wp9313b056.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Hieronder staat een artikel dat ik heb geschreven in het kader van de accentgroep Literatuur 1766-1900 van de opleiding Nederlands in het tweede semester 2006-2007 aan de Universiteit Leiden. Veel leesgenot!

Een liefde ... Een experiment

De roman Een liefde van Lodewijk van Deyssel uit 1887 is een experiment. Om precies te zijn een naturalistisch experiment: geheel overeenkomstig de leer van de Fransman Zola plaatst de auteur twee totaal verschillende naturen bij elkaar en bestudeert wat de uitkomst van deze ‘chemische reactie’ is, zonder daar meteen een moreel oordeel aan te verbinden. En als in veel naturalistische romans is het resultaat: ontgoocheling. De hoofdpersonen kunnen hier niets aan doen: zij zijn gedetermineerd door erfelijkheid en milieu.
De hoofdpersonen van de roman zijn de gevoelige Mathilde en de nuchtere Jozef. Mathilde is een naïef meisje. Haar seksuele ontwikkeling komt pas laat op gang. Op het moment dat ze beseft dat ze verliefd is op Jozef, kan ze moeilijk een keuze maken tussen hem en haar vader. Mathilde is ‘anders’. Haar vader maakt zich daar ernstig zorgen over: ‘Mathildes levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook bang. […] Wat kon zij woest zijn! […] Zij was bepaald een vreemdsoortig meisje […] En dan die vlagen van godsdienstigheid tusschenbeide!’ Mathilde is erfelijk belast en lijkt op haar moeder, die in het kraambed is gestorven. Haar vader is bang dat het zijn dochter net zo zal vergaan. En inderdaad, na de geboorte van haar zoontje openbaart zich bij haar een sluimerende hartkwaal die ze volgens de dokter mogelijk geërfd heeft. Mathilde lijkt ook op haar vader: ze verkiest net als hij huiselijkheid en rust boven het aangaan van sociale contacten buiten de deur. Haar wereldvreemdheid is een direct gevolg van de opvoeding door haar vader die een teruggetrokken bestaan leidt. Jozef kent Mathilde al sinds haar kinderjaren. Hij handelt in effecten, maar hij komt niet bepaald over als een zakenman. Hij is te afwachtend, te voorzichtig. Hij houdt van mooie vrouwen en hij wil graag met Mathilde pronken. Op z’n tijd heeft hij behoefte aan een stevige vrijpartij. Maar ook hij is erfelijk belast: hij heeft van zijn vader initiatiefloosheid en goedaardige degelijkheid geërfd.
Al in het begin van de roman wordt het duidelijk dat het mis zal gaan tussen het liefdespaar. Hun verwachtingen van het huwelijk komen niet met elkaar overeen. De verwachtingen van Mathilde zijn vaag: ze vindt Jozef mooi, krachtig, zelfstandig. Vol verlangen kijkt ze uit naar haar huwelijk en de gelukkige tijd die zal volgen. Jozef is concreter in zijn verwachtingen: hij wil een vriendelijke, goede, mooie, geile, wettige vrouw. Hij wil zich met haar kunnen vertonen, maar hij wil ook thuis zowel geestelijk als lichamelijk wat aan haar hebben. Ze moet er geen (religieuze) bekrompen opvattingen op na houden. Aan dit alles lijkt Mathilde te voldoen. Maar tijdens de huwelijksreis treden de verschillen al op de voorgrond: het geloof in God is voor Mathilde heel erg belangrijk, terwijl dat Jozef helemaal niets zegt. Tijdens haar zwangerschap komen de verschillende opvattingen weer duidelijk naar voren: Mathilde is voor een strenge, Jozef voor een zachte, toegeeflijke opvoeding. Na de bevalling blijkt Mathilde niet gezond te zijn en Jozef zoekt zijn verzetjes steeds vaker buiten de deur.
In de roman is de erotiek zeer nadrukkelijk aanwezig. Van Deyssel lijkt niet terug te schrikken voor het aan de orde stellen van dit taboe. Niet alleen Jozefs behoefte aan seks, maar ook Mathildes erotische gevoelens komen uitgebreid aan de orde. Ook op dit punt schetst Van Deyssel een grote tegenstelling tussen de hoofdpersonen. Jozef komt vaak over als een platvoerse kerel door opmerkingen als ‘Hij voelde b.v. nooit zelfs trek om haar te naayen’ en ‘Jozef zat te geilen als een gek’. Dit staat in stil contrast met Mathildes dromerijen.
De openlijke beschrijving van seksuele gedachten en daden riepen na het verschijnen van de roman direct veel weerstand op. Vooral de masturbatiescène van Mathilde in hoofdstuk XIII heeft in de negentiende eeuw veel ophef veroorzaakt. ‘Daar staan dingen in, waar men in gezelschap niet over spreekt’, luidde bijvoorbeeld één van de kritieken. Van Deyssel verdedigde zich door te stellen dat erotiek een wezenlijk onderdeel is van de werkelijkheid en het is nu eenmaal de taak van de auteur om deze zo objectief mogelijk te beschrijven.
De kritiek op de onzedelijkheid had grote gevolgen. De tweede druk verscheen pas in 1889 en Van Deyssel had de tekst ingrijpend gewijzigd. In het Voorbericht deelde de schrijver mee: ‘De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene gelegenheid werd gevonden een nieuwe uitgave behoorlijk verzorgd te zien, tenzij met wijzigingen.’ In 1974 was de eerste, ongekuiste, druk zo zeldzaam geworden dat hij in een aantal bibliotheken wel kon worden ingezien, maar doorgaans niet werd uitgeleend. De fotografische heruitgave maakte het toen eindelijk iedereen mogelijk kennis te nemen van deze ‘onzedelijke’ roman.
Maar het meest opvallende aan de roman is volgens hedendaagse normen misschien niet zozeer de erotiek, maar de woordkunst. Om de indrukken en de gevoelens van vooral Mathilde zo precies mogelijk weer te geven, vond van Deyssel de gewone taal niet toereikend. Hij gebruikt daarom woorden in een afwijkende woordvolgorde of hij maakt opmerkelijke combinaties van woorden. Soms bedenkt hij zelfs nieuwe woorden. Deze zogenaamde écriture artiste is vooral aanwezig in het ‘beruchte’ hoofdstuk XIII, waarin Mathilde letterlijk en figuurlijk een hoogtepunt beleeft: ‘Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heengedragen door de kleurenverbijstering. Haar ogen doofden uit. Eén even ontstaken zij weer. Toen zag zij alles met witkrullende wit-blauwe gazen en vlekken gans-blauw beneveld. Haar benen krompen samen omhoog, haar buik huiverde te-rug. Haar schrikkende handen grepen naar haar geslachtsdeel. Het slijm sapte uit haar openzijgende mond, hete trillingen ijlden in haar achterhoofd, haar geslachtsdeel spoog zijn wellustvocht in het stijve stugge hemd. Haar ogen snikten hun hete tranen uit, die als zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.’
De hiervoor geciteerde passage is in de tweede druk geschrapt, maar volgens Van Deyssel opvallend genoeg ‘niet om te gemoet te komen aan de publieke opinie; maar om dat in der daad de auteur deze passage een letterkundige fout achtte. Bij nader inzien achtte de auteur deze plaats een letterkundige fout om dat de plaats in verband met zijn omgeving, louter literair beschouwd, een veel te sterke, te krasse, en dáarom disharmonische noot was. En deze plaats was zoo geworden, om dat hij meer een theoretische demonstratie (de demonstratie eener theorie) dan een kunstbestanddeel uitmaakte. Hij was het voorbeeld in een betoog voor de volstrekte vrijheid der kunst. En het aanbrengen van een betoog-voorbeeld midden in een kunstwerk was een fout.’
In het laatste hoofdstuk, dat slechts een enkele bladzijde beslaat, wordt het nuchter aanvaarden van de mislukking prachtig weergegeven. De ‘koortsige dromen’ zijn voorbij en Mathilde wordt een gewone deftige dame. Einde experiment.