wpa6c44696.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Hieronder staat een artikel dat ik heb geschreven in het kader van de accentgroep Literatuur 1766-1900 van de opleiding Nederlands in het tweede semester 2006-2007 aan de Universiteit Leiden. Veel leesgenot!

Brieven van de Schoolmeester

Een ezel is een heer met een staart,
Dien hy van achteren draagt, als een paard.
Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de ooren.

Iedereen heeft wel eens deze of vergelijkbare versregels van De Schoolmeester gelezen of gehoord. Aan dit soort versjes dankt hij zijn imago van een brave schoolmeester. Maar wie had gedacht dat achter hem een cynicus met een dubbele moraal schuilging? Wie de ware Schoolmeester wil leren kennen moet dan ook niet zijn gedichten, maar zijn brieven lezen.
De Schoolmeester was het pseudoniem van Gerrit van de Linde (1808-1858). Hij studeerde theologie in Leiden. Zijn gevatheid, intelligentie en innemende uiterlijk maakten hem zeer geliefd onder zijn medestudenten. Hij was al vroeg literair actief als schrijver en redacteur van de Leidse Studenten-almanak. Zijn toekomst zag er rooskleurig uit en Van de Linde stond op het punt een briljant dominee te worden. Hij verwekte echter een buitenechtelijk kind bij een Leidse muzikantendochter. Maar wat erger was: een verhouding met de echtgenote van één van zijn hoogleraren lekte uit. De bedrogen echtgenoot nam maatregelen die een toekomst als dominee onmogelijk maakte. En dan waren er ook nog de schuldeisers die geld wilden zien. Uiteindelijk zat er niets anders op dan te vluchten. Eind januari 1834 stapte Van de Linde op de boot naar Engeland. In Londen bracht hij ruim een jaar werkloos en in grote armoede door. In april 1835 verbeterde zijn situatie, toen hij met financiële steun van onder andere zijn Hollandse vrienden een kostschool in Islington bij Londen kon overnemen.
Jacob van Lennep was de enige vriend die De Schoolmeester zijn hele leven trouw bleef. Tussen december 1831 en augustus 1857 schreef Van de Linde aan Van Lennep honderdvijftig brieven. De brieven vormen een verrassende verzameling die ons een totaal ander beeld geeft van de negentiende eeuw die bij velen bekend staat als een saaie en preutse tijd. De negentiende-eeuwer uit het burgerlijk milieu leefde echter met een dubbele moraal. De duistere kanten van zijn bestaan bedekte en verzweeg hij voor de buitenwereld. Gerrit van de Linde was echt geen uitzondering doordat hij een affaire had met een getrouwde vrouw, maar hij had nu eenmaal de pech dat zijn verhouding was uitgelekt. Als alles geheim was gebleven, was er niets aan de hand geweest.
Vooral in de eerste moeilijke jaren van zijn ballingschap betekende het schriftelijke contact met zijn vriend in Nederland heel erg veel voor Van de Linde. Geen klacht is zo vaak te horen in zijn brieven als die over het uitblijven van berichten van Van Lennep:

Waardste aller Vrienden, Opdat gij mij niet weder moogt beschuldigen van achteloosheid, versloffing, onverschilligheid, etc., etc., zal ik het U doen en u den huid vol schelden dat gij mijn laatsten brief nog niet hebt beantwoord. […] Beest! Waarom antwoordt gij niet; of, om juister te spreken, waarom hebt gij niet geantwoord. Zijn uwe vingers verlamd, is uw hart verlamd of is al uw geld in kalk vermorst en geen cent over om een velletjen postpapier te koopen en aan den afwezigen vriend te schrijven? Wat moet ik denken van zulk een gedrag waarover hemel & aarde wraak roept?

In 1850 gaat Van de Linde voor het eerst terug naar Nederland. Hij was bang dat zijn schuldeisers hem op de kade op zouden wachten, maar er stond geen comité van schuldeisers klaar. In die tijd haalden Van Lennep en een andere vriend hem over om te gaan schrijven voor de nieuwe almanak Holland. Van de Linde had na zijn vlucht niets meer gepubliceerd in zijn vaderland. Met enige tegenzin had hij zijn medewerking toegezegd, maar Van de Linde was bang dat zijn vrienden hem voor de gek hadden gehouden:

Ik [wil] uw verzoek gehoorzamen, ofschoon ik, op mijn woord, niet weet of het ernst of verneukerij was. Verscheur de gansche knoeikraam, of zoo er u iets uit aanstaat, waaraan ik wanhoop, gebruik het.

Het was uitgesloten dat de gedichten van Van de Linde onder zijn eigen naam gepubliceerd zouden worden. De dichter eiste anonimiteit en zo ontstond het pseudoniem De Schoolmeester, waaronder hij later grote bekendheid verwierf.
In het najaar van 1857 werd Van de Linde, die nooit een sterke gezondheid had gehad, ziek. In januari 1858 overleed De Schoolmeester. Van Lennep gaf na zijn dood zijn gedichten in boekvorm uit. Hij koos alleen de rijmpjes die niet aanstootgevend waren, maar zijn brieven bevatten ook de andere, zoals een grafschrift voor zijn overleden schuldeisers:

Hier liggen mijn crediteuren die me zoo godvergeten konden plagen
En – liggen zij er niet – och God! dan wou ik dat ze er lagen.

In 1977 publiceerde Marita Mathijsen een keuze uit de brieven van Van de Linde. De brieven werden allen van een inleiding voorzien. Eindelijk kon het grote publiek nu kennismaken met de minder brave kanten van De Schoolmeester. Zijn brieven vormen een kostbaar tijdsdocument, doordat ze ons veel vertellen over het dagelijkse leven. Het is jammer dat de brieven die Van Lennep aan Van de Linde schreef, verloren zijn gegaan. Misschien vormden ook zijn brieven, net als die van De Schoolmeester, een kijkje achter de schermen van de gemaskerde eeuw.