wpb017e4dd.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Samenvatting

Marita Mathijsen: Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880

Wat me direct opviel, was de opbouw van het boek. Ik verwachtte een ‘traditionele’ literatuurgeschiedenis te gaan lezen, waarin chronologisch alle belangrijke schrijvers en werken behandeld zouden gaan worden. Maar al snel kwam ik tot de ontdekking dat ik hier met een heel ander soort boek te maken had. Hoe is het boek opgebouwd? Uit de bibliografie blijkt dat Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880 een verzameling van artikelen is die allen in de periode 1975-2002 reeds zijn gepubliceerd. De auteur heeft alle stukken voor dit boek herzien.

De eeuw van de passie
Het eerste artikel gaat in op de omstreden term ‘romantiek’. Terecht wijst Marita Mathijsen op het feit dat er geen algemeen aanvaarde omschrijving is van deze term en onder veel wetenschappers bestaat zelfs een zekere schroom om deze term in de mond te nemen. Dit neemt echter niet weg dat de term ‘romantiek’ voor de negentiende eeuw wel degelijk gebruikt wordt. Het is de taak van literatuurwetenschappers om helderheid te scheppen in dit soort terminologie. Hiertoe doet ze een poging in het tweede artikel ‘Het flesje van de kwakzalver’.

Het flesje van de kwakzalver
In dit artikel wordt allereerst de geschiedenis van de termen ‘romantisch’ en ‘romantiek’ geschetst. Naar mijn mening is dat een heldere uiteenzetting, totdat ze aan het einde van het artikel een soort definitie van de term probeert te geven. Deze definitie roept bij mij juist meer vraagtekens op dan oplossingen. Marita Mathijsen schrijft: ‘In de negentiende eeuw zelf wordt de term ‘romantisch’ steevast toegekend aan een aantal werken en aan een groep schrijvers die een paar gemeenschappelijke kenmerken hebben, zoals het doorbreken van genre- en vormregels, het introduceren van historische stof en het werken met contrastrijke voorstellingen. Zouden wij nu slimmer dan de negentiende eeuw moeten zijn en dat wat zij zelf romantisch noemt, bestempelen als niet-romantisch of althans niet romantisch genoeg? Waaraan ontlenen wij dan onze normen voor ‘echte’ romantiek? (p. 22-23)’ Er wordt zonder meer van uitgegaan dat de negentiende-eeuwers een duidelijk beeld hadden van wat romantisch was. Maar is het niet zo dat wij nu het voordeel hebben dat we bepaalde tendensen kunnen zien die toen onopgemerkt bleven? Bovendien betekent door die schrijvers romantisch te noemen die toen al romantisch genoemd werden, dat Bilderdijk geen romanticus was. De term werd destijds namelijk vooral gebruikt voor een groep jonge student-auteurs in het midden van de jaren ’30 van de negentiende eeuw.

Jong Holland
In dit artikel wordt betoogd dat vooral de jongeren in Nederland beïnvloed werden door de romantiek. Er ontstond een grote literaire bedrijvigheid bij een aantal Leidse en Amsterdamse studenten. De Leidse studenten, die zich organiseerden in de Romantische Club, zijn ons allen wel bekend. Marita Mathijsen vestigt echter ook (als hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam) de aandacht op de wat minder bekende Amsterdamse vrienden.
Hoe drie vrienden een jonggestorven schrijver romantiseerden
Dit artikel gaat over de op 24-jarige leeftijd gestorven Aarnout Drost. We lezen van alles over de jonge schrijver en zijn vrienden, maar één ding ontbreekt: we lezen nergens welke vaderlandse stof Drosts debuut, de historische roman Hermingard van de Eikenterpen (1822), behandelt (namelijk Germaanse stammen in de buurt van het huidige Arnhem die in opstand komen tegen de Romeinse overheersers).

Bilderdijk en de Leids student-auteurs
In dit artikel staat het grote voorbeeld van de student-auteurs centraal: Willem Bilderdijk. Eén, naar mijn mening zeer essentieel punt, ontbreekt: de politieke, godsdienstige en literaire opvattingen van Bilderdijk komen nauwelijks aan de orde. Het is vreemd dat Marita Mathijsen Bilderdijk wel vermeldt als grote poëticale invloed op deze generatie, maar nergens dieper ingaat op zijn poëtica. Ook Bilderdijks leerling Isaäc da Costa wordt maar terloops genoemd.

Kritiek op de romantiek
De waarschuwende geluiden tegen de romantiek worden beschreven in dit artikel. De polemiek rondom het hekeldicht Hippokreen-ontzwaveling komt uitvoerig aan de orde.

Werkelijkheidsverzaking in de negentiende eeuw
Dit artikel betoogt dat de vervalsing in de eerste helft van de negentiende eeuw toonaangevend is geworden. Het gewone werd te banaal voor de letterkunde geacht, en alleen het extreme en tegennatuurlijke, de verkrachting van de werkelijkheid, kreeg de aandacht. Het voornaamste esthetische principe werd de contrastwerking. Een prachtig betoog, maar ook hier geldt wat mij betreft weer dezelfde kritiek: Marita Mathijsen besteedt te weinig aandacht aan de literaire werken zelf.

De mythe terug
In dit artikel daagt Marita Mathijsen alle literair-historici uit om te proberen nieuwe mythes te creëren door op originele manier verbanden te leggen tussen de onsamenhangende feiten van de literatuur. Een beetje meer durf in het vak zou volgens haar geen kwaad kunnen. Ze doet zelf de eerste aanzet: in de Camera Obscura van Nicolaas Beets lezen we over Pieter Stastok aan de biljarttafel. Volgens Mathijsen is het edele balspel echter een duidelijke verwijzing naar een andere balsport … Mathijsen baseert deze interpretatie op het feit dat de jongeling bleek, eenkennig, eenzelvig, lusteloos, achterbaks, angstig, niet sportief en gierig zou zijn. Hij neemt geen deel aan het studentenleven. Precies die uiterlijke kenmerken en karaktergebreken worden opgesomd in de moraalboekjes waarin gewaarschuwd wordt voor onanie. Bovendien draagt Pieter een bril, wat in de vroege negentiende eeuw als een signaal van de eenhandige zonde gold. Voor mij gaat deze interpretatie veel te ver. Een beetje meer durf binnen het vakgebied zou inderdaad misschien geen kwaad kunnen, maar Mathijsen is in al haar enthousiasme in dit artikel toch echt te ver gegaan.

De minachting voor de negentiende eeuw
In dit artikel wordt de geschiedenis van het cliché dat de negentiende eeuw in Nederland niets voorstelt uitvoerig weergegeven. Mathijsen schrijft: ‘volgens het gangbare beeld overheerste de jansaliegeest op alle fronten’. Om over mythes te spreken: veel mensen, waaronder duidelijk ook Mathijsen, menen dat de bedenker van Jan Salie de beroemde negentiende-eeuwse schrijver Potgieter was. Dat klopt echter niet: in 1622 schreef Willem Dirksz. Hooft al een klucht met de titel Jan Saly. Potgieter bedacht deze naam weliswaar niet, maar hij heeft er natuurlijk wel voor gezorgd dat deze naam ook nu nog bekend is.

De aanval op de prulpoëten
In dit artikel wordt de rol van de tijdschriften in het Nederlandse poëziedebat tussen 1825 en 1840 beschreven. Mathijsen beschrijft het driestromenland in de poëzie van de eerste decennia van de negentiende eeuw. Feith, Tollens en Bilderdijk zijn hierbij de vertegenwoordigers van verschillende opvattingen. Net zoals in één van haar eerdere stukken in dit boek, komt Bilderdijk ook hier weer niet goed uit de verf. En niet omdat zij hem in dit artikel een afgetobde man noemt en eerder al schreef dat hij met al zijn doodsgereutel toch nog 73 jaar is geworden (of was hij nou 75 geworden?). Ze is blijkbaar niet in staat om de poëtica van Bilderdijk in essentie weer te geven. Nergens spreekt ze over Bilderdijk als priester of profeet. Het tijdschriftendebat wordt in ieder geval wel (te?) uitvoerig beschreven. Gelukkig neemt Mathijsen op pagina 108 een schematisch overzicht op van samenhangende tijdschriften. Tussen de ontelbare namen van tijdschriften en medewerkers komt de paradox die zij waarneemt duidelijk naar voren: alle bladen die zich verzet hebben tegen de huiselijke poëzie blijken één grote familie te vormen.

De Belgische opstand als spelbreker voor het nationaal editeren
In dit artikel wordt het mij nu eindelijk eens duidelijk waarom de Noord-Nederlandse geleerden en auteurs de Middeleeuwen links laten liggen en zich richten op het erfgoed uit de zeventiende eeuw, terwijl in de rest van Europa bijna alle sjibboletteksten van de negentiende eeuw wel ontleend zijn aan de Middeleeuwen. In 1831, bij de Belgische Revolutie, wilde België een eigen natie vormen. Er ontstond een scheiding tussen Noord en Zuid. De Middeleeuwen konden niet langer gezien worden als een periode waarop men in Holland trots kon zijn. De belangrijke teksten uit de middeleeuwse periode werden immers in het zuiden gevonden, meer dan in het noorden. Klinkt allemaal aannemelijk … maar vergeet Mathijsen hier niet het vermelden van de hofliteratuur aan het Hollands-Beierse hof waar Frits van Oostrom zijn schitterende werk Het woord van eer over heeft geschreven?

Literatuur als leefwijze: vanzelfsprekendheden in de literatuur
In dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat de literatuurhistoricus rekening moet houden met negentiende-eeuwse vanzelfsprekendheden. Er wordt gesproken over leesgezelschappen, de rol van het literatuuronderwijs (of het ontbreken daarvan), de schrijver als moralist, maar wat de concrete impact daarvan op de literatuur was, blijft nogal vaag.

Geschreven met het vergrootglas
Dit artikel behandelt het realisme. Een duidelijk artikel. De maatschappij van de negentiende eeuw wordt gezien als een zieke die verpleegd moet worden om weer op krachten te komen. De functie van literatuur is verbetering van de maatschappij, en juist de realistische literatuur leent zich daarvoor.

Spelling in de negentiende eeuw
De strijd tussen Siegenbeek en Bilderdijk staat centraal in dit artikel. Het is amusant om te lezen over het gekrakeel tussen deze Leidse wetenschappers. Jammer genoeg mondt het artikel uit in een eindeloze opsomming van de verschillen in de spelling van beide kopstukken. Hier verliest ze de lezer, net als in haar volgende artikel.

Concurrentie voor De Gids
Dit artikel is niets anders dan een opsomming van literaire tijdschriften tussen 1835 en 1845 waar geen eind aan lijkt te komen. Mathijsen probeert een indeling te maken van de tijdschriften in zes groepen. Koste wat kost probeert ze ieder tijdschrift in een bepaald hokje te duwen. Mijn conclusie: het saaiste artikel tot nu toe.

Lezen in het verleden
Dit artikel gaat in op een verschijnsel dat in de achttiende eeuw is ontstaan: leesgenootschappen. De eerste leesgenootschappen moeten niet in de literaire hoek gezocht worden. Zij bespraken vooral vakboeken, bijvoorbeeld op het gebied van godsdienst, medicijnen en politiek. Vanaf de negentiende eeuw kwamen er steeds meer leesgenootschappen die zich op de schone letteren richtten. Ik vind dit een zeer goed artikel, zelfs het beste dat ik tot nu toe van Mathijsen gelezen heb. Het artikel schetst kort en bondig een duidelijk beeld van de leden en het functioneren van leesgenootschappen.
Mathijsen begint dit artikel met de mythe over Laurens Janszoon Coster: eeuwenlang is beweerd dat hij de uitvinder van de boekdrukkunst was. Volgens overlevering deed Coster de uitvinding bij toeval in het stadsbos de Haarlemmerhout, toen hij in een park stukjes beukenschors in de vorm van letters sneed, die op het moment dat ze op de grond vielen een afdruk in het zand achterlieten. Inmiddels gelooft bijna niemand meer in deze mythe en tegenwoordig geldt Johannes Gutenberg als uitvinder van de boekdrukkunst. Maar is dit op zichzelf ook geen mythe? De veelgehoorde bewering dat Gutenberg de boekdrukkunst zou hebben uitgevonden, is misleidend. De blokdruk bestond al langer, maar Gutenbergs verdienste bestaat vooral in het gebruik van losse letters. Daardoor hoefde niet langer een hele bladzijde uit één blok te worden vervaardigd. Als zo’n bladzijde achteraf moest worden gecorrigeerd en geredigeerd, dan moest er een heel nieuw blok worden gesneden. Door Gutenbergs uitvinding werden correctie en redactie gemakkelijker en goedkoper; kleine verwisselingen in het zetsel waren nu voldoende.
Ik heb slechts één punt van kritiek. Mathijsen licht niet toe waarom analfabetisme in de zuidelijke provincies hoger lag. Ik denk niet dat alle lezers dit meteen zullen begrijpen. De noordelijke provincies waren natuurlijk overwegend protestants en de zuidelijke provincies katholiek. Het was vooral de Hervormde kerk die zorg droeg voor onderwijs, omdat zij vond dat iedereen zelf de bijbel moest kunnen lezen. Het katholieke deel van de bevolking was van dit onderwijs uitgesloten, zodat het percentage analfabeten daar een stuk hoger lag. Het volgende stuk besteedt aan deze kwestie meer aandacht.

Gij zult niet lezen. De geschiedenis van een gedoogproces
Dit artikel is de tekst van de vijfde Bert van Selm-lezing. Het duurde even voordat mij duidelijk werd wat eigenlijk het onderwerp van deze tekst is, maar ondertussen ben ik de lange aanloop van Mathijsen wel gewend. Onder andere door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd in de negentiende eeuw het lezen sterk bevorderd. Mathijsen schenkt in deze tekst aandacht aan de tegenbeweging, waarbij de nadruk ligt op de eerste helft van de negentiende eeuw. De bezwaren tegen het lezen kwamen vooral uit confessionele hoek. Volgens de auteur is er een elftal bezwaren dat steeds opnieuw door schrijvers van protestantse huize ingezet wordt tegen het lezen. Met behulp van sprekende citaten wordt dit elftal aan de lezer voorgesteld. De katholieke bestrijders bedienen zich nog van twee extra argumenten. Uiteindelijk verloren de tegenstanders van het lezen het pleit.
Volgens Mathijsen heeft de brochure Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) Da Costa niet veel goeds gebracht. Mijn eigen indruk is dat dit wel meevalt. Werd Da Costa immers niet in 1839 gekozen als lid van het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten? Of was dit omdat Da Costa inmiddels afstand had gedaan van zijn oude ideeën?

Literaire subsidies in de negentiende eeuw?
In dit artikel wordt ingegaan op de vraag hoe de overheid in de negentiende eeuw de letterkundigen ondersteunde. De overheid lijkt zich in die jaren verre te houden van ondersteuning, dit in tegenstelling tot de initiatieven van particulieren. Structurele overheidssubsidiering van literatuur is pas iets van de tweede helft van de twintigste eeuw.
Mathijsen beschrijft haar onderzoek naar het letterkundebeleid van Koning Willem I. Terecht wijst ze op de beperkingen van haar onderzoek. De resultaten van haar onderzoek zijn soms verrassend. Ik had nooit gedacht dat de aanbieding van een eenvoudig dichtstuk vijfmaal op de agenda van Binnenlandse Zaken verscheen. En dat alleen maar omdat de dichter geen ander doel had dan een bedankbrief van de koning te ontvangen!
In dit artikel mis ik één aspect: de overheid als initiatiefnemer voor literaire steun. De eerste officiële regeling van de spelling dateert van 1804. Was het niet de regering die de Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek vroeg om een uniforme spelling op te stellen. En was het niet dezelfde overheid die bij deze gelegenheid de predikant Petrus Weiland verzocht een grammatica te schrijven? Was het niet de overheid die in 1851 na opheffing van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen de Koninklijke Akademie van Wetenschappen oprichtte en in 1855 het oorspronkelijke doel (‘bevordering der Wis- en Natuurkunde in haren gehelen omvang’) uitbreidde tot ‘bevordering der taal-, letter-, geschiedkundige en wijsgerige wetenschappen’. Ten slotte: vond ook de Koninklijke Bibliotheek niet in deze periode zijn oorsprong? Het betreft hier weliswaar geen steun aan individuele letterkundigen, maar deze overheidsinitiatieven leverden in mijn ogen wel een belangrijke, misschien zelfs onmisbare, bijdrage aan de ontwikkeling van het literaire klimaat in Nederland in de negentiende eeuw.

Een romantische en realistische interpretatie van ‘Waanzinnig Truken’
In dit artikel staat het verhaal Waanzinnig Truken (1844) van Johannes Kneppelhout centraal. Truken is een vreemd en mysterieus meisje dat zelfmoord pleegt door verdrinking. Sommige letterkundigen (zoals Knuvelder) vinden dit een verhaal met typisch romantische aanzetten. Volgens Mathijsen is dat wat romantisch cliché lijkt, bij nadere beschouwing een exacte beschrijving van een ziektebeeld, namelijk autisme. Ik vind het positief dat Mathijsen opmerkt dat het meisje wel eens aan autisme zou kunnen lijden, maar ik zou de theoretische bewijsvoering die volgt liever overlaten aan specialisten op dat gebied, zoals pedagogen. Persoonlijk vind ik dus dat een dergelijke uitgebreide beschouwing over autisme niet door een literatuurhistoricus geschreven moet worden en niet in een literatuurgeschiedenis thuishoort. Zoals gewoonlijk draaft Mathijsen in haar conclusies ook nu weer te veel door. Ze schrijft: Het kindje heeft in haar spiegelbeeld de engel van de dood herkend en hem omhelsd, als het ware in zichzelf als de dood herkennend. Daarom wilde het niet van de wereld weten. Het kind was onthecht aan het aardse, omdat het een ‘kindeke van de dood’ was. De dood leek haar schoner dan het leven en Truken was in haar verliefdheid op haar spiegelbeeldige schoonheid verliefd op de dood. In mijn ogen is dit een waanzinnige conclusie, het is psychologie van de koude grond. Volgens mij zag Truken gewoon het gevaar van het water niet en is ze per ongeluk verdronken. Ze verlangde helemaal niet naar de dood.

‘Wij loopen met die soort van grappenmakerij niet hoog’. Over de humoristische dichtkunst en de poëzie van De Schoolmeester
In dit artikel vergelijkt Mathijsen de poëzie van De Schoolmeester met andere humoristische gedichten uit zijn tijd. De poëzie van De Schoolmeester is uniek door de vele knittelverzen (metrumloze poëzie), de dwaze beeldspraak, de dolle personificaties, het samenvoegen van incongruenties, de overbodige toevoegingen. Eén ding heb ik van dit artikel geleerd: De Schoolmeester schreef geen saaie moralistische gedichten, maar humoristische gedichten die knap vormgegeven zijn en nog steeds een glimlach op iemands gezicht kunnen toveren. De conclusie van Mathijsen vind ik niet erg sterk: de humoristische poëzie zou niet als afwijkend kunnen worden gezien omdat de literaire humor nog geen conventies kende. En dus was het ook niet mogelijk dat de conventies overschreden werden.

De maagdelijke pen. Over ‘Twee vrouwen’ uit de negentiende eeuw
In dit artikel staat Twee vrouwen (1840) van Betsy Hasebroek centraal. Mathijsen vraagt zich af waarom er geen eigentijdse recensies van het boek gepubliceerd zijn. Een duidelijke conclusie geeft Mathijsen niet. In mijn ogen is dit geen geweldig artikel. Er moet toch wel meer te vertellen zijn over vrouwelijke auteurs en het beeld van vrouwen in de literatuur?

De orale moraal van het verhaal. François HaverSchmidt als verteller en voordrager
In dit artikel gaat Mahijsen na waarom François HaverSchmidt zo geliefd was als verteller en voordrager. Ze heeft goed gebruik gemaakt van secundaire bronnen waarin mensen aan het woord komen die een voordracht van HaverSchmidt hebben bijgewoond. Ik kan mezelf zo’n voordracht best voorstellen. Toevallig heb ik enige tijd terug het verhaal Een portretalbum zelf gelezen en ik kan het een ieder aanraden (trouwens: de gehele bundel Winteravondvertellingen is een echte aanrader).

Dubbel verlies. De eerste vertaling van Heinrich Heine’s ‘Deutschland. Ein Wintermärchen’ in Nederland
In dit artikel probeert Mathijsen de bron te achterhalen die ten grondslag heeft gelegen aan Duitschland. Een wintersprookje van Jan Kneppelhout. Het oorspronkelijke werk is Deutschland. Ein Wintermärchen van de Duitser Heine. In Duitsland werd dit werk beschouwd als een verboden boek. Er verscheen zelfs een gecensureerde versie van dit sprookje. De speurtocht naar de juiste bron is duidelijk door Mathijsen beschreven, maar één essentieel ding ontbreekt: nergens vertelt ze over de inhoud van het sprookje en de vraag die mij alsmaar bezighield tijdens het artikel was: waarom werd het werk in Duitsland als een verboden boek beschouwd? Mathijsen veronderstelt hier wel erg veel voorkennis van haar publiek. Ze heeft dit artikel weliswaar oorspronkelijk voor een Duitstalig publiek geschreven, maar bij opname in een Nederlandstalige literatuurgeschiedenis had ze rekening moeten houden met het feit dat ze nu met een ander soort publiek te maken heeft.

Kneppelhout, zijn ideeën over de vriendschap en zijn jongensvriendschappen
Volgens Kneppelhout is de beste opvoeder een toegenegen vriend. Kneppelhout was iemand die zich aangetrokken voelde tot zielsverwanten en was voortdurend op zoek naar vriendschap. Mathijsen schrijft: Bovendien wijst aller erop dat Kneppelhout meer in mannen dan in vrouwen geïnteresseerd was, en dat er dus een homo-erotische kant aan zijn vriendschapsbeleving was […]. Mathijsen baseert deze uitspraak wel op heel weinig harde feiten, of is ze deze gewoon vergeten te vermelden?
Het is in ieder geval intrigerend hoe serieus Kneppelhout zijn vriendschaps- en opvoedingsideaal nam. Onder het pseudoniem Klikspaan heeft hij met zijn Studenten-typen en Studentenleven een grote bijdrage geleverd aan de negentiende-eeuwse literatuur. Nergens gaat Mathijsen in op het ontstaan van zijn bijnaam, maar ik neem aan dat hij deze verwierf doordat hij het ware studentenleven heeft vastgelegd en dus ‘klikte’ over de buitensporigheden die veelal plaatsvonden.

Gerrit van de Linde: van student tot schoolmeester
Gerrit van de Linde heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt: een verhouding met de vrouw van zijn professor en torenhoge schulden noodzaakten hem als banneling te vluchten naar Engeland. Het viel niet mee om een nieuw leven op te bouwen. Dikwijls voelde hij zichzelf eenzaam en hij had veel steun aan de briefwisseling met Jacob van Lennep. Wat mij betreft is dit een goed artikel, dat mij zeker benieuwd heeft gemaakt naar de brieven van De Schoolmeester die we binnenkort gaan lezen.

Laudatio Tollens
Het is opmerkelijk om te lezen dat de jonge dichter van erotische poëzie op latere leeftijd faam verwierf als dichter van huiselijk geluk en nationale trots op een roemrijk verleden. Tollens is volgens mij een klassiek voorbeeld van een dichter die zowel kenmerken had van de Verlichting, Biedermeier én Romantiek: hij was zowel gericht op de maatschappij, het gezin én het inividu.
Geheel terecht wijst Mathijsen op de eigen interpretatie van het vaderlands verleden door de dichter in De overwintering der Hollanders op Nova Zembla. Het is jammer dat ze daarbij niet vertelt dat Tollens later enkele aanvullingen en schrappingen in zijn stuk heeft aangebracht om recht te doen aan de kritiek die anderen vanwege historische onjuistheden op zijn werk hadden.

De bleke gezel
Mathijsen gaat in dit artikel uitgebreid in op de mystificatie rondom de dubbelganger van François HaverSchmidt: Piet Paaltjens. HaverSchmidt liet zijn dubbelganger zelfs een brief aan de dominee schrijven om de mythe in stand te houden. Een goed artikel, maar jammer dat de voortreffelijke dichtkunst van Piet Paaltjens niet aan de orde komt.

Vaarwel negentiende eeuw – welkom negentiende eeuw!
In dit artikel vervalt Marita Mathijsen weer in haar rol van promotor van de negentiende eeuw. In al haar enthousiasme doet ze soms dwaze uitspraken: In 1999 was de gevoelswaarde van de negentiende eeuw anders dan in 2000. Ik begrijp haar redenering wel, maar eens ben ik het niet met haar. De verbondenheid met een eeuw is afhankelijk van de verschillende generaties die er direct of indirect (via ouders of grootouders) wel of geen band meer mee hebben. Afgezien van dit puntje van kritiek, geeft Mathijsen goed weer wat voor invloed de vele uitvindingen in de negentiende eeuw op het dagelijks leven hebben: van stoomschip, stoomtrein, auto, vliegtuig, fotografie, film, geluidsopname en allerlei medische ontwikkelingen tot de uitvinding van … kurkentrekker en envelop!
Het verbaasde mij te lezen dat de tijd per plaats verschillend was: in Rotterdam en Amsterdam scheelde de klok een uur.
Ik ben er inmiddels bekend mee dat onze literatuurhistorica zich regelmatig op interdisciplinair terrein begeeft, maar ik vraag me af hoeveel waarheid er schuilt in haar volgende uitspraak: De uitvinding van de fotografie heeft uiteindelijk geleid tot het modernisme in de kunst.