wp1a971d2f.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Analyse en interpretatie van het gedicht De zelfkant van Simon Vestdijk

wp699db6c0_0f.jpg

Inleiding

 

Dit werkstuk is geschreven in het kader van het propedeusevak ‘Analyse en interpretatie van poëzie en proza’ van de opleiding Nederlands aan de Universiteit van Leiden in het collegejaar 2004/2005. In dit werkstuk wordt het gedicht ‘Zelfkant’ van Simon Vestdijk (zie bijlage 1) geanalyseerd, waarbij aandacht wordt besteed aan aspecten als metrum, klank, strofische vorm, stijlfiguren en beeldspraak conform het tijdens de werkcolleges gehanteerde handboek Literair mechaniek. Na de analyse volgt een beknopte interpretatie van het gedicht, gebaseerd op de analytische bevindingen.

 

Metrum

 

‘Zelfkant’ is een metrisch vers, ofwel een vers waarin de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen in regelmatige patronen zijn te verdelen. Hieronder heb ik een objectieve, gefaseerde procedure gehanteerd om het metrum van het gedicht te bepalen door een matrix te maken. Hiertoe ben ik uitgegaan van de hele versregel als eenheid. Op de y-as staan evenveel punten als er versregels zijn en op de x-as evenveel punten als er lettergrepen zijn. Na de accenttoekenning heb ik de accenten per lettergreeppositie opgeteld en hieruit heb ik het metrische patroon van het gehele gedicht afgeleid.

 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

1 ÈÈÈ È ÈÈ ─   

2 ÈÈÈÈÈÈ  

3 ─ ─ ÈÈ È ÈÈÈ  

4 ─ ─ ÈÈÈÈ ─   

5 ÈÈ È ÈÈÈÈ  

6 ─ ─ ÈÈÈÈ ─   

7 ÈÈ ─ ─ È ─ ─ È ─   

8 ÈÈÈÈÈÈ  

9 ÈÈÈ È ÈÈ ─   

10 È ÈÈÈÈ ─   

11 ÈÈÈÈ È ÈÈ  

12 ÈÈÈ ÈÈÈ

13 ÈÈÈÈÈ ─   

14 È È ─ ─ ÈÈÈÈ  

totaal 5 11 2 12 2 9 1 13 0 14 0 1

patroon ÈÈÈÈÈÈ

 

Uit bovenstaande matrix blijkt dat het gedicht een tamelijk jambisch patroon heeft, waarbij echter de eerste en de zesde lettergreeppositie een wat minder geprononceerde plaats innemen. Een meerderheid van de regels beantwoordt niet geheel aan het algemene statische patroon, ik heb immers een ideaal accentpatroon afgeleid.

Door de norm statisch vast te stellen zijn we in staat de afwijkingen op te sporen en ze te waarderen. We spreken hierbij van antimetrie als er een accent komt op een positie waar we volgens het normpatroon een non-accent verwachten. De plaatsen waar antimetrie optreedt, zijn in de matrix met een grijze kleur geaccentueerd.

Over het algemeen kan antimetrie twee verschillende functies hebben. Ten eerste kan antimetrie – foregrounding door middel van een deviatie van een equivalentie-tot stand brengend patroon – een betekeniseffect. Ten tweede kan antimetrie een verlevendigde functie hebben: de monotonie van een vaste cadans wordt even doorbroken, het gedicht wordt vloeiender en expressiever. Naar mijn mening heeft de antimetrie in dit gedicht geen betekeniseffect en is er veel meer van de tweede functie sprake.

 

In een aantal gevallen wordt in het gedicht een lettergreep aan het volgende woord of aan de volgende lettergreep geplakt. De dichter geeft hiervoor een leesaanwijzing door een apostrof te plaatsen: halfland’lijkheid (regel 1), arm’lijk (regel 4), ’k (regel 6). Deze uitstoting van de klinker noemen we elisie.

 

Klankherhaling en strofische vormen

 

Op het niveau van de spraakklanken treffen we in het gedicht allerlei vormen van herhaling aan. Het gaat om herhalingen die als ‘meer dan normaal’ worden ervaren, hetzij omdat er meer dan de gemiddelde toevalsnorm dezelfde klanken voorkomen, hetzij dat klankherhaling extra gestructureerd is en/of mede wordt ondersteund door andere secundaire ordeningsmiddelen (bijvoorbeeld én accent én klankherhaling).

 

Hieronder heb ik per strofe de meest opvallende klankherhalingen weergegeven:

- Gewoon rijm of volrijm

o Strofe 1: halfland’lijkheid, weidewinden, rijdt

o Strofe 2: slijt, eenzaamheid

o Strofe 4: weitje, bevrijd

- Assonantie of klinkerrijm

o Strofe 1: van, halfland’lijkheid, wasgoed, fabrieksterreinen, arm’lijk
 l
ijnen, fabrieksterreinen

o Strofe 2: bevracht, want, ravijnen
 geh
eim, dokspoorlijnen, ravijnen

o Strofe 3: walm, van, brandt
 w
aar, aanstichter
 bleker
ij, thijmgeur

o Strofe 4: zwarte, kalf, rand

- Acconsonantie of medeklinkerrijm

o Strofe 1: houd, meest, halflandlijk’heid, rijdt

o Strofe 2: bevracht, met, het, want, weet, slijt, leeft, zwervend, eenzaamheid

o Strofe 3: stoomstram, aanstichter

o Strofe 4: ’t, rand, wordt, onverhoopt, gedicht, bevrijd

- Alliteratie of stafrijm

o Strofe 1: houd, het, halfland’lijkheid
 
van, vage, vol
 
weidewinden, wasgoed, waar

o Strofe 3: walm, waar
 
stoomtram, schelpen

o Strofe 4: weitje, wordt

- Oogrijm

In regel 9 lijken de lettertekens in ‘walm’ en ‘tram’ op assonantie te wijzen, maar de klank wijkt af.

 

De meest opvallende klankherhaling is de steeds terugkerende ei/ij-klank in het gedicht. Wellicht heeft de dichter hiermee een betekeniskenmerk aan willen geven. Als lezer interpreteer ik de regelmatig terugkerende langgerekte ei/ij-klank als het benadrukken van de uitgestrektheid van het beschreven landschap waar de dichter de ruimte vind om tot zichzelf te komen.

 

In het gedicht is sprake van eindrijm met het volgende rijmschema:

- Eerste strofe: a b b a

- Tweede strofe: b a a b

- Derde strofe: c d e

- Vierde strofe: d a e

 

Het rijmschema van de eerste en tweede strofe wordt ook wel omarmend rijm genoemd. In de derde en vierde strofe is geen sprake van een specifiek rijmschema.

 

Bij het eindrijm is sprake van gewoon rijm of volrijm: de klankherhalingen aan het einde van de versregels hebben betrekking op een combinatie van klinkers en medeklinkers.

 

De strofische vorm die we in het gedicht aantreffen, noemen we een (Italiaans) sonnet. Een sonnet is een gedicht dat bestaat uit veertien versregels van (ongeveer) gelijke lengte. De versregels zijn verdeeld in een octaaf (de eerste acht regels) en een sextet (de laatste zes regels), elk met een eigen rijmschema. De octaaf bestaat uit twee kwatrijnen en de sextet uit twee terzines. In dit gedicht komt na de octaaf de chute, volta, wending, keer of val. De octaaf gaat inhoudelijk over isolement: men moet het onspectaculaire gebied van de buitenwijken opzoeken om het eigen zelf te vinden. Het sextet gaat inhoudelijk over identificatie: in de buitenwijken vindt men andere eenzamen met wie men zich uit de eigen eenzaamheid bevrijden kan.

 

In de volgende regels treffen we een enjambement aan:

- Regel 2 en 3: ‘van vage weidewinden die met lijnen vol wasgoed spelen’

- Regel 3, 4 en 5: ‘van fabrieksterreinen waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt, bevracht met het geheim der dokspoorlijnen’

- Regel 6, 7 en 8: ‘want ’k weet, er is waar men het leven slijt en toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid te vinden dan in bergen of ravijnen’

 

De enjambementen in dit gedicht zorgen niet voor spanning of ambiguïteit, maar voor foregrounding via deviatie. De taaluiting valt namelijk op doordat er wordt afgeweken van wat je normaal verwacht: je verwacht een natuurlijke pauze aan het einde van een versregel, maar deze loopt zonder rust over in de volgende regel.

 

Stijlfiguren

 

In de eerste strofe van het gedicht treffen we een asyndeton aan: de verschillende leden van de herhalingsfiguur zijn niet verbonden met een extra verbindingswoord. De herhalingsfiguur heeft betrekking op 2 voorbeelden die van ‘halfland’lijkheid’ (regel 1) worden gegeven: ‘van vage weidewinden die met wasgoed spelen’ (regel 2 en 3) en ‘van fabrieksterreinen waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt, bevracht met het geheim der dokspoorlijnen’ (regel 3, 4 en 5). De leden zijn in dit geval verbonden door middel van een puntkomma.

In de derde strofe van het gedicht treffen we een polysyndeton aan: de verschillende leden van de herhalingsfiguur zijn verbonden met een extra verbindingswoord. De herhalingsfiguur heeft betrekking op 3 voorbeelden die van ‘de walm’ (regel 9) worden gegeven: ‘van stoomstram’ (regel 9), ‘van blekerij’ (regel 9) en ‘van de ovens waar men schelpen brandt’ (regel 10). De leden zijn in dit geval verbonden door de woorden ‘en’ (regel 9) en ‘of’ (regel 10).

 

In de tweede strofe is sprake van een paradox: ‘er is waar men het leven slijt en toch niet leeft’ (regel 6 en 7). Dit is een tegenspraak die op een dieper niveau is op te lossen: men wordt weliswaar ouder (men slijt het leven), maar men geniet niet van het leven (men leeft toch niet).

 

In het gedicht treffen we een antithese of tegenstelling tussen de cliché-romantiek en een voor de dichter meer werkelijke vorm van romantiek aan: bergen, ravijnen en tijmgeur worden geplaatst tegenover buitenwijken, kleine industrie en gras tussen de spoorrails. In het gedicht is m.i. géén sprake van een antithese tussen stad en platteland. Het gedicht gaat namelijk over de ‘halfland’lijkheid’, ofwel het gebied dat ligt tussen stad en land en van beide kenmerken heeft. Van beide gebieden worden steeds voorbeelden genoemd (vage weidewinden én lijnen vol wasgoed, armelijk gras én een lorrie, stoomtram én tijmgeur, een zwart kalf én sintels), zonder dat de dichter m.i. de bedoeling heeft om de tegenstelling tussen deze voorbeelden aan te willen benadrukken.

 

In het gedicht treffen we de volgende isotopieën aan:

- Natuur: weidewinden (regel 2), gras (regel 4), bergen (regel 8), ravijnen (regel 8), thijmgeur (regel 11), kalf (regel 12), weitje (regel 12).

- Industrie: fabrieksterreinen (regel 3), lorrie (regel 4), dokspoorlijnen (regel 5), stoomtram (regel 9), blekerij (regel 9), ovens (regel 10), sintels (regel 14).

Beide isotopieën beschrijven het landschap waarover de dichter spreekt.

 

Beeldspraak

 

Het belangrijkste kenmerk van beeldspraak is dat het woord dat in de tekst staat geheel of gedeeltelijk iets anders betekent dan wat het letterlijk betekent. In het gedicht komen verschillende vormen van beeldspraak voor, die hieronder worden toegelicht aan de hand van de elementen die bij beeldspraak kunnen worden onderscheiden: het vehicle (het beeld), de tenor (datgene waar het beeld voor staat) en de ground (de motivatie van de relatie vehicle – tenor).

 

In de eerste strofe is sprake van een personificatie. In de eerste strofe wordt namelijk gesproken over ‘weidewinden die met lijnen vol wasgoed spelen’ (regel 2 en 3). Iets wat levenloos is, wordt levend gemaakt. Spelen is namelijk een activiteit die mensen uit kunnen voeren, weidewinden kunnen dit niet.

 

In de tweede strofe van het gedicht is sprake van een metafoor in engere zin:

- Het vehicle bestaat uit het geheim der dokspoorlijnen.

- De tenor bestaat uit de treinwagons die over de spoorlijnen rijden.

- De ground bestaat uit het feit dat we van zowel een geheim als van de treinwagons de inhoud niet weten.

 

In de derde strofe van het gedicht is sprake van een a-syndetische vergelijking:

- Het vehicle bestaat uit de walm van stoomtram en van bleekerij of van de ovens waar men schelpen brandt.

- De tenor bestaat uit de aanstichter van dromen.

- De ground bestaat uit het feit dat geuren vaak leiden tot dromen: degene die een geur of een walm ruikt, fantaseert of droomt weg.

 

In de vierde strofe van het gedicht is sprake van een metafoor in engere zin:

- Het vehicle bestaat uit het zwarte kalf dat, gezien tegen de achtergrond van een zwarte sintelberg, voor het oog verdwijnt en opgenomen wordt in de berg.

- De tenor bestaat uit het onaanzienlijke.

- De ground bestaat uit het feit dat het onaanzienlijke en het zwarte kalf snel over het hoofd wordt gezien.

 

Het gedicht als geheel kan opgevat worden als een metafoor in engere zin:

- Het vehicle bestaat uit de beschrijving van een gebied dat ligt tussen stad en land.

- De tenor bestaat uit een geestesgesteldheid: de neiging om niet te kiezen.

- De ground bestaat uit het feit dat het gebied tussen stad en land een tussengebied is en iemand die niet kan kiezen, heeft vaak de neiging om het in tussengebieden te zoeken en uiteindelijk geen keuze te maken.

 

Interpretatie van het gedicht

 

Waar gaat ‘Zelfkant’ over? Om deze vraag te beantwoorden, heb ik eerst de betekenis van dit begrip volgens Van Dale opgezocht. De letterlijke betekenis heeft betrekking op de zijkanten van een weefsel, in de lengterichting van het doek en meestal versterkt geweven. In mijn ogen kan van deze betekenis in dit gedicht geen sprake zijn. De figuurlijke betekenis heeft betrekking op een buitenrand of een grensgebied. Hierover gaat dit gedicht. Ook het begrip ‘halfland’lijkheid’ in de eerste regel van het gedicht hangt hiermee samen: het gebied dat ligt tussen stad en land en van beide kenmerken heeft. Rekening houdend met deze betekenisaanduidingen, ligt het voor de hand om de titel van het gedicht zo letterlijk mogelijk te lezen: als een aanduiding voor de kant waar de dichter zijn zelf meent te kunnen vinden, zijn zelfkant.

 

Het gedicht beschrijft een landschap waar fabrieksterreinen, dokspoorlijnen, stoomtram, blekerij en kalkovens temidden van weilanden met kalveren zijn te vinden. De werkelijke locatie van het gedicht doet er niet zoveel toe, vooral vanwege het feit dat iedereen dit landschap overal in Nederland en wellicht ook daarbuiten terug kan vinden.

 

In het gedicht wordt gezocht naar eenzaamheid, en die is (in tegenstelling tot wat men vaak denkt) niet in de natuur te vinden, niet in bergen of ravijnen, maar juist in de tussengebieden waar cultuur en natuur in elkaar overgaan. Van die overgang geeft Vestdijk een aantal voorbeelden: vage weidewinden én lijnen vol wasgoed, armelijk gras én een lorrie, stoomtram én tijmgeur, een zwart kalf én sintels.

 

Bij de laatste strofe van het gedicht kunnen we ons een zwart kalf voorstellen dat, gezien tegen de achtergrond van een zwarte sintelberg, voor het oog verdwijnt en opgenomen wordt in de berg.  Het kalf wordt nog net voordat het sonnet zijn voorgeschreven einde vindt ontdekt, gered en door een onverhoopt gedicht uit zijn anonieme staat bevrijd.

Naast de mededeling van de dichter dat je in het onspectaculaire gebied van de buitenwijken moet opzoeken om het eigen zelf te vinden, kan het gedicht als geheel opgevat worden als een metafoor voor een geestesgesteldheid: de neiging om het in tussengebieden te zoeken, ofwel om niet te kiezen.

 

Literatuurlijst

 

E. van Boven, G. Dorleijn: Literair mechaniek. Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten. 2e, herz. dr. Bussum: Coutinho, 1983.

 

G. Komrij: Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten. 14e, herz. en verm. dr. Amsterdam: Bert Bakker, 2004.

 

Bijlage 1

 

 

 Zelfkant

 

1 È   ─      È    ─      È   È  È    ─     È    ─

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:

 

2   È   ─ È  ─  È  ─    È   ─   È   ─  È

Van vage weidewinden die met lijnen

 

3   ─   ─     È     ─  È    È    È   ─   È  ─ È

Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen

 

4     ─    ─  È   ─    È     ─    È ─  È   ─

Waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt,

 

  

 

5  È   ─       È    È  È  ─     È    ─    È    ─ È

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.

 

6    ─        ─       È ─   È     ─     È  ─ È   ─

Want ’k weet, er is waar men het leven slijt

 

7 È    ─     È    ─        ─   È       ─     ─    È    ─

En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid

 

8 È   ─   È    ─  È   ─  È   ─ È ─  È

Te vinden dan in bergen of ravijnen

 

  

 

9  È    ─      È      ─      È   È   È   ─ È

De walm van stoomtram en van blekerij

 

10  ─   È   ÈÈ      ─     È       ─   È      ─

Of van de ovens waar men schelpen brandt

 

11 È   ─      È     ─    È     ─   È   È   È     ─   È

Is meer dan thijmgeur aanstichter van dromen,

  

 

 

12 ─  È   ─  È   ─   È È  ─  È   ─    È   ─

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan den rand

 

13      È     ─     È   ─ È    ─     È   ─    È  ─

Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd

 

14 È  È   ─    ─       È   ─  È   ─ È ─  È

En in één beeld met sintels opgenomen.