wp61940c18.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Analyse en interpretatie van het verhaal De Fruitkar van F. Bordewijk

wp2f4821f2_0f.jpg

1. Inleiding

 

Dit werkstuk is geschreven in het kader van het propedeusevak ‘Analyse en interpretatie van poëzie en proza’ van de opleiding Nederlands aan de Universiteit van Leiden in het collegejaar 2004/2005. In dit werkstuk wordt het verhaal ‘De Fruitkar’ van F. Bordewijk geanalyseerd, waarbij aandacht wordt besteed aan aspecten als vertelsituatie, gedachten en gesprekken, tijd, ruimte, personages en motieven conform het tijdens de werkcolleges gehanteerde handboek Literair mechaniek. Na de analyse volgt een beknopte interpretatie van het verhaal, gebaseerd op de analytische bevindingen.

 

2. Vertelsituatie

 

In het verhaal is sprake van een personale vertelsituatie. Er is sprake van een niet-gedramatiseerde vertelinstantie: er is geen persoon die in de tekst de rol van de verteller vervult, die naar zichzelf verwijst en allerlei commentaren door het verhaal heenvlecht, maar een anonieme instantie die zich schuilhoudt achter het verhaal. De verteller heeft zich teruggetrokken en presenteert alleen datgene wat de personages denken, voelen, zien, ervaren en meemaken.

Omdat er slechts in één personage inzicht wordt gegeven, spreken we van een enkelvoudig personaal verhaal. We volgen het verhaal vanuit één personage: Wouter. Alleen zijn gedachten worden weergegeven, niet die van andere personages of van de vertelinstantie. Deze vertelvorm ligt dicht aan tegen het ik-verhaal waarin het blikveld ook beperkt is tot dat van het ‘ik’. De derde persoon kan zonder ingrijpende gevolgen worden omgezet in de eerste persoon. Om die reden wordt een enkelvoudig personaal verhaal ook wel verhuld ik-verhaal genoemd.

In het verhaal treedt één keer een meervoudige vertelsituatie op. Binnen het verhaal over Wouter wordt namelijk een tweede verhaal verteld: het verhaal over de jonge kluizenaar. In deze raamvertelling is eveneens sprake van een personale vertelinstantie.

 

3. Gedachten en gesprekken

 

Het is kenmerkend voor verhalende teksten dat personages sprekend en denkend worden ingevoerd, in dat verband spreken we van ingebedde communicatie. Ook in dit verhaal treden personages op aan wie de vertelinstantie tijdelijk het woord afstaat. Daartoe gebruikt de verteller verschillende instrumenten, die variëren van een directe weergave van wat personages zeggen of denken, tot een indirecte vorm waarin hij zelf de uitingen of gedachten van de personages verwoordt.

 

Gedachten

Voor de weergave van gedachten heeft de verteller gebruik gemaakt van de indirecte rede en indirecte innerlijke monologen. De zin ‘Zijn gevoel, mogelijk zijn instinct zei hem dat de verklaring lag in de laatste woorden.’ is een voorbeeld van de indirecte rede. Een indirecte innerlijke monoloog treffen we aan in het volgende fragment: ‘Zijn gevoel, mogelijk zijn instinct zei hem dat de verklaring lag in zijn laatste woorden. Toen langzaam met zijn denken rondtastend, kwam hij tot deze slotsom. De exacte wetenschappen hebben al veel verankerde wetten van hun grondslagen losgetrokken en onze aarde weerspiegelt slechts een klein deel van het heelal. Elders zijn mogelijkheden verwezenlijkt, die hier ondenkbaar zijn. Zou er dan naast de elasticiteit van stof ook geen rekbaarheid bestaan van de tijd? Men kan zich een tijd indenken waarin het leven aan de eeuwigheid nabij komt, en een tijd waarin het wordt doorleefd in de kleinst mogelijke flits. Deze laatste dan werd in het verhaal omtrent de kluizenaar benaderd.’

 

Gesprekken

Voor de weergave van gesprekken heeft de verteller gebruik gemaakt van de directe rede. In het postkantoor spreekt de vader van Wouter de volgende woorden tegen zijn zoon: ‘Je moet eens letten op die mooie wagen, hier vlak voor het gebouw, stellig een nieuw model. Maar kijk liever niet naar de bestuurster, ook niet even.’ In de auto spreekt Wouter de volgende woorden tegen Stella: ‘Pas op, houd meer rechts, wacht even.’ Naar de koopman roept Wouter: ‘Pas op!’ Na het ongeluk hoort Wouter de stem van Stella: ‘Ben je bereid?’

 

4. Tijd

 

Volgorde

Het sujet is de volgorde van de gebeurtenissen zoals die in het verhaal wordt gegeven. De fabel is dat wat er daadwerkelijk is gebeurd, de logisch-chronologische loop der gebeurtenissen.

In ‘De fruitkar’ is sprake van een niet-chronologisch-successieve presentatiewijze. De volgorde van de gebeurtenissen in het sujet is niet dezelfde als in de fabel. Fabel en sujet wijken slechts op één punt af. Wouter heeft namelijk een flashback: op het moment dat Wouter het postkantoor verlaat, herkent hij Stella achter het stuur van de auto. Hij denkt terug aan de periode, twaalf jaar geleden, dat zij een verhouding hebben gehad. ‘Hij herdacht, dag voor dag, uur voor uur, de periode van hun verhouding.’ De rest van het verhaal wordt volledig in chronologische volgorde verteld.

In ‘De fruitkar’ worden twee verhalen naast elkaar verteld die niet dezelfde geschiedenis presenteren. Binnen het verhaal over Wouter wordt namelijk een tweede verhaal verteld: het verhaal over de jonge kluizenaar. We hebben dus te maken met twee sujets en twee fabels naast elkaar. De tijd in het verhaal over de jonge kluizenaar is in dit hoofdstuk niet verder uitgewerkt, maar komt ter sprake bij de motieven en de interpretatie van het verhaal.

 

Duur

De vertelde tijd is de duur van de geschiedenis en is uit te drukken in eenheden als minuten, uren, dagen, maanden of jaren. De duur van de geschiedenis bedraagt ongeveer 2 uur, namelijk het moment waarop Wouter het postkantoor binnenstapt tot het moment waarop Wouter dood in de ziekenwagen wordt afgevoerd. De verteltijd is de duur van het verhaal, de tijd die nodig is om het verhaal te realiseren (te lezen). De verteltijd is het gemakkelijkst te hanteren door hem te koppelen aan een aantal bladzijden of aantal woorden. De duur van het verhaal bedraagt 8 bladzijden en de vertelde tijd is dus langer dan de verteltijd. Met andere woorden: er wordt relatief veel tijd in relatief weinig woorden gepresenteerd. Op het niveau van het gehele verhaal treedt er dus tijdversnelling op. Een eerste voorbeeld van tijdversnelling treffen we aan op het moment dat Wouter de geschiedenis van de kluizenaar overdenkt. Er is ongeveer één bladzijde aan deze passage gewijd, maar de passage sluit af met de woorden: ‘Ofschoon hij meer dan een uur in de hal had zitten peinzen (…)’. Een tweede voorbeeld van tijdversnelling treffen we aan op het moment dat Wouter terugdenkt aan de periode van zijn verhouding met Stella. Er is ongeveer een halve bladzijde aan deze passage gewijd, maar in de passage staat vermeld: ‘Hij herdacht, dag voor dag, uur voor uur, de periode van hun verhouding.’ Wouter zal enige tijd nodig gehad moeten hebben om op deze wijze aan het verleden terug te denken.

 

Tijdsverloop

In het verhaal is sprake van een diffuus tijdsverloop. Precieze gegevens over de totale duur van de geschiedenis en de interne tijdsgeleding ontbreken. Het verhaal bevat de volgende tijdsaanduidingen:

- ‘Wouter verbaasde zich dan ook niet de begane grond van het gebouw reeds te twee uur op die zeer sombere zomernamiddag inwendig stralend verlicht te vinden (…)’

- ‘Ofschoon hij meer dan een uur in de hal had zitten peinzen (…)’

- ‘Op die wijze verging het Wouter, daar hij moest vaststellen dat een spanne van twaalf jaren verwijdering op hem een duidelijk stempel had gedrukt (…)’

De voortgang van de tijd is weliswaar op de voet te volgen, maar we weten niet op welke dag en in welk jaar de gebeurtenissen in het heden en de flashback zich afspelen.

 

Spanning en ironie

Spanning is een effect van technieken die erop gericht zijn de aandacht vast te houden. Die technieken liggen vooral op het vlak van de informatiedosering (welke informatie krijgen lezers c.q. personages over de gebeurtenissen, wanneer en op welke wijze krijgen ze die en hoe wordt die tussen hen verdeeld) en de tijdsstructuur. In dit verhaal zorgt vooral de informatiedosering voor de spanning. Er is sprake van situationele of dramatische ironie: de lezer weet meer dan het personage. Wouter stapt weliswaar nietsvermoedend het postkantoor binnen, maar voor de lezer wordt al heel snel duidelijk dat er iets vreemds staat te gebeuren, dat er gebeurtenissen zullen plaatsvinden die bij de bestaande wereld geen aansluiting vinden. De tekst bevat elementen die hierop wijzen:

- Het verhaal speelt zich af op ‘een zeer sombere zomernamiddag’, een paradoxale toestand. De term ‘een zomernamiddag’ is moeilijk te verenigen met het adjectief ‘zeer sombere’.

- Het postkantoor bevindt zich in een schemertoestand, een toestand van overgang, de overgang van licht naar donker. Het is een toestand waarin de overgang van deze naar een andere wereld mogelijk is. De tegenstelling binnen-buiten is zeer scherp: van binnen is het postkantoor stralend verlicht door neonsterren.

- De vader van Wouter bevindt zich aan ‘gene zijde’ van de balie. Deze formulering verwijst naar gene zijde van dit leven. Immers, verderop in de tekst blijkt dat de vader van Wouter reeds lang geleden gestorven is. De vader spreekt zijn zoon vanachter een gordijntje, hij spreekt door een glasschijf. Er blijft materie tussen Wouter en zijn vader zitten, zij communiceren niet direct.

- Stella (‘ster’) wordt beschreven met de kleur blauw: haar auto, haar kapje, haar ogen als saffieren. Wanneer men overdag sterren probeert te zien, ziet men bij een wolkenloze hemel slechts blauw.

- Op de straat langs het postkantoor is alleen eenrichtingsverkeer toegestaan, er is geen weg terug wanneer Stella Wouter meeneemt.

- De man die de fruitkar voortduwt is een oude man op wie de tijd blijkbaar geen vat heeft gehad. Hij bezit de krachten van een jonge man, want hij duwt een immens zware handkar voort.

 

Werkwoordstijden

In het algemeen geldt dat de werkwoordstijd tot functie heeft het handelen (de door het werkwoord uitgedrukte werking) te situeren ten opzichte van het spreekmoment (het moment waarop de zin wordt uitgesproken). Het verhaal is, afgezien van de dialogen, overwegend verteld in de o.v.t. en deze werkwoordstijd drukt uit dat het handelen vóór het spreekmoment ligt.

Het is overigens specifiek voor verhalende teksten dat daarin de o.v.t. domineert. De o.v.t. wordt geïmpliceerd door de narratieve situatie, waarin immers per definitie het vertellen na het gebeuren plaatsvindt. Het gaat daarbij echter vaak meer om een conventionele vertelwijze dan dat het werkelijk de bedoeling is uit te drukken dat de gebeurtenissen in het verleden plaatsvonden. Deze voor narratieve teksten karakteristieke o.v.t. duidt men aan als episch praeteritum. Hiervan is in dit verhaal ook duidelijk sprake.

 

5. Ruimte

 

Het verhaal begint met de beschrijving van het postkantoor en de straat waar zich dit bevindt. Het postkantoor bevindt zich in het midden van een grote provinciestad. Het ligt tussen onbelangrijke gebouwen, meest woonhuizen, aan een smalle laan, door een smalle sloot gescheiden van een smal en gerekt park. Het ligt aan een laan met eenrichtingsverkeer, waar men slechts 20 minuten mag parkeren. Het ontvangt weinig daglicht, omdat er grote kastanjes aan de laan aan de voorkant en hoge percelen aan het achtererf staan. Via Wouters waarneming vernemen we dat het postkantoor al om twee uur ‘op die zeer sombere zomernamiddag’ inwendig stralend verlicht is.

Uit bovenstaande kan worden afgeleid dat in het verhaal sprake is van een diffuse ruimte, een ruimte die niet precies te lokaliseren valt. Er wordt weliswaar een expliciete omschrijving gegeven van het postkantoor en de straat waar zich dit bevindt, maar we weten niet om welke stad en welke straat het precies gaat.

De buurtbeschrijving heeft een duidelijke functie in het verhaal. De ruimte is in het verhaal een voorwaarde voor het handelingsverloop. Het is voor de gebeurtenissen namelijk van groot belang dat het postkantoor, waar alles begint, aan die merkwaardige smalle straat ligt, zó smal dat eenrichtingsverkeer noodzakelijk is en toch nog breed genoeg dat een streek van de krappe rijweg als parkeerplaats mag worden gebruikt. Het verhaal lijkt dus bij aanvang te zijn gesitueerd in de ons omringende wereld. De realistische conventies worden echter doorbroken vanaf het moment waarop Wouter beseft dat zijn vader al jaren geleden gestorven is. Dit is een keerpunt in het verhaal: de lezer ontdekt dat het verhaal zich afspeelt in een fantastische wereld. Met het betreden van het postkantoor stapt Wouter de andere wereld binnen. De drempel naar het postkantoor bleek de drempel naar gene zijde van het leven (de dood, het hiernamaals) te zijn.

 

6. Personages

 

In het verhaal treden vier personages op: Wouter, Wouters vader, Stella en de man met de fruitkar. Wouter is de held van het verhaal. ‘Held’ heeft hier niet de betekenis van ‘dapper’, maar duidt slecht de hoofdpersoon van het verhaal aan. Ook de term protagonist wordt hier wel gebruikt. Naast de held treden er eigenlijk geen andere hoofdfiguren op. Wouters vader, Stella en de man met de fruitkar zijn bijfiguren die met name dienen om de handeling op gang te houden en Wouter meer reliëf te verlenen.

Een andere verdeling van personages is die in round en flat characters. Wouter is een round character, ofwel een personage dat in de loop van het verhaal een zekere ontwikkeling doormaakt. Wouters vader, Stella en de man met de fruitkar zijn flat characters, ofwel weinig uitgewerkte en statische personages.

 

De in het verhaal gegeven expliciete informatie over de personages, staat hieronder vermeld:

- Wouter is zesendertig jaar oud. Twaalf jaar geleden heeft hij uit zelfzucht zijn verhouding met Stella verbroken. ‘Hij, egoïst, wilde vooruit in de wereld; hij zocht enkel zijn voordeel; geboorte, vermogens, studie, uiterlijk gaven hem recht op een leven van aanzien. Stella, uit een omgeving die in zijn kring kleinburgerlijk heette, was voor zijn toekomst geen steun, geen introductie, maar een remblok en een schade.’ Wouter is inmiddels met een andere vrouw getrouwd.
Nadat Wouter het postkantoor verlaten heeft, stapt hij bij Stella in de auto. Nadat de fruitkar de auto in de flank heeft gereden, bevindt Wouter zich in een nieuwe wereld, onmerkbaar voor anderen. Hij bevindt zich plotseling in een glazen buis, een soort reageerbuis.

- Wouters vader is al jaren geleden overleden. In het verhaal wordt hij opgevoerd als postdirecteur. Hij was echter nooit postdirecteur, maar raadsheer in een gerechtshof.

- Stella is dertig jaar oud. Als Wouter het postkantoor verlaat, ziet hij een mooie lichtblauwe open auto. Aan het stuur zit Stella. Wouter herkent haar aan het lichte, onverwoestbare blond, nog eer hij haar gelaat had gezien, want zij houdt het aandachtig gebogen over een tijdschrift. Op haar hoofd heeft zij een plat, blauw kapje en haar ogen zijn, wanneer zij hem aankijkt, bedauwde saffieren. De vrouw is een oude liefde van Wouter. Hun verhouding is al twaalf jaar geleden verbroken. Omdat zij een belemmering had kunnen zijn voor zijn carrière had Wouter haar verlaten. Ondertussen is Wouter zesendertig jaar oud geworden en hij voelt zich niet jong meer. Maar Stella is met haar dertig jaar nog altijd jong en bovendien mooi.

 

7. Concrete motieven

 

Concrete motieven zijn de kleinste, niet verder ontleedbare gebeurtenissen waaruit fabel en sujet zijn opgebouwd. De concrete motieven worden onderscheiden naar verhaalmotieven, vrije motieven en leidmotieven.

 

Verhaalmotieven

Op grond van de vertelde gebeurtenissen kunnen de volgende verhaalmotieven worden onderscheiden:

- Wouter gaat het postkantoor binnen en koopt een stapeltje briefkaarten.

- De vader van Wouter wenkt hem en spreekt zijn zoon toe.

- Wouter ontdekt in zijn zak een stuk papier, hij leest de kleine geschiedenis op het stuk papier en hij denkt meer dan een uur na over het beschreven wonder.

- Wouter verlaat het postkantoor, herkent Stella en denkt terug aan de periode van hun verhouding.

- Wouter stapt bij Stella in de auto en ze rijden weg.

- De fruitkar rijdt met een lichte schok in de flank van de auto.

- Wouter bevindt zich in een nieuwe wereld, onmerkbaar voor anderen.

- Een onherkenbaar verschroeid lichaam wordt door een ziekenwagen naar het gasthuis gebracht.

 

Vrije motieven

Vrije motieven zijn motieven die wel in het sujet voorkomen, maar geen deel uitmaken van de vertelde geschiedenis. In het verhaal kunnen de volgende vrije motieven worden onderscheiden:

- Het motief ‘tijd’ is prominent in het verhaal aanwezig: in de straat voor het postkantoor mag maximaal twintig minuten geparkeerd worden. Wouter vindt een kalenderblaadje in zijn zak waarop geen datum staat. De tijd is verdwenen, slechts het verhaaltje over de bizarre tijdsbeleving van de kluizenaar is overgebleven. Wouter vraagt zich af hoe de hutbewoner sneller kon zijn geweest dan de bliksemschicht. Wouter zit meer dan een uur te peinzen op de wachtbank in het postkantoor. Stella leest een tijdschrift.

- Veroudering. Op het moment dat Wouter Stella ontmoet, beseft hij dat hij een flink stuk ouder is geworden. Wouter stelt vast ‘(…) dat een spanne van twaalf jaren verwijdering op hem een duidelijk stempel had gedrukt, en haar slechts had beroerd in de gelaatstint, bleker dan eertijds. Hij telde nu zesendertig jaar, hij was niet meer jong; zij, omstreeks dertig, was het nog steeds.’ Na het ongeluk vindt in de buis een proces van razendsnelle veroudering plaats. ‘Dertig, veertig, vijftig jaren, een lawine van tijd stortte over hem.’ In een flits is Wouter tientallen jaren ouder geworden.

- Het bestaan van een andere wereld. Wouter was na het lezen van het verhaal op het kalenderblaadje tot de slotsom gekomen dat er een elasticiteit van de tijd moet bestaan, er is sprake van een andere wereld, wellicht een ander heelal: ‘elders zijn mogelijkheden verwezenlijkt, die hier ondenkbaar zijn. Zou er dan naast de elasticiteit der stof ook geen rekbaarheid bestaan van de tijd? Men kan zich een tijd denken waarin het leven aan de eeuwigheid nabij komt, en een tijd waarin het wordt doorleefd in de kleinst mogelijke flits. Deze laatste dan werd in het verhaal omtrent de kluizenaar benaderd.’

- De tegenstelling tussen ‘licht’ en ‘donker’. Het postkantoor ontvangt weinig daglicht, omdat er grote kastanjes aan de laan aan de voorkant en hoge percelen aan het achtererf staan. Binnenin is het postkantoor echter stralend verlicht.

 

Leidmotieven

De volgende woorden of woordcombinaties worden in de tekst geregeld herhaald:

- Gene zijde. De vader van Wouter blijft aan gene zijde van de balie. Na het ongeluk bevindt het leven van Wouter zich in een generzijds.

- Sterren. Het postkantoor wordt verlicht door neonsterren. ‘Stella’ betekent ‘ster’.

- Blauw. Stella rijdt in een blauwe auto, ze draagt een blauw kapje en ze heeft saffierblauwe ogen.

- Bliksemflits. De hut van de kluizenaar wordt vernietigd door een bliksemflits. Door een tweede bliksemstraal wordt de kluizenaar terug naar de aarde gezonden. Wouter neemt in de reageerbuis ook een bliksemflits waar.

 

8. Interpretatie van het verhaal

 

Het verhaal roept bij mij een aantal vragen op.

 

Waar komt Stella vandaan?

De tekst bevat verschillende aanwijzingen voor de interpretatie dat Stella van generzijds komt. Ze is niet ouder geworden, alleen bleker dan eertijds. Stella staat meer dan een uur te wachten voordat Wouter uit het postkantoor komt, terwijl er maar 20 minuten parkeren is toegestaan. Blijkbaar gelden de gewone regels voor haar niet. Haar vreemde wijze van sturen trekt Wouters aandacht. Stella rijdt langzaam, té langzaam en op de linkerweghelft. Ze gaat de hoek om zonder richtingaanwijzer te gebruiken, zonder op de verkeersregels te letten. Ze is niet bang om te verongelukken. Stella begroet Wouter niet, de reactie van andere automobilisten negeert ze, evenals Wouters waarschuwing op het moment dat ze zeer gevaarlijk de weg oversteekt. Kortom: ze reageert niet op deze wereld. Stella is uit het hiernamaals gekomen om Wouter te halen.

 

Waarom treedt de vader van Wouter op in het verhaal?

Wouters vader is al jaren geleden overleden, maar toch treffen we hem aan in het postkantoor. De vader van Wouter bevindt zich in het postkantoor echter aan ‘gene zijde van de balie’. Hij behoort duidelijk niet tot deze wereld. Hij onderneemt nog een poging om Wouter te waarschuwen, omdat hij weet of vermoedt wat er gaat gebeuren. Hij komt immers van dezelfde zijde als Stella (het hiernamaals). Door het verhaal op het kalenderblaadje vergeet Wouter echter acht te slaan op zijn woorden.

 

Wat is er werkelijk met Wouter gebeurd?

Er valt geen verklaring te geven die aansluit bij de wereld zoals wij die kennen. Na de botsing met de fruitkar is Wouter aan gene zijde beland, hij bevindt zich in een reageerbuis die hem afsluit ban het leven aan deze zijde. In die buis vindt een proces van razendsnelle veroudering plaats. Hij wordt dertig, veertig, vijftig jaar ouder. Voordat de bliksemschicht uit de bovenkant van de buis hem bereikt, is hij aan ouderdom overleden. In een flits is hij tientallen jaren ouder geworden. Aan het einde van het verhaal is een ziekenwagen met een onherkenbaar verschroeid lichaam op weg naar het gasthuis. De leeftijd van de getroffene is een vraagteken. Na de aanrijding voltrekt het leven van Wouter zich in een flits en het eindigt in de buis. Hierna komt zijn lichaam weer in dit leven, in de ons bekende werkelijkheid terecht.

 

Wat is de betekenis van de kar met het stenen fruit?

Het stenen fruit is te verbinden met de dood. Het fruit ziet eruit als ‘magnifiek ooft’, maar het is van steen. Blijkbaar is in dit fruit leven en levenloos verwisseld. Het ligt op een kar die geduwd wordt door een man van gene zijde. Wouter loopt in de val, het ongeluk waardoor Wouter aan gene zijde belandt, is afgesproken werk.

 

Wat is de samenhang tussen het verhaal van de kluizenaar en de geschiedenis van Wouter?

In beide gevallen is er een bliksemschicht, die gepaard gaat met het verschrijden van veel tijd in enkele ogenblikken. Wouter overkomt hetzelfde als de kluizenaar. De kluizenaar blijft echter in leven, Wouter niet.

 

9. Abstracte motieven

 

De concrete gebeurtenissen in een verhaal zijn geen doel op zich, maar een middel om iets abstracters, een ‘idee’ of visie uit te drukken. In het interpretatieproces in het vorige hoofdstuk heb ik geformuleerd welke abstractere betekenis via de concrete verhaalwerkelijkheid naar mijn mening wordt uitgedrukt of uitgebeeld. In dit hoofdstuk leg ik een verband tussen verschillende concrete motieven wanneer ik vind dat die bepaalde semantische noties gemeenschappelijk hebben, dus onder één noemer te brengen zijn.

 

In het verhaal is sprake van twee noties van een hogere abstractiegraad:

- Het eerste abstracte motief is de grens tussen dit leven en het leven van gene zijde. Deze grens is voor een moment, voor de duur van deze geschiedenis, opgeheven. Met het betreden van het postkantoor stapte Wouter de andere wereld binnen. De drempel van het postkantoor bleek de drempel naar gene zijde te zijn.

- Het tweede abstracte motief is tevens het hoofd- of grondmotief van het verhaal: het onbegrijpelijke en oneindige van de kosmos. Het leven is een groot raadsel en dit wordt weerspiegeld door de fantastische verschijnselen in het verhaal: er vinden gebeurtenissen plaats die niet vanuit de werkelijkheid zijn te verklaren, maar die wel zijn voor te stellen. Het is de taak van de lezer om een verklaring voor de gebeurtenissen te zoeken. Het verhaal van de jonge kluizenaar is in dit verband op te vatten als een spiegeltekst of tekstgedeelte dat als het ware de betekenis van de tekst als geheel spiegelt.

 

10. Literatuurlijst

 

E. van Boven, G. Dorleijn: Literair mechaniek. Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten. 2e, herz. dr. Bussum: Coutinho, 1983.

F. Bordewijk, ‘De fruitkar’. In: F. Bordewijk, Verzameld werk. Dl. 8. ’s-Gravenhage, 1985, p. 92-99.

E. Zuiderent: ‘Komt het stenen fruit van generzijds? Een interpretatie van ‘De fruitkar’ van Bordewijk’. In: Juffrouw Ida 17 (1991-1992), afl. 3 (maart 1992), p. 12-16.