wp64048516.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
1 Inleiding

Dit werkstuk is geschreven in het kader van het accentcollege ‘Hogere literatuur. De hemel als decor in teksten van Middeleeuwen tot Verlichting’ van de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar 2006-2007. Deze werkgroep onderzoekt hoe auteurs en publiek zich de hemel letterlijk en figuurlijk voorstelden van de Middeleeuwen tot en met de Verlichting. Kon men straffeloos de hemel als decor gebruiken? Welke literaire theorieën ondersteunden hemelvoorstellingen en welke ideeën lagen ten grondslag aan de gebeurtenissen in het hiernamaals die men liet naspelen? Hoop op verlossing of angst voor verdoemenis? En in hoeverre wilden en konden de kerkelijke autoriteiten zich hiertegen verzetten? Naar aanleiding van de colleges heeft iedere student een werkstuk over een zelfgekozen onderwerp geschreven. In mijn werkstuk staan de visioenen van Hadewijch centraal. Ik zal het hemelbeeld weergeven dat zij hierin beschrijft. Tevens zal ik nagaan welke factoren haar hemelbeeld hebben beïnvloed.

2 Vrouwenmystiek in de Middeleeuwen

In de Middeleeuwen was iedereen gelovig, dat wil zeggen: overtuigd van het bestaan van God. Binnen de kerk, waar iedereen bij hoorde, werden drie typen gelovigen onderscheiden: leken, wereldlijke geestelijken en religieuzen. Leken waren mensen die in de wereld leefden en van de geestelijkheid afhankelijk waren voor de bediening van de sacramenten en onderricht in de geloofsleer. Wereldlijke (of: seculiere) geestelijken hadden een kerkelijke wijding ontvangen; zij waren opgeleid om de leken zielzorg te verlenen en ze te onderwijzen in de beginselen van het geloof. Religieuzen daarentegen trokken zich terug uit de wereld, om in kloosters te leven. Zij legden de drie kloostergeloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af en verplichtten zich ertoe te leven volgens een bepaalde kloosterregel.
In de loop van de Middeleeuwen waren nieuwe orden ontstaan: die van de cisterciënzers en de norbertijnen in de twaalfde, en de bedelorden van franciscanen en dominicanen in de dertiende eeuw. Het ontstaan van nieuwe orden was niet de enige verandering in het geestelijk leven van de Middeleeuwen. Ook de traditionele ordening van leken, wereldgeestelijken en religieuzen kwam ter discussie te staan. Vanaf de twaalfde eeuw ontstonden er gemeenschappen van leken die geïnspireerd werden door een gezamenlijk ideaal van religieus leven, maar die geen kloosterregel volgden of een gelofte aflegden. Hun armoede beschouwden zij niet als een ongemak, maar als een deugd. Was Christus niet ook in armoede gestorven? Deze ongebonden gemeenschappen van leken werden door de kerkelijke organisatie vaak met argwaan benaderd, omdat ze niet in het traditionele kader pasten.
In de Nederlanden vormden de begijnen de eerste lekenbeweging van betekenis. Begijnen waren vrome vrouwen die veelal in kleine groepen samenleefden, in zelfopgelegde kuisheid, maar dan zonder een gelofte af te leggen en zonder een regel die hen aan de officiële kerkelijke organisatie bond. Zulke vrouwen zochten soms hun toevlucht in de alles verterende, liefdevolle overgave aan God: de mystiek. Mystieke vrouwen hechtten meer waarde aan de affectieve religieuze beleving dan aan de vaak intellectuele benadering van de theologie. Enkelen onder hen, zoals de dertiende-eeuwse Brabantse mystica Hadewijch, stelden hun mystieke ervaringen op schrift.
Kort gezegd komt het erop neer dat een mystica tracht één te worden met God door een toestand van volkomen innerlijke overgave na te streven, waardoor in de geest de ruimte ontstaat waarin God kan binnentreden. Kán binnentreden, want de mystieke eenwording met God is uiteindelijk altijd een kwestie van genade, een geschenk van God. Met een hoofd vol boekenwijsheid is het moeilijker om de staat van leegheid te bereiken die een noodzakelijke voorwaarde is voor de mystieke extase. Daarom hebben de eenvoudigen van geest het in dit opzicht gemakkelijker dan de geleerden.

3 De mystica Hadewijch

Over het leven van Hadewijch is vrijwel niets bekend. Er is geen vita over haar overgeleverd. We denken dat Hadewijch uit een adellijke familie kwam, dat ze rond 1240 schreef, dat ze in de omgeving van Antwerpen leefde en dat ze een begijn was. Ze gaf leiding aan een groepje religieuze vrouwen. Haar geschriften moesten deze vrouwen geestelijke raad en steun geven. Hadewijch liet vier verschillende werken na: Strofische gedichten, Mengeldichten, Visioenen en Brieven. Waarschijnlijk heeft ze een goede opleiding gehad, want uit haar overgeleverde werken blijkt een grondige vertrouwdheid met de bijbel en een grote kennis van theologie en mystiek.

4 De auteursintentie en de functie van de visioenen van Hadewijch

Visioenen waren het aangewezen genre voor middeleeuwse vrouwelijke mystici. Zij berusten immers niet op enig leergezag ex officio, maar getuigen van ervaringen ex gratia. Hadewijch schreef veertien visioenen. Haar visioenen zijn getuigenissen van haar samenzijn en éénwording met God. Maar hoe moeten we de visioenen van Hadewijch lezen? In 1999 publiceerde Veerle Fraeters een artikel waarin zij de geschiedenis en de stand van zaken met betrekking tot de auteursintentie en de functie van de visioenen beschrijft. Ik zal de inhoud van het artikel hieronder kort weergeven.

In 1986 formuleerde Willaert zijn visie op de ontstaanscontext: Hadewijch schreef haar visioenen in één redactie voor een kleine kring van vriendinnen en wel met de bedoeling dat het visioenenboek voor dat publiek als een didactische spiegel zou fungeren. Volgens Willaert heeft Hadewijch de veertien visioenen zorgvuldig gecomponeerd en wel zo dat haar eigen opgang van onvolwassen passionele minnares in het eerste visioen naar volwassen, mystieke bruid van God in het dertiende visioen voor het geïntendeerde publiek duidelijk wordt.

Reynaert ontkent niet dat de visioenen óók een agogische functie hebben gehad, maar deze biedt volgens hem geen verklaring voor het lyrisch-emotionele aspect van de visioenen. Het resultaat is een zeer complexe beeldspraak. Reynaert ziet de visioenen dan ook eerder als het resultaat van een proces waarbij twee elementen voortdurend op elkaar hebben ingewerkt: enerzijds de subjectieve beleving, en anderzijds de rationalisering van die beleving vanuit het omringende religieuze discours en vanuit de gerichtheid van de auteur op het publiek.

Volgens Warnar zijn de visioenen de geschriften waaraan Hadewijch spiritueel gezag moest ontlenen. De essentie van de visioenen ligt volgens hem dan ook niet in de pedagogische functie – die wordt slechts actief wanneer de auteur bij zijn publiek al autoriteit geniet –, maar in het legitimeren van autoriteit. Warnar betrekt ook de stijl van de visioenen in zijn argumentatie: die bevat te veel reportage en te weinig reflectie om didactisch goed te kunnen functioneren, en het is pas in de later geschreven en duidelijker geformuleerde brieven dat Hadewijch zich als geestelijk leidster tegenover haar publiek opwerpt. Tenslotte ontbreekt volgens Warnar in de visioenen ook de voorbeeldfunctie die een didactisch werk uit de aard der zaak bezit. De bruid worden van Christus en de gelijke van Maria is zo uitzonderlijk dat het moeilijk wordt aan te nemen dat Hadewijch haar vriendinnen vergelijkbare privileges in het vooruitzicht stelde. Volgens Warnar zou Hadewijch de visioenen dus wel voor haar kringgenoten hebben neergeschreven, maar níet met een didactische bedoeling. Zij wilde met dit boek bij haar publiek, haar vriendinnen dus, haar autoriteit als visionaire en mystica vestigen. Deze laatste hypothese is plausibel. De laatste decennia is namelijk veel onderzoek verricht naar de wijze waarop middeleeuwse auteurs spirituele autoriteit verwierven. Uit dat onderzoek blijkt dat vrouwen, en dan met name vrouwen die geen officieel religieus leven leidden, door middel van visioenen religieuze autoriteit konden verkrijgen. De inzichten die zij via visionaire ervaringen verwierven, werden als ware goddelijke openbaringen erkend zolang ze niet (opvallend) afweken van gecanoniseerde opvattingen.

Fraeters plaatst enkele kanttekeningen bij de visie van Warnar. Op basis van passages uit het veertiende visioen kan men immers afleiden, dat Hadewijch haar visioenen oorspronkelijk heeft opgeschreven voor één vriendin die zij innig liefhad en met haar visioenenboek steun en leiding wilde geven. Hierna presenteert Fraeters een vierde visie op de auteursintentie en de functie van de visioenen. Het betreft de visie van Hofmann, een Duitse germanist die de meest recente editie van de visioenen van Hadewijch heeft verzorgd. Fraeters presenteert de visie van Hofmann als een synthese van alle eerder besproken visies. Volgens Hofmann is het voor de nog onvolwassen geadresseerden belangrijk te weten dat hun vriendin Hadewijch door God is gesanctioneerd om hen in de eigen mystieke groei te begeleiden tot ook zij haar niveau van godgelijkheid hebben bereikt. Zowel Hadewijch als God gaan ervan uit dat (tenminste enkele onder) de kringgenoten tot de 107 volmaakten kunnen behoren.

Welke van deze vier visies ook gevolgd wordt, het is voor het vervolg van mijn betoog belangrijk om te weten dat de visioenen van Hadewijch vol staan met beeldspraak. In de weergave van haar mystieke ervaringen maakt Hadewijch veelvuldig gebruik van aan het domein van de zintuiglijke waarneming ontleende metaforen. In overeenstemming met de theorieën hieromtrent van tijdgenoten zoals Albertus Magnus en Bonaventura hebben beelden die te maken hebben met het gezicht en gehoor betrekking op de openbaringen die zich tot het verstand richten, terwijl de directe, affectieve godservaring in beelden van smaak en tastzin wordt uitgedrukt. Beschrijvingen van metafysische geur worden, in tegenstelling tot wat bij veel andere mystici het geval is, bij Hadewijch niet aangetroffen.
De belangrijkste beelden van Hadewijch zijn de visuele en auditieve beelden. Alles wat Hadewijch in de visioenen als gezien of gehoord beschrijft, illustreert eigenlijk haar innerlijke ‘zintuiglijke’ observatie. Wat Hadewijch in haar visioenen te zien krijgt zijn doorgaans versluierde – want allegorisch uitgebeelde – morele of religieuze waarheden, waarvan de zin pas duidelijk wordt door de gesproken uitleg van een engel of van God zelf.

Nu duidelijk is op welke wijze(n) we de visioenen van Hadewijch kunnen lezen en welke rol (met name de zintuiglijke) beeldspraak in haar werk speelt, wordt het tijd om over te schakelen naar haar visioenen zelf.

5 Hadewijchs mystieke groei

In de aanhef van het eerste visioen vertelt Hadewijch hoe zij brandde van verlangen om te genieten van de eenheid met God, maar toen niet besefte dat ze hem daarvoor nog niet genoeg had bemind:

Het was in enen sondage ter octaven
van Pentecosten dat men mi Onsen Here
heimelike te minen bedde brachte, om-
dat ic ghevoelde soe grote treckinghe van binnen
van minen gheeste, dat ic mi van buten onder
de menschen soe vele niet gehebben en conste
dat icker ghegaen ware. Ende dat eyschen dat ic
van binnen hadde, dat was om een te sine ghebru-
keleke met Gode. Daer was ic en hadder niet genoech
te onghewassen ende ic en hadder niet genoech
toe ghepijnt noch gheleeft int ghetal van soe
hogher werdecheit alse daertoe behoerde ende
alsem u daer wel vertoent wart doe ende mi noch
wel scijnt.

Het was op de zondag van een
pinksteroctaaf, dat men mij de communie
in alle stilte op bed bracht, omdat ik
voelde dat mijn geest innerlijk zo intens
gespannen was, dat ik mijzelf uiterlijk
niet voldoende in bedwang had om
onder de mensen te gaan. En die innerlijke
drang was gericht op de verrukking in
liefde een te zijn met God. Daarvoor was ik te
jong en te onvolwassen; ik had niet genoeg
moeite gedaan en niet genoeg geleefd voor zo’n
hoge waardigheid, wat me daar toen duidelijk
onder ogen werd gebracht en me nog altijd
duidelijk lijkt.

In de visioenen die volgen, wordt Hadewijchs opgang in de liefde, haar groei naar mystieke volwassenheid beschreven. De visioenen volgen niet lukraak op elkaar, maar staan met elkaar in een geordend verband. Hieronder ga ik uitgebreid in op de verschillende fasen in de mystieke groei van Hadewijch.

Het eerste visioen kan beschouwd worden als een inleiding in Hadewijchs leer. In dit visioen staat de bomenallegorie centraal. Een engel leidt de nog jonge Hadewijch rond in de vlakte van de volmaakte deugden. Allerlei bomen stellen de verschillende deugden voor; een engel leidt Hadewijch van boom tot boom en geeft haar geleidelijk meer inzicht. Hadewijch blijkt alle deugden te bezitten, op één na: de kennis van de mystieke liefde. Het is Christus zelf die haar hierover onderricht. Hij leert haar dat de eenheid met God tot stand komt in en door de navolging van zijn leven op aarde.
Het tweede en het derde visioen bevestigen de boodschap van het vorige visioen. Hadewijch krijgt er een antwoord op haar vraag of en hoe de vereniging met God op aarde mogelijk is.
In het vierde visioen krijgt Hadewijch, ten overstaan van de hele kosmos, de plechtige bevestiging dat de gelijkvormigheid met God wel degelijk voor haar is weggelegd. Om deze volgroeidheid in het mystieke leven te bereiken moet zij tijdens haar aardse leven vier taken vervullen.
Hadewijch ziet twee koninkrijken van gelijke macht en grootheid, die vervolgens in twee hemelen veranderen, die eveneens volledig aan elkaar gelijk zijn. De twee koninkrijken verwijzen naar het leven van God/Christus en van Hadewijch hier op aarde, de twee hemelen naar de gelijkvormigheid die op deze wijze tot stand komt tussen God en de volmaakte, tot Gods evenbeeld gekomen en dus vergoddelijkte mens, die nu als een evenwaardige partner in Gods liefdeleven kan delen.
Het vijfde visioen bestaat voor het grootste deel uit een pleidooi van Hadewijch tot God voor haar vriendinnen. Zij vraagt of hij hen zou willen voeren tot dat leven in eenheid met hem dat zijzelf al leidt. Vroeger had zij deze smeekbede enkel en alleen uit een overmaat aan naastenliefde gedaan, zonder rekening te houden met Gods wil. Nu durft zij haar smeekbede echter te herhalen, omdat zij weet dat haar wens in overeenstemming is met zijn gerechtigheid.
In het zesde visioen vertelt Hadewijch hoe zij haar inzicht in de goddelijke gerechtigheid – waarover zij in het vorige visioen sprak – verkregen heeft.
In het zevende visioen beleeft Hadewijch op een zeer concrete wijze haar eenwording met de mens Christus, die zij in zijn volmaakte overgave aan de wil van zijn vader heeft leren navolgen, zoals haar dat in de vorige visioenen was opgedragen.
Het achtste visioen vormt de voortzetting van het voorgaande. Hadewijch leert in dit visioen dat leven in eenheid met Christus de weg is die leidt naar de ontmoeting met God. Dit inzicht geeft haar het recht ook anderen naar God te leiden.
Het negende visioen biedt een onmisbare aanvulling op het vorige. Werd in het zevende en in het achtste visioen het belang van het gevoel in de minne benadrukt, dan wordt hier duidelijk dat de liefde tot God niet tot blind genieten herleid kan worden, maar dat juist in de overweldigende eenheidservaring de rede op zo’n wijze wordt verlicht, dat de ziel er zich bewust van wordt dat de eenheid met God nooit voltooid kan zijn.
In het tiende visioen wordt Hadewijch gepresenteerd als de bruid van Christus. Door haar exclusieve gerichtheid op God, waarbij ze alle aardse vertroosting achter zich liet, en door een leven te leiden in navolging van Christus, heeft zij de volwassenheid in de liefde bereikt. Dit is een aanmoediging voor diegenen die menen dat God onbereikbaar is.
In het elfde visioen vertelt Hadewijch hoe zij samen met Augustinus in de vorm van twee arenden opgeslokt wordt door een feniks, die de goddelijke drievuldigheid voorstelt. Dit betrekkelijk korte visioen wordt gevolgd door een lange reeks beschouwingen, waarin zij het betreurt dat ze van deze eenheid met Augustinus genoten heeft, terwijl ze eigenlijk alleen in God genot hoort te vinden. Niets gaat immers boven de eenheid met God, hoe edel het ook zij, of het nu gaat om naastenliefde tot haar medemensen of de vereniging met het heilige.
Het twaalfde visioen beschrijft Hadewijchs mystieke bruiloft, waarbij zij de zekerheid ontvangt Gods evenwaardige partner te zijn, die de liefdeseenheid met hem aankan. Zij is Gods bruid geworden, omdat zij haar wil volledig met Gods wil verenigd heeft: het zijn haar deugden die haar tot deze eenheid hebben gebracht.
Het dertiende visioen vormt volgens velen het hoogtepunt van het visioenenboek. Hadewijch schouwt er rechtstreeks in Gods aanschijn. In het oog van zijn aanschijn ziet zij zijn liefde, waaraan zij helemaal gelijk geworden is. Zij ziet ook degenen die de liefde op een volmaakte wijze hebben beleefd. Maria deelt haar mee dat zij zelf ook volmaakt geworden is, maar omwille van haar vriendinnen gekozen heeft op aarde te blijven om hen naar de volgroeidheid in de liefde te leiden.
Het veertiende visioen is veeleer een aanvulling op het vorige visioen, en tegelijk een terugblik op het hele visioenenboek. Ook krijgen we beknopte informatie over andere visioenen van Hadewijch, die zij niet in dit boek heeft opgenomen. Ook de Lijst der Volmaakten is een aanvulling bij het dertiende visioen. Hadewijch geeft hier een opsomming van de 107 mensen die de liefde tijdens hun aardse leven op een volmaakte wijze beoefend hebben of zullen beoefenen, en die dus de drie stadia doorlopen hebben die zij beschreven heeft.

6 De visionaire ruimte

In de visioenen van Hadewijch ligt de nadruk op de allegorische uitbeelding van mystieke denkbeelden. De ruimtelijke structuur van de visioenen is dus afhankelijk van de gekozen allegorie en op dit punt treffen we een grote verscheidenheid aan: zo wordt het eerste visioen in een boomgaard, het vierde visioen in de gehele kosmos, het achtste visioen op een berg en het tiende visioen in Jeruzalem gesitueerd.
Als er al een typisch visionaire ruimte bestaat, dan is die volgens Reynaert uit slechts enkele overwegend abstracte elementen samengesteld. Gemeenschappelijk aan de meeste visioenen is bijvoorbeeld het idee van een verticale verplaatsing, een opvaert van de ziel, naar een hoghe of gheweldighe stat, waar dan het eigenlijke visioen kan plaatsvinden. De ‘reis’ naar God toe wordt niet uitvoerig beschreven, maar doorgaans in een kort zinnetje aangeduid. Verder wordt expliciet en bij herhaling vermeld dat de opvaart binnen de geest geschiedt.
In feite kent Hadewijch twee graden van opghenomenheit, namelijk in den gheeste en buten den gheeste. In den gheeste vindt het eigenlijke visioen plaats; de menselijke rede blijft in dit stadium actief, alleen de fysische mens neemt er niet aan deel. Buten den gheeste is niet alleen het lichamelijke, maar ook het redelijke getranscendeerd: hier wordt de eenheidservaring gesitueerd, die doorgaans in het slot van het visioen beschreven wordt.
Het volledige verloop van de visionaire ervaring bestaat dus uit twee ‘stijgende’ en twee ‘dalende’ trappen: opneming in den gheeste, het vallen buten den gheeste, terugkeer in de geest en terugkeer in het lichaam. Alleen het zesde visioen vermeldt de vier momenten expliciet:

Opneming ‘in den gheeste’:

[…] Doe wardic op dien dach daer-
met sere van nuwes in minnen beroert. Ende
doe wardic opghenomen in enen geeste ende
ghevoert daer mi wart ghetoent ene hoghe ghe-
weldeghe stat […] […] Op die dag werd ik door dat
verlangen opnieuw in alle hevigheid tot liefde bewogen.
En toen werd ik in de geest opgenomen en meegevoerd
naar waar mij een hoge, ontzagwekkende plaats
werd getoond […]

Het vallen ‘buten den gheeste’:

Mer doe wonderde mi van al dier rijcheit
die ic ghesien hadde in heme. Ende bi dien
wondere quam ic buten den geeste daer ic in
hadde ghesien al dat ic sochte. Ende alse ic alsoe
ghedaen in al dier riker verweentheit kinde mijn
anxteleke lief ende mijn onseggheleke soete,
doe viel ic buten den geeste van mi ende van
al dien dat ic in hem ghesien hadde, ende viel
al verloren in die ghebrukeleke borst siere naturen
der minnen. Maar toen kwam er vervoering in me op over
alle rijkdom die ik in hem had gezien. En
door die vervoering raakte ik buiten de geest
waarin ik alles wat ik zocht had gezien. Zodra ik
de volmaakte weelde van mijn beangstigende en
onzegbaar zoete lief overzag, viel ik buiten
de geest, weg van mijzelf en van alles wat ik
in hem had gezien, en ik viel volslagen verloren
in de zaligmakende borst van zijn wezen dat
liefde is.

Terugkeer in de geest:

Doe wardic weder ghewect in enen geeste
ende ic bekinde weder alse te voren […] Toen kwam ik weer tot mezelf in de geest
en ik begreep alles weer net als daarvoor […]

Terugkeer in het lichaam:

[…] Ende ic wart met dien
wederbracht jammerleke in mi selven. […] En daarmee werd
ik tot mijn verdriet teruggebracht in mijzelf.

7 De invloed van de Bijbel op de visioenen van Hadewijch

In 1987 heeft Joris Reynaert een artikel geschreven over Hadewijch en de bijbel. Naast dit artikel heeft hij onder andere een boek geschreven over Hadewijchs beeldspraak. Hij geeft daarin ongeveer tachtig plaatsen waar al dan niet rechtstreekse beïnvloeding door de bijbel bij de mystica herkenbaar is. Dit is, gezien de tijd waarin Hadewijch leefde en werkte (midden of tweede helft dertiende eeuw), op zich al niet vanzelfsprekend. Al bestond er blijkbaar binnen de kerk aanvankelijk geen fundamentele afkeer van vertaling van de bijbel in de volkstaal, vanaf de tijd van de Westeuropese ketterijen (met name van de katharen) ging de kerkelijke overheid in de twaalfde en dertiende eeuw een terughoudende, ontmoedigende of zelfs direct censurerende houding aannemen tegenover bijbellectuur door leken. Indien Hadewijch, zoals nu algemeen wordt aangenomen, tot de ontluikende begijnenbeweging heeft behoord, dan was zij in de ogen van de kerkelijke autoriteit niet alleen als leek onbevoegd, maar als vrouw bovendien niet in staat om de bijbel op een verantwoorde wijze te lezen en van commentaar te voorzien.
Reynaert probeert verschillende vragen in zijn artikel over Hadewijch en de bijbel te beantwoorden. Heeft Hadewijch rechtstreeks toegang tot de bijbel gehad? Op welke manier heeft ze geselecteerd, vertaald (hééft ze zelf vertaald?) en becommentarieerd? Met een licht voorbehoud voor de Psalmen, meent Reynaert dat we met vrij grote zekerheid kunnen stellen dat Hadewijch, met uitzondering natuurlijk van wat de liturgie en de stichtende literatuur haar hebben aangereikt, haar schriftcitaten rechtstreeks en uitsluitend uit de Latijnse bijbel heeft geput. Dat zij bij het citeren niet noodzakelijk altijd de bijbeltekst voor zich liggen had, maar uit het hoofd citeerde of parafraseerde, is mogelijk en misschien zelfs waarschijnlijk.
Reynaert wijst in zijn werk onder andere op apocalyptische motieven in Hadewijchs visioenen. Het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalyps of Openbaring van Johannes, bevat openbaringen over het spoedig verwachte einde van de geschiedenis. Deze openbaringen zijn volgens Apocalyps 1:1-3 afkomstig van Christus en worden door een engel, die als tussenpersoon optreedt, meegedeeld aan Johannes. Dit boek behoort tot de apocalyptische literatuur die rond het begin van onze jaartelling een grote bloei beleefde.
Eerder had Van Mierlo al over de apocalyptische motieven in Hadewijchs werk gepubliceerd, maar Reynaert zet zo zijn vraagtekens bij de door zijn voorganger opgestelde lijst van overeenkomsten. In de meeste gevallen gaat het om zeer algemene visionaire attributen, verschijningen en dergelijke, waarvan de uiteindelijke oorsprong zonder twijfel in de Apocalyps moet worden gezocht, maar die daarom nog niet tot rechtstreekse invloed van dit geschrift op Hadewijch laten concluderen. Heel veel beelden behoren tot het gewone beeldenarsenaal van de apocalyptisch-visionaire literatuur en iconografie van haar tijd. Als echte toespelingen op de Apocalyps kan Reynaert dan ook slechts het volgende overhouden:


Apoc. 1:5
testis fidelis

Vis. 8,82
met gherechten orconde


Apoc. 1:16
et facies ejus sicut sol lucet in virtute sua

Vis. 1,222
ende was claerre ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht


Apoc. 3:12
faciam illum columnam in templo Dei mei

Vis. 1,100
Reyne columne in die kerke der heyleghen (...) inden heyleghen tempel gods


Apoc. 14:2 (vgl. 6:1 en 19:6)
vocum tonitrui magni

Vis. 14,168
ene stemme van groten dondere


Apoc. 19:10 (vgl. 22:8)
Et cecidi ante pedes ejus, ut adorarem eum. Et dicit mihi : Vide ne feceris

Vis. 12,33 e.v.
Doe vielic vore dat anschijn om ane te bedene (...). Ende die vierde seide te mi: (…) en valle niet in dit anschijn


Apoc. 21:1
Et vidi coelum novum

Vis. 13,12
Ende op die ure wart mi uertoent een nuwe hemel


Apoc. 21:5
Ecce nova facio omnia

Vis. 4,53
(...) die eweleke alle dinc nuwe sal maken


Hoewel het ook hier om vrij gebruikelijke visionaire motieven gaat, lijkt Reynaert de tekstuele overeenkomst in de meeste gevallen toch voldoende om directe bekendheid met het bijbelboek aannemelijk te maken.
Het feit dat Hadewijch haar beelden en ook vele zinswendingen meer dan eens aan de bijbel, en dan vooral aan de Openbaring van Johannes, heeft ontleend, deed voor haar tijdgenoten zeker geen afbreuk aan het gezag en aan de authenticiteit van haar teksten. Het tegendeel is het geval. Niet alleen is het begrijpelijk dat passages uit de bijbel zich tot visionaire beelden konden verdichten bij iemand die zo met dit boek vertrouwd was als Hadewijch, maar bovendien deelde zij, juist door die bijbelse toespelingen, in het prestige van de grote zieners uit de bijbel, vooral dan van de evangelist Johannes, die ook de schrijver was van de Apocalyps. De overeenkomst tussen Johannes en Hadewijch wordt in de aanhef van het vijfde Visioen overigens nadrukkelijk bevestigd:

Ic was in Assumptiedaghe te mettenen in den
gheeste opgenomen ene corte wile ende
mi worden vertoent die III overste hemele
daer men af noemt die III overste inghele,
die trone, die cherubinne, die seraphinne.
Ende het quam te mi die aer van den IV dieren,
die soete Sente Johannes Ewangeliste, ende seide:
‘Com ende sich die dinghe die ic mensche sach.
Die hevestu alle ghesien ontploken ende gheheel
die ic bi gheliken sach. Die hevestu bekint ende
wets welc si sijn.’

Ik was op Maria-Hemelvaart tijdens de metten
heel even in de geest opgenomen en mij
werden de drie hoogste hemelen getoond
waarnaar men de drie hoogste engelen noemt,
de troonengelen, de cherubijnen, de serafijnen.
En de adelaar van de vier dieren, de zachtaardige
Sint Johannes de Evangelist kwam naar me toe, en zei:
‘Kom de dingen zien die ik als mens zag.
Jij hebt ze onverholen en in hun geheel gezien,
terwijl ik ze zag in gelijkenissen. Je hebt ze begrepen
en weet wat ze betekenen.’

Johannes nodigt Hadewijch uit de dingen te zien die hij al eens heeft gezien, en voegt daaraan toe dat zij deze dingen in hun geheel gezien en begrepen heeft, terwijl hij ze enkel als beelden heeft geschouwd.

8 De invloed van de iconografie op de visioenen van Hadewijch

Dat een aantal motieven in Hadewijchs visioenen door de Apocalyps zijn ingegeven, staat vast. Reynaert heeft echter aangetoond dat Hadewijch niet alleen door de bijbel, maar ook door de contemporaine iconografie is beïnvloed.

Een eerste opvallende overeenkomst tussen de hemelvoorstellingen in Hadewijchs visioenen en de apocalyptische iconografie is te vinden in de wijze waarop Hadewijch de majestas Domini (Christus zittend op de troon) weergeeft. In het eerste visioen beschrijft Hadewijch Gods troon als gelijkend op een oogverblindende schijf:

Ende doe seide hi: ‘Kere di omme van mi ende
du salt denghenen venden dien du ye ghesocht
hebs ende daer du allen erdschen ende allen hemel-
schen bi afghekeert best.’ Endei c keerde mi van
heme ende ic sach een cruce vore mi staen
ghelijc cristalle, claerre ende witter dan cristal.
Daer mocht men dore sien ene grote wijtheit.
Ende vore dat cruces ach ic staen enen zetel
ghelijc eere sciven ende was claerre ane te siene
dan die zonne in haerre claerster macht. Ende
onder die scive stonden III colommen. […]

En toen zij hij: ‘Keer je van mij af en je zult
diegene vinden die je altijd hebt gezocht en om wie
je al van iedereen op aarde en in de hemel afstand hebt
genomen.’ En ik keerde me van hem af en ik
zag een kruis voor me staan dat van
kristal leek, helderder en witter dan kristal.
Daardoorheen kon men een grote vlakte zien.
En voor het kruis zag ik een troon die op een
schijf leek en die verblinderder was voor het oog
dan de zon in haar hoogste stand. En
onder de schijf stonden drie zuilen. […]

Ook in het twaalfde visioen wordt God gezien zittend op een ronde schijf:

In enen dertiendaghe was ic binnen der
messen opghenomen in den geeste ute mi
selven. Daer sach ic ene stat, groet ende wijt ende
hoghe ende gheciert met volcomenheiden. Ende
daer inmidden sat een op enen ronden scive, die
alle uren hare selven oppebaerde ende besloet
in bedectheiden. Ende die daerop dat boven der
sciven, hi was in enen stillen sittene. Ende binnen
der sciven draiede hi altoes in onseggheleken lope.
Ende die wiel, daer die scive in liep daer hi in
drayede, die was soe onghehoerdeleke diep ende soe
donker dat enghene eyselecheit daerjeghen ghe-
liken en mach. Ende die scive was binnen in
doverste anesien van alrehande sconen ghesteinte
ende in dier varuwen van ghepuerden goude. Ende
in die donkerste side, daerse soe vreseleke liep,
daer wasse ghelijc vreseleken vlammen die hemel
ende erden verslinden ende daer alle dinc in ver-
vaert ende in verswolgen wert.

Op een driekoningendag werd ik tijdens de
mis opgenomen in de geest en buiten mijzelf
gebracht. Daar zag ik een stad, groot en ruim en
hoog en getooid met volmaakte versieringen. En
in het midden zat iemand op een ronde schijf die
zich gedurig vertoonde en zich dan weer aan het oog
onttrok. En hij daar boven op de schijf, bleef
stil zitten in dezelfde houding. Maar binnen de schijf
draaide hij aldoor met een onbeschrijflijke vaart rond.
En de kolk, waarop de schijf waarin hij rondtolde
zich bewoog, was zo onvoorstelbaar diep en zo
donker dat niets, hoe ijselijk ook, ermee te
vergelijken is. Het binnenste van de schijf leek aan
de bovenkant te bestaan uit verschillende edelstenen
en had de kleur van zuiver goud. En aan de donkerste
kant, waar hij zo ontstellend rondbewoog, daar
leek hij op een vreselijke vlammenzee die hemel en
aarde verslindt en waarin alle dingen ontdaan raken
en verzwolgen worden.

Deze visualisering wordt niet door de tekst van de Apocalyps zelf ingegeven. Daar wordt weliswaar vaak de troon waarop God in de hemel zetelt als het ware terloops vermeld, maar nergens wordt melding gemaakt van een schijf waarop of waarin de troon zich zou bevinden. Beide voorstellingen – de troon op een schijf en de troon als een schijf – vinden we wèl veelvuldig in de apocalyptische iconografie terug. Vroege voorbeelden van de tronende God in een door engelen gedragen cirkel vinden we al in de Beatus-handschriften uit de tiende eeuw.
Naast het beeld van de ronde schijf kan Hadewijch ook het motief van de vier dieren uit de iconografie van de contemporaine majestas Domini hebben gekend. In haar vijfde visioen komt, nadat ze in de geest is opgenomen, één van de vier dieren naar haar toe:

Ende het quam te mi die aer van den IV dieren,
die soete Sente Johannes Ewangeliste, ende seide:
‘Com ende sich die dinghe die ic mensche sach.
Die hevestu alle ghesien ontploken ende gheheel
die ic bi gheliken sach. Die hevestu bekint ende
wets welc si sijn.’

En de adelaar van de vier dieren, de zachtaardige
Sint Johannes de Evangelist kwam naar me toe, en zei:
‘Kom de dingen zien die ik als mens zag.
Jij hebt ze onverholen en in hun geheel gezien,
Terwijl ik ze zag in gelijkenissen. Je hebt ze begrepen
en weet wat ze betekenen.’

De vier dieren worden in de Apocalyps zelf een aantal keer vermeld. In het hemelvisioen Apocalyps 4:7 ziet Johannes ze voor en rond de troon: Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar.

Ook de identificatie van vier dieren met de vier evangelisten komt zeer regelmatig voor in de iconografie. Hadewijch noemt regelmatig de arend als symbool voor de evangelist Johannes. De weergave van de vier apostelen als vier dieren staat ook wel bekend onder de term ‘tetramorf’ en gaat terug op een visioen van de oudtestamentische profeet Ezechiël (1:4 e.v.) en op de Openbaring van Johannes (4:6 e.v.). Een bekend voorbeeld is een tetramorf uit het Liber floridus, een handschrift uit 1121 afkomstig uit de Sint-Baafsabdij in Gent, geschreven door Lambert van Sint-Omaars.
Reynaert wijst er in zijn artikel op dat enkele tekstuele motieven die met de voorstelling van de vier dieren samenhangen, bij Hadewijch in een enigszins gewijzigde toepassing ten opzichte van de bijbelteksten verschijnen. In Apocalyps 4, 6 en 8 lezen we dat de vier dieren ‘vol ogen’ waren van voren en van achter en dat ze allen ‘zes vleugels’ hadden ‘van buiten en van binnen vol ogen’. Hadewijch heeft dit detail bij haar beschrijving van de arend niet overgenomen. Wel duikt het motief in haar visioenen in een heel andere context op: in het negende visioen verschijnt haar in de geest een koningin met een kleed vol ogen:

Ic was in Nativitate Beate Marie te menttenen
ende na die III lessen wart mi vertoent
in ene geeste een lettel wonders. Mijn herte
wart mi beroert tevoren van worden van min-
nen die men daer las in die Cantiken, daer mi bi
ghedachte eens gheheels cussens. Corteleke daer-
na in dandere nocturne, soes ach ic in den geeste
dat quam ene coninginne ghecleedt met enen
guldenen clede. Ende dat cleet was al vol oghen.
Ende al die oeghen waren alle doresiende alse
viereghe vlammen, ende nochtan ghelijc cristalle.

Ik was op het feest van Maria-Geboorte bij de metten
en na de drie schriftlezingen kreeg ik in een
visioen iets wonderlijks te zien. Mijn hart
was ervoor al sneller gaan kloppen door de woorden
van liefde die men voorlas uit het Hooglied, waarbij ik
moest denken aan een volmaakte kus. Kort daarna
tijdens de tweede nocturne, zag ik in de geest
een koningin op me afkomen gekleed in een gouden
gewaad; en dat gewaad zat helemaal vol ogen en al
die ogen waren als vurige door alles heen priemende
steekvlammen en leken toch ook weer van kristal.

Ook de zes vleugels laat Hadewijch bij haar beschrijving van de arend achterwege. En ook in dit geval duikt het motief in haar visioenen in een heel andere context op: in het dertiende visioen heeft het ‘aanschijn van God’ zes vleugels:

Na dien sanc ende na die stemme wart die
nuwe hemel ontdaen. Daer openbaerde dat
aenscijn van Gode, daer hi allen heilighen ende
menschen int lancste siere ewelecheit ghenoech
met sal doen. Dat aenscijn hadde VI vloghele
ende die waren alle buten besloten ende binnen
vloghense alle uren.
Doe ontdaden buten alle die slote diere vlo-
ghele. Ende ic sach waer si vlieghen ende te
welken staden. Die II overste vlieghen in die
hoghede daer God die overste cracht der minnen
met ghebruket. Die II middelste vlieghen in
de wide der volcomenre seden der minnen. Die
II nederste vlieghen in die grondelose diepte
daer hi alle wesene in verslint. […]

Na dit gezang en na deze redevoering werd de
nieuwe hemel onthuld. Daar openbaarde zich het
gezicht van God, waarmee hij alle heiligen en alle
mensen tot in lengte van eeuwigheden vervulling
zal geven. Dat gezicht had zes vleugels en die
waren van buiten afgesloten en van binnen
vlogen ze zonder ophouden door.
Toen sprongen alle sloten open aan de buitenkant
van de vleugels. En ik zag waar ze vliegen en
waarheen. De twee bovenste vliegen tot de hoogte
waarin God de opperste kracht van de liefde
geniet. De twee middelste vliegen in de wijde
ruimte van de volmaakte levensregels van de liefde.
De twee onderste vliegen in de grondeloze diepte
Waarin hij alles verslindt.

Reynaert wijst erop dat een dergelijke voorstelling van God, voorzover hem bekend, noch in de bijbeltekst, noch in de iconografie voorkomt. In zijn artikel noemt hij nog een aantal andere voorbeelden waarbij haar godsvoorstelling afwijkt van de tekst van de Apocalyps en de iconografie. Maar dat neemt niet weg dat ze, met het oog op de herkenbaarheid en de geloofwaardigheid, een groot aantal aansprekende elementen van de gezaghebbende iconografie doelbewust in haar visioenen heeft verwerkt.

9 Engelen en andere hemelbewoners

In het laatste ‘echte’ visioen, het dertiende, wordt de mystica ontvangen door een engel die tot het allerhoogste engelenkoor behoort en dan ook het dichtst bij Gods troon staat: een serafijn. Slechts in één ander visioen, en dat is niet toevallig het eerste, wordt de rang van de engel die Hadewijch begeleidt, eveneens uitdrukkelijk genoemd. Daar gaat het om een troonengel.
Uit haar visioenen blijkt dat Hadewijch vertrouwd was met de middeleeuwse engelenleer. Volgens de middeleeuwse opvatting zijn de engelen ingedeeld in negen koren: serafijnen, cherubijnen, tronen, heerschappijen, vorstendommen, machten, krachten, aartsengelen en engelen. De indeling in negen ordes is afkomstig van Pseudo-Dionysius, een onbekende christelijke en neoplatoonse theoloog uit de vijfde eeuw, die zich voordoet als Dionysius de Areopagiet, een tijdgenoot en bekende van de apostel Paulus. Eeuwenlang verkeerden theologen in de waan dat ze met een authentiek geschrift uit de apostolische tijd van doen hadden. Vandaar dat hij veel invloed heeft gehad op de christelijke theologie en daarmee ook op de engelenleer. Volgens Pseudo-Dionysius bekleden de serafijnen, cherubijnen en tronen de eerste rang; de heerschappijen, vorstendommen, machten de tweede; de krachten, de aartsengelen en de engelen behoren tot de derde rang. Thomas van Aquino (1225-1274) nam deze rangorde over.
Volgens de in Hadewijchs tijd wijdverbreide engelenleer van pseudo-Dionysius waren er dus negen engelenkoren, die gelijkelijk verdeeld waren over drie hiërarchieën, waarvan de hoogste uit tronen, cherubijnen en serafijnen bestaat.
Het hele visioenenboek speelt zich dus af in de opperste hemelse hiërarchie, waar Hadewijch opklimt van het laagste naar het hoogste koor, van de tronen naar de serafijnen. Hieruit blijkt de excellentie van haar vertrekpositie. Al noemt Hadewijch zich in het eerste visioen nog ‘te jong’ en ‘te onvolwassen’, zij behoort daar beslist niet tot de kleine zielen, aangezien zij de twee laagste engelenhiërarchieën (of de zes laagste koren) dan al achter zich heeft gelaten. Met haar visioenenboek richt Hadewijch zich dan ook niet tot de ‘gewone’ christenen, maar tot degenen die zich geroepen en uitgedaagd weten tot het beklimmen van de hoogste toppen van het mystieke leven.

Hieronder geef ik per visioen een overzicht van de belangrijkste engelen en andere hemelbewoners die Hadewijch in haar visioenen ontmoet.
Hadewijch wordt in het eerste visioen door een troonengel rondgeleid in een soort weide, een open veld dat ‘vlakte van de volmaakte deugden’ heet. Daarin staan bomen waar ze heen werd geleid. En hun namen werden haar bekend gemaakt en de betekenis van deze namen. Haar begeleider beschikt over de gave van ‘onderscheid’: het vermogen om een handeling op haar juistheid te toetsen. Dat Hadewijch aan een troonengel speciaal deze gave toeschrijft, is wellicht te verklaren uit de opvatting van Gregorius de Grote (ca. 540-604) dat de troonengelen God bijstaan bij het vellen van zijn vonnissen.
Na de rondleiding door de vlakte van de volmaakte deugden, komt Hadewijch bij een troon en op deze troon zit Christus. Hij maakt haar zijn wil bekend. Dat doet hij in de vorm van een verbod en een gebod. Het verbod houdt in dat zij zelf niet mag oordelen, want dan eigent zij zich als mens een recht toe dat alleen God toekomt. Het gebod houdt in dat Hadewijch, wil ze God totaal bezitten, zich er niet toe kan beperken één te willen zijn met zijn godheid, maar ook op hem dient te gelijken voor wat zijn mensheid betreft. Dat betekent dat zij, zoals Christus op aarde, bereid moet zijn om op aarde een leven van ellende en lijden te doorstaan.
In het tweede en derde visioen ontmoet Hadewijch geen engelen of andere hemelbewoners, alleen God.
In het vierde visioen wordt Hadewijch toegesproken door een (niet nader omschreven) engel. Het blijkt dat deze engel met Christus moet worden geïdentificeerd. De engel deelt immers mee dat hij één is met Hadewijchs geliefde: hij is dus Christus in eigen persoon.
In het vijfde visioen ziet Hadewijch de drie engelenkoren van de hoogste hiërarchie (serafijnen, cherubijnen en tronen), die dus het nauwst in betrekking met God staan en tevens de voorafbeelding zijn van de drie goddelijke personen (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest), die Hadewijch aan het einde van dit visioen zal leren kennen. Ook ziet Hadewijch de adelaar van de vier dieren. De vier dieren maken deel uit van het hemelse hof en staan rond Gods troon (Apocalyps 4:6-7). Sinds de kerkvaders Hieronymus (ca. 347-419/420) en Augustinus (354-430) gelden zij definitief als symbolen voor de vier evangelisten: engel (mens)-Mattheus, leeuw-Marcus, stier-Lucas, arend-Johannes. Al in de oudheid werd de arend beschreven als het enige dier dat recht in de zon kan kijken. Bij de associatie arend-Johannes wordt vaak het accent gelegd op het feit dat Johannes het diepst in de goddelijke mysteriën is doorgedrongen. Johannes de Evangelist houdt een toespraak. Eerder heb ik al gewezen op de gelijkwaardigheid tussen Hadewijch en Johannes. Ten slotte ontmoet Hadewijch God.
In het zesde visioen ontmoet Hadewijch een engel en Christus. Er wordt geen nadere aanduiding gegeven van het ‘soort’ engel waarmee we te maken hebben en in welke hemelsfeer de engel zich bevindt.
In het zevende visioen verlangt Hadewijch hevig naar de eenheid met God/Christus. Er treedt een arend op als boodschapper. Het is erg waarschijnlijk dat de arend hier, net als in het vijfde visioen, de evangelist Johannes symboliseert. Vervolgens verschijnt Christus voor haar.
In het achtste visioen ziet Hadewijch een berg met vijf wegen. De vijf wegen zijn verschillend in lengte, maar komen vroeg of laat allemaal uit bij de top, die Gods eeuwige heerlijkheid voorstelt. Hadewijchs gids verschijnt als een strijder. De liefde tot God wordt immers door Hadewijch vaak als een strijd beschreven. God/Christus legt de vijf wegen uit. Het is niet helemaal duidelijk wie de strijder precies is. Aan het einde van het visioen komen we iets meer over hem te weten: net als Hadewijch heeft ook hij God op een radicale wijze bemind. De strijder heeft God echter te zeer met de rede benaderd, en die kon hem enkel leren dat God groot is en de mens klein, en dat de mens bijgevolg altijd tekort zal schieten in zijn liefde tot God. De volmaakte eenwording blijft dan buiten zijn bereik. Heeft Hadewijch hier wellicht één van de theologen of een geestelijke op het oog?
In het negende visioen ontmoet Hadewijch een gekroonde koningin met een gouden gewaad. Voor de koningin gaan drie jonkvrouwen uit. Uit het visioen blijkt dat de koningin het symbool is voor de rede van Hadewijchs eigen ziel. De drie jonkvrouwen staan respectievelijk symbool voor de heilige vrees, voor het onderscheid tussen liefde en rede en voor de wijsheid.
In het tiende visioen ziet Hadewijch hoe in een stad zo nieuw als Jeruzalem een bruiloft gehouden wordt. De bruid is Hadewijch en de bruidegom is Christus. De stad wordt versierd door ‘auriola en eunustus’. Onder ‘auriola’ verstond men in de Middeleeuwen de verheerlijking van sommige heiligen, met name de martelaren, de maagden en de kerkleraren. De betekenis van ‘eunustus’ is onduidelijk, wellicht moeten we ‘eunuchus’ lezen: mannen die niet trouwen omdat ze zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met het oog op het koninkrijk van de hemel (Mattheus 19:12). Er vinden drie toespraken plaats: van een arend (ofwel Johannes), van een evangelist (het is niet duidelijk of hiermee Johannes wordt bedoeld of een andere evangelist) en van Christus zelf.
In het elfde visioen wordt Hadewijch samen met Augustinus in de vorm van twee arenden opgeslokt door een feniks, die de goddelijke drievuldigheid voorstelt. Dat de feniks de twee arenden verslindt, betekent dat zij beide deelhebben aan de eenheid waarin de goddelijke personen elkaar beminnen. Hadewijch krijgt spijt dat zij behalve in God, ook nog behagen had gevonden in de vereniging met Augustinus. Want in de vereniging met God alléén ligt alle welbehagen.
In het twaalfde visioen staat Hadewijch voor de troon van God.  Twaalf deugden (Geloof, Hoop, Ware Trouw, Naastenliefde, Verlangen, Ootmoed, Onderschied, machtige Werken, Rede, Wijsheid, Vreedzaamheid en Lijdzaamheid) brengen de bruid Hadewijch naar de bruidegom Christus.
In het dertiende visioen ziet en hoort Hadewijch serafijnen, het hoogste engelenkoor in de hoogste hiërarchie. Deze engelen bevinden zich in Gods onmiddellijke nabijheid. In het eerste visioen hoorde Hadewijch alleen nog maar het laagste engelenkoor, dat van de troonengelen, zingen. Hadewijch heeft inmiddels dus duidelijk een ontwikkeling doorgemaakt. Nadat één van de serafijnen tot haar heeft gesproken, wordt aan Hadewijch de nieuwe hemel onthuld. Hadewijch ziet het gezicht van God. Dat gezicht heeft zes vleugels. Voor de troon van God liggen vier wezens.
De zes vleugels zijn verdeeld over drie vleugelparen. Waarschijnlijk kunnen de drie vleugelparen in verband gebracht worden met de heilige drie-eenheid.  De heilige drie-eenheid, drievuldigheid of triniteit is de theologische opvatting in veel takken van het christendom dat God bestaat uit drie heilige personen: de Vader, de Zoon (Jezus Christus) en de Heilige Geest. De terminologie ‘drie-eenheid’ wordt niet letterlijk in de bijbel gebruikt, noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament, hoewel de formuleringen Vader, Zoon en Heilige Geest er wel in voorkomen. Het dogma luidt dat de God bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest en dat deze drie personen weliswaar zijn te onderscheiden maar niet zijn te scheiden, ofwel God is één.
Zegels sluiten de vleugels en het gezicht af. De serafijnen ontsluiten de vleugels: eerst de twee middelste, daarna de bovenste en ten slotte de onderste vleugels. Ieder vleugelpaar symboliseert een aspect van de minnebeleving. Hadewijch ziet vervolgens de hemelbewoners die in het verleden, het heden of de toekomst de minne op perfecte wijze (zullen) hebben beleefd en eeuwig het aanschijn van God (zullen) aanschouwen. Zij ziet dat er 13.472 mensen zijn die in twee aspecten van de drieledige minnebeleving tot volmaaktheid zijn gekomen en 107 mensen die in de drie vormen van minne zijn volgroeid: 29 daarvan zijn al in de hemel, 73 zijn op het moment dat Hadewijch schrijft in leven (waarvan 56 volwassenen en 17 kinderen en baby’s) en 5 moeten er nog geboren worden. Zij leert vervolgens van Maria, die van de 107 volmaakten de hoogste rang bekleedt, dat ook zij, Hadewijch, tot deze groep van volmaakten behoort.
De Lijst van volmaakten geeft een zeer concrete voorstelling van de personen die de hemel (zullen) bevolken. De lijst begint chronologisch bij de grootste intimi uit de directe kring van Christus, zoals Maria, Johannes de Doper, Johannes de Evangelist, Maria Magdalena, Petrus en Jacobus. De volmaakten zijn geografisch verspreid van Palestina tot Parijs en chronologisch vanaf het vroegste christendom tot Hadewijchs eigen tijd. En om precies te zijn zelfs nog verder, want – zoals ik hiervoor al heb aangegeven – er moeten nog 5 volmaakten geboren worden. Hadewijchs selectie blinkt uit door exclusiviteit: sommigen onder de volmaakten zijn uit geen enkele andere bron bekend, zoals ene Geremina, een onbekende woestijnvader Constans en de bekeerde jodin Sara. De keuze van de volmaakten heeft een tegendraads en antiautoritair karakter: de lijst bevat buiten de mysticus Gregorius geen enkele paus en behalve Augustinus geen enkele kardinaal of bisschop. Het zijn vooral verstoten geestelijken en onbekende gelovigen die Hadewijch een plaatsje heeft gegeven. Ten slotte is de ruimte die zij inruimt voor tijdgenoten opvallend. Haar lijst is globaal chronologisch geordend en begint met 21 volmaakten van vóór Hadewijchs tijd. Vervolgens komen 8 overleden tijdgenoten en daarna maar liefst 73 volmaakten (56 volwassenen en 17 kinderen) die nog in leven zijn.

10 Afkeuring van de mystiek

Repressie was een dagelijks verschijnsel binnen het middeleeuwse christendom. De kerk was een autoritair instituut waarin de dogmatiek streng bewaakt werd. Indien ook maar de geringste twijfel rees omtrent de orthodoxie van een geschrift, moest het worden herzien. De begijnhoven wekten door hun zelfstandigheid al snel de achterdocht van de kerkelijke autoriteiten. Het is heel goed mogelijk dat vrouwen zoals Hadewijch door sommigen beschuldigd werden van ketterij. Hun doen en laten werd in ieder geval wantrouwend gevolgd en de inhoud van hun geschriften werd nauwkeurig bestudeerd.
Het is niet bekend of Hadewijch ooit verdacht of vervolgd is wegens ketterij. In haar werk laten zich echter wel diverse plaatsen aanwijzen waar zij aan de grens komt van wat destijds theologisch acceptabel was. Zo betwijfelde Hadewijch de ‘noodzaak’ van de hel. In het zevende visioen ziet Hadewijch Gods gelaat. De zogenaamde Visio beatifica was echter een zeer omstreden kwestie in de dertiende-eeuwse theologie. In het achtste visioen maakt Hadewijch met zo veel woorden aanspraak op een dieper goddelijk inzicht dan de theologen. Hadewijch ziet vijf wegen die allen leiden naar de top van een berg, dit is de hoogste minnebeleving. Maar niet elke weg brengt de mens even vlug tot het verheven doel. De ene is directer dan de andere. Eén weg overtreft al de andere: de vijfde weg. Wie deze weg volgt, geraakt dichter bij God dan wie ook. Het is de taak van haar gids, een theoloog, om haar in te wijden in vier van de vijf wegen. Echter niet in de hoogste, daarin schiet de gids te kort:

Ende een die mi daerop voerde, toende mi
hem selven. Ende alse ic daerop was, seide
hi te mi: ‘Sich hier hoe ic ben kimpe ende
rijclec ghenen ghewareghen aenscine dat al dore-
siet ende dorelicht den volcomenen diensten, dat
volleidet ende leert diviniteit ende vroetheit,
ende rijcheit gheeft aller ghebrukenessen van allen
vollen consteleken smake. Ic ben ghetoent kimpe.
Siet dat mine sierheit es alse al verwinnende ende
moghende derre dinc die al es daer de hemel ende
die hille ende die erde vore dienen. Ende ic ben
deze weghe hoechst opcomen ende gheleide di.
Ende ic ben dijn gherechte oerconde van den vieren.
Ende den vijften die dine es, die sal di oercunden de
gherechte God die hem di sende ende die hem
di sent.’

En degene die me de berg op bracht, vertoonde
zich aan me. En toen ik op de berg stond, zei
hij tegen me: ‘Zie wat ik ben: een machtig strijder
voor dat waarachtige gezicht dat de volmaakte
dienst geheel en al doorziet en doorstraalt, dat
tot het eind toe leidt en onderricht in Godskennis en
wijsheid en de rijke glans geeft aan het volle genot
van elk verfijnd gevoel. Ik vertoon me als strijder.
Noteer dat ik de versierselen draag van iemand die alles
overwint en macht heeft over datgene dat alles is waar
hemel en hel en aarde voor dienen. Ik ben deze wegen
opgekomen tot aan het hoogste punt en begeleid je.
Ik ben je betrouwbare gids op vier wegen.
De vijfde weg, die jouw weg is, zal je
gewezen worden door de waarachtige God die hem
naar je toezond en die hem naar je toezendt.’

In het achtste visioen leert Hadewijch dat leven in eenheid met Christus de weg is die leidt naar de ontmoeting met God. Dit inzicht geeft haar het recht ook anderen naar God te leiden. Deze weg leidt immers dieper in God dan die van de theologen. Deze laatste groep mensen wordt hier verpersoonlijkt door een kimpe (strijder, kampvechter), die, hoezeer hijzelf ook door liefde tot God bewogen is, het tegen haar moet afleggen. De kimpe heeft God te zeer met de rede benaderd, en die kon hem enkel leren dat God groot is en de mens klein, en dat de mens daarom altijd tekort zal schieten in zijn liefde tot God. De volmaakte eenwording blijft dan buiten zijn bereik.
Dit alles kan Hadewijch in een lastig parket hebben gebracht. Er was maar één fanatieke inquisiteur voor nodig om haar tenminste onder verdenking van ketterij te plaatsen. Er zijn in ieder geval genoeg aanwijzingen dat begijnen regelmatig beschuldigd werden ketterse ideeën aan te hangen. Die kritiek hoeft geen realiteitswaarde te hebben gehad. Begijnen waren alleen al verdacht, omdat ze geen deel uitmaakten van controleerbare maatschappelijke verbanden. In de veertiende eeuw werd die weerstand nog versterkt door economische factoren. Begijnen leefden van het werk van hun handen, zoals spinnen en weven. Omdat ze genoegen namen met minimale inkomsten, waren ze geduchte concurrentes van de gilden, die een grotere winstmarge moesten hanteren.

11 Conclusie

In de visioenen van Hadewijch wordt haar opgang in de liefde, haar groei naar mystieke volwassenheid beschreven. Hadewijch heeft hierbij haar hemel- en godsvoorstelling geheel zelfstandig vorm gegeven en verwoord. Haar visioenen staan vol met visuele en auditieve beelden. Wat ze ziet zijn allegorisch uitgebeelde morele of religieuze waarheden. Het heeft dan ook geen zin om een reconstructie te maken van op zichzelf staande uitspraken die zij over de hemel, de engelen en de overige hemelbewoners doet. Al haar uitspraken moeten geïnterpreteerd worden als samenhangende beelden in dienst van de beschrijving van haar mystieke opgang en haar eenwording met God.
Geen enkele bijbeltekst of iconografie lijkt Hadewijchs mystieke discours te hebben ingeperkt. Maar dat neemt niet weg dat Hadewijch, met het oog op de herkenbaarheid en de geloofwaardigheid van dat discours, de meest aansprekende elementen uit de bijbelteksten en iconografie doelbewust in haar visioenen heeft opgenomen.
Hadewijchs engelen, personificaties en allegorieën komen ons nu onwerkelijk voor, maar voor middeleeuwse lezers onderstreepten ze juist de authenticiteit en het belang van haar boodschap. Ook het feit dat Hadewijch haar beelden en ook vele zinswendingen meer dan eens aan de bijbel, en dan vooral aan de Apocalyps, heeft ontleend, deed voor haar tijdgenoten zeker geen afbreuk aan het gezag en de authenticiteit van haar teksten. Juist door die bijbelse verwijzingen deelde zij in het prestige van de grote visionairen uit de bijbel. Dit geldt in het bijzonder voor de evangelist Johannes, die ook de schrijver was van de Apocalyps.
Tegenover alles wat ‘nieuw’ was, stond de kerk in de tijd waarin Hadewijch leefde en schreef doorgaans wantrouwig en voor wie als haar zoveel ‘ongehoords’ te vertellen had, waren de steunpunten in de bijbel en de vertrouwde visualisering van het geestelijke bepaald geen overbodige luxe. Hoewel er binnen de wetenschappelijke traditie verschillende visies zijn op de auteursintentie en de functie van de visioenen van Hadewijch, lijkt het mij zeer aannemelijk dat Hadewijch met haar visioenen en met haar andere geschriften de twijfel onder gezagsdragers van de officiële kerk, maar ook onder kringgenoten, wilde wegnemen of háár weg nu wel de juiste was. Hadewijch wilde met haar visioenenboek haar autoriteit als visionaire en mystica vestigen.

Bibliografie

Gedrukte werken

G. de Baere: ‘Verlangde Hadewijch naar visioenen?’. In: G. van Eemeren en F. Willaert (red.): ’t Ondersoeck leert: studies over middeleeuwse en 17de-eeuwse literatuur ter nagedachtenis van prof. dr. L. Rens. Leuven: Acco, 1986, p. 55-64.

R. Faesen: Lichaam in lichaam, ziel in ziel: Christusbeleving bij Hadewijch en haar tijdgenoten. Baarn: Ten Have, 2003.

V. Fraeters: ‘Visioenen als literaire mystagogie: stand van zaken en nieuwe inzichten over intentie en functie van Hadewijchs Visioenen’. In: Ons geestelijk erf 73 (1999), afl. 2-3, p. 111-130.

G. Hofmann: Hadewijch, Das Buch der Visionen. Stuttgart-Bad Cannstatt: Frommann-Holzboog, 1998. 2 dln.

D. Hogenelst & F. van Oostrom: Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen. Amsterdam: Prometheus, 2002.

P. Mommaers: Hadewijch. Averbode: Altiora, 1989.

P. Mommaers: Hadewijch: schrijfster, begijn, mystica. Leuven: Peeters, 2003.

P. Mommaers: ‘Het visioen bij de mystica Hadewijch’. In: R. Stuip & C. Vellekoop: Visioenen. Utrecht: Hes, 1986, p. 193-204.

F. van Oostrom: ‘Missie en mystiek’. In: F. van Oostrom: Stemmen op schrift. Amsterdam: Bert Bakker, 2006, p. 333-461.

N. de Paepe: ‘Hadewijchs Vijfde Visioen en de Apokalyps: dood is niet dood’. In: K. Porteman (red.): Uut goeder jonsten: studies aangeboden aan prod. Dr. L. Roose naar aanleiding van zijn emeritaat. Leuven: Acco, 1984, p. 13-21.

J. Reynaert: De beeldspraak van Hadewijch. Tielt: Lannoo, 1981.

J. Reynaert: ‘Hadewijch en de Bijbel.’ In: E. Cockx-Indestege & F. Hendrickx (red.): Miscellanea Neerlandica. Opstellen voor dr. Jan Deschamps ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Leuven: Peeters, 1987, dl. II, p. 41-55.

J. Reynaert: ‘Hadewychs hemelvisioenen en de contemporaine iconografie’. In: M. van Vaeck (red.): De steen van Alciato: literatuur en visuele cultuur in de Nederlanden. Leuven: Peeters, 2003, p. 351-372.

F. Willaert: Hadewijch. Visioenen. Vert. door Imme Dros, met een inl. en een teksted. door Frank Willaert. Amsterdam: Bakker, 1996.

Digitale bronnen

http://www.katholieknederland.nl

De visioenen van Hadewijch
Hieronder staat een werkstuk dat ik heb geschreven in het kader van het college Hogere literatuur in het tweede semester 2006-2007 aan de Universiteit Leiden. De noten - inclusief literatuurverwijzingen - zijn weggevallen. Wie interesse heeft in een exemplaar met noten en literatuurverwijzingen kan een e-mail sturen naar marjoleingommers@home.nl