidse handschrift heeft de vrijheid genomen om in het tweede boek de volgorde van de verhalen te veranderen en er een verhaal uit het derde en een uit het vierde boek tussen te voegen. Ik zal dit demonstreren door de volgorde van de verhalen in beide handschriften hieronder schematisch weer te geven.

Verhalen in het tweede boek van het Haagse handschrift:
1 Het verhaal van Adonis en Leander vs. 119-394
2 Het verhaal van de borchgravinne van Vergi vs. 430-608
3 Het verhaal van Floris van Hollant en de gravin van Clermont vs. 829-944
4 Het verhaal van Pyramis en Thisbe vs. 961-1130
5 Het verhaal van Quintilliaen en Penella vs. 1331-1560
6 Het verhaal van Sabina en Florimadas vs. 1811-2048
7 Het verhaal van Susanna vs. 2494-2584
8 Het verhaal van Cydippe en Atonsius vs. 2615-2701
9 Het verhaal van Pelops en Ypodomia vs. 2705-2806
10 Het verhaal van Achilles en Deidamia vs. 2853-3030
11 Het verhaal van Olimpia en Neptanabus vs. 3067-3191
12 Het verhaal van Paulina en Romanelle vs. 3207-3289
13 Het verhaal van Samyte en Astenborch vs. 3299-3458
14 Het verhaal van het Parijse echtpaar vs. 3527-3612
15 Het verhaal van Tristram en Ysalde vs. 3613-3641
16 Het verhaal van de Spaanse schildknaap vs. 3642-3751
17 Het verhaal van Amon, Neufrades en Sicolla vs. 3905-4109

Verhalen in het tweede boek van het Leidse handschrift:
1 Van Leander des conincs zoen van Abijden; I fol. 70v
2 Die burchgravinne van Virgij; II fol. 77r
3 Van grave Florijs van Hollant ende vander gravinne van Cleermont; III fol. 85r
4 Van Zuzanna ende vanden twee valschen papen; VII fol. 88r
5 Hoe die ezel in die kist besloten was; XIIII fol. 91r
6 Van Quintiliaen ende van Penella; V fol. 93r
7 Van Pryamus ende Thybes; IIII fol. 103r
8 Van Pauline ende Romanelle; XII fol. 110r
9 Van Othononis ende Tydopee; VIII fol. 112v
10 Van Ypolitus ende van Fedra; z.B.III.c.IV. fol. 115r
11 Van Samite ende Astenberch; XIII fol. 118r
12 Van Pelops ende Ypodimya; IX fol. 122v
13 Van Achilles ende van Dydamya; X fol. 126r
14 Van Neptanalus ende Olimpia; XI fol. 130r
15 Van eenre vrouwe ende haer schiltknaep; XVI fol. 133r
16 Van Egistus ende Clytemestra; z.B.IV.c.I. fol. 138r.
17 Van Sabina ende Floridamas; VI fol. 143r
18 Van Tristram ende Ysolde; XV fol. 155v
19 Van Amon ende van Siccula; XVII fol. 157r

Opvallend is dat de nummers achter de titels in het Leidse handschrift exact overeen komen met de volgorde van de verhalen in het Haagse handschrift! Naast het wijzigen van de volgorde, heeft de kopiist van het Leidse handschrift twee verhalen uit het derde en het vierde boek naar het tweede boek verplaatst. Het verhaal uit het derde boek wordt later niet herhaald, wel het verhaal uit het vierde boek.
In het Leidse handschrift staat duidelijk aangegeven dat de de verhalen uit het derde en het vierde boek naar het tweede boek zijn verplaatst. In het derde boek staat op fol. 173v vermeld: Van Ypolitus ende van Fedra IIII. In dese voerscrevene historie suldi vinden in dat anderde boec na tghetal van VIII. In het vierde boek staat op fol. 195v vermeld: Deze navolghende historie van Egistus ende Clytemestra suldi oec vinden in dat andere boeck na tghetal van XVI. Vervolgens herhaalt de kopiist het verhaal over Egistus en Clytemestra in het vierde boek.
Ik kom nog even terug op de nummering van de verhalen in het Leidse handschrift. Ik vraag mezelf af wie deze nummering heeft toegevoegd: de kopiist of een latere bezitter of gebruiker van het handschrift? Negenmaal is de nummering in het blauw aangegeven (fol. 70v, 85r, 88r, 93r, 118r, 122v, 130r, 155v en 157r), achtmaal in het rood (fol. 77r, 91r, 103r, 110r, 112v, 126r, 133r en 143r) en tweemaal in het zwart. De schrijfhand en de inktkleur van de blauwe en rode nummers lijken sterk op de schrijfhand en de inktkleur die in de rest van het handschrift worden gebruikt. De zwarte nummers staan genoteerd achter de verhalen die ingevoegd zijn uit het derde en het vierde boek (fol. 115r en 138r). Deze schrijfhand en inktkleur lijken wel af te wijken (zie de hieronder opgenomen fragmenten). Een harde conclusie kan ik op dit punt echter niet trekken, daarvoor bezit ik niet de expertise. Om na te gaan of de nummering in het Leidse handschrift al dan niet is toegevoegd door de kopiist, is nader codicologisch onderzoek door een expert noodzakelijk.
Om na te kunnen gaan waarom de kopiist van het Leidse handschrift heeft ingegrepen in de volgorde van de verhalen uit het tweede boek, geef ik eerst een beschrijving van een gedeelte van het tweede boek in het Haagse handschrift.

Het tweede boek in het Haagse handschrift

Het tweede boek handelt over de goede minne. De verteller begint het tweede boek met de stelling dat er in zowel wereldlijke als geestelijke zaken regelmaat, orde en voorschrift behoort te zijn. Alleen standvastigheid en trouw bieden een goede basis voor een relatie. De verteller laat zijn lezers meedelen in zijn eigen leed: toen zijn verloofde trek kreeg in nieuw spijs, heeft hij haar maar laten gaan. De verteller kondigt vervolgens aan dat hij een verhaal zal vertellen over twee edele en goede mensen die oprechte liefde op gelijke wijze voor elkaar voelden en daardoor hun leven verloren. Hierna volgt het verhaal over Adonis en Leander.
Leander verdronk, toen hij bij storm de Hellespont overzwom naar zijn geliefde. Adonis vraagt zich af waarom ze zo lang niets van hem gehoord heeft. Ze schrijft hem een brief, niet wetende welk lot hem getroffen heeft. Later vinden zij en haar voedster Romadis het aangespoelde lichaam van Leander. Adonis stuurt Romadis terug om hulp te halen. Ondertussen draagt zij de dode naar zee en springt met het lijk in de zee. Omdat zij elkaar evenveel liefhadden, wilde zij op dezelfde wijze sterven. Ook in de dood bleven zij zo gelijk.
De verteller vervolgt: in liefdesaangelegenheden gaat het nogal eens verkeerd en vaak is dat te wijten aan boze tongen. Een voorbeeld daarvan is het verhaal van de Borchgravinne van Vergi.
De hertogin van Bourgondië beminde een ridder die in dienst was van haar man. Deze ridder, die de borchgravinne van Vergi liefhad, ging echter niet op de avances van de hertogin in. Uit wraak beschuldigde de hertogin de ridder bij haar man. De ridder zou de hertogin voortdurend lastig vallen. De hertog sprak de ridder onder vier ogen. De ridder ontkende de beschuldigingen en vertelde voor wie hij werkelijk liefde voelen. Om de argwaan voorgoed uit de wereld te helpen, nam hij zijn heer mee naar een afspraak met zijn geliefde. De hertog had beloofd dat hij de relatie tussen de ridder en de burggravin geheim zou houden, maar toen hij de hertogin aansprak op haar leugens brak hij zijn woord. Hij liet de hertogin beloven dat zij haar mond zou houden. Op een feest verweet de hertogin echter de burggravin haar liefde. De burggravin trok zich terug in een kamer en stierf. Toen de ridder dit ontdekte, stak hij zichzelf met een zwaard door zijn hart. De hertog besefte dat de hertogin al deze ellende veroorzaakt had en woedend doodde hij zijn vrouw.
De verteller maakt duidelijk dat de liefde een edele zaak moet zijn. De liefde is alleen bestemd voor degene die edel leeft, goede daden verricht, van goede geboorte is, edel van nature of deugdrijk. Zuivere liefde dient bewaard te worden. Lombarden, Engelsen en Walen begrijpen zelden iets van zulke liefde. Hun landen hebben andere wetten. Aan de andere kant van de Alpen, dus met de Italianen, is het helemaal slecht gesteld.
Liefde die rechtvaardig is, heeft vier stadia. Bij de zuivere liefde is alleen het vierde stadium verboden. Alleen in bezit van een huwelijksakte mogen geliefden over de drempel van de derde graad gaan. In het eerste stadium ziet men de ander graag en er is sprake van wederzijdse toenadering. Bij deze eerste trap zijn de man en de vrouw altijd in gezelschap van anderen. Soms gebeurt het wel eens dat twee mensen op elkaar verliefd worden die elkaar alleen maar van horen zeggen kennen, en elkaar nog nooit gezien hebben. Hieruit kan veel leed en verdriet voortkomen. Dit blijkt duidelijk uit een leerzaam verhaal over een vorst en een vorstin die op zo’n manier van elkaar hielden. Hierna volgt het verhaal van Floris van Holland en de gravin van Clermont.
De gravin van Clermont kende Floris van Holland alleen maar van horen zeggen. Zij brengt haar man ertoe een toernooi te houden. Ze schrijft Floris over haar liefde voor hem. Floris wordt door haar liefde geraakt en schrijft haar terug. Op het toernooi blinkt hij uit. Toen de gravin tegenover haar man Floris prijsde, vatte hij dit verkeerd op en hij vermoordde de Hollandse graaf. Korte tijd later sterft de gravin van verdriet. Floris van Holland en de gravin van Clermont waren in het eerste stadium van de liefde en ze hadden elkaar nog nooit ontmoet.
Er volgt nog een voorbeeld van twee geliefden die sterven nog voordat de tweede trap bereikt was. Pyramus en Thisbe woonden naast elkaar, maar zij hadden alleen contact met elkaar door een klein getralied venster. Op een dag spraken zij af om elkaar te ontmoeten bij een bron buiten de stad. Thibne kwam daar het eerst aan. Uit het bos zag zij een leeuwin naderen en zij verborg zich in een spelonk en hierbij verloor ze haar mantel. Nadat de leeuwin bij een bon gedronken had, zag zij de mantel en ze begon deze met haar bebloede tanden te verscheuren. Daarna ging de leeuwin weg. Toen Pyramus aankwam en de bebloede en verscheurde mantel zag, dacht hij dat Thysbe door een wild dier verslonden was. Hij stak zich dood met zijn zwaard. Thysbe vond Pyramus dood en wilde zelf ook niet langer leven. Ook zij doodde zich met zijn zwaard. Ook deze twee geliefden kwamen nooit verder dan het eerste stadium.
Minnaars moeten niet te snel naar de tweede en derde trap willen opklimmen, maar moeten geduld uitoefenen. Wie in het eerste stadium volhardend is en nederig wacht, die zal de tweede trap bereiken.
Het tweede stadium speelt zich af in de tuin. De geliefden begroeten elkaar vriendelijk, nemen elkaar bij de hand, spreken lieve woordjes, plukken bloemen, kussen elkaar bij het afscheid, zijn verdrietig, maar verheugen zich op het weerzien. Zij moeten hun liefde geheim houden voor de buitenwereld. Ook dit stadium duurt vaak lange tijd, zodat veel geliefden sterven voordat de derde trap is bereikt. Het eerder vertelde verhaal van de Borchgravinne van Vergi is hier een voorbeeld van.
In het derde stadium kussen en omhelzen de geliefden elkaar op bed. De geliefden mogen elkaars hals, wangen en borsten aanraken. Het verhaal van Quintilliaen en Penella gaat over twee geliefden die stierven in het derde stadium. Zonder twijfel hadden zij de vierde trap bereikt, als ‘valsche tongen’ dit niet hadden voorkomen.
Penella was de dochter van de Griekse koning Henedoris. Zij en Quintilliaen werden verliefd op elkaar tijdens een ontmoeting in de tempel. Penella vertelde haar kamenierster Balotides over haar liefde. Balotides had liever dat Penella een rijkere man zou liefhebben. Nu had de koning een neef, Folkas, die ook verliefd was op Penella. Balotides vertelde Folkas dat Penella verliefd was op Quintilliaen en ze beloofde hem in te lichten als deze geliefden elkaar weer zouden ontmoeten. Op een dag zou de koning vetrekken om oorlog te voeren. Voordat Quintilliaen met hem mee zou gaan, nam hij afscheid van Penella. In haar kamer beleefden zij honderdduizend vreugden. Folkas lichtte de koning in en hij betrapte de geliefden tijdens het liefdesspel. Op bevel van de koning doodde Folkas de geliefden met zijn mes.
Het vierde stadium speelt zich ook af op bed en leidt tot de coïtus. Dit stadium is voorbehouden aan het huwelijk. Sommige geliefden gaan echter zonder te trouwen verder dan het derde stadium. Het is verstandig om dit dan wel geheim te houden, zodat de eer voor de buitenwereld in ieder geval behouden blijft. In het verhaal over Sabina en Floridamas is sprake van zo’n voortijdig overgaan naar het vierde stadium.
Al lange tijd beleefden Sabina en Floridamas in het geheim veel vreugde. Toen Sabina weduwe werd, wilde ze met hem trouwen. Ze liet een mooie kamer bouwen om haar geliefde te ontvangen. Toen de werklieden eens aan het werk waren, stootte zij per ongelijk tegen een bijl. De bijl viel naar beneden, precies op het hoofd van een dienaar die daardoor overleed. Volgens de wetten van haar land was Sabina schuldig aan zijn dood en ze werd gevangen gezet. Na een tijdje verzocht Sabina de koning om twee weken vrijheid, zodat zij haar testament kon maken. De koning wilde alleen toestemming geven als ze iemand kon vinden die tijdens haar afwezigheid haar plaats zou innemen. Floridamas nam haar plaats in. Sabina regelde haar zaken en keerde weer op tijd terug. De koning was hierover zó verbaasd, dat hij haar vergaf. Hierna konden Sabina en Floridamas trouwen.
Ik onderbreek hier het navertellen van de inhoud van het tweede boek. In het voorgaande is hopelijk genoeg duidelijk geworden dat er een hechte samenhang bestaat tussen de theoretische uiteenzettingen en de hierop volgende verhalen. Deze hechte samenhang zet zich voort gedurende het gehele tweede boek en is aanwezig in het gehele werk dat is overgeleverd in het hier bespoken Haagse handschrift. Het is hoog tijd om over te schakelen naar het Leidse handschrift.

Het tweede boek in het Leidse handschrift

De eerste drie verhalen in het tweede boek van het Leidse handschrift komen overeen met de eerste drie verhalen in het tweede boek van het Haagse handschrift. De lezer van het Leidse handschrift neemt dus achtereenvolgens kennis van het verhaal van Adonis en Leander, het verhaal van de borchgravinne van Vergi en het verhaal van Floris van Hollant en de gravin van Clermont. We zagen eerder al, dat het verhaal van Floris van Hollant en de gravin van Clermont een demonstratie was van twee mensen die op elkaar verliefd worden die elkaar alleen maar van horen zeggen kennen, en elkaar nog nooit gezien hebben en waaruit veel leed en verdriet kan voortkomen. Het Haagse handschrift geeft nog een voorbeeld van een zelfde soort liefdesgeschiedenis: het verhaal van Pyramis en Thisbe. Het Leidse handschrift schakelt echter meteen over op het verhaal Susanna.
Twee priesters belaagden Susanna, toen zij haar hoofd ging wassen in een boomgaard. Zij wilden gemeenschap met haar. Als ze weigerde, zouden de priesters haar van onkuisheid beschuldigen. Susanna weigerde gemeenschap met de priesters te hebben. Susanna werd beschuldigd en veroordeeld tot steniging. Dankzij het ingrijpen van de profeet Daniël kwam echter de waarheid boven tafel. Susanna werd vrijgesproken en de priesters werden ter dood gebracht.
Volgens het Haagse handschrift demonstreert het verhaal van Susanna dat de deugd het geweld altijd overwint. In het Leidse handschrift ontbreekt deze context geheel: er is geen voorafgaande theoretische uiteenzetting waarin wordt aangekondigd wat deze liefdesgeschiedenis precies demonstreert.
Ik keer terug naar het verhaal van Pyramis en Thisbe. Dit verhaal is natuurlijk ook opgenomen in het Leidse handschrift. Na deze liefdesgeschiedenis volgt, zowel in het Leidse als in het Haagse handschrift, de aankondiging dat er een verhaal zal volgen over twee geliefden die stierven in het derde stadium. Zonder twijfel hadden zij de vierde trap bereikt, als ‘valsche tongen’ dit niet hadden voorkomen. In het Haagse handschrift volgt het verhaal Quintilliaen en Penella, dat dit inderdaad demonstreert. In het Leidse handschrift volgt het verhaal van Paulina en Romanelle, dat hier heel duidelijk geen demonstratie van is.
Het verhaal van Paulina en Romanelle is volgens het Haagse handschrift een demonstratie van het feit dat mannen er altijd voor moeten zorgen dat de vrouweneer door list bewaard blijft: in Rome staat de ‘steen des tuuchs’, een grote ronde steen in de vorm van een hoofd. Deze steen werd vroeger gebruikt om te controleren of iemand een valse eed aflegde. Wie zwoer, moest zijn hand in de mond van het hoofd steken. Was het een valse eed, dan werd de hand afgebeten. Paulina, een gehuwde vrouw, had een relatie met Romanelle. Haar man krijgt geruchten over deze verhouding te horen en hij zei tegen Paulina dat ze naar de steen moest gaan. Ze overlegde met Romanelle en hij beloofde haar een goede afloop. Hij zou zich vermommen als een dwaas en dan op haar afkomen en haar in zijn armen sluiten. Daarna zou hij zweren dat nooit een andere man haar had aangeraakt dan haar echtgenoot en deze gek. Zo gebeurde het. Haar man kreeg de verwijten en zij behield zowel haar hand als haar eer. Of de relatie met Romanelle nu eerbaar was of zondig, de list waarmee zij haar eer bewaarde was in ieder geval goed bedacht.
Ik hoop dat het na deze voorbeelden duidelijk is: de hechte samenhang tussen de theoretische uiteenzettingen en de hierop volgende verhalen is in het Leidse handschrift helemaal zoek. De kopiist van het Leidse handschrift heeft volkomen willekeurig de volgorde van de verhalen in het tweede boek aangepast. Maar waarom heeft hij deze drastische ingreep uitgevoerd? De kopiist van het Leidse handschrift beschouwde de demonstratieve verhalen blijkbaar als de hoofdzaak van het werk. De kopiist moet gemeend te hebben dat de verhalen ieder op zichzelf stonden, elk verhaal draagt daarom een opschrift en heeft een eigen afbeelding. De kopiist heeft op dit punt het werk duidelijk verkeerd geïnterpreteerd. Het kan namelijk niet ontkend worden dat de theoretische uiteenzettingen en de demonstratieve verhalen oorspronkelijk een hechte eenheid vormden.

Conclusie

Het Leidse en het Haagse handschrift van Der minnen loep vertonen duidelijk verschillen. Dat is heel normaal in de Middeleeuwen. Tot het einde van de middeleeuwen werden boeken altijd met de hand geschreven. Boeken werden op ambachtelijke wijze gemaakt en daardoor was elk boek uniek. De opdrachtgever overlegde met de kopiist hoe het boek eruit moest zien: in welk lettertype moest de tekst geschreven worden, hoe groot mochten de marges zijn, hoeveel kolommen kwamen er op een bladzijde, hoeveel ruimte was er voor initialen, zouden die ook versierd moeten worden, kwamen er miniaturen in het boek, waar zouden die geplaatst worden, wie zou de decoratie en illustratie voor zijn rekening nemen? Naast dit soort verschillen die inherent zijn aan de handschriftelijke overlevering zelf, heeft de kopiist van het Leidse handschrift een belangrijke ingreep gedaan: hij heeft de volgorde van de verhalen uit het tweede boek aangepast. Vormen de theoretische uiteenzettingen en de daarop volgende demonstratieve verhalen in het Haagse handschrift nog één geheel, door de aangepaste ordening is deze samenhang in het Leidse handschrift geheel verdwenen. De kopiist moet ten onrechte gemeend hebben dat de verhalen ieder op zichzelf stonden. Het resultaat hiervan is dat het betoog van Dirc Potter soms erg moeilijk te volgen is, maar dat is niet te wijten aan de auteur. Doordat de kopiist het werk verkeerd heeft geïnterpreteerd, heeft hij afbreuk gedaan aan de liefdeslessen van Dirc Potter.

Bibliografie

Gedrukte bronnen

BAERE 2000 – G. de Baere: ‘Van Groenendaal anno 1359 naar Utrecht anno 2000: de tekstuitgever als bruggenbouwer’. In: R. Jansen-Sieben [e.a.] (red.): Medioneerlandistiek: een inleiding tot de Middelnederlandse letterkunde. Hilversum: Verloren, 2000, p. 305-316.
BUUREN 1979 – A.M.J. van Buuren: Der minnen loep van Dirc Potter: studie over een Middelnederlandse Ars amandi. Utrecht: HES Publishers, 1979.
DESCHAMPS 1972 – J. Deschamps: ‘Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken’. Leiden: Brill, 1972, p. 124-126.
HOGENELST & OOSTROM 2002 – D. Hogenelst & F. van Oostrom: Handgeschreven wereld: Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen. Amsterdam: Prometheus, 2002.
LEENDERTZ 1845-1847 – D. Potter: Der minnen loep. Editie P. Leendertz. Leiden: Du Mortier, 1845-1847. 3 dln.
OOSTROM 1987 – F. van Oostrom: Het woord van eer: literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400. Amsterdam, Meulenhoff, 1987.
VOOYS 1983 – D. Potter: Der minnen loep: derde boek. Uitg. en toegel. door een werkgroep van Utrechtse neerlandici. Utrecht: Instituut de Vooys, 1983.

Digitale bronnen

BORK 2002 – G.J. van Bork, H. Struik, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis: Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek, 2002, <http://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01/>
POTTER 1486 – Dirc Potter: Der minnen loep. Handschrift Ltk. 205. Digitaal ter beschikking gesteld door Digitool, <http://digitool.leidenuniv.nl>.