wpf053f601.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Deze en de volgende pagina’s bevatten mijn werkstuk voor de Accentgroep Twintigste eeuw van de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar 2006-2007. De voetnoten - en daarmee de literatuurverwijzingen - zijn in deze online-versie weggelaten. Wie interesse heeft in een exemplaar met noten en literatuurverwijzingen kan een e-mail sturen naar marjoleingommers@home.nl

Veel leesgenot!

 

Oriëntalisme in De berg van licht van Louis Couperus

wp68307612_0f.jpg

Lawrence Alma Tadema: The roses of Heliogabalus (1888)

 

Inleiding

 

Louis Couperus is één van de grootste schrijvers binnen de Nederlandse letterkunde. Niet alleen heeft hij een enorm oeuvre van gemiddeld kwalitatief hoogstaand niveau bij elkaar geschreven, de thematiek is ook zeer divers. Uit De berg van licht (1905-1906) blijkt Couperus’ fascinatie voor de Klassieke Oudheid én het Oosten. In deze nota onderzoek ik de manier waarop Louis Couperus het oriëntalisme in deze roman heeft verwerkt. Maar eerst zal ik ingaan op de vraag wat we onder oriëntalisme verstaan.

 

Oriëntalisme

 

Wat is oriëntalisme? In deze nota ga ik uit van de definitie in het invloedrijke boek Orientalism van de Palestijnse essayist Edward Said dat in 1978 verscheen.

Edward Said (1935-2003) was een in Jeruzalem geboren christelijke Palestijn, in Caïro grootgebracht, en in 1950 naar de Verenigde Staten geëmigreerd, waar hij aan de universiteiten van Princeton en Harvard heeft gestudeerd. Vanaf 1963 doceerde hij Engels en Vergelijkende Literatuurwetenschap aan de Columbia University. Hij heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten, waarvan zijn boek Orientalism het meest bekend is geworden.

In het begin van zijn boek omschrijft Said oriëntalisme als ‘a way of coming to terms with the Orient that is based on the Orient’s special place in European Western Experience’. Hij maakt in dit verband een onderscheid tussen een drietal vormen van oriëntalisme. In de eerste plaats een academische, dat wil zeggen de oosterse studies in het onderzoek en onderwijs. In de tweede plaats een vorm van oriëntalisme in meer algemene zin, waarbij het een wijze van denken betreft die is gebaseerd op een ontologisch en epistemologisch onderscheid tussen het Oosten, de Oriënt, en het Westen. Deze denkwijze wordt volgens Said aangetroffen bij talloze schrijvers en dichters, filosofen, politieke theoretici, economen en overheidsambtenaren. In de derde plaats de vorm van oriëntalisme die zich sinds het einde van de achttiende eeuw heeft ontwikkeld, en die Said omschrijft als ‘the corporate institution for dealing with the Orient’ en als ‘a Western style for dominating, restructuring, and having authority over the Orient’. Deze drie vormen van oriëntalisme zijn volgens Said afhankelijk van elkaar en op elkaar betrokken.

Said wijst er in zijn boek op dat de belangen van het koloniale tijdperk hebben geleid tot een systematische constructie van het beeld van de Oriënt dat de Europese expansiepolitiek moest ondersteunen. Wetenschap en ideologie vloeiden ineen om de superioriteit van Europa te bevestigen en stereotiepe voorstellingen van het Oosten in de westerse cultuur wortel te laten schieten.

Saids theorie over het oriëntalisme steunt op drie fundamenten. In de eerste plaats bestaat er volgens hem een samenhang in de door de wetenschap, kunst en literatuur gebrachte voorstellingen van de Oriënt. In de tweede plaats zijn deze voorstellingen bepalend geweest voor het Europese zelfbeeld en een cultureel superioriteitsgevoel ten opzichte van andere volken. In de derde plaats worden deze voorstellingen gebruikt om de westerse politieke en economische hegemonie te rechtvaardigen. Het gaat Said vooral om dit laatste, politieke aspect: de mogelijkheid voor politici om vastgeroeste, stereotiepe beelden van moslims en Arabieren te mobiliseren voor expansionistische doeleinden. Het oriëntalisme werd én wordt bewust ingezet ter wille van een bepaalde machtspolitiek.

 

Oriëntalisme en literatuur

 

Maar wat is nu de betekenis van het oriëntalismedebat voor de literatuur? Volgens Said is literatuur één van de belangrijkste culturele uitingsvormen van het expanderende Europa. In een periode van kolonisatie van andere volken werd met name in de roman vorm gegeven aan het Europese beeld van de ‘Ander’, dat wil zeggen de gekoloniseerde volken. Europa had dit beeld van de Ander nodig om een eigen identiteit te kunnen afbakenen om zichzelf een plaats te kunnen geven ten opzichte van de andere, vaak pas ontdekte, delen van de wereld. De Ander ging een onontbeerlijk deel uitmaken van het zelfbeeld van de Europeanen.

Om de Europeanen als superieur voor te stellen moeten andere volken, waaronder de Oosterlingen, worden afgeschilderd als een soort negatieve antithese van de Europeanen. Ze werden daarbij als het ware ‘ontmenselijkt’ en in stereotiepe gedaanten gegoten, die op allerlei gebieden ver achtergebleven waren op de Europeanen. In tegenstelling tot de Europeanen waren de Oosterlingen niet ondernemend, ijverig en pragmatisch, maar lethargisch, lui en afkerig van aardse efficiëntie. Zij waren blijven steken in hun verlammende en achterhaalde religieuze denkbeelden.

Er bestaat geen boek dat de westerse beeldvorming over de Oriënt zo heeft beïnvloed als de vertellingen van Duizend-en-één-nacht. Vanaf het moment dat Galland in 1704 het eerste deel van zijn Franse vertaling liet verschijnen, zijn deze verhalen niet meer weg te denken uit de westerse cultuurgeschiedenis. Talloze vertalingen en bewerkingen in alle Europese talen volgden. Wat al deze uitgaven gemeen hadden was het feit dat ze een westerse interpretatie gaven van de oosterse vertellingen. Sommige passages werden weggelaten omdat ze onbetamelijk zouden zijn, terwijl de sprookjesachtige sfeer juist sterk werd aangezet. Het Oosten van de Duizend-en-één-nacht is een oord van djins, sultans, harems en toverpaleizen.

De vertellingen van Duizend-en-één-nacht is een verzameling verhalen in de vorm van een raamvertelling uit het Midden-Oosten. De opzet van het werk is als volgt: het verhaal gaat dat er ooit een koning Sjahriaar was die de gewoonte had jonge maagden te huwen en hen na de huwelijksnacht te vermoorden. Zo ook zijn pas verworven bruid Scheherazade. Om aan de executie te ontkomen vertelt zij hem in de huwelijksnacht een verhaal dat nog niet af is. Om te weten hoe het afloopt spaart hij haar. De volgende nacht komt het vervolg, maar ook dat verhaal is niet af. De koning gunt haar nog een nacht. Dit houdt Scheherazade 1001 nachten vol en elke nacht wordt afgesloten met een onvoltooid verhaal. Ondertussen schenkt zij hem enkele kinderen. Wanneer de verhalen uiteindelijk ten einde zijn, is de koning zo van haar gaan houden, dat hij haar gratie schenkt en ze zijn definitieve vrouw mag worden.

De wereld van Scheherazade was een wereld vol primitieve betovering, die vreemd was aan de onze en die tegelijk aanlokkelijk en bedreigend was. Volgens de eerste Europese vertaler was het Oosten een wereld vol primitieve betovering, die vreemd was aan de onze en die tegelijk aanlokkelijk en bedreigend was. Volgens deze vertaler werd deze wereld door Scheherazade zo realistisch en gedetailleerd beschreven dat de lezer zich de moeite van de verre reis kon besparen en alles over de gewoonten van de Arabieren en de moslims vanuit zijn leunstoel kon vernemen. Pas in de loop van de twintigste eeuw begonnen sommigen te betogen dat de vertelde wereld en de reële wereld maar weinig met elkaar te maken hebben.

De Oriënt kon in de westerse verbeelding vele gedaanten aannemen. Hoe het Oosten werd verbeeld was mede afhankelijk van de manier waarop men tegen de eigen samenleving aankeek. Vaak immers fungeerde het Oosten als het spiegelbeeld van het Westen. Dat kon een negatief spiegelbeeld zijn, bijvoorbeeld bij zendelingen en missionarissen die de islam afschilderden als het werk van de duivel om zo hun eigen bekeringspogingen te legitimeren. Maar het kon ook een positief spiegelbeeld zijn. Dat was vaak het geval bij kunstenaars die wat kritischer naar de eigen maatschappij keken. Wanneer het moderne leven ervaren werd als saai en monotoon, dan was het sprookjesachtige en avontuurlijke Oosten van Aladdin of Sinbad een aanlokkelijk alternatief. Een kunstenaar die zich beperkt voelde door de rigide seksuele moraal thuis, voelde zich aangetrokken tot het sensuele Oosten van verleidelijke odalisken en uitdagende buikdanseressen. En iedereen die gruwde van de harde, kapitalistische maatschappij, kon nog altijd vluchten naar het onbedorven Oosten, waar men tijd voor elkaar had en leefde volgens eeuwenoude zeden en gewoonten.

 

De historische achtergronden van De berg van licht

 

Ook de beelden van Nederlandse kunstenaars zijn maar ten dele gebaseerd op de realiteit. Eén van de werken waarin de auteur duidelijk een beeld van en de tegenstelling tussen Oost en West schept, is de historische roman De berg van licht van Louis Couperus. Hij schreef dit werk tussen november 1904 en november 1905 en het werd in 1905 en 1906 in drie delen gepubliceerd.

De berg van licht is een historische roman en het verhaal speelt zich af in het Romeinse Rijk in de derde eeuw na Christus rond de keizer Heliogabalus. Ik zal nu eerst kort ingaan op de historische achtergrond van de roman.

Vanaf 509 voor Christus lag de macht in het Romeinse Rijk in handen van de senaat. De senaat was een bestuurlijk orgaan waarin de toplaag van de Romeinse aristocratie zitting nam. Voor het dagelijkse bestuur waren twee consuls verantwoordelijk, die voor een ambtsperiode van één jaar uit de rangen van de aristocratie werden gekozen.

De Romeinse elite was zeer gehecht aan de republikeinse staatsvorm. In 49 voor Christus pleegde Julius Ceasar echter een coupe en hij eigende zich de alleenheerschappij over het Romeinse Rijk toe. Dit kwam hem echter duur te staan en met tientallen messteken brachten de senatoren hem om het leven. Op de dood van Julius Ceasar volgde een periode van burgeroorlog, waaruit Ceasars geadopteerde zoon Octavianus als overwinnaar tevoorschijn kwam. Octavianus wist dat de senaat het nooit zou accepteren als hij zich tot alleenheerser zou uitroepen. Er volgde een lange periode waarin officieel de senaat en de consuls het voor het zeggen hadden, maar waarin het vaak de keizer was wie het werkelijk voor het zeggen had. Meestal werden de keizers opgevolgd door mannelijke nakomelingen. Als er geen nakomelingen waren, dan adopteerden ze vaak een opvolger.

In 193 stichtte generaal Septimus Severus een nieuwe dynastie. Hij was getrouwd met Julia Domna, een vrouw uit de Syrische stad Emesa. Zij schonk hem twee zonen, Geta en Caracalla, die na de dood van hun vader in 211 samen de macht over het rijk erfden. Het duurde echter niet lang voor Geta door zijn oudere broer werd vermoord. Van 211 tot 217 regeerde Caracalla als alleenheerser. Hij had de reputatie een brute, ruwe man te zijn en bracht het grootste deel van zijn regering met zijn soldaten op het strijdveld door. In 217 stak één van zijn soldaten hem neer. Caracalla stierf kinderloos. De soldaten in het oosten riepen Macrinus tot keizer uit. Het bericht van de machtswisseling werd slecht ontvangen door Julia Domna, de moeder van Caracalla. In wanhoop pleegde zij zelfmoord. Hiermee leek de Severische dynastie definitief ten einde te zijn, maar niets was minder waar. Julia Domna had namelijk nog een oudere zuster, Julia Maesa, die door Macrinus werd verbannen naar haar geboorteplaats Emesa. Het zou echter niet lang duren voor de zij terugkeerde naar Rome, samen met de nieuwe keizer: haar kleinzoon Heliogabalus.

Hoewel de macht om iemand de keizerlijke titels te verlenen officieel bij de senaat berustte, kwam het vaak voor dat het leger op eigen houtje een kandidaat naar voren schoof. De senatoren stonden vervolgens machteloos tegenover de militaire macht van het leger en ze moesten de keus van de soldaten wel accepteren.

Heliogabalus werd als bastaardzoon van Caracalla aan de soldaten gepresenteerd. Dit was heel erg belangrijk. Caracalla bracht namelijk een groot deel van zijn regering op militaire expedities door, waarbij hij het respect van zijn manschappen had weten te verwerven door zich als ‘één van de jongens’ te gedragen. Bovendien verhoogde hij de soldij en verleende hij de soldaten allerlei privileges. Het leger was er dus bij gebaat dat de militaire politiek van Caracalla werd voortgezet. Keizer Macrinus was echter duidelijk van plan een andere richting in te slaan dan zijn voorganger. Hij was geen soldaat, maar hij had een juridische achtergrond en hij had weinig zin in oorlogvoering. Caracalla was een oorlog begonnen tegen de Parthen, de oosterburen van de Romeinen, maar Macrinus krenkte de trots van het Romeinse leger door de strijd te staken en voor een astronomisch bedrag de vrede af te kopen. Hij verlaagde ook de soldij en hij ontzegde nieuwe rekruten de privileges die door Caracalla waren ingesteld. Dat was weliswaar gunstig voor de schatkist, maar het maakte Macrinus weinig geliefd bij de militaire troepen. De soldaten waren dus maar wat graag bereid om een zoon van Caracalla aan de macht te helpen. Steeds meer troepen sloten zich aan bij Heliogabalus. Couperus beschrijft het als volgt:

 

Zij riepen hem uit, zij stroomden hem toe, omdat hij aanbiddelijk was, dien Priester-der-Zon. Die tienduizenden zielen, noordelijke en zuidelijke: Romeinen en Klein-Aziaten, maar ook Germanen, Galliërs, Britten, Sarmaten, Pannoniërs: zij eeredienden, in het Zuiden, de schoonheid, de antieke, almachtige, overheerschende schoonheid, die twee eeuwen van zich uitbreidend Christendom nog niet hadden kunnen versmoren.

 

In de roman van Couperus was de massale steun voornamelijk het gevolg van Heliogabalus’ ‘aanbiddelijkheid’. Waarschijnlijk waren de soldaten echter meer geïnteresseerd in de alternatieve koers die hij ten opzichte van Macrinus bood. Een andere belangrijke factor waren ten slotte de omkooppraktijken van de oude Moeza.

 

Oriëntalisme in De berg van licht

 

De roman bestaat uit drie delen. Het eerste deel speelt zich af in Syrië. De andere twee delen spelen zich af in Rome, de stad van waaruit het Romeinse Rijk bestuurd wordt. In het tweede deel lezen we over de gebeurtenissen in Rome als Heliogabalus keizer is. Vanaf het derde deel gaat het alleen maar slechter met Heliogabalus: hij verliest langzaam zijn macht en zijn populariteit. Uiteindelijk wordt hij vermoord door zijn onderdanen.

 

Couperus besteedt in De berg van licht veel aandacht aan de verschillen tussen Oost en West. Het Oosten wordt door Couperus getypeerd met de combinatie van wat het Westen niet is: ‘mystiek’ en ‘sensueel’. Vanaf de eerste bladzijde van de roman valt de natuurbeschrijving op. Couperus legt keer op keer de nadruk op de woekerende weelderigheid van het Oosten. Maar de mystieke sensualiteit is vooral gekoppeld aan het oosterse zonneritueel, waarin men terug streeft naar het androgyne.

De eerste hoofdstukken hebben het oosterse Emessa als decor, een tempelstad in de Romeinse provincie Syrië en het centrum van de zonnegodsdienst van Helegabalus. Volgens deze religie ligt de oorsprong van de mens in het onstoffelijke Licht, waarvan de geslachtsloze god Helegabalus de verpersoonlijking is. Al in een ver verleden zijn de mensen echter uit het Licht verstoten en sindsdien zijn zij gedoemd in de duisternis van de aarde en gekluisterd aan hun lichamelijkheid van man of vrouw voort te leven. De zon – als het zichtbare symbool van het Licht – herinnert de mens aan zijn oorsprong en roept hem dagelijks terug te streven naar waar hij vandaan kwam. Slechts uitverkorenen slagen daar op deze aarde al in. Zij zijn incarnaties van de zonnegod Helegabalus en hebben als taak hun ziel, die vonk van het oorspronkelijke Licht, zo zuiver mogelijk te houden en te streven naar een staat van geslachtsloosheid, naar een harmonie waarin het mannelijke en vrouwelijke elkaar in een zo volmaakt mogelijk evenwicht houden. In De berg van licht is de veertienjarige Bassianus een voorbeeld van zo’n uitverkorene.

In het eerste deel van De berg van licht schetst Couperus Bassianus als een aanbiddelijke, maar een ondeugende en frivole jongen, die soms weigert zich aan de wil van zijn grootmoeder te onderwerpen en moeite heeft zich te concentreren op de mystieke lessen van de oppermagiër Hydaspes. De jongen is Hogepriester in de tempel van Emessa. Eens in de drie maanden mag het volk zich aan hem komen vergapen, wanneer hij een rituele dans uitvoert rond de Zwarte Steen. De Zwarte Steen is een fallisch symbool dat de mannelijke zijde van de zonnegod Helegabalus voorstelt.

Indrukwekkend is de beschrijving van één van de bijeenkomsten waarbij een immense menigte toevloeit om een glimp op te kunnen vangen van de dansopvoering van Bassianus en zijn aantrekkelijke jongenslichaam. Ook de soldaten die in Emessa zijn gelegerd zijn gefascineerd door Bassianus’ vrouwelijke schoonheid en door zijn sterk erotiserende tempeldansen. De voorbereiding tot zo’n tempeldans in de dienst van de Zon, het rituele kleden en opmaken van het extatisch beschreven jongenslichaam worden uitvoerig beschreven door Couperus. Vervolgens verschijnt de jongen:

 

Razende schreeuwde het volk. Machteloos van verlangen opgesloten tusschen de tallooze zuilen, achter de wacht der veliten, strekten daar allen de handen uit, schreeuwden alle kelen den naam van den erbarmenden god. En plotseling, de Magiërs, de priesters, de deernen, de Zonnekinderen hem dicht omringend, staande, geknield, en ter neêr gestort, gingen Bassianus' vingers langzaam uit naar den schulp, en lieten het juweel, als eén brandende roode drop, neêrvallen in de handen van Alexianus.... Tusschen de reikende handen der deernen werd de Middelaar, nedergedaald, Man; zijn efebe-lid, klein, maar door de beweging van den Dans in streving gericht, verzichtbaarde rozigjes-wit; maar zilverblank zwol hem de borst, die hij tot maagdeboezem uitzette, en tusschen de reikende handen der Magiërs werd, àlvermogend, de Middelaar Maagd.

 

De opvoeringen vormen voor grootmoeder Moeza en haar helpers een uitstekende gelegenheid voor de keizerspromotie en het omkopen van het leger. Voor de verspreiding van het geld zorgen door Couperus een aantal oriëntalistisch getypeerde personages, waarvan de meest opvallende ‘de Indiër’ is. Hij wordt geïntroduceerd als een perfecte voordringer. Hij probeert vooraan te komen staan bij het gordijn waar de opvoering van Bassianus wordt verwacht door zich te mengen in een groep Germanen en Galliërs. Hij wordt daarbij geholpen door het geld, dat hij onder zijn schamele kleding bewaart. Zijn ascetisch-slanke Indische lijf geeft de tegenstelling met het westelijke vlezige lichaam weer:

 

Achter de gladiatorenbende hield zich een Indiër strak geparst tegen hen aan; hij was naakt, met een lap om de lendenen; even kopergebruind, zijn hoofd in witten tulband omwonden; mager en slank bevallig hield hij de gladiatoren bij, liet die voor hèm den weg banen en ging met hen meê en stuwde vooruit achter hen aan en won zoo steeds een betere plaats. Nu, glimlachend zacht, had hij zich listiglijk weten te duwen tot midden in hun spiervleezige groep en stond er als in een bescherming en veiligheid: zijn lippen glimlachten, zijn oogen glimlachten, terwijl hij staarde op het bronszware gordijn.

- Zeg, vriend, wat moet dat? vroeg de Germaan.

- Jullie zijn sterk, ik niet, zei de Indiër met zachtvleierig vreemden tongval in zijn zangerig Syriesch; de zwakke zoekt steun bij den sterke. Ik ben van uit het park achter je aan gekomen. Hier hebben wij een vrij mooie plaats om den Dans van Zijne Heiligheid aan te zien.

 

Op vijftienjarige leeftijd wordt Bassianus tot keizer uitgeroepen: Bassianus Antoninus Helegabalus Augustus. Het volk van Rome verheugt zich op de komst van de jonge, oosterse keizer:

 

Het volk koos partij voor het Oosten, voor de Zon, voor Helegabalus. Hunne oogen waren nog dronken van des keizers bewierookte beeltenis; in hunne hersens dreunde nog blijde het hameren aan de aangegaapte versieringen, en heel hun verlangen smachtte te gemoet naar de pracht, die zoû komen, in ceremonie en feest en vooral in bandeloos, bandeloos zingenot, dat eeredienen zoû om den Zwarten Steen. Vreten, zwelgen, dansen, kleuren, muziek, offers van duizende rammen en schapen, gladiatoren en mimen, zeegevechten in cir-cus, giraffen, olifanten, tijgers en leeuwen, naakte vrouwen en naakte kinderen, dwergen, die zouden doen lachen en Magiërs, die zouden doen huiveren, zonnepriesters en -deernen, die veil zouden zijn: dat alles kwam, dat alles zoû te aanzien zijn en volop te genieten, na járen van verveling in Rome; en de sestertiën zouden vloeien: mantels zouden worden gegeven en juweelen amuletten; mild congiarius was aan het Volk beloofd en mild donativum beloofd aan het Leger […]

 

De opperbevelhebber van het leger, Julianus, is echter gekant tegen de cultus van Helegabalus en wordt vermoord. Antoninus, zoals Bassianus nu heet, wordt in Rome met veel eerbetoon ingehaald. Rome viert uitbundig feest en er volgt in de hele stad een nachtelijke orgie.

Als de familie zich eenmaal in het keizerlijk paleis gevestigd heeft, begint Antoninus meteen al met zich door grote weelde en luxe te omringen. Het volk is onder de indruk van de Syrische keizer. Al snel maken de Romeinse vrouwen zich op zijn Syrisch op en dragen ze Syrische gewaden. Ook de Syrische zonnegodsdienst neemt in populariteit toe, vooral als de aanzienlijke burgerij merkt dat ze door Helegabalus te vereren bij Antoninus in een goed blaadje komt te staan. Maar Antoninus gaat verder. Hij organiseert dagenlange drinkgelagen en ontuchtige feesten, hij strooit met geld, hij laat enorme vuurwerken ontsteken en hij verzint elke dag weer buitenissige dingen om zichzelf en zijn onderdanen te vermaken. De Romeinen zijn sterk onder de indruk van de oosterse weelde en uitspattingen. We lezen onder andere over een feest in het paleis dat ontaardt in een krankzinnige orgie. De keizer en zijn gasten zijn allemaal dronken:

 

Hij wendde zich op een danspas; hij wiegde zijn heupen en wentelde zich om en om, lokkende, lonkende, roepende, en de armen rekkende, schuddende den schoot op het rythme der hoeren, die op den drempel der huizen van de Subura rekken en roepen en lokken en lonken.... en het schuim, het schuim naderde zwart.... Ruwe stemmen riepen, joelden, jouwden, schreeuwden; de Praetorianen-troonwacht, zelve beschonken, wist niet te doen, hoorde niet meer Antiochianus' bevelen....

 

Toch is Antoninus niet meer het onbezorgde kind dat hij in Emessa was geweest:

 

Hoe weinig, hij scheen veranderd; hij was niet meer het dansende kind van Emessa. Daar was hij geweest niets dan de kindgod en godschoone priester, vol devotie zich wringende voor het idool, en, bijna onbewust en spontaan, zich gevende aan de Menigte, die hem aanbad - in een zaligheid om die aanbidding; in een knapevreugde, dat men zoo zeer hem liefhad; in een voldoening van kunstenaar, dat men zóo toejuichte de lenigheid van zijn lijf, de zekerheid van zijn evenwicht, de gratiën zijner gebaren en passen. Toen was hij zoo wel Hoogepriester als een onbezorgd kind geweest; nu, eenige maanden ouder, nauwlijks zestien, scheen als met haastigen bloei zijn mystieke man-vrouwelijkheid, te Emessa extatiesch ernstig en devoot, zich ontwikkeld te hebben tot eene, wie dit niet verwachtte, zeer treffende perversiteit. Hij voelde zich aangezien, bewonderd, en zijne oogen kwijnden links en rechts, lonkende, zoo als de oogen zijner moeder lonkten. Zijn mystieke aureool was getaand, hoe dwepend vroom aan de Zon hij gebleven was. Het was niet meer alleen de Middelaar, die erbarmend der Aarde zich gaf; het was een bedorven kind daarbij, dat rechts en links beloofde. Overgeplant sedert zoo korten tijd, vergiftigde al de daar, in Emessa, hem eigene bloem zijner in incarnatie geweifeld hebbende ziel.

 

Antoninus wordt verliefd op Hierocles, een wagenmenner en atleet, waarmee hij zelfs in het huwelijk treedt. Rome accepteert het huwelijk tussen de twee mannen, Antoninus is immers een geslachtsloze incarnatie van de voor hen vreemde Helegabalus. Opvallend is dat zijn grootmoeder Moeza het mannenhuwelijk als Syrische goedkeurt, terwijl ze het als Romeinse afkeurt:

 

Na hare zwakte het Huwelijk niet te hebben verhinderd - Huwelijk, dat zij als Syrische, als Dochter der Zon goedkeurde, maar afkeurde als Romeinsche matrone […]

 

Aan de populariteit van de oosterse zonnecultus in Rome komt echter ook weer een einde. Het volk reageert geshockeerd op de overbrenging van het beeld van Rheia Kubele, de moeder der goden, naar de zonnetempel:

 

En dit beeld, dit allerheiligste beeld, dit beeld der allerverschrikkelijkste Rheia Kubele, Moeder der Goden en der Bergen Moeder, dit om zijne vormeloosheid juist zoo huiveringwekkende beeld, wilde de keizer verplaatsen uit haar eigen tempel naar den Tempel der Zon, opdat zij, de Eerwaarde, dienares zoû zijn van het Eeuwige Licht! Heiligschennis! Heiligschennis! Een goddelijk beeld verplaatsen van de plek, waar het eenmaal gewijd was! Heiligschennis! Tòch zagen zij het gebeuren! En niettegenstaande die heiligschennis omringden Gallen en Archigallen het beeld, dat den Zonnetempel werd binnen gedragen, en op razend hollenden leeuwenwagen stond, grauwe-haar-fladderend en wolkmantel-wapperend, de godin zelve, neen, de keizer Antoninus, hij, die de heiligschennis bevolen had!

Dien nacht ging een angst, een huiver door Rome. Het was of de godin zich al wreekte. Nauwlijks dorst Menigte zich verzamelen voor de feestverlichte arkaden van het Paleis, in de hoop, dat de keizer zich toonen zoû na het zeer late avondmaal. Nauwlijks gloeide de koorts naar genot langs de straten. In de Subura was het doodstil, te vergeefs riepen de bordeelwaarden en -waardinnen. En toen een licht onweêr rommelde hoog in de lucht en ver, met gestadigen donder, die verrolde in vèr flitsend helle verglanzingen over de bergen heen, haastte het volk zich langs de hooge huizen naar binnen en velen kropen angstig dicht bij elkaâr en bleven zoo, in heel bange fluistering....

 

Couperus geeft ons vervolgens de indruk dat de keizer het spoor steeds verder bijster raakt en zijn onderdanen gaandeweg met zijn uitspattingen tegen zich in het harnas jaagt. Eén van zijn uitspattingen is een passage waarin de keizer in de Zonnetempel zijn toekomst laat lezen uit het ingewand van een hiertoe geslachte baby.

Na een tijdje begint Antoninus te vereenzamen. Hij verlangt terug naar Emessa, hij verveelt zich, hij beraamt zelfmoordplannen en hij is zich er diep in zijn hart wel degelijk van bewust dat zijn manier om naar het Licht te streven niet in overeenstemming is met wat zijn priesterlijke leermeester in Emessa hem geleerd hebben. En dan komt hij op een idee. Om het door een huwelijk met Hierocles verstoorde manvrouw-evenwicht te herstellen, wil hij ook nog met een vrouw trouwen. Zijn keus valt op Aquilia Severa. Vanaf dit moment gaat het hopeloos fout met Antoninus. Aquilia Severa is namelijk een Vestaalse Maagd, het symbool van de deugd, het heiligste van het heiligste. Het volk begint hem uit te schelden.

In de slothoofdstukken keren het volk en het leger op hun schreden terug en zij vertonen heimwee naar een minder oosterse religie, seksualiteit en leefwijze. Er duidelijk sprake van een ommekeer. De mensen hebben genoeg van Antoninus en van zijn oosterse levensstijl. Alexianus wordt naar voren geschoven als kandidaat voor een nieuwe keizer. Antoninus haat hem zo erg, dat hij hem wil laten vermoorden. Moeza wil beiden nog verzoenen, maar het volk wil bloed zien. Het volk kiest partij voor Alexianus. Antoninus en zijn moeder worden vermoord en hun verminkte lichamen worden in de rivier gegooid.

 

Waár is het hoerekind? Zij razen nu, dat zij niet vinden.... Zij hebben toch héel dat paleis doorwroet, heel dien nu opvlammenden tempel met hun lansen doordrild, alle die tuinen en heuvelen op-, af- en weêr opgeloopen.... Maar wàt moet die Moor, die daar staat met zijn hakbijl en houwt, en houwt.... Drie, vier argyraspiden heeft hij neer gehouwen! Neêr met hem, neêr, neêr.... Het is Narr, het is hoerekinds Moor.... Neêr met hem, neêr, neêr.... Maar wàt stond hij daar voor diè deur juist.... Breek open, splijt, verbrijzel, vermorzel aan splinters de deur, die schijnt dichtgespijkerd.... Een infekte lucht van de slavenlatrinen walmt zoel uit als met een wolk van stank.... Aan splinters eindelijk de deur! Ha....a....a! Hà....a....a!! Daár.... dáár staat hij!! Daár is het hoerekind, daar staat hij, in de armen staat hij van de hoer, die zijn moeder is! Ha....a! Ha....a....a!! Daar.... daár staat hij met zijn meidesmoel! Hièr met hem, hièr! Hièr, de godendief, heiligschenner, de Syriër, het verdorven beèst, dat Rome vergiftigd heeft en ontkrachtigd; hièr met hem, hièr....

 

Het einde van het ooit zo machtige en bloeiende Romeinse Rijk lijkt nabij. Er is geen uitweg weg. Het opkomende christendom vormt een bedreiging voor het heidense Rome. Het Oosten wist de dreiging nog even af te houden, de antieke schoonheid nog even vast te houden, maar naar zijn magiërs wordt niet meer geluisterd:

 

Gordianus slingert zich op zijn paard; neemt zijn rang in ter zijde des keizers onder de hoogste bekleederen van het ‘recht van het zwaard’.... Zie, onder de daverend juichende Menigte, die tallooze somber gekleede, monnikachtige, slaafsch jubelende Christenen, hopende op den tempel, dien Alexander Severus, minachtend het orakel der Magiërs en hoog achtend der Christenen leerstellingen, hun weldra in Rome zal gunnen....! Neen, de jonge Romein weet de Toekomst niet, ook al voorgevoelde hij eigen purper.... purper van màcht en bloed beiden.... maar wèl is hij, de denker, de epicurist, zich weemoediglijk bewust.... van een Antieke Schoonheid, die, helaas, verwelkte.... en een Antieke Vroomheid, die weldra wijkt....

 

Terwijl Bassianus model staat voor de oosterse wereld, staat Gordianus model voor de westerse wereld. Nog voordat de jonge keizer in Rome arriveert, maakt de lezer kennis met de patriciër Gordianus. Meteen leren we zijn voornaamste eigenschap kennen:

 

[…] zijn banketten waren beroemd, meer om goeden smaak dan om buitensporigheid; een faam van epicuristische gematigdheid prees den jongen Gordianus als arbiter-elegantiarum en Petronius van zijn tijd....

 

Gordianus is van nature gematigd. Zijn natuurlijke behoeften zijn geringer dan die van andere mensen. Die aanleg behoedt hem voor buitensporigheden. Misschien is het deze eigenschap die ervoor zorgt dat Gordianus één van de weinigen is die nog voordat de jonge keizer in Rome arriveerde, al twijfelde aan de duurzaamheid van het vreedzame enthousiasme voor Helegabalus:

 

Zoû het bloed níet weldra weêr stroomen....? Wat deerde het: het stroomde altijd! Rome was in het bloed gedoopt.... Rome kon zonder bloed níet leven, en niet zonder emotie en afwisseling, en niet zonder feesten en optochten en plots algeheele verandering....

 

Toch heeft Gordianus bewondering voor de keizer met zijn met zijn ‘aanbiddelijke onbewustheid’ en zijn fans die zich niet door gematigdheid belemmerd voelen zich over te geven aan de buitensporigheden:

 

De Romeinen van ouden stempel, die bromden en die berispten en zich verre hielden van Hof en van Zonnetempel - zoo als zijn eigen vader, Gordianus senior - wat wisten zij anders dan de uitgeleefde tradities.... Zie, misschien was dit àlles goed.... De aanbiddelijke onbewustheid van den goddelijken knaap, die zijn minnaar omhelsde, hoog getroond in festijnewalm, als een Aziatische god in wolken blond, en de orgie, die naar dat voorbeeld feller en feller koortste in het rond: die matronen in rozebroeken elkander in Lesbische vervoering omhelzend; de Moeder des keizers, de Augusta Semiamira, stervend van zaligheid tusschen den verliefden drang van die jonge centurionen.... Misschien was dat alles goed.... Wat wist de mensch, die nadacht, eigenlijk van goed en van slecht.... Misschien naderde Rome zoo de Vervolmaking tot in het heilige Licht.... Wèl gelukkig hen, die hun zinnen verzwelgen konden, om zich zoo te bevrijden van de boeien der aarde.... Aan hèm was het niet gegeven. Maar hij was, om wat hem ontbrak, geen strenge censor voor anderen, die sterkere levenskrachten hadden. Hij zag glimlachend toe, bevredigd in zijn verlangens....

 

Uit bovenstaande blijkt dat Couperus een ambigue houding ten opzichte van het Oosten heeft. Aan de ene kant is Couperus gefascineerd door het mystieke en sensuele Oosten, aan de andere kant zorgen de oosterse weelde en uitspattingen alleen maar voor een versnelling van de onafwendbare ondergang van het eens zo machtige en door Couperus bewonderde Romeinse Rijk.

Couperus’ bewondering voor het Oosten heeft in de eerste plaats te maken met de beperkingen die de rigide seksuele moraal in het Westen hem in het begin van de twintigste eeuw oplegde. Het is duidelijk dat Couperus indirect over zichzelf schrijft en dan vooral over zijn homoseksualiteit en zijn ideaal van dubbelgeslachtelijkheid: de oosterse keizer loopt in het boek zowel met zijn mannelijke als vrouwelijke eigenschappen te koop. Hij is, met andere woorden, ‘androgyn’. ‘Man-Maagd’ wordt de keizer in het boek genoemd. In de tweede plaats is er nóg een belangrijke overeenkomst tussen het leven van Couperus en de oosterse keizer: de overplaatsing vanuit het warme, exotische land van de jeugd naar een als kil ervaren nieuwe omgeving. Bassianus is vijftien als hij vanuit Syrië naar Rome vertrekt; als Couperus Indonesië verlaat (waar hij vanaf zijn negende jaar heeft gewoond) is hij ook vijftien.

De identificatie van Couperus met de oosterse keizer is niet de enige reden waarom Couperus juist voor deze historische achtergrond heeft gekozen. Couperus zag overeenkomsten tussen de tijd van Heliogabalus en het fin de siècle dat hij zelf meegemaakt had. Couperus beschouwde zijn eigen tijd als een periode van verval. Als fervent aanhanger van het decadentisme voelde hij een sterke afkeer voor de moderne beschaving. Deze afkeer vond zijn oorsprong in de angst voor de snelle veranderingen die als gevolg van de Franse Revolutie en de Industriële Revolutie plaats vonden. Decadente schrijvers als Couperus schepten genoegen in het verval dat ze overal om zich heen meenden te zien. Couperus had een voorkeur om die elementen in de kunst te verwerkelijken die als lelijk, afstotend en voor de morele opvattingen van die tijd verwerpelijk golden. Hij gaf uiting aan zijn gevoel van maatschappelijke vervreemding door een absolute desinteresse voor de samenleving te demonstreren en datgene te veresthetiseren wat in de ogen van de samenleving taboe was.

In De berg van licht is het decadentisme duidelijk te herkennen. De roman speelt zich af tegen de achtergrond van het Romeinse Rijk, dat vaak wordt gezien als het schoolvoorbeeld van een gedegenereerde beschaving. In de derde eeuw na Christus raakt het eens zo machtige Romeinse Rijk langzaam maar zeker in verval. Weliswaar beheersen de Romeinse legioenen nog het merendeel van de gebieden rond de Middellandse Zee, maar voortdurende machtswisselingen tasten het Imperium Romanium van binnenuit aan en zorgen voor grote politieke onrust. De militairen hebben het voor het zeggen. De legers in de provincies schuiven nu eens deze, dan weer die keizer naar voren. Steeds zijn het zwakke keizers, die er in de korte tijd van hun heerschappij enorme sommen geld doorheen jagen en het rijk door hun zucht naar pracht en praal op de rand van een bankroet brengen.

 Zoals ik eerder heb aangegeven, heeft het Oosten volgens Couperus gezorgd voor een versnelling van de onafwendbare ondergang van het eens zo machtige en door hem bewonderde Romeinse Rijk. Het oeuvre van Couperus wordt gekenmerkt door het telkens terugkerende thema van het Noodlot, dat mens en maatschappij beheerst. Volgens de noodlotsgedachte is de mens een passief wezen waarbij de wil en de rede niet opkunnen tegen de andere hem determinerende factoren: de drift en het primitief instinct. Alle pogingen om een zedelijke vrijheid te verwerven zullen onvermijdelijk moeten falen. De berg van licht bevat veel verwijzingen naar het onafwendbare:

 

Hij had Bassianus lief met de mystiek-sensuële aandrang zijner Aziatische natuur, wie, hoe naar het Onzienlijke ook gericht, de zinnelijkheid toch als een warme stroom ging door zijn broeiend bloed; en hij had hem lief met een immense weemoed, omdat hij, voor zich onbetwijfelbaar, zag in de starren en zag in Bassianus’ eigene ogen, dat het onverbiddelijke noodlot loerde op dit heerlijk kind, als op een fel begeerde prooi. Hij zág het, met éen doordringende flits, dat dit kind – deze bloemziel, uitbloeiend in de lucht, die haar eigen was, een bekoring kon zijn, zo groot, dat zij zelfs de grofste zinnen trof … dat zij, overgeplant en opschietende onder andere hemelen, zou uitstrengelen in wilde verwarring en de slaking harer aromen een walm vol vergift zou wekken … En terwijl hij neerstaarde op het kind, wist hij, dat het zou zijn, en dat er niets aan te doen was, omdat de machtige goden besloten hadden: de machtigste, die zijn onzegbaar; die welke alle zegbare goden zelve overheersen … Het zou zo zijn …

 

De hoofdpersoon van de roman, de uit het Oosten afkomstige keizer Heliogobalus, geeft zich volledig over aan zinnelijk genot en hij sleurt heel Rome mee in een werveling van extase. Uiteindelijk slaagt Heliogabalus er niet in om terug te streven naar het Licht. Dat zijn streven mislukt, wordt veroorzaakt doordat Heliogabalus te veel aan het aardse gebonden blijft. Juist omdat de mens geen god is, is de gewenste eenwording met de godheid zoals de keizer die zich voorstelt een onmogelijk streven.

Couperus identificeert zich uiteindelijk meer met de gematigde westerse Gordianus en steeds minder met de oosterse Heliogobalus die zich compleet overgeeft aan de oosterse weelde en uitspattingen.

 

Conclusie

 

Net als vele andere westerse schrijvers die over het Oosten schrijven, vinden we ook in De berg van licht van Louis Couperus kenmerken van het oriëntalisme terug, met name de koppeling van het Oosten aan mystiek en sensualiteit. De verering van het Oosten is echter niet volledig. De belangrijkste aanwijzing daarvoor is dat Antoninus’ grootmoeder Moeza zijn huwelijk met de wagenmenner Hierocles als Syrische goedkeurt, terwijl ze het als Romeinse afkeurt. Deze tweesporigheid is kenmerkend voor de roman: het onbeheerste en sensuele Oosten tegenover het meer klassieke Westen, en de dubbelhartigheid hierin.

 

Bibliografie

 

Gedrukte werken

 

ANBEEK 1982 – T. Anbeek: De naturalistische roman in Nederland. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1982.

ANBEEK 1998 – T. Anbeek: ‘Het bloed drupt als levende robijnen’. In: Vrij Nederland 3 oktober 1998.

ANBEEK 1999 – T. Anbeek: Geschiedenis van de literatuur in Nederland 1885-1985. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1999.

ANONIEM 1905 – Anoniem: ‘Over De Berg van Licht’. In: Nieuwe Arnhemsche Courant 5 december 1905.

COUPERUS 1905-1906 – L. Couperus: De berg van licht. Amsterdam: Veen, 1905-1906. 3 dln.

DROP 1958 – W. Drop: Verbeelding en historie. Verschijningsvormen van de Nederlandse historische romans in de negentiende eeuw. Assen: Van Gorcum, 1958.

DUSSEN 2005 – W.J. van der Dussen: Tekenen des tijds. [Heerlen}: Open Universiteit Nederland, 2005. Afscheidsrede.

ECTOR 1997 – J. Ector: ‘Het lot van keizer Heliogabalus’. In: Kruispunt 38 (1997), afl. 171, p. 105-108.

GALLE 1973 – M. Galle: Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan. Het noodlot in het werk van Louis Couperus. Hasselt: Heideland-Orbis, 1973.

GOEDEGEBUURE 1976 – J.L. Goedegebuure: ‘Couperus en de traditie’. In: Tirade 20 (1976), afl. 211, p. 51-64.

GOEDEGEBUURE 1987 – J.L. Goedegebuure: Decadentie en literatuur. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1987.

HUIZING 1985 – E. Huizing: ‘Louis Bassianus Couperus Augustus: over de klassieke roman ‘De berg van licht’’. In: Diepzee 3 (1985).

ICKS 2006 – M. Icks: Heliogabalus: geschiedenis, droom en nachtmerrie. Den Haag: Louis Couperus Genootschap, 2006.

LEEUWEN 1999 – R. van Leeuwen: Sjahrazaad. Amsterdam: Bulaaq, 1999.

LUKKENAER 1985 – W.J. Lukkenaer: ‘In het voetspoor van Zola. Couperus als naturalist’. In: Bzzlletin 129 (oktober 1985), p. 17-22.

LUKKENAER 1989 – W.J. Lukkenaer: De omrankte staf. Couperus’ Antieke werk deel 1: van ‘Dionysos’ t/m ‘Herakles’. Leiden: Burgersdijk & Niermans, 1989.

LUXEMBURG 1991 – J.J.H. van Luxemburg: ‘Rome en de ander: over De berg van licht van Louis Couperus’. In: Spektator 20 (1991), afl. 2, p. 123-149.

LUXEMBURG 1993 – J.J.H. van Luxemburg: ‘Louis Couperus. De berg van licht’. In: Lexicon van literaire werken 20e aanvulling. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1993.

PEEK 2001 – H. Peek: ‘De woordkunst van Louis Couperus in ‘De berg van licht’’. In: Arabesken 9 (2001), afl. 18, p. 26-31.

SAID 1978 – E.W. Said: Orientalism. New York: Pantheon Books, 1978.

SCHENKEVELD-VAN DER DUSSEN 1993 – M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (red.): Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen: Nijhoff, 1993.

VERMOORTEL 1982 – P. Vermoortel: ‘Hoe duister is een berg van licht?’. In: Dietsche warande en Belfort 127 (1982), afl. 8, p. 578-589.

VLIET 1996 – H.T.M. van Vliet: Eenheid in verscheidenheid: over de werkwijze van Louis Couperus. Amsterdam: Veen, 1996.