

Samenvatting
Peter van Zonneveld: Panorama van de 19e eeuw
Voorwoord
De 19e eeuw heeft twee gezichten. Aan de ene kant is er de brave, burgerlijke samenleving,
waarin iedereen zijn plaats kent, en vroomheid, deugdzaamheid en vaderlandsliefde
om de voorrang strijden. Maar er is ook een keerzijde aan die braafheid. De lagere
standen konden zich dat burgermansfatsoen niet permitteren, en de hogere kringen
trokken zich er niet al te veel van aan, al hielden ze de buitenwereld meestal hun
deftige kant voor. Armoede, honger, ziekte en dood bedreigden het grootste deel van
onze samenleving; dronkenschap en prostitutie tierden welig. Kortom, het was een
tijdperk met licht-
Camera Obscura en Panorama
Rarekiek = een veredelde kijkdoos, waar de vertoner aan de achterkant platen inschuift, terwijl hij ondertussen een bijbehorend verhaal vertelt, meestal over actuele gebeurtenissen.
Camera Obscura = de voorloper van het fototoestel: een optisch instrument waarbij door een kleine opening in een donkere ruimte een beeld van de buitenwereld geprojecteerd wordt. Een Camera Obscura geeft altijd maar een stukje van de werkelijkheid weer.
Het beeld dat Hildebrand in zijn ‘Camera Obscura’ schetst, is niet volledig. Hildebrand heeft zijn Camera Obscura vooral gericht op de wereld van de burger. Bovendien heeft hij meestal de brave, goedmoedige zijde laten zien, waardoor de andere kant in de schaduw blijft.
Panorama = in een panorama staat de bezoeker in het middelpunt van een cilindervormig schilderstuk, waardoor het overzicht volledig lijkt te zijn. Een voorbeeld is het Panorama Mesdag in Den Haag (sinds 1881) met als voorstelling Scheveningen.
Diorama = een doorzichtig doek wordt voor een deel dekkend, voor een deel doorschijnend beschilderd. Het licht valt zowel van voor als van achter, waarbij met behulp van diafragma’s allerlei lichteffecten bereikt kunnen worden. Het diorama geeft niet alleen de illusie van stilstaande werkelijkheid, maar ook van beweging.
Romantiek en Biedermeier
De Romantiek
De eerste helft van de 19e eeuw wordt ook wel de tijd van Romantiek genoemd.
De term ‘romantisch’ is afgeleid van ‘romanachtig’, van ‘zoals in een roman’. Het ging daarbij om iets, wat niet echt gebeurd was. Sleutelwoorden zijn: verzonnen, onwaarschijnlijk, avontuurlijk, onecht en fantastisch.
Omstreeks 1800 gaan in Duitsland Friedrich en August Wilhelm Schlegel het woord gebruiken voor de kunst die na de klassieke oudheid is ontstaan. De klassieke (Griekse) kunst wordt in hun ogen gekenmerkt door harmonie en zuiverheid, terwijl de latere romantische kunst door disharmonie, een streven naar oneindigheid en een vermenging van genres getypeerd zou worden. Het romantische zou voortgekomen zijn uit de middeleeuwse ridderlijkheid, vrouwenverering en christendom. Schrijvers als Dante, Cervantes en Shakespeare zien zij als bij uitstek romantische auteurs. Dankzij vertalingen komen de opvattingen van de gebroeders Schlegel in heel Europa terecht, en gaat men alle literatuur die zich niet op de klassieken inspireerde, romantisch noemen.
De Romantiek manifesteert zich niet alleen op literair, maar ook op politiek, wijsgerig,
religieus, wetenschappelijk en historisch terrein. Zij zet zich af tegen het mens-
VERLICHTING
-
-
-
-
-
-
-
-
ROMANTIEK
-
-
-
-
-
-
-
-
De tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek geldt niet alleen voor het mens-
VERLICHTING
-
-
-
ROMANTIEK
-
-
-
De tegenstellingen tussen Verlichting en Romantiek doen overigens niet volledig recht aan de gecompliceerde werkelijkheid. Vaak is er sprake van geleidelijke ontwikkelingen en tussenvormen.
Byroniaanse held = een doodsbleke figuur, eenzaam en trots, gedreven door hartstocht,
vervuld van wraakgevoelens, lijdend aan melancholie, onwankelbaar in de liefde, opstandig,
alom bewonderd en gevreesd, en bij het opgroeiend geslacht bijzonder populair. Zijn
bekendheid heeft hij voor een groot deel te danken aan de reputatie van zijn schepper.
In de ogen van velen is Lord Byron (1788-
De romantische dichter
De romantische literatuur is gericht op de oneindige wereld achter de aardse werkelijkheid, op het onstoffelijke, het bovennatuurlijke. In dat perspectief is de dichter de bemiddelaar tussen de eindige en de oneindige wereld. De dichter wordt gedreven door een mateloos verlangen om de aardse wereld te ontvluchten en een hogere werkelijkheid te bereiken. Dat streven brengt hem in conflict met zijn omgeving. Hij ergert zich aan het conventionele gedrag van de burger. Tussen ideaal en werkelijkheid gaapt echter een diepe kloof, die de dichter vervuld met melancholie, met Weltschmerz. Zijn leven is vaak tragisch: hij sterft jong, pleegt zelfmoord, raakt aan de drank of aan de opium, gaat in ballingschap. Onvrede met de bestaande politieke situatie leidt soms tot een nadrukkelijke stellingname, die zowel progressief als conservatief kan zijn, al naar gelang de omstandigheden.
Romantische genres
Romantiek komt vooral tot uitdrukking in de poëzie, waarin gevoel en verbeelding het best tot hun recht komen. De ballade (volkslied) en de romance (liefdesavontuur) zijn geliefde genres.
In de verhalende literatuur is er een voorkeur voor sprookjes (fantastische verhalen). De belangstelling voor het verleden leidt tot historische romans.
In het toneel streeft men niet langer naar eenheid van tijd, plaats en handeling. Onder invloed van Shakespeare ontstaat een vermenging van het verhevene en het alledaagse, het tragische en het komische.
Literaire elementen
De romantische literatuur kan onderscheiden worden in enerzijds een idealistische, positieve en christelijke Romantiek en anderzijds een zwarte, negatieve en satanische Romantiek. De hoofdpersonen zijn vaak de dragers van een romantisch wereldbeeld: zij leven in onvrede met het hier en nu, en vluchten in de fantasie, de natuur, verre streken, het verleden of de toekomst. De helden zijn vaak kunstenaar, musicus, dichter of rebel en zij worden verteerd door hartstocht en melancholie. De heldinnen gaan geheel op in die ene, grote liefde, waar zij voor willen sterven, of gedragen zich als een femme fatale. Er bestaat een sterke voorkeur voor het landsleven, de kindertijd, de woeste en ongerepte natuur als weerspiegeling van de ziel, het exotische, de Middeleeuwen, de nacht, de dood en macabere elementen zoals het graf.
Romantiek in Nederland
In Nederland bestaat de angst dat de regelloosheid in de literatuur tot regelloosheid in de samenleving zal leiden en dat navolging van het romantische net als in Frankrijk revolutionaire krachten zal doen ontwaken.
Kort na 1830 richt een groepje Leidse studenten de ‘romantische club’ op, waartoe onder andere de jonge Nicolaas Beets (volgeling van Byron) en Johannes Kneppelhout (volgeling van Victor Hugo) behoorde. Mede door de weerstand die hun werk oproept, laten zij de Romantiek snel achter zich om zich meer op het realisme toe te leggen.
Biedermeier
In Nederland overheerst in de eerste helft van de 19e eeuw niet de Romantiek, maar de Biedermeier. In sommige opzichten staat Biedermeier tussen Verlichting en Romantiek in:
· Verstand en gevoel gaan harmonisch samen. Geen van beide elementen domineert.
· Sociaal gericht, maar op de kleine kring: het gezin, het dorp, de stad.
· De standenmaatschappij wordt als een harmonisch geheel ervaren.
· Minder uitgesproken natuurbeeld: de natuur is een harmonisch geheel, waarbinnen ieder zijn eigen door God gegeven plaats heeft.
· Positieve kijk op het bestaan.
· Reisverhalen worden als nuttig en leerzaam beschouwd, maar zelf blijft men liever thuis.
· Interesse voor het verleden, waarin het eigen positieve heden is geworteld.
· De toekomst wordt met vertrouwen tegemoet gezien.
· Wetten en regels worden geaccepteerd.
· Het dagelijks leven verloopt volgens een vast patroon.
· De geloofsbeleving vindt bij voorkeur plaats in de eigen, vertrouwde kring.
Vorst en Vaderland
De politieke geschiedenis van Nederland in de periode 1780-
Zie aantekeningen hoorcolleges 19e eeuw.
Kerk en Godsdienst
De plaats van godsdienst in de samenleving
De 19e-
Voorspoed en tegenspoed worden bepaald door de goddelijke voorzienigheid.
De dominee en de pastoor nemen in de gemeenschap een centrale positie in.
Godsdienstvrijheid
In de Franse tijd was de unieke positie van de Hervormde Kerk als staatskerk verzwakt.
Na de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 bleef de godsdienstvrijheid gehandhaafd.
Het Reveil
Bilderdijk en Da Costa stonden aan het begin van het Nederlandse Reveil, de nationale variant van een internationale beweging binnen het protestantisme. Deze beweging legt de nadruk op een persoonlijke, gevoelsmatige geloofsbeleving in een kleine kring van gelijkgestemden, los van een kerkelijke organisatie.
De afscheiding
Willem I had de Hervormde Kerk in 1816 een reglement opgelegd, waardoor hij zeggenschap kreeg over de kerkelijke organisatie: de staat stelde zich verantwoordelijk voor de uitbetaling van de predikantensalarissen en de staat had veel invloed bij het samenstellen van kerkbesturen. Bovendien was er een grote leervrijheid ontstaan, die elke predikant de gelegenheid gaf Gods woord naar eigen inzicht te verkondigen. Tegen de staatsbemoeienis en de leervrijheid ontstaat protest. Vooral in het noorden ontstaat een afscheidingsbeweging die pleit voor een terugkeer naar de oude orthodoxe geloofsbeleving. Enkele dominees houden zich niet aan het reglement van 1816, worden door de kerkbesturen afgezet en trekken zich met hun volgelingen terug uit de Hervormde Kerk. De overheid stelt vervolgingen in. De aanhangers moeten vooral onder de lagere bevolkingsgroepen worden gezocht. Na de troonswisseling van 1840 houden de vervolgingen op. In 1869 verenigen de afgescheidenen zich onder de naam Christelijk Gereformeerde Kerk.
Katholieken
Door de hereniging van Nederland en België had het koninkrijk er opeens een grote groep katholieken bijgekregen (van 40% naar 75%). Sinds de Tachtigjarige Oorlog kende Nederland geen bisschoppen meer. Nederland werd vanuit Rome beschouwd als een missiegebied, dat bestuurd werd door de Hollandse Zending. In 1853 wordt na veel tegenstand van de protestanten de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. De protestanten wantrouwden namelijk de katholieken, omdat zij eerder de paus van Rome dan de koning van Nederland zouden gehoorzamen.
Domineescultuur
In de 19e eeuw studeerden veel studenten theologie. Vooral voor jongeren uit de burgerij was dit een middel om sociaal te stijgen. Bovendien had je kans op een beurs uit de gemeente waar je vandaan kwam. Wie zijn studie voltooid had, was echter nog niet zeker van een standplaats. Afgestudeerden werden altijd eerst uitgenodigd om ergens een proefpreek te houden, maar hierbij was de concurrentie erg groot. Wie een pastorie eenmaal betrokken had, nam in de kleine gemeenschap een belangrijke plaats in. Sommigen zijn ongehuwd en hebben een huishoudster. Anderen zijn gehuwd en hebben kinderen. Over het leven op de pastorie in de 19e eeuw zijn we goed geïnformeerd, omdat veel dominees tegelijk schrijver of dichter zijn. Voorbeelden zijn Nicolaas Beets, Hasebroek en Gerrit van de Linde (de Schoolmeester). De domineesdichters stellen in hun gedichten niet alleen het huiselijk leven, maar ook allerlei actuele kwesties aan de orde en bepalen daardoor in belangrijke mate de mening van de gelovigen.
Gezin en Samenleving
Het gezin
In de 19e eeuw is het gezin de hoeksteen van de samenleving. De behoefte aan privacy groeit. Binnen het gezin groeit het ideaal van intimiteit, knusheid en gezelligheid: typisch Biedermeier.
Alle gezinsleden hebben binnen het eigen gezin een eigen taak: de vader vertegenwoordigt het gezin naar buiten toe en brengt het geld binnen, de moeder heeft de leiding over het gezin en voedt de kinderen op en de kinderen zijn hun ouders eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd.
De samenleving
De samenleving is in de 19e eeuw als het ware een gezin in het groot. Aan het hoofd staat de koning ‘Vader Willem’. Ook de dorpsgemeenschap vormt een soort gezin, met de burgermeester of ‘burgervader’ als centrale figuur. Binnen een geloofsgemeenschap bekleedt de dominee of pastoor een dergelijke functie. Zo is er sprake van een opklimmende hiërarchie, met boven alles God de Vader, die waakt over zijn kroost.
Huiselijk geluk in de literatuur
De genoegens van het gezinsleven zijn uitbundig bezongen door de populaire volksdichter Hendrik Tollens, onder andere in ‘Op den eersten tand van mijn jongstgeboren zoontje’.
De dichter Bilderdijk is in vele opzichten de tegenpool van Tollens. Hij ervaart het bestaan op aarde als een last en heeft een romantische afkeer van het leven.
Ideaal en werkelijkheid
Ideaal en werkelijkheid kunnen nogal uiteenlopen. Voor ieder gezin dreigen talloze gevaren, gezinsleden kunnen bijvoorbeeld onverwacht overlijden. Daarnaast kan niet iedereen zich de luxe van een huwelijk permitteren. Om te kunnen trouwen moet men over een geregeld inkomen beschikken, en dat is voor een groot deel van die samenleving niet weggelegd. Vooral tussen 1840 en 1850 zijn de economische omstandigheden slecht en daardoor kunnen maar weinig mensen trouwen. Veel kleine bedrijfjes worden gedragen door de gezinsstructuur. Om het bedrijf (zowel in de handel en nijverheid als in de handel en nijverheid) bijeen te houden, kon vaak maar één van de kinderen trouwen. De rest bleef ongetrouwd meewerken in het bedrijf.
Standen en Klassen
Stand = een groep mensen die op grond van hun sociale status een bepaalde positie innemen in de maatschappij.
Klasse = een groep mensen die op grond van hun economische positie een bepaalde positie innemen in de maatschappij.
Indeling van de samenleving:
· Grote burgerij (I)
o Aristocratie en de aanzienlijken (a):
§ Adel
§ Patriciaat
§ Handels-
§ Magistraten
§ Grootgrondbezitters
§ Herenboeren
§ Fabrikanten
o Gegoede of gezeten burgerij (b):
§ Groothandelaars
§ Vrije en intellectuele beroepen in de stad
§ Grote pachtboeren op het land
· Kleine burgerij, burger-
o Welgestelde burgerstand (a):
§ Ambachtsbazen met personeel
§ Winkeliers met personeel
§ Kleine renteniers
§ Lagere ambtenaren
§ Kantoorbedienden
§ Onderwijzers
§ Kleine pachtboeren
o Mingegoede burgerstand (b):
§ Ambachtsbazen
§ Winkeliers
§ Kramers
§ Vissers
§ Schippers
§ Voerlieden
§ Meesterknechts
§ Keuterboeren
· Arbeidende klasse (III)
o Werklieden (a):
§ Handwerkslieden
§ Huishoudelijk personeel
§ Inwonende en vaste landarbeiders
o Arbeiders (b):
§ Losarbeiders
§ Fabrieksarbeiders
§ Dagloners
§ Armen
Sociale mobiliteit
De sociale mobiliteit is klein: wie deel uitmaakt van een bepaalde klasse of stand, kan slechts met grote moeite naar een andere groep verhuizen.
Liefde en standsverschil
In de letterkunde van de 19e eeuw komt standsverschil als huwelijksbeletsel veel voor.
Gedragscode
Elke stand kent zijn eigen regels, zijn eigen code. Wie daar tegen zondigt, bewijst zijn of haar plaats in een bepaalde stand niet waardig te zijn.
Gelijkheid der standen
In de 19e eeuw wordt men niet moe te roepen, dat alle standen gelijk zijn. Je hoort dat geluid echter zo vaak, dat je al snel aan de waarheid van deze stelling gaat twijfelen. Uit de literatuur blijkt duidelijk dat de hogere standen de lagere moeten helpen, en dat de lagere daar dankbaar voor moeten zijn. In bijvoorbeeld ‘De Brave Hendrik’ volgt een arme jongen, die van Hendrik ’s morgens een boterham krijgt, hem steeds om zijn tas te dragen.
Interieur en Kleding
In de literatuur van de 19e eeuw is veel aandacht voor detailbeschrijvingen van interieur en kleding. Ook in de schilderkunst is er veel aandacht voor details. Uit de beschrijving van een interieur en de kleding kan men opmaken, tot welke stand de personen behoren. Daarnaast geeft het soms informatie over het karakter van de personen.
Uit de interieurbeschrijving van de familie Stastok blijkt duidelijk dat ze behoren tot de gegoede burgerij.
Nationale kleding = de Belgische Opstand versterkte de anti-
De nationale kleding is geen succes geworden: de deftige burgerstand wacht af wat de aanzienlijken doen, de lagere burgerstand schrikt terug voor de kosten en de verfranste aanzienlijken laten het afweten en voelen zich boven ieder nationaal enthousiasme verheven.
Arm en Rijk
De indeling in standen vertoont een diepe kloof tussen de mensen die het goed, en de mensen die het slecht hebben. Terwijl de hogere standen en de burgerij zich heel goed staande weten te houden, lijden arbeiders en werklozen vaak bittere armoede. Toch schijnen auteurs zich daar niet echt zorgen over te maken. De literatuur is dan ook vrijwel uitsluitend geschreven door vertegenwoordigers van de betere standen.
Armenzorg
Armen zijn mensen die te weinig geld hebben om van te kunnen leven. Zij kunnen zelf
niet voor toereikende huisvesting, kleding en voeding zorgen. Armoede kan veroorzaakt
worden door ziekte, invaliditeit, ouderdom of werkeloosheid. Er wonen meer armen
in de stad dan op het platteland: buiten de steden is het gemakkelijker aan voeding
en brandstof te komen. Armen zijn meestal aangewezen op de bedeling, de 19e-
In 1784 was de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen opgericht, een initiatief van burgers die zich ten doel stelden het volk te verheffen. De kloof tussen arm en rijk werd groter, en velen vreesden dat het ontevreden volk de macht zou grijpen, zoals dat in Frankrijk tijdens de Franse Revolutie was gebeurd. De welgestelden meenden toen nog, dat armoede vooral een kwestie was van mentaliteit: te jong trouwen, luiheid, drankmisbruik en verkwisting kregen de schuld. Armoede leidde tot bedelarij en misdaad. Daarom moesten de armen worden heropgevoed: zij behoorden zich sober, spaarzaam, geduldig, godsvruchtig, ijverig en met gevoel voor tucht en respect voor de hoger geplaatsten en de overheden te gedragen. Door het stichten van armenscholen en werkinrichtingen en het houden van krachtige preken hoopte men dit doel te bereiken.
De armenzorg heeft meestal het karakter van een gunst. De armen dienen dus vooral dankbaar te zijn. Ze moeten de karige giften die zij ontvangen hebben, goed besteden. Er zijn ook mensen, die menen dat de bedeling alleen maar tot algemene verslapping leidt, omdat de armen het zo wel best vinden.
Werkverschaffing
In de loop van de 19e eeuw worden op verschillende plaatsen werkverschaffingsprojecten opgezet. In 1818 wordt zelfs de Maatschappij van Weldadigheid opgericht. In Drenthe werden werkkolonies opgericht waarin aanvankelijk complete gezinnen werden geplaatst.
Seks en Moraal
In de ‘Camera Obscura’ komt de seksualiteit niet – of alleen indirect – aan de orde. Wel vernemen we het een en ander over de behoedzame omgang tussen de geslachten. Als informatiebron voor het seksuele leven in de 19e eeuw is de Camera Obscura dus niet zo geschikt. Het probleem is echter dat er in andere boeken evenmin uitvoerig op deze kwestie wordt ingegaan. Het onderwerp seksualiteit en moraal is in deze periode omgeven met een geheimzinnige stilte. Bovendien gaapt ook hier een kloof tussen ideaal en werkelijkheid.
Seks in het huwelijk
Liefde is een ernstige zaak, waarmee niet gespot dient te worden. Romans zijn een bedreiging voor de kuisheid, omdat zij een irreële voorstelling van de liefde geven. Echte liefde is niet groots en meeslepend, maar maakt in de echtelijke relatie al spoedig plaats voor gevoelens van kameraadschap en wederzijds respect. Jongelui moeten hun seksuele verlangens niet onderdrukken, maar wel afzien van voorechtelijk geslachtsverkeer. Seksualiteit wordt als een door de Schepper bedoelde drijfveer beschouwd om de soort in stand te houden.
Seks buiten het huwelijk
De gevolgen van seks buiten het huwelijk zijn meetbaar en bekend. Het aantal onwettige geboorten werd in elke gemeente nauwkeurig geregistreerd. Dit percentage is vrij hoog (rond 1820 zelfs bijna 20%), vooral bij de lagere klassen, die zich de luxe van een huwelijk vaak niet kunnen permitteren.
Prostitutie
Prostitutie is in de 19e eeuw wijd verbreid. In de Franse tijd werd prostitutie bij de wet geregeld. Hoeren dienden zich te laten registreren en werden regelmatig gekeurd, om verspreiding van geslachtsziekten te voorkomen. Jonge vrouwen worden vaak door armoede gedwongen hun lichaam te verkopen. De befaamde dubbele moraal van de 19e eeuw komt in de prostitutie goed tot uitdrukking. Enerzijds wordt de prostitutie als noodzakelijk beschouwd, omdat de man zijn geslachtsdrift moet kunnen uitleven. Anderzijds is het een kwaad, omdat vrijen tegen betaling als onzedelijk geldt.
Haagse blauwboekje = een veelgelezen schandaalblad, genoemd naar de blauwe kaft. Het bespreekt in verrassend openhartige termen de seksuele activiteiten van medeburgers. Den Haag zou een poel van wellust zijn. Ook perversiteiten worden behandeld, zoals seks met dieren, voyeurisme en groepsseks.
Ziekte en Dood
Nederland is tijdens de eerste helft van de 19e eeuw geen gezond land om te wonen. Het sterftecijfer is hoog. In het relatief dichtbevolkte, waterrijke westen en in de vochtige delen van Groningen en Friesland sterven meer mensen dan elders in het land. Hier geldt omstreeks 1850 een sterftecijfer van meer dan 25 per 1000 inwoners per jaar. Nu is dat nog geen 8 per jaar. In zekere zin is Nederland in de 19e eeuw als een soort ontwikkelingsland te beschouwen.
Belangrijke ziekten in de 19e eeuw:
· Malaria
· Diarree
· Cholera
· Tyfus
· Tuberculose
· Difterie
· Dysenterie
· Geslachtsziekten
De hoge sterfte wordt veroorzaakt door verschillende factoren:
· De invloed van de verzilting in het westen. Oppervlaktewater met een hoog zoutgehalte vormt een ideaal milieu voor de ontwikkeling van de malariamug. Malaria is in deze tijd dan ook een veel voorkomende ziekte.
· Wat het drinkwater betreft, is men in het westen vooral aangewezen op regenwater. Daaraan is in warme zomers nogal eens gebrek. De minder welgestelden kunnen niet beschikken over voldoende drinkwater.
· Door de verstedelijking en de slechte huisvesting, waarbij de bevolking dicht opeen gepakt woont, kunnen besmettelijke ziekten zich snel verspreiden.
· Besmet drinkwater leidt tot ingewandsziekten zoals diarree.
· De voeding is eenzijdig en het weerstandsvermogen is gering.
· De hygiëne laat veel te wensen over. Ook de geneeskundigen waren nog niet op de hoogte van de noodzaak van hygiëne.
· Arme vrouwen verhuren zich soms als ‘min’ (voedster) bij welgestelde families, waardoor het eigen kind gebrek lijdt.
· De opleiding van veel geneeskundigen laat te wensen over.
· In de ziekenhuizen is de situatie vaak heel slecht: ze zijn klein, donker, somber, smerig en overvol. Binnenkomende patiënten, onder wie veel bedelaars, worden niet gewassen en krijgen geen ziekenhuiskleding.
Armen kunnen zich, in tegenstelling tot rijken, geen thuiszorg permitteren.
Handel en Nijverheid
Op economisch gebied is het Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw niet voor de wind gegaan. Daar zijn verschillende verklaringen voor. Vaak wordt gewezen op een gebrek aan ondernemingslust.
Voorgeschiedenis
Na de bloeiperiode van de 17e eeuw waren handel en nijverheid achteruit gegaan. Engeland en Frankrijk hadden zich in dit opzicht veel gunstiger ontwikkeld. De economie dreef vooral op de stapelmarkt: uit alle delen van de wereld voerden Nederlandse schepen producten aan, die in de pakhuizen werden opgeslagen om van daaruit verder te worden verhandeld. Door de toenemende concurrentie van de omringende landen nam de betekenis van onze stapelmarkt in de 18e eeuw snel af. De Nederlandse kooplieden hadden hier iets op verzonnen. Dankzij de aanwezigheid van veel kapitaal konden zij zich toe gaan leggen op de geldhandel. De rijkdom verminderde hierdoor niet, zij werd alleen ongelijk verdeeld. Dankzij de stapelmarkt hadden veel mensen werk gevonden in de scheepsbouw en de daarbij behorende toeleveringsbedrijven. Bovendien was er een bloeiende verwerkende industrie geweest, die aangewezen was op de aanvoer van ruwe producten. Daarbij komt nog, dat er zware indirecte belastingen werden geheven op de eerste levensbenodigdheden, waardoor de lonen omhoog gingen. En door het stijgen van de lonen stegen ook de prijzen. Hoewel het nationale inkomen door de geldhandel ongeveer gelijk bleef, waren de levensomstandigheden van de bevolking sterk achteruit gegaan. Het gevolg van dit alles was, dat Nederland aan het eind van de 18e eeuw te kampen had met een grote werkloosheid. In de Franse tijd had die dalende lijn zich voortgezet. Door de vele oorlogen die Frankrijk voerde, was Nederland in een isolement geraakt. Door de invoering van het Continentale stelsel, waarbij de handel met Engeland officieel verboden werd, werd Nederland beroofd van de belangrijkste handelspartner. Bovendien had Engeland zich meester gemaakt van onze koloniën. De hoge belastingen waren door het beroep dat Napoleon op Nederland deed voor zijn veldtochten nog verder gestegen en ook de staatsschuld was enorm.
Economische politiek
Door de vereniging van Nederland en België zijn weer nieuwe problemen ontstaan. In
het Zuiden was de industrialisering veel verder voortgeschreden dan in het Noorden.
De economische politiek van Willem I is erop gericht met producten uit België de
Hollandse handel te stimuleren. Willem I richt in 1824 de Nederlandse Handel-
Handel
In de Franse tijd was al enige aandacht besteed aan de verbetering van de handelswegen.
Onder koning Lodewijk werd een begin gemaakt met het verharden van de wegen. Tijdens
de Inlijving werd een groot wegenplan opgezet, dat vooral werd ingegeven door de
militaire bedoelingen van Napoleon. In die korte periode kwamen alleen de verbindingen
Antwerpen-
Nijverheid
Ondanks de problemen die zich voordoen bij het veroveren van de buitenlandse markt, wordt ook in het Noorden op industrieel gebied het nodige gedaan. In 1819 wordt de eerste stoommachine in Nederland geplaatst. Er bestaat een groot aantal kleinbedrijven. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw komt de industrialisatie echt goed op gang. Door de buitenlandse concurrentie zijn de winstmarges zo klein, dat er weinig geld overblijft om in nieuwe machines te investeren, terwijl die geringe winst het ook voor geldschieters minder aantrekkelijk maakte om hun kapitaal voor dat doel te gebruiken.
Kinderarbeid
Eén van de gruwelijkste wantoestanden in de nijverheid is de kinderarbeid. Tot de invloedrijkste tegenstanders van kinderarbeid behoorde Jacob Jan Cremer, die in 1863 een vlammend protest schrijft onder de titel ‘Fabriekskinderen’. Pas in 1874 wordt het ‘kinderwetje’ van kamerlid Samuel van Houten aangenomen, waarin bepaald wordt dat kinderen beneden de 12 jaar niet mogen werken.
Oost en West
Na de Franse tijd zwermen de Hollandse schepen weer uit. Het contact met de koloniën wordt hersteld.
De Oost
De Oostindische Compagnie was in 1796 roemloos ten onder gegaan. Het Indische rijk
kwam in handen van de Nederlandse staat. In de Franse tijd had Lodewijk Napoleon
generaal Daendels naar Indië gestuurd om er orde op zaken te stellen en het gebied
tegen de Engelsen te verdedigen. Hij versterkte het leger. Omdat de vloot ontoereikend
was om de zee te beheersen, wilde hij zijn leger snel over land kunnen verplaatsen.
Daarom legde hij dwars door de tropische jungle van West-
Het cultuurstelsel
Willem I richtte in 1824 de Nederlandse Handel-
Max Havelaar
In 1860 verschijnt ‘Max Havelaar, of de koffieveilingen der Nederlandsche Handel-
De West
In de 17e eeuw had Nederland ook bezittingen verworven in West-
Varen en Rijden
De trekschuit
De trekschuit was een veilig, betrouwbaar en goedkoop vervoermiddel. De trekschuit werd door een ‘jager’ te paard aan een touw van 20 meter, bevestigd aan de mast, door de vaak speciaal voor dit doel gegraven trekvaart getrokken. De gemiddelde snelheid is ruim 7 kilometer per uur. Dat lijkt heel weinig, maar diligences zijn door het vele oponthoud en de toestand van de wegen vaak nauwelijks slechter.
De diligence
Het reizen per diligence werd georganiseerd door particuliere firma’s, waarvan Van Gend en Loos de bekendste is. Goedkoop en snel is het zeker niet. De diligence is duurder dan de trekschuit. Er zijn weinig wegen en de slechte staat ervan en het voortdurend wisselen van de paarden kost veel tijd.
De trein
In 1839 werd de eerste spoorlijn in Nederland tot stand gebracht tussen Amsterdam en Haarlem. Het aanleggen van spoorwegen bleek een kostbare geschiedenis en het vervoer per trein was allesbehalve goedkoop. Aangenaam is het reizen per spoor niet. De locomotief verspreidt een regen van roet en vonken. Dat is vooral hinderlijk voor de reizigers van de derde klasse, die in open wagons vlak achter de locomotief zitten. De exploitatie is in handen van particuliere ondernemingen.
Onderwijs en Opvoeding
In de loop van de 19e eeuw heeft het onderwijs in Nederland enorme verbeteringen ondergaan.
De onderwijswet van 1806
Verbeteringen:
· Invoering van het klassikale onderwijs (de onderwijzer staat voor de klas en legt dingen uit)
· Aan de onderwijzer werden veel strengere eisen gesteld
· Inspecteurs hielden toezicht op naleving van de regels
· Verbetering van de huisvesting
· Nieuwe leerboekjes
De lagere school
Onderwijs is niet verplicht. De leerplichtwet komt pas in 1900 tot stand. Van de kinderen tussen 6 en 13 jaar volgt 60 à 70 procent lager onderwijs. Zowel in de steden als op het platteland is sprake van kinderarbeid. Het onderwijs is bedoeld om de kinderen redelijkheid en zedelijkheid bij te brengen. Voor kinderen op gewone scholen dienen de ouders schoolgeld te betalen, voor kinderen op armenscholen niet. Omdat er meestal te weinig geld beschikbaar is voor die scholen, zijn de klassen er veel groter dan op de gewone scholen. Er zijn zowel openbare als bijzondere scholen. Op de bijzondere scholen (vaak gesticht door het Nut) wordt godsdienstonderwijs gegeven. In de praktijk heeft ook het openbaar onderwijs een algemeen christelijk karakter.
De Franse school
Naast de lagere school bestaat ook de Franse school, in feite een verzamelnaam voor verschillende typen scholen. Deze instelling is bedoeld voor wat oudere kinderen van meer gegoede ouders. Ze krijgen er niet alleen lezen, schrijven en rekenen, maar ook moderne talen, aardrijkskunde, geschiedenis, boekhouden en wiskunde. Franse scholen zijn vooral bestemd voor kinderen die niet verder zullen leren. Ze worden bezocht door toekomstige kooplieden, fabrikanten, winkeliers, ambachtslieden en kunstenaars. Voor meisjes, die vrijwel nooit verder mogen leren, is dit de enige mogelijkheid om iets meer te krijgen dan alleen lager onderwijs. Vaak is er ook een kostschool aan verbonden.
De Latijnse school
Als voorbereiding op de universiteit is er de Latijnse school, die alleen door jongens wordt bezocht. Naast het traditionele onderwijs in Grieks en Latijn komen op sommige scholen ook moderne talen en wiskunde aan de orde.
Beroepsonderwijs
Beroepsonderwijs in technische vakken is er bijna niet. In de achttiende eeuw waren sommige tekenacademies ook bouwkundig tekenen en wiskunde gaan onderwijzen. In 1829 worden die tekenscholen, waar het onderwijs meestal in de avonduren plaatsvond, driejarige dagopleidingen. Daarnaast bestaan er enige industriescholen, waar in de wintermaanden ’s avonds wiskunde, natuurkunde, scheikunde en werktuigkunde wordt gegeven. Sommige bedrijven verzorgen bedrijfsopleidingen. Meestal gaat men er van uit dat de praktijk de beste leerschool is. De eerste echte technische dagschool wordt in 1844 opgericht.
De methode van Prinsen = in 1818 verschijnt de ‘Leerwijze om kinderen te leeren lezen’ van de Haarlemse schoolmeester P.J. Prinsen. Meester Prinsen gaat er van uit, dat kinderen eerst moeten leren lezen, voordat ze leren schrijven. Hij maakt daarbij gebruik van een leesmachine of letterkast, met links vakjes voor losse klinkers, rechts voor medeklinkers en in het midden een zetraam waarop woorden kunnen worden gevormd. De kinderen hebben een eigen letterplank, waarop met losse letters woorden kunnen worden gevormd.
Opvoeding
Het opvoedingsideaal in de 19e eeuw staat grotendeels in het teken van de Verlichting. Kinderen moeten niet worden grootgebracht met bangmakerij en straf, maar met redelijke argumenten overtuigd worden van het nut van een deugdzaam leven. Dat is ook het overheersende thema in de kinderliteratuur: deugdzaamheid wordt beloond. Nog meer dan in de 18e eeuw komt de nadruk op het gezinsleven te liggen.
Kinderboeken:
‘Proeve van kleine gedigten voor kinderen’ van Hieronymus van Alphen
‘De Brave Hendrik’ en ‘De Brave Maria’ van de Haarlemse onderwijzer Nicolaas Anslijn
De romantische kostschool
In 1820 wordt nabij Voorschoten de kostschool Noorthey gesticht. De geestelijke vader, Petrus de Raadt, houdt er een romantisch opvoedingsideaal op na: tussen leerling en docent dient een vriendschappelijke band te bestaan, zodat de jongere zich openstelt voor wat de oudere hem leren kan. De Raadt wil van zijn school een veilig huisgezin maken, waar leerlingen zich thuis voelen. Karakterontwikkeling stelt hij boven het vergaren van kennis. De leerlingen zijn allen afkomstig uit de bovenlaag van de maatschappij. Eén van de bekendste leerlingen is Jan Kneppelhout.
Universiteit en Wetenschap
In 1795 waren er in ons land 5 universiteiten en hogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen, Harderwijk en Franeker. Je kon er rechten, letteren, theologie, medicijnen en natuurwetenschappen studeren. Bovendien zijn er in Amsterdam en Deventer athenea, waar je wel colleges kunt volgen, maar niet kunt promoveren, hetgeen juist als de afsluiting van de studie wordt beschouwd. Wie de studie wil voltooien, moet zich dus daarna elders als student laten inschrijven. De hogescholen in Harderwijk en Franeker werden in 1811 door Napoleon afgeschaft. Onder koning Willem I bleef deze situatie ongewijzigd.
Colleges
Voor alle studenten zijn er verplichte propedeusecolleges in klassieke talen, wiskunde en wijsbegeerte. De colleges worden gegeven in het Latijn. De colleges worden meestal aan huis gegeven. In 1815 komt er een nieuwe wet op het hoger onderwijs. De studie dient ten minste 5 jaar te duren en de hoogleraren krijgen alle vrijheid hun onderwijs naar eigen inzichten in te richten. Eén van de grootste problemen is, dat de overheid te weinig geld beschikbaar stelt. Vooral op het gebied van de natuurwetenschappen heeft dit nadelige invloed op de kwaliteit van het onderwijs: er is geen geld om laboratoria in te richten. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw, wanneer de economie weer aantrekt, komt er meer geld beschikbaar. In 1863 komt dankzij de wet op het middelbaar onderwijs van Thorbecke, de HBS tot stand. Hierdoor heeft vooral het onderwijs in de natuurwetenschappen een enorme impuls gekregen.
Wetenschap
De wetenschapsbeoefening vindt in de 19e eeuw vooral buiten de universiteiten plaats. Geleerde genootschappen spelen daarbij een belangrijke rol, zoals de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. De meeste genootschappen beperkten zich tot het houden van vergaderingen, waarop de leden voordrachten hielden, het uitschrijven van prijsvragen over een bepaald onderwerp en het beoordelen van de binnengekomen antwoorden.
In de Franse tijd is onder koning Lodewijk Napoleon getracht meer eenheid in de wetenschapsbeoefening te brengen. Onafhankelijk van de bestaande instellingen stichtte hij in 1808 het Koninklijk Instituut, met 4 klassen:
· Wis-
· Hollandse letteren en geschiedenis
· Oude en Oosterse letterkunde en oudheden
· Schone kunsten
Ook onder Willem I blijven de genootschappen hun centrale positie innemen.
Student en Wetenschap
Klikspaan geeft in zijn Studenten-
Omstreeks 1800 begonnen de studenten zich meer dan voorheen te verenigen. Er werden
studentengezelschappen en studentensociëteiten opgericht, een ontwikkeling die leidde
tot de vorming van studentencorpora. Omdat hun privileges (eigen rechtspraak, geen
belasting op sterke drank, vrijstelling van deelname aan de schutterij) waren afgenomen,
streefden de studenten er naar, ook als maatschappelijke groepering voor vol te worden
aangezien. Ze wilden niet langer beschouwd worden als lawaaischoppers en druktemakers,
maar laten zien dat ze ook verantwoordelijkheid konden dragen. Bij het uitbreken
van de Belgische Opstand werden in Leiden, Utrecht en Groningen onder de studenten
corpsen Vrijwillige Jagers gevormd, die met veel tamtam naar het zuiden trokken om
de Belgen mores te leren. Student-
Kort na de Belgische Opstand beginnen studenten met het organiseren van grote historische
optochten, die maskerades werden genoemd. Zo wordt in 1835 te leiden de eerste grote
romantisch-
De studententijd wordt beschouwd als een voorbereiding op het latere leven. Men is
bereid heel wat door de vingers te zien. Juist omdat de 19e-
De plaatselijke middenstand is voor een groot deel op de studenten aangewezen. Zij genieten dan ook vrijwel onbeperkt krediet. Het is de gewoonte dat je tijdens je studie schulden kunt maken, omdat je later een goede baan zult krijgen en je alles gemakkelijk kunt terugbetalen.
Wie de kantjes er af loopt en te veel de beest uithangt, dreigt een aflegger te worden.
Ontspanning en Vermaak
Ontspanning en vermaak zijn standsgebonden.
Het buitenleven
In de 19e eeuw geven diegenen die het zich kunnen permitteren graag over aan de genoegens van het buitenleven. Langs de Amstel en de Vecht stonden deftige buitens, waar men in de zomer met het hele gezin kon vertoeven.
De vrije natuur
Wie niet over een buiten beschikt, kan zich op andere wijzen in de open lucht amuseren: roeitochten, wandeltochten en rijtoeren.
Kermis
Het absolute hoogtepunt van ontspanning en vermaak is voor velen de jaarlijks terugkerende kermis. Voor velen is de kermis dé gelegenheid om met personen van het andere geslacht in contact te komen. Daarnaast is de kermis voor velen de gelegenheid om kennis te maken met nieuwe vindingen op technisch gebied: rarekieks, camera obscura’s, panorama’s, microscopen en telescopen. Velen zoeken op de kermis een dokter op. De deftige burgers klagen over drankmisbruik en zedeloos gedrag. De weerstand tegen de kermisvreugde neemt in de loop van de 19e eeuw sterk toe. Onder invloed van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, die de arbeidende bevolking wil verheffen en beschaven, wordt een hevige strijd gevoerd tegen het als minderwaardig beschouwde kermisvermaak. In 1876 wordt de kermis afgeschaft, tot grote woede van de bevolking die in opstand komt.
Luisteren en Lezen
De voordrachtskunst mag zich in de 19e eeuw in een toenemende aandacht verheugen.
Genootschappen
In de eerste helft van de 19e eeuw zijn vooral de elitaire letterkundige genootschappen van belang:
· De Hollandse Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, met afdelingen in Amsterdam, Rotterdam, Leiden en Den Haag
· De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden
· De Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen
Rederijkerskamers
Het verschijnsel van de rederijkerskamer, een fenomeen uit de 16e en 17e eeuw, beleeft in de 19e eeuw een nieuwe bloeiperiode. Oorspronkelijk was een rederijkerskamer vooral een gezelschap van welwillende auteurs, dat zich toelegde op de beoefening van de dichtkunst, de toneelkunst en de welsprekendheid. In de 19e eeuw komt de nadruk vooral op dit laatste aspect te liggen. Sommige kamers zijn van oudsher blijven bestaan, maar andere worden pas in de 19e eeuw opgericht.
Omstreeks 1850, wanneer het elitaire genootschapsleven op zijn retour is, komen de kamers, die hun leden niet uitsluitend uit de deftige stand rekruteren, sterk naar voren. Je zou zelfs van een democratisering in de literatuur kunnen spreken.
Leesgezelschappen
Het voorlezen van teksten vindt soms ook plaats in een leesgezelschap, al wordt daar meestal meer een ander doel nagestreefd. In de 19e eeuw zijn boeken relatief duur. Daarom ontstaan er in vrijwel elke stad en elk dorp leesgezelschappen. Een leesgezelschap is een vereniging van lieden uit de betere standen, die zich toeleggen op het gezamenlijk kopen en onderling laten circuleren van boeken. Eens per jaar worden de boeken weer verkocht en de opbrengst wordt gebruikt om nieuwe boeken aan te schaffen.
Leesbibliotheken
De leesgezelschappen hadden hun bestaan mede te danken aan de angst voor besmettelijke ziekten, die via de boeken van een leesbibliotheek verspreid zouden kunnen worden. Want leesbibliotheken zijn er vooral voor de minder gegoede burgerij. Voor de minder gegoeden zijn er in de eerste plaats de Nutsbibliotheken, gesticht met een educatief doel. Zij bevatten uitsluitend verantwoorde literatuur. Voor andere literatuur kon men bij de leesbibliotheken terecht. Professoren en studenten maken, althans wat de wetenschap betreft, gebruik van universiteitsbibliotheken.
Leespubliek
Wie leest wat? Veel hangt af van de stand waartoe de lezer behoort, de opleiding die hij genoten heeft en de persoonlijke voorkeur.
Almanakken = jaarlijks verschijnende boekjes met een sterk variërende inhoud. Sommige
bevatten uitsluitend gedichten en verhalen, andere zijn meer praktisch gericht: vertrektijden
van trekschuiten en diligence, posttarieven, kalenders met markt-
Muziek en Beeldende Kunst
Muziekleven
In het begin van de 19e eeuw werden musici niet als echte kunstenaars beschouwd, zij dienen slechts tot vermaak. Omstreeks 1830 krijgt het muziekleven een nieuwe impuls, na de oprichting van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst in 1829. Het deftige muziekleven blijft voorbehouden aan een select gezelschap.
Beeldende kunst
Het nationaal zelfbewustzijn, gegroeid na de Franse Tijd, leidt tot een intensieve belangstelling voor het eigen verleden. Hierdoor zijn ook de schilders ingrijpend beïnvloed. Zij gaan op zoek naar gegevens uit het vaderlands verleden die treffend kunnen worden uitgebeeld en die bij de beschouwer een sentiment kan oproepen, dat men omschrijft als het vaderlandsch gevoel. Voorbeelden zijn de Tachtigjarige Oorlog, de Slag bij Waterloo en de heldendaad van Van Speyk.