wpc9d1c790.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Hieronder staat een artikel dat ik heb geschreven in het kader van de accentgroep Literatuur 1766-1900 van de opleiding Nederlands in het tweede semester 2006-2007 aan de Universiteit Leiden. Veel leesgenot!

Familie en kennissen

Hij zag bleekblauw; zijn oogen stonden wijd open en staarden … Ach God, ik heb hem weer voor mij, en ik wil hem niet voor mij hebben, zóó niet, zoo afgrijselijk, zoo alsof hij met zijn zachte stemmetje vragen wil: wáárom, wáárom hebt gij mij laten stikken in dat donkere water?

In het verhaal ‘Mijn broertje’ in de bundel Familie en kennissen beschrijft HaverSchmidt niet de verdrinkingsdood van zijn broertje, maar van zijn neefje Ritse Cannegieter. Maar in de vertelling zijn ongetwijfeld ook herinneringen verwerkt aan het overlijden van zijn eigen zoontje Nico enkele jaren eerder.
François HaverSchmidt werd geboren in Leeuwarden in 1835. Hij studeerde theologie in Leiden, waar hij tijdens zijn studententijd onder het pseudoniem Piet Paaltjens de dichtbundel Snikken en grimlachjes schreef. Na zijn studie werd hij predikant in Foudgum en Raard (1859-1862), Den Helder (1862-1864) en ten slotte in Schiedam (1864-1894). In 1876 verschijnt zijn verhalenbundel Familie en kennissen, waarin zijn kinderjaren centraal staan.
De schetsen uit zijn bundel waren aanvankelijk bestemd om voorgedragen te worden. Tijdens voorleesavonden van literaire genootschappen brachten gevestigde schrijvers en plaatselijke bekendheden regelmatig eigen werk ten gehore. HaverSchmidt behoorde tot één van de meest geliefde sprekers. Terwijl het gerucht ging dat zijn kerkbanken op zondag steeds leger bleven omdat hij zo somber over de dood preekte, trok hij tijdens voorleesavonden in plaatsen als Breda, Rotterdam, Den Haag, Leiden, Amsterdam en Groningen volle zalen. Hoewel zijn verhalen alleen schriftelijk zijn overgeleverd, klinkt zijn stem nog steeds tussen de regels door. HaverSchmidt schreef immers zoals hij sprak: geen ingewikkeld gestructureerde woorden en zinnen met tallozen bijzinnen. Dat wil niet zeggen dat zijn taal simpel is, want zijn proza zit vol met dubbele bodems, humor en ironie.
HaverSchmidt had een donkere kant. Hij was een geboren melancholicus die, van moederszijde, afstamde van een familie vol predikanten, zelfmoordenaars en bijna-zelfmoordenaars. Het schrijven ontstond bij hem uit het verlangen om een gelukkiger wereld op te roepen. In zijn werk idealiseert HaverScmidt een tijd of een sfeer die voorbij is. Hij probeert zich van zijn sentimentaliteit te verlossen door deze belachelijk te maken.
Wie alle verhalen leest zonder op de hoogte te zijn van zijn biografische achtergrond, zal waarschijnlijk nooit de melancholicus achter HaverSchmidt vermoeden. Hoewel in bijna alle verhalen de dood aanwezig is en de schrijver soms misschien een wat verdrietige of sentimentele indruk maakt, komt hij niet over als de depressieve persoon die zichzelf uiteindelijk in 1894 van het leven berooft. Zijn wijze van vertellen roept namelijk altijd ironie op. Door perspectiefwisseling en inbedding van verhalen wijst hij de lezer er voortdurend op, dat de waarnemingen van de vertellers voor correctie vatbaar zijn. Ook in het verhaal ‘Mijn broertje’ ontbreekt de ironie niet. Vastbesloten om uit te zoeken wie zijn broertje heeft verdronken, beklimt de achtjarige knaap het bordes van dominee Gravius. De dreumes is aanvankelijk teleurgesteld:

Ik herinner mij dat hij een bruikachtige kamerjapon aanhad en gebloemde pantoffels en dat mij dit van hem tegenviel, want in mijn voorstelling was hij onafscheidelijk van een deftigen zwarten kleedrok, een korte broek met zijden kousen, en lage schoenen met groote zilveren gespen. Maar gelukkig vond ik het gezicht van den dominee niet veranderd.

Het knaapje aarzelt geen moment en vraagt of het waar is, dat de goede God zijn broertje doodgemaakt heeft. De dominee zegt het weliswaar niet met zoveel woorden, maar één ding wordt wel duidelijk: de dominee dacht er hetzelfde over als vader en als de timmerman. God had het gedaan.

Begreep hij dan niet dat als niemand anders dan God die verschrikkelijke daad had bedreven, ik nimmermeer met mijn moeder geloovig en troostvol zou kunnen bidden tot ‘Onze Vader in de Hemelen?’

HaverSchmidt gebruikt hier op voortreffelijke wijze het kinderoog slechts als excuus voor zijn eigen twijfels: wat is dat voor een God die een onschuldig kind laat verdrinken in een sloot?
Ondanks de moralistische ondertoon, zijn de verhalen van HaverSchmidt nog steeds de moeite waard om te lezen. Als geen ander weet hij eigentijdse onderwerpen aan te snijden, met personen uit de burgerlijke kring zonder buitensporige temperamenten of buitenissige karaktertrekken. Als dominee kende hij het volk. De sombere ondertoon die zijn boodschap vaak overstemt verraadt zijn droefgeestige aard, die hem jammer genoeg uiteindelijk te machtig is geworden.