wpdb8a3b0e.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Hieronder staat een artikel dat ik heb geschreven in het kader van de accentgroep Literatuur 1766-1900 van de opleiding Nederlands in het tweede semester 2006-2007 aan de Universiteit Leiden. Veel leesgenot!

Nummer elf

‘Literatuur? Uit de negentiende eeuw nog wel? Mij niet gezien! Over Indië? Ga toch weg!’ Generaties middelbare scholieren zijn tijdens hun lessen Nederlands geconfronteerd met literatuur zonder ervan te genieten. Zij hebben vast nooit een werk van P.A. Daum (1850-1898) gelezen. Als hoofdredacteur/eigenaar van twee Indische kranten schreef hij in tien jaar tijd een tiental romans, die hij in feuilletonvorm onder de schuilnaam Maurits in zijn eigen kolommen publiceerde. Later verschenen zijn romans in boekvorm.
Daum was een groot liefhebber van het werk van Zola en hij sprak er meermalen zijn bewondering over uit. Ook Daums eigen literaire opvattingen hadden zich ontwikkeld in Zola’s naturalistische richting. Het naturalisme streefde naar het weergeven van de werkelijkheid, realistisch en zonder idealisering. Niet alleen in zijn journalistieke, maar ook in zijn literaire werk schetste Daum een realistisch beeld van het dagelijks leven in de kolonie. Een ander kenmerk van het naturalisme zijn de determinerende omstandigheden: de personages zijn niet zelf schuldig aan hun daden, maar zij worden beheerst door krachten die sterker zijn dan de wil van de mens. Klassiek naturalistisch is de nadruk die men legt op erfelijke factoren, maar in andere romans speelt het milieu een belangrijker rol. Zo is in Nummer elf de Indische samenleving bepalend voor de gebeurtenissen.
In tegenstelling tot sommige naturalistische romans van collega-schrijvers, is het werk van Daum vandaag de dag nog steeds uitstekend leesbaar. Wat is het geheim van honderd jaar leesbaarheid? Daum zette zich in de eerste plaats af tegen de typisch Hollandse woordkunst, die hij denigrerend bestempelde als ‘woordenpraal’ en ‘klinkende fraseologie’. Zijn eigen schrijfstijl was, zeker voor die tijd, sober en helder. Maar de grootste kracht van Daum is het inzicht dat hij heeft in het innerlijk van mensen. Heel gewoon, alledaags zijn de figuren, die de schrijver laat passeren. Hij weet precies de beweegredenen van het handelen van mensen te beschrijven. We volgen de gebeurtenissen niet door de ogen van één, maar door de ogen van verschillende personages. Door regelmatig van perspectief te wisselen geeft hij de lezer informatie die de romanfiguren niet hebben. In zijn romans heeft Daum een vrij volledige inventarisatie gegeven van de aspecten die het leven van Nederlanders in de Oost bepaalden: van roddellust en strijd om status tot gokzucht en carrièredrang. Maar het onderwerp dat de gemoederen wellicht het meest heeft beziggehouden, was het concubinaat: de relatie van een blanke man met een inlandse vrouw (en niet zelden meer dan één).
Hoe was het concubinaat ontstaan? Van oudsher waren het vooral mannen die kozen voor een avontuurlijk bestaan en hun geluk in de verre kolonie Indië zochten. Het vrouwvolk dat meekwam uit Europa was aanvankelijk van laag allooi. Wat te doen? De zeventiende-eeuwse gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen wilde nette Hollandse dames importeren, maar uiteindelijk gaf de Vereenigde Oostindische Compagnie daar niet de voorkeur aan. Het voorrecht een vrouw mee naar de Oost te nemen bleef voorbehouden aan kooplieden en militairen van hoge rang. Europese vrouwen waren te duur vanwege de overtocht, stelden te hoge eisen en zouden hun echtgenoot daardoor aanzetten tot corruptie. Het voordeel van Aziatische vrouwen was, dat zij de mannen vertrouwd maakten met het land, dat ze minder hoge eisen stelden, en het verlangen om terug te keren naar het moederland niet stimuleerden. Bovendien bleken de kinderen uit verbintenissen tussen Europeanen en Aziaten beter bestand tegen het tropische klimaat. De jongens traden in dienst van de VOC en de meisjes trouwden met uit Holland aangekomen employés. Het beleid van de Compagnie leidde tot scheve verhoudingen in de maatschappij. Rond 1880 waren er in Indië op duizend Europese mannen nog geen vijfhonderd Europese én Indo-Europese vrouwen. Veel mannen leefden samen met een inheemse, Indo-Europese, Chinese of Japanse concubine of njai. Wanneer men op iets oudere leeftijd met een Europese vrouw wenste te trouwen, werd de relatie met de njai beëindigd, vaak met niet meer dan een financiële vergoeding voor de bewezen diensten. De meeste huishoudsters schikten zich in hun lot, maar anderen namen wraak. Het Indische concubinaat en de al dan niet vanwege een huwelijk verstoten njai en haar wraakneming vormen steeds weer terugkerende motieven in de koloniale literatuur. Zo ook in Nummer elf (1893). Deze roman bevat de geschiedenis van George Vermey die in verband met zijn huwelijk met de Europese Lena Bruce zijn njai (concubine) Yps Nesjai afdankt. Yps wreekt zich door de vrouw van de vroegere heer te laten vergiftigen, haar een pil ‘nummer elf’ te geven, zoals dat in Indië werd genoemd.
Hoofdfiguur van de roman is dus George. Op een bepaald moment zet hij zijn zinnen op de in Indië geboren Nederlandse Lena Bruce. Er is geen sprake van oprechte verliefdheid van zijn kant, maar berekening: de uitzicht op een aanzienlijke erfenis die zij kan verwachten van haar moeder. Het enige obstakel is, dat George met een concubine samenleeft. Lena wenst daarvoor haar onbesproken gedrag niet op het spel te zetten. De rest van de roman probeert George zich te ontdoen van zijn njai en alsnog de gunst van Lena te winnen. Uiteindelijk stuurt George zijn njai weg en het stel trouwt. Yps wil echter haar luxe leventje, en dat van haar moeder, niet opgeven en ze grijpt alles aan om ‘Sjors’ opnieuw voor zich te winnen. Als alle pogingen daartoe lijken te mislukken, laat ze zijn Europese echtgenote uit wraak vergiftigen.
Op het graf van de arme Lena kwam een mooie glanzende marmeren steen, met een aandoenlijke inscriptie; slechts nu en dan zei nog de eene bezoeker van het kerkhof tot den anderen, dat die dame, ook een pil ‘nummer elf’ had gehad. Maar het was gauw vergeten. De boomen in Indië zijn altijd groen!
Daum schept in zijn roman een realistisch en niets verhullend beeld van de werkelijkheid. Een belangrijk personage in de roman is Jan Voirey, een volle neef van Lena. Deze miljonair komt naar Indië om te onderzoeken of hij er zijn geld winstgevend zou kunnen beleggen. Hij minacht de inlandse bevolking.
‘’t Is hier een akelig land, Leentje.’ […] ‘Zie je Leentje,’ ging hij voort met kleine teugjes drinkend, ‘het is zoo jammer, een volk zoo beroerd te zien, als je nagaat wat het wezen kon. Waarom leggen die lammelingen zich nu niet op wat anders toe, dan die kinderachtige rijstcultuur en nog zoo’n beetje onwaardig goed? Wat goede zaken kan niet de landbouw hier voortbrengen: mooie suiker, uitstekende koffie, prachtige thee, goede tabak, fraaie indigo, - maar dat werpt zich unaniem op rijst en nog eens rijst, - het slechtst loonend product, en laat de rest maar aan vreemden over.’
Lena stelt zich, zoals veel vrouwen in Daums romans, veel genuanceerder op.
‘Van jou kan ik het nog aanhoren, omdat je maar oppervlakkig oordeelt en niet beter weet. Ik kan het je ook niet zeggen, wat het is; het goede in dit land moet men ondervinden, langzamerhand; juist dáárom is het zoo gemakkelijk te loochenen.’
Geen schrijver is er in geslaagd zo’n indringend en realistisch beeld te geven van de Europese samenleving en het concubinaat in de Oost als Daum heeft gedaan in dit boek.