

Deze en de volgende pagina’s bevatten mijn werkstuk voor de Accentgroep Jeugdliteratuur
van de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar
2006-
Veel leesgenot!
Vervagende of verdwijnende grenzen?
Een onderzoek naar de positie van volwassenen-
Inleiding
In deze nota staat de volgende probleemstelling centraal: wat is de positie van de
jeugdliteratuur in het literaire polysysteem? Traditioneel wordt de volwassenliteratuur
geplaatst in het centrum binnen het literaire polysysteem en de jeugdliteratuur in
de periferie. Allerlei ontwikkelingen binnen zowel de volwassenen-
Voorwaarde 1: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat er sprake is van één geïntegreerde literatuurgeschiedenis.
Gewoonlijk wordt Van Alphens Proeve van kleine gedigten voor kinderen (1778) beschouwd
als het beginpunt van de jeugdliteratuur, die inmiddels dus al ruim twee eeuwen bestaat.
Traditioneel bestaat er een gescheiden geschiedschrijving van de jeugd-
De meest recente geschiedenis van de jeugdliteratuur verscheen in 1989: De hele Biblebontse
berg. De geschiedenis van de jeugdliteratuur in Nederland en Vlaanderen van de middeleeuwen
tot heden. In deze geschiedschrijving wordt de relatie tussen jeugd-
In de literatuurgeschiedenissen is ook in de kleine letters geen plaats voor de jeugdliteratuur. Mede daardoor blijven de twee literaturen naast elkaar bestaan. Relaties tussen de twee worden niet of nauwelijks gelegd. Achter de berg van dit boek ligt de ‘grote literatuurgeschiedenis’. Ook op de enkele universiteiten waar jeugdliteratuur gedoceerd wordt binnen de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde, wordt er geen poging tot integratie gedaan.
Toch moeten er talloze verbindingen aanwezig en dat niet alleen in het scheve patroon waarin de jeugdliteratuur genres en stijlen doorzet of herneemt die in de grote literatuur hun tijd gehad hebben […]
In 1993 verschijnt Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Uitgangspunt is steeds een datum van een literaire gebeurtenis die als het ware wordt uitvergroot. Aan de hand van zo’n datum wordt bijvoorbeeld een belangrijk literair werk, een auteur of een genre beschreven. De visie van Harry Beckering komt voor een groot deel overeen met Kees Fens. Beckering schrijft namelijk in zijn bijdrage over de emancipatie van het kinderboek het volgende:
1991: de emancipatie van het kinderboek voltooid? De jeugdliteratuur geheel verlost uit zijn isolement? Gedeeltelijk. Het kinderboek zal pas wérkelijk tot de literaire canon behoren, wanneer in een literatuurgeschiedenis, gewijd aan moderne literatuur, niet meer in een apart hoofdstuk aandacht besteed wordt aan jeugdliteratuur, maar het onderwerp organisch opgenomen is in de beschrijving van literaire ontwikkelingen, stromingen en genres. Deze (bijna utopische) situatie zal echter nog wel even op zich laten wachten, want de jeugdliteraire deskundigen van velerlei pluimage – van bibliothecaris tot pedagoog – zullen wat zij als hun territorium beschouwen niet zonder verzet uit handen geven.
Volgens Bekkering functioneren jeugdliteratuur en beschouwingen over jeugdliteratuur
in dezelfde literaire context als volwassenenliteratuur en dus moeten er volgens
hem verbanden tussen beide bestaan. De voorspelling van Beckering is overigens uitgekomen:
ook in de meest recente literatuurgeschiedenis Altijd weer vogels die nesten beginnen
van Hugo Brems is de integratie niet tot stand gekomen: de auteur besteed een aparte
paragraaf (niet eens een afzonderlijk hoofdstuk en slechts negen pagina’s tekst)
aan de ontwikkelingen in de na-
Anne de Vries ziet niets in de geïntegreerde literatuurgeschiedenis van Bekkering:
Afgezien van enkele grensgevallen (in aantal toenemend, dat wel) is er geen reden om te doen alsof volwassenenliteratuur en jeugdliteratuur hetzelfde zijn. Ze zijn wel van dezelfde klei gebakken, maar ze verschillen sterk van karakter.
Het is duidelijk: op dit moment bestaat er nog geen algemene consensus over de wenselijkheid
van een geïntegreerde literatuurgeschiedenis. Op dit moment wordt er in ieder geval
hard gewerkt aan de totstandkoming van de achtdelige reeks Geschiedenis van de Nederlandse
literatuur vanaf het begin tot heden. Hugo Brems heeft in zijn deel over de periode
1945-
Voorwaarde 2: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat zowel de jeugdliteratuur als de volwassenenliteratuur onderwerp van wetenschappelijke studie zijn.
Tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw had de jeugdliteratuur geen unieke positie
aan de universiteit. Na de dissertaties van Pomes over Hieronymus van Alphen in 1908
en van Wirth over kinderpoëzie in 1926 was er nauwelijks meer sprake van serieus
onderzoek naar jeugdliteratuur. In de jaren zeventig nam de belangstelling voor het
onderzoek naar de jeugdliteratuur echter sterk toe. Aanvankelijk vond het onderzoek
vooral plaats aan de pedagogische faculteiten. Volgens de pedagogische benadering
zijn boeken voor kinderen vooral een middel in de opvoeding. In deze visie ligt de
nadruk vooral op de inhoud van de boeken. Een voorbeeld hiervan is de studie van
Dasberg naar twee eeuwen pedagogische normen en waarden in het historische kinderboek
in Nederland, beschreven in Het kinderboek als opvoeder. In de jaren tachtig werd
de pedagogische benadering van het kinderboek aangevuld met een meer literaire benadering:
volgens de zogenaamde esthetische benadering is de eenheid tussen vorm en inhoud
belangrijk. Ook de letterenfaculteiten begonnen belangstelling te tonen voor het
onderzoek naar jeugdliteratuur. Er kwam dan ook meer ruimte voor intertekstualiteits-
Prof. dr. Ria Bauer-
Op 1 november 1980 werd Ria Bauer bij Koninklijk Besluit bijzonder hoogleraar Kinder-
Helma van Lierop-
Voorwaarde 3: de grenzen
tussen beiden systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat ook auteurs
van jeugdliteratuur in aanmerking komen voor belangrijke literaire prijzen.
Er bestaat
tot op de dag van vandaag een scherpe scheiding tussen literaire prijzen voor auteurs
van volwassenen-
Nog iets over de scherpe scheiding tussen literaire prijzen voor auteurs van volwassenen-
[…] en er is een kinderboek genomineerd. Een op zichzelf heel aardig boek, dat laatste,
laat daar geen misverstand over bestaan. Het heet voluit Verse bekken! of hoe Heel
Kort zich in een kip vergiste, uit het wc-
Maar stel
je voor dat dit tekstje van amper twintig bladzijden, zo'n drieduizend woorden schat
ik, straks wordt uitgeroepen tot het beste boek van 1990 en de eerste anderhalve
maand van 1991.
Ik zie al voor me hoe dat straks op 21 mei bij de prijsuitreiking zal gaan. De televisie
zendt rechtstreeks het feestelijke galadiner van de AKO-
Iedereen kan nu thuis zelf horen wat er dit jaar in ons land aan hoogstaande literauur is vervaardigd. En ze leest: 'Heel Kort vond een meeuw op het strand. Hij droeg haar naar onze tent. 'Deze kip is mank,' zei hij. 'Ik zal haar repareren.' Hij legde de kip in een doos.
Zij piepte kort. 'Stil kip,' zei Heel Kort. 'Thuis krijg je een hok.' Heel Kort nam zijn radiootje op en draaide aan de knop. De meeuw tilde haar kop omhoog toen de radio speelde.' […]
In andere landen zou het ondenkbaar zijn om een flinterdun kinderboekje als Verse bekken! in de eindronde te laten meedingen naar de grootste literaire onderscheiding binnen het taalgebied.
Ten slotte dient opgemerkt te worden dat volwassenen en kinderen de jeugdliteratuur niet hetzelfde waarderen. Het gebeurt zelden dat vakjury’s samengesteld uit volwassenen en kinderjury’s een prijs toekennen aan hetzelfde jeugdboek, zelfs niet aan dezelfde auteur van jeugdliteratuur. Zo is door de kinderjury aan Carry Slee al zes jaar de Prijs van de Jonge Jury (in 2003, 2001, 2000, 1999 en 1998) toegekend en vijf jaar de Prijs van de Nederlandse Kinderjury (in 2001, 1999, 1998, 1997 en 1995). Volwassen vakjury’s hebben haar werk echter nog nooit bekroond met een Gouden of Zilveren Griffel.
Voorwaarde 4: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat zowel auteurs van jeugdliteratuur als van volwassenliteratuur in breder maatschappelijk opzicht min of meer gelijk aanzien genieten.
Volwassen auteurs genieten groter aanzien bij een breed publiek: ze worden vaker
uitgenodigd voor lezingen, televisie-
Gek genoeg wordt Geus niet als de koningin van de Kinderboekenweek door het land gereden. “Nee, ik had al twee optredens staan, en daar is het bij gebleven. Dus heb ik nu alle tijd om rustig de belastingformulieren in te vullen.”
De uitreiking van de Gouden Griffel vond plaats tijdens het Kinderboekenbal en er
werd nauwelijks media-
Een andere aanwijzing dat auteurs van volwassenliteratuur in breder maatschappelijk opzicht nog steeds meer aanzien genieten is het feit dat er aanmerkelijk minder recensies over jeugdliteratuur verschijnen en daarbij komt ook nog eens het feit dat het gemiddeld aantal woorden van de recensies over jeugdliteratuur aanzienlijk lager is.
Voorwaarde 5: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat auteurs van volwassenenliteratuur ook jeugdliteratuur gaan schrijven en auteurs van jeugdliteratuur ook volwassenenliteratuur gaan schrijven.
Het aantal dubbelpublieks auteurs is de laatste jaren enorm gegroeid. Galef onderscheidt binnen de groep dubbelpublieks auteurs drie categorieën: auteurs die eerst voor volwassenen schrijven en later in hun carrière ook voor kinderen, auteurs die eerst voor kinderen schrijven en later in hun carrière ook voor volwassenen en auteurs die van meet af aan voor beide groepen schrijven. Het merendeel van de dubbelpublieks auteurs is echter in slechts één literair systeem gecanoniseerd.
Belangrijk met betrekking tot dit fenomeen is de analyse van de waardering van dubbelpublieks
auteurs door de literaire kritiek van beide systemen. Het is een heel normaal verschijnsel
dat een recensent zich in de bespreking van het werk van een auteur beperkt tot hetzij
het deel van het oeuvre dat bestemd is voor volwassen dan wel tot het deel van het
oeuvre dat bestemd is voor kinderen. Mensje van Keulen is een bekende dubbelpublieks
auteur en Helma van Lierop-
Het is overigens opvallend dat auteurs die aanvankelijk voor volwassenen schrijven en later in hun carrière voor kinderen, vaker een kinderboekenprijs bij hun debuut ontvangen dan beginnende kinderboekenauteurs. Zo ontving Mensje van Keulen voor haar kinderdebuut Tommie Station onmiddellijk een Zilveren Griffel. Gebeurt dit met als doel de status van het kinderboek te verhogen? In de volwassenenliteratuur gebeurt – zoals we bij voorwaarde 3 hebben gezien – het omgekeerde: het kinderboek mag onder geen beding een ‘volwassen’ literaire prijs krijgen.
Voorwaarde 6: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat er steeds meer ambivalente teksten (teksten met een dubbele impliciete lezer) verschijnen.
Sommige boeken kunnen door twee publieksgroepen gelezen worden: kinderen en volwassenen. Dit soort teksten worden ook wel ambivalente teksten genoemd: teksten met een dubbele impliciete lezer.
Het begrip impliciete lezer is in het begin van de jaren zeventig van de twintigste
eeuw geïntroduceerd door Wolfgang Iser. Hij verzette zich tegen de opvatting dat
een literaire tekst slechts één betekenis toelaat. Betekenis ontstaat door de activiteit
van de lezer. Door de interactie tussen tekst en lezer ontstaan er meerdere interpretatiemogelijkheden
van een tekst. Een tekst verwijst altijd naar een de lezer bekende werkelijkheid,
maar valt er niet mee samen. De ‘lege plekken’ moeten door de lezer zelf worden ingevuld.
Het repertoire van lege plekken en aanwijzingen dat de lezer actief betrekt in het
literaire communicatieproces noemt Iser de impliciete lezer. De impliciete lezer
is een niet-
Wat betreft de jeugdliteratuur is het concept van de impliciete lezer vooral uitgewerkt
door Aidan Chambers. In navolging van Iser stelt hij vast dat literatuur een vorm
van communicatie is. Vanuit deze achtergrond probeert hij een antwoord te geven op
de vraag wanneer een boek een jeugdboek is en wanneer niet. Door het gebruik van
verhaaltechnieken geeft de auteur (bewust of onbewust) de lezer bepaalde eigenschappen.
Chambers beschrijft er vier: stijl, perspectief, partij kiezen en lege plekken. Persoonlijk
denk ik dat de lege plekken hierbij de meeste aandacht verdienen. Een auteur kan
enerzijds besluiten zijn bedoelingen zo expliciet en volledig mogelijk te verwoorden
en weinig ruimte over te laten aan de eigen invulling van de lezer. Anderzijds kan
de auteur zich heel erg beperken in wat hij zegt en heel veel ruimte overlaten aan
de lezer bij de invulling van de lege plekken en de bedoeling van de tekst. In het
laatste geval veronderstelt de auteur een lezer met relatief veel lees-
In de zogenaamde ambivalente teksten veronderstelt de auteur dus als het ware twee
typen impliciete lezers: lezers met veel en lezers met weinig lees-
Hoewel dit soort boeken er altijd zijn geweest, verschijnen er de laatste twintig jaar steeds meer ambivalente teksten of teksten met een dubbele impliciete lezer. We kunnen dit dan ook zeker beschouwen als een teken van literaire emancipatie van de jeugdliteratuur.
Voorwaarde 7: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat de overeenkomsten tussen adolescentenromans voor de jeugd en voor volwassenen groter zullen zijn dan de verschillen.
Adolescentie is de levensfase waarin lichamelijke rijping plaatsvindt. Lichamelijke ontwikkelingen gaan gepaard met psychische en sociale veranderingen. De belangrijkste vraag die de adolescent zichzelf stelt, is meestal de vraag naar de eigen identiteit. Adolescentenromans thematiseren de innerlijke groei van een personage naar volwassenheid, in wisselwerking met de hem of haar omringende werkelijkheid. Traditioneel bestaan er zowel adolescentenromans voor volwassenen als voor jongeren. Een voorbeeld: Spookliefde van Vonne van der Meer wordt traditioneel gerekend tot de volwassenenliteratuur en De bijenkoningin van Veronica Hazelhoff niet.
Op basis van welke criteria worden de adolescentenromans gerekend tot de jeugdliteratuur of juist tot de volwassenenliteratuur? Volgens sommigen verschillen de adolescentenromans voor volwassenen en jongeren van elkaar doordat die voor jongeren alleen met de antwoorden bezig zijn, niet met de vragen, met de oplossingen in plaats van met raadsels. Maar heeft deze opvatting over de grens tussen adolescentenromans voor volwassenen en jongeren niet vooral betrekking op de probleemboeken in het algemeen die verschenen in de jaren zeventig? De pasklare antwoorden van deze romans hebben inmiddels plaatsgemaakt voor keuzemogelijkheden. In Over grenzen. De adolescentenroman in het literatuuronderwijs voeren de auteurs vier voorbeeldanalyses uit die zich richten op het achterhalen van de impliciete lezer. In navolging van Chambers werden de romans geanalyseerd op stijl, perspectief, partij kiezen en lege plekken. De conclusie van dit kleinschalige onderzoek is dat sinds de jaren tachtig een groeiend aantal adolescentenromans zich aan leeftijdsgrenzen onttrekt.
Bovenstaande ontwikkeling zou consequenties moeten hebben voor de literatuurkritiek en de inrichting van het literatuuronderwijs. Tot op heden is van een geïntegreerde bespreking van de adolescentenliteratuur door literatuurcritici geen sprake. Binnen het onderwijs wordt er nauwelijks aandacht aan de adolescentenroman besteed. Jeugdliteratuur hoort thuis in de Basisvorming en volwassenenliteratuur in de Tweede Fase. Docenten weten niet hoe ze om moeten gaan met de adolescentenroman. Ze hebben twijfels over het literaire niveau van deze boeken en het gebrek aan tijd en interesse verhindert docenten om tot een goed afgewogen oordeel te komen.
Voorwaarde 8: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat literaire uitgeverijen een boek niet meer uitgeven als jeugdboek of als boek voor volwassenen.
Vaak bepaalt een uitgeverij of een boek wordt uitgegeven als jeugdboek of als boek
voor volwassenen. Heel veel auteurs maken echter geen onderscheid meer tussen jeugd-
Als er nog eens zo’n discussie oplaait, breng ik een stapel boeken bij de bekvechtende mensen langs. Dan zeg ik dat het theoretisch gezwam is, dat geruzie over het Grote Onderscheid. De doelgroep van een boek komt niet aan het licht, als je oeverloos over het verschil tussen jong en oud blijft emmeren. Ga uit van de Grote Gelijkenis, en dan blijkt de doelgroep wel, als je van de logo’s van uitgeverijen betekenisloze krullen maakt, je mond houdt en leest.
In Vrij Nederland in oktober 2000 verzet Moeyaert zich opnieuw tegen de hokjesgeest:
Ik wil alleen maar een zo mooi mogelijk boek schrijven. Ik denk nooit aan een publiek als ik schrijf. Mijn enige publiek ben ik zelf. Je vertelt het verhaal aan jezelf. Als het mij bevalt, ga ik ervan uit dat het ook andere lezers zal bevallen. Dat vind ik heel geruststellend. Het gaat altijd om verteltonen, om stemmen. Die bepalen wat voor boek het wordt. En dan is het afwachten wie het herkent.
Moeyaert heeft hier wel een punt: het is uiteindelijk de lezer die moet beslissen of hij of zij zich in het boek herkent. Maar we moeten niet vergeten dat dit argument niet op alle literatuur van toepassing is. Zo bestaat bijvoorbeeld binnen de literatuur een belangrijk aandeel van boeken dat wel degelijk binnen een hokje geplaatst moet worden: de boeken ter ondersteuning van het leesonderwijs. Moeyaert zal toch niet willen ontkennen dat hij zijn Het beest heet Mona uitdrukkelijk voor kinderen – en dan ook nog kinderen met een bepaald leesniveau – heeft geschreven? Ondanks de poëtische stijl en de vele open plekken – vaak kenmerkend voor literatuur waarvoor veel leeservaring is vereist – is de woordkeus heel duidelijk gebonden aan een bepaald leesniveau. We kunnen ons natuurlijk ook afvragen in hoeverre er bij dit soort leesboekjes of leesseries wel sprake is van literatuur. Vaak zijn de boekjes heel duidelijk op recept geschreven en wordt de auteur allerlei beperkingen van stilistische en inhoudelijke aard opgelegd. Dat geldt zeer zeker niet Moeyaerts boek Blote handen. De complexere woordkeuze, de open plekken en de erg confronterende inhoud roepen hier wel de vraag op voor wie het boek bedoeld is: voor kinderen of voor volwassenen? In dit geval lijkt het mij inderdaad terecht op dit door de lezer zelf te laten bepalen.
Afgezien van de boeken ter ondersteuning voor het leesonderwijs, zou het ook naar mijn mening goed zijn als literaire uitgeverijen hun boeken wat neutraler presenteren. Voor Els Pelgrom was de hokjesgeest van haar uitgever Querido zelfs een reden om over te stappen naar een andere uitgever:
Waarom verliet Els Pelgrom de uitgeverij? ‘Ach, Els. Prachtige schrijfster, wondermooie auteur. Maar niet langer tevreden over de literatuuropvatting van Querido. Ze wuift al jaren alle complimenten voor haar kinderboeken weg. Ze had gewild dat we De eikelvreters als roman voor volwassenen hadden uitgegeven.’
Voorwaarde 9: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen op het moment dat poëzie voor volwassenen en poëzie voor kinderen met dezelfde maatstaven beoordeeld worden.
Bestaat jeugdliteratuur eigenlijk wel? Een auteur die voor kinderen schrijft, moet zich – om voor kinderen verstaanbaar te blijven – zoveel aanpassen aan de belevingswereld van kinderen (inhoud, structuur, stijl en uiterlijke vormgeving) dat dit tot gevolg heeft dat we eigenlijk niet eens meer van literatuur kunnen spreken. Dit probleem doet zich bij proza voor, maar bij poëzie nog eens in versterkte mate. Behalve aan de traditionele vormkenmerken (versregels, rijm, metrum etc.) denken mensen bij poëzie vaak aan vernieuwend, verrassend en complex taalgebruik. Dit eisenpakket maakt het onmogelijk om literaire poëzie voor kinderen te schrijven. Wat overblijft wordt vaak wat denigrerend ‘versjes’ genoemd. Ik zal me op deze plaats niet mengen in het debat over de vraag wat wel en wat geen literatuur is. Het gaat mij om de vraag in hoeverre er tegenwoordig nog daadwerkelijk een onderscheid bestaat tussen poëzie voor kinderen en poëzie voor volwassenen.
Kinder-
De publicatie van gedichten in de kinderbijlage ‘De Blauw Geruite Kiel’ van Vrij
Nederland betekende een belangrijke bijdrage aan de vervaging van de grenzen tussen
kinder-
Voorwaarde 10: de grenzen tussen beide systemen zullen pas vervagen of verdwijnen
op het moment dat zowel Nederlandse jeugd-
Het aandeel vertalingen in de productie van jeugdliteratuur in Nederland is behoorlijk
hoog, hetzelfde geldt voor de volwassenenliteratuur. Maar hoe is het gesteld met
het aantal vertalingen van oorspronkelijk Nederlandse jeugd-
Er wordt vaak geroepen dat het Nederlandse kinderboek in vertaling in opmars is.
Lange tijd is die situatie al wel zo voor de Duitse kinderboekenmarkt, maar voor
wat betreft de Engelse markt is de situatie van oudsher altijd wat minder rooskleurig
geweest. Fransisca van der Steen heeft onderzocht waarom de Britse boekenmarkt zo
ontoegankelijk is voor de Nederlandse jeugdboekenauteurs. Daarvoor is een aantal
factoren aan te wijzen. Ten eerste het enorme aanbod aan boeken op de binnenlandse
Engelse markt waardoor men niet zit te wachten op titels uit het buitenland. Ten
tweede is de educatieve markt in Engeland gedeeltelijk door de overheid voorgeschreven:
de overheid betaalt het schoolprogramma en schrijft de boeken die door de scholen
gebruikt en door de kinderen gelezen moeten worden. Ten derde is de Britse kinderboekenmarkt
meer massa-
Wat betreft de interesse van Engelse uitgevers voor Nederlandse kinderboeken lijkt
zich een positieve verandering te voltrekken. Op de website van het Nederlands Literair
Productie-
Interesse van Engelse uitgevers voor Nederlandse kinderboeken
PERSBERICHT -
Op de beurs werd Outside In, Inside Out opgericht, een organisatie die zich volledig
zal richten op de bevordering van vertaalde literatuur in Engeland. Behalve deze
non-
Een selectie van andere titels die binnenkort in diverse talen uitgegeven worden: Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckman in het Frans en het Portugees, Kikker van Max Velthuijs in het Pools, Winterijs van Peter van Gestel in het Frans, Een kleine kans van Marjolijn Hof en Bibi’s bijzondere beestenboek van Bibi Dumon Tak in het Duits. Het boek van alle dingen van Guus Kuijer wordt, naast de Engelse en de Spaanse edities, nu ook vertaald in het Italiaans, Portugees en IJslands.
Het Nederlands Literair Productie-
Hoewel er absoluut én relatief gezien nog steeds meer Nederlandse boeken voor volwassenen
dan voor kinderen worden vertaald, komt de Nederlandse jeugdliteratuur er eigenlijk
nog niet eens zo slecht van af. Dat is vooral te danken aan het Nederlands Literair
Productie-
Dat het NLPVF zich niet alleen in woorden, maak ook in daden sterk maakt voor de vertaling van Nederlandse jeugdliteratuur, blijkt wel uit een aantal successen dat zij de afgelopen jaren heeft behaald. Op 1 juni 2007 werd ter gelegenheid van wereld kinderdag, YiYi en YaYa, de Chinese vertaling van Jip en Janneke, gelanceerd door uitgeverij Zhejiang University Press. Mede dankzij de inspanning van het NLPVF verschijnen de 5 delen van YiYi en YaYa in een oplage van ruim 100.000 exemplaren. Het fonds heeft inmiddels een belangrijke rol gespeeld bij de vertaling van het werk van bekende jeugdboekenschrijvers zoals Thea Beckman, Peter van Gestel, Guus Kuijer, Max Velthuijs en Floortje Zwigtman.
Conclusie
Gewoonlijk wordt de uitgave van de kindergedichten van Hieronijmus van Alphen in
1778 beschouwd als het beginpunt van de jeugdliteratuur. Tussen 1778 en 2007 is er
binnen de jeugdliteratuur veel veranderd. Maar niet alleen binnen de jeugdliteratuur
zelf. Binnen het gehele literaire polysysteem hebben zich veranderingen en verschuivingen
voorgedaan. Traditioneel wordt de volwassenenliteratuur geplaatst in het centrun
van dit systeem en de jeugdliteratuur in de periferie. In deze nota ben ik nagegaan
of een herbeoordeling van deze positionering gewenst is. De grenzen tussen volwassenen-
Aanwijzingen die er op duiden dat er nog geen sprake is van vervagende of verdwijnende
grenzen zijn het ontbreken van één geïntegreerde literatuurgeschiedenis, het feit
dat jeugdboeken nog steeds niet in aanmerking komen voor belangrijke literaire prijzen,
auteurs van jeugdliteratuur in maatschappelijk opzicht minder aanzien genieten dan
auteurs van volwassenenliteratuur en literaire uitgeverijen boeken nog steeds uitgeven
als jeugdboek óf als boek voor volwassenen. Aanwijzingen die er op duiden dat er
al wel sprake is van vervagende of verdwijnende grenzen zijn het feit dat ook de
jeugdliteratuur steeds vaker onderwerp is van wetenschappelijke studie, auteurs van
volwassenenliteratuur steeds vaker ook jeugdliteratuur gaan schrijven en andersom,
er steeds meer ambivalente teksten (teksten met een dubbele impliciete lezer) verschijnen,
de overeenkomsten tussen adolescentenromans voor de jeugd en voor volwassen langzaam
steeds groter worden dan de verschillen, poëzie voor kinderen steeds vaker met dezelfde
maatstaven beoordeeld worden als poëzie voor volwassenen en zowel Nederlandse volwassenen-
De weegschaal slaat duidelijk positief uit: de grenzen tussen volwassenen-
Bibliografie
Gedrukte werken
Anoniem 2005: ‘Bij Reve en dat stelletje val ik in slaap’. In: De Volkskrant 30 september 2005.
Anoniem 2006: ‘Mensen gunnen je alles, als het maar niet meer is dan ze zelf hebben’. In: Santé maart 2006.
B. Boonstra: ‘Er was eens een Waseens. De jeugdliteratuur’. In: Nicolaas Matsier
(red.): Het literaire klimaat 1986-
A. van den Bosch: ‘Zonder bagage ben je als mens zo weinig’. In: Meander 15 februari 2004.
H. Brems: Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse
literatuur 1945-
A. Brumagne: ‘Vrijheid in je hoofd’. In: De Morgen 28 mei 1998.
L. Dasberg: Het kinderboek als opvoeder. Twee eeuwen pedagogische normen en waarden in het historische kinderboek in Nederland. Assen: Van Gorcum, 1981.
W. Eikelboom-
K. Fens: ‘Achter de berg’. In: N. Heimeriks & W. van Toorn (red.): De hele Bibelebontse
berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen
tot heden. Amsterdam: Querido, 1989, p. 459-
R. van der Genugten: ‘Gevaarlijke vrouwen’. In: Telegraaf 3 juni 2007.
A. Holtrop: ‘Er was eens en nog eens. Sprookjes en fantastische vertellingen’. In:
N. Heimeriks & W. van Toorn (red.): De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van
het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden. Amsterdam:
Querido, 1989, p. 425-
O. Kummer: ‘De archeologische ontdekkingen van Simone van der Vlugt’. In: Spits 20 februari 2007.
A. Lansu: ‘Adolescentenliteratuur, waar is dat nou voor nodig? Een spontane revolutie?’. In: Vrij Nederland 7 oktober 2000.
H. van Lierop-
H. van Lierop-
H. van Lierop-
C. Maas: ‘Kneden en boetseren, tot de zaak tot bloei komt. Afscheid van Ary Langbroek, de laatste uitgever’. In: De Volkskrant 22 juni 2001.
B. Moeyaert: ‘Krullen zonder betekenis’. In: NRC Handelsblad 29 november 1996.
M. Moll: ‘Diep respect voor boeken. Gouden Griffel-
H. Peters: ‘Wat bedacht … Ach, jullie begrijpen ook niks. De literatuuropvattingen
van Els Pelgrom’. In: Literatuur zonder leeftijd 9 (1995), p. 451-
H. Pomes: Over Van Alphen’s kindergedichtjes: bijdrage tot de kennis van de opvoeding hier te lande in de 18e eeuw. Rotterdam: W.L. & J. Brusse, 1908. Proefschrift Leiden.
M. Schenke: ‘Lezersfeest met Simone van der Vlugt’. In: Algemeen Dagblad 3 november 2005.
A. de Vries: ‘De geschiedschrijving van de jeugdliteratuur’. In: Voortgang. Jaarboek
voor de Neerlandistiek 13 (1992), p. 25-
L. van der Weide: ‘[geen titel]’. In: Vriendin 14 februari 2007.
L.J.T. Wirth: Een eeuw kinderpoëzie, 1778-
Digitale bronnen
Website Bart Moeyaert. Geraadpleegd op 4 juni 2007.
<< http://www.bartmoeyaert.com >>
Website Leerstoel Jeugdliteratuur. Geraadpleegd op 2 juni 2007.
<< http://stuwww.uvt.nl/~s143286/Jeugdliteratuur/index.php?pagina=home >>
Website Nederlands Literair Productie-
<< http://www.productiefonds.nl/nl/persberichten/engelse_interesse_kj.php >>
Website Simone van der Vlugt. Geraadpleegd op 4 juni 2007.
<< http://www.simonevandervlugt.nl >>
Bijlage: uitwerking opdrachten Accentgroep Jeugdliteratuur Universiteit Leiden 2006-
Opdracht 1
Welke criteria formuleert De Genestet ten aanzien van goede kinderpoëzie?
Goede poëzie kluistert je oren, doet je hartje kloppen, werkt op je gemoed, ontwikkelt je fantasie, verscherpt je vernuft, bezielt je geest, is niet wijs, niet deftig, niet pedant en niet kinderachtig, weet het sprookjeselement zodanig te verwerken zonder bijgeloof of angst te kweken, speelt in op de strijd en rampen van kinderen, speculeert op de jeugdige eerzucht, houdt kinderen niet te klein, maakt kinderen niet te zoet, te braaf en te wijs, heeft een natuurlijke, prettige, vertrouwelijke toon, toont liefde en sympathie voor kinderen, leert kinderen lessen zonder dat zij het bemerken en heeft een religieuze toon.
Dus: gedichten moeten dus aansluiten bij de leefwereld van het kind, de verbeelding van het kind moet aan het werk gezet worden, de gedichten mogen geen duidelijk opgelegde moraal bevatten maar de moraal moet in het werk verwerkt zijn, de dichter moet meester zijn over de taal en niet kinderachtig en op natuurlijke toon schrijven.
In hoeverre vindt hij de poëzie van Van Alphen aansluiten bij die criteria?
In veel opzichten beantwoordt de poëzie van Van Alphen niet aan dit ideaal. Sporen
van oorspronkelijkheid, vernuft, genialiteit zul je zeldzaam bij hem vinden. Het
naïeve, het natuurlijke, het ware ontbreekt. De gedichtjes spreken zeer weinig tot
de fantasie en ze roepen geen vriendelijke toneeltjes voor de geest. De helden en
heldinnen boezemen de kinderen weinig enthousiasme, liefde en zucht tot navolging
in. Zijn taal laat veel te wensen over wat betreft de kinderlijkheid, de bevalligheid
en de bevattelijkheid. Hij stelt zich meer op als een ernstig en vriendelijk leraar
dan dat hij zich als hun vriend en zanger met hen vereenzelvigt, zich onder hen beweegt.
Er is geen intimiteit tussen hem en zijn jeugdig publiek. Veel van zijn kindergedichtjes
zijn eigenlijk meer voor volwassenen geschikt. De religieuze toon is veel te verheven
en plechtstatig (De Genestet noemt Van Alphen daarom een Christen-
Slechts vier versjes van Van Alphen voldoen aan de criteria van De Genestet.
Wat is je eigen mening over de poëzie van Van Alphen?
Ik vind het moeilijk om deze kinderpoëzie te beoordelen, in de eerste plaats omdat
ik geen kind meer ben en in de tweede plaats omdat ik een product ben van mijn eigen
tijd. Twee eeuwen ontwikkeling binnen de literatuur hebben voor vele veranderingen
gezorgd. Maar tijdens het lezen van de gedichtjes kreeg ik wel een soort gelukzalig
en veilig gevoel: de kinderen die Van Alphen beschrijft leven in een hele veilige,
beschermde omgeving. Zowel de kinderen als de volwassenen tonen veel liefde voor
elkaar en ik ergerde me totaal niet aan de moralistische toon. Ik denk niet dat deze
poëzie vandaag de dag nog geschikt is als middel in de opvoeding, maar 200 jaar geleden
was ze dat waarschijnlijk nog wel. Maar zelfs mijn 87-
Opdracht 2
Lees ‘Voer voor kinderen’ en ga na of Schmidt in haar kinderpoëzie trouw is aan haar werkexterne opvatting over kinderen en literatuur.
Schmidt heeft een duidelijke opvatting over kinderen, literatuur en kinderliteratuur. Kinderen worden door slechte boeken geen slechte mensen en kinderen worden door goede boeken geen goede mensen. Schmidt is niet zo heel erg bezorgd over de slechte invloed van kinderboeken, wel is ze bezorgd over het feit dat kinderen opgroeien in een cultureel vacuüm. Ze wil kinderen dan ook een bepaalde culturele bagage meegeven. Ze wil met haar gedichten kinderen aanzetten tot fantasie, verbeelding en avontuur. Ze zegt tegen opzettelijke pedagogie te zijn, maar veel van haar kinderpoëzie heeft toch een expliciete moraal. Schmidt blijft toch een opvoeder: er moet veel gespeeld worden, maar het moet niet te gek worden. De anarchie moet worden beteugeld.
Lees ‘Voer voor kinderen’ en vergelijk haar kinderpoëzie met haar poëzie voor volwassenen. Is er verschil in literatuuropvatting, m.a.w. zijn haar ideeën over schrijven voor kinderen anders dan haar opvattingen over schrijven voor volwassenen?
Zowel in de gedichten voor kinderen als in de gedichten voor volwassenen valt de spreektoon waarin zij schrijft op. De gedichten voor volwassenen zijn echter veel cynischer, veel ironischer en geven veel meer blijk van verbittering over bijvoorbeeld het lot van vrouwen, volwassen worden en haar gebrek aan erkenning. Daarnaast zijn haar gedichten voor volwassenen veel meer tijdgebonden dan haar gedichten voor kinderen.
Opdracht 3
Beschrijf de werkexterne literatuuropvatting van Bart Moeyaert.
Hier wordt gevraagd naar de werkexterne opvatting van Bart Moeyaert. Hieronder vallen alle uitspraken van een auteur over literatuur die gedaan worden buiten het literaire werk om. Te denken valt aan interviews, manifesten, correspondentie, kritieken en lezingen. Dergelijke bronnen bepalen vaak in belangrijke mate het beeld dat men van een auteur heeft. Toch is enige voorzichtigheid geboden. Visies van auteur op literatuur zoals verwoord in interviews en lezingen, zijn lang niet altijd in overeenstemming met de opvattingen die uit hun werk spreken.
Op basis van secundaire literatuur kom ik tot de volgende beschrijving van de werkexterne literatuuropvatting van Bart Moeyaert:
Bart Moeyaert verzet zich tegen het ‘Grote Onderscheid’ tussen boeken voor kinderen en jongeren en boeken voor volwassenen. Hij is een felle tegenstander van de hokjesgeest in de literatuur. Ook op een andere plaats doet Moeyaert hier uitspraken over: […] Waarna het gesprek onvermijdelijk op de aparte hokjes voor jeugdliteratuur of jeugdtoneel binnen de letteren of het theater komt. Moeyaert: “Ik heb een hekel aan dat stigmatiseren. Waarom zou het allemaal niet door elkaar mogen lopen? Waarom mag een meisje van veertien niet proberen om Meisje Niemand van Tomek Tryzna te lezen, een zogenaamde roman voor volwassenen over meisjes van veertien? Waarom zou iemand van 64 niet mogen genieten van een prentenboek? Zijn mijn boeken het geschiktst voor jongeren? Bewijzen kan ik het niet, want ik krijg ook reacties van volwassenen. Ik kan alleen maar proberen de mensen te doen nadenken over de vraag of dat wel bestaat, ‘kindercultuur’. Er zijn zoveel succesvolle films gebaseerd op jeugdliteratuur. The Mighty bijvoorbeeld, door Sharon Stone in Cannes gepromoot. En omgekeerd blijkt Titanic, toch geen kinderfilm, vooral aan te slaan bij jongeren. Bij literatuur gaat de vermenging moeizamer.”
Van de Engelse schrijver Aidan Chambers heeft hij op zijn twintigste geleerd dat hij vooral moest schrijven wat hij zelf wilde schrijven en dat trouw aan jezelf heel belangrijk is. Je kunt maar beter geen marionet van je lezerspubliek zijn. Moeyaert zegt dat hij deze raad heeft opgevolgd in zijn leven en in zijn werk.
“De eenvoud van mijn gedichten is een schijnbare eenvoud. wie beter leest zal in de weinige woorden bepaalde tegenstellingen of klanken of dubbele betekenissen vinden.”
Eigenlijk ben ik zowel de schrijver als de eerste lezer van mijn eigen boek. Om te schrijven tast ik alle hoeken van mijn hoofd af. Het verhaal dwingt me daartoe, want het is in schrijven namelijk onmogelijk om te liegen. Ik heb het woord “wonderlijk” nog niet gebruikt, dat introduceer ik hierbij, als het over het schrijven gaat. soms vind ik het: wonderlijk.” Het schrijven valt hem zeker niet gemakkelijk. “Een boek schrijven is beslist niet hetzelfde als op een bedrand een verhaal uit je mouw schudden.”
“Vooral lezen is van belang. Doordat ik op mijn 19e debuteerde wist ik niets, maar het onderscheid tussen lectuur en literatuur heeft zich mondjesmaat aan mij aangediend. ik leerde door veel schrijven en veel lezen, door proberen, op mijn bek gaan. Dat vraagt tijd en moeite. Ik heb ook altijd meelezers gehad. Mijn partner, maar eveneens een kritische lector bij de uitgever plus een goede vriendin. Dat scherpt de pen. Maar eigenlijk ben je zelf je beste criticus, in je hart weet je heel goed of het verhaal deugt. Er is een groot verschil tussen tevreden zijn over een verhaal of tevreden zijn met een deel van jezelf dat je in een verhaal hebt gelegd. Een ander mag je niets laten lezen voordat je zelf in alle eerlijkheid tevreden bent over wat je hebt geschreven.”
Opdracht 4
Formuleer met gebruikmaking van de teksten van Van Hoven en Hulsens een visie met betrekking tot de vraag: wat is goede kinderboekenkritiek?
Goede kinderboekenkritiek moet aan de volgende eisen voldoen:
In het geval van goede kinderboekenkritiek moeten recensenten er naar streven om
de scheiding tussen jeugd-
In goede kinderboekenkritiek mag het navertellen van het boek niet onevenredig veel plaats innemen, belangrijker is de kritiek dat het eigenlijke recensiewerk vormt.
Goede kinderboekenkritiek moet een systematische opbouw hebben.
Goede kinderboekenkritiek moet objectieve criteria hanteren ter beoordeling van de stijl. Objectief in de zin dat oordelen of indrukken toegelicht worden en voor de lezer controleerbaar zijn.
Goede kinderboekenkritiek plaatst een boek in een ruimer kader.
Goede kinderboekenkritiek besteedt voldoende aandacht aan de vorm van een boek: de taalstructuur, de compositie, de spanningsopbouw en de karakteruitwerking.
Goede kinderboekenkritiek moet genoeg ruimte krijgen, critici moeten geen genoegen
nemen met een achteraf-
Een maatschappijgerichte aanpak in kinderboekenkritiek mag niet inhouden dat een boek alleen maar gebruikt wordt om de ideologie eruit te distilleren, dat is te eenzijdig en te beperkt. Goede kinderboekenkritiek moet zich richten op de wijze waarop de boeken zich verhouden tot de maatschappij waarin ze geproduceerd worden en een bepaalde functie vervullen. Goede kinderboekenkritiek draagt bij aan het doorbreken van taboes, het propageren of bekritiseren van stereotypen en het ageren tegen bepaalde zaken.
Goede kinderboekenkritiek laat het beoordelen of een boek wel of niet geschikt is voor een kind over aan opvoeders en leerkrachten. Het ene kind is immers het andere niet en een criticus kan hier geen oordeel over vormen. De criticus moet zijn bemiddelaarsrol opgeven.
Goede kinderboekenkritiek resulteert niet in een persoonlijke bespiegeling.
Opdracht 5
Schrijf een recensie van 400 woorden over Vallen van Anne Provoost.
Over Vallen van Anne Provoost
Vlaamse jeugdboeken zijn in Nederland nooit echt populair geworden. Dat is niet terecht.
Eén van de grootste Vlaamse jeugdboekenschrijfsters van dit moment is Anne Provoost.
Anne Provoost wil haar lezers niet alleen maar een leuk of spannend verhaal vertellen,
haar boeken hebben altijd een duidelijke boodschap. In 1994 verscheen haar roman
Vallen, die maar liefst vier belangrijke prijzen kreeg: de Libris Woutertje Pieterse-
Vallen begint wanneer Caitlin, de vriendin van de hoofdpersoon Lucas Beigne, terugkomt uit het ziekenhuis. Beetje bij beetje komt de lezer te weten dat haar voet is geamputeerd. Pas tegen het einde van het verhaal wordt pas echt duidelijk hoe Caitlin haar voet is kwijtgeraakt en welke rol Lucas daarbij precies heeft gespeeld.
Een belangrijk thema in het boek is vreemdelingenhaat. De onzekere Lucas blijkt een makkelijke prooi te zijn van de ultrarechtse, zeer charismatische Benoit. Het komt zelfs zover dat Lucas, die absoluut niet gewelddadig of racistisch is, brandbommen gooit in een gebouw waar de gemeente asielzoekers wil gaan opvangen. Aanvankelijk begrijpt Lucas niet waar Benoit juist hém heeft uitverkoren voor zijn organisatie, tot hij ontdekt dat zijn opa tijdens de Tweede Wereldoorlog een groep joodse kinderen bij de Duitsers heeft verklikt.
Heden en verleden lopen voortdurend door elkaar heen. Geen enkel personage in het boek is echt goed of door en door slecht. Zelf de opa van Lucas niet. Hij verraadde de joodse kinderen nadat zijn dochtertje door ondervoeding om het leven was gekomen. Het kind was ernstig verzwakt, omdat een deel van de rantsoenen door de nonnen werd achtergehouden om de joden – die ondergedoken zaten in het klooster – te voeden.
Vallen is geen vrijblijvend verhaal. Het wil de lezers duidelijk maken hoe onwetendheid en onzekerheid iemand verkeerde keuzes kan laten maken. Het boek waarschuwt tegen bedrieglijke mooipraters. Vallen is vooral door de thematiek en de compositie typisch zo’n boek waarbij de grens tussen jeugdliteratuur en literatuur voor volwassenen moeilijk te trekken valt.
Opdracht 6
Analyseer de relatie tussen tekst en beeld in Deesje van Joke van Leeuwen. Ondersteunt het beeld de tekst, vult het beeld de tekst aan en/of voegt het beeld nieuwe elementen aan de tekst toe?
In Deesje reist een bedeesd meisje naar de grote stad om daar een tijdje te gaan logeren bij ‘halftante’. In de stationshal lopen ze elkaar mis en dan rolt Deesje op haar zwerftocht van de ene merkwaardeige belevenis in de andere. Aan het eind van het verhaal vindt ze eindelijk haar halftante.
TEKST: De broers van Deesje praatten aan tafel altijd over behang en latjes en dat
soort dingen. Deesje wilde liever over andere dingen praten, maar dat ging zo moeilijk
(p.9-
TEKST: Deesje heeft voor haar verjaardag een verlanglijstje gemaakt (p.12). BEELD: De lezer ziet vervolgens een tekening van het verlanglijstje (p.12). Het verlanglijstje bevat meer informatie dan de tekst. → Het beeld vult hier de tekst aan.
TEKST: Deesje heeft voor haar verjaardag een dingenschrift gekregen. Ze schreef er
dingen in die ze wilde onthouden en plakte er plaatjes in die ze heel bijzonder vond
(p. 13). BEELD: De lezer ziet vervolgens twee gevulde pagina’s uit haar schrift (p.
14-
TEKST: De vader van Deesje laat haar twee foto’s zien: van haar halftante en de drie kinderen van haar halftante (p. 18). BEELD: De lezer ziet vervolgens een tekening van de twee foto’s (p.18). → Het beeld ondersteunt hier de tekst.
TEKST: Deesje wil niet gaan logeren bij haar halftante. Als ze maar in de goede trein
zat. Als ze maar niet ergens uitstapte waar niemand was. Als halftante maar niet
zo’n grote hond had, waar je niet omheen kon. Als het maar geen pesterige kinderen
waren (p. 19-
TEKST: Voordat Deesje uit logeren gaat, heeft ze een brief van halftante en haar
halfnichtje Oele ontvangen (p. 22). BEELD: De lezer ziet vervolgens een tekening
van beide brieven (p. 22-
TEKST: Deesje zit in de trein (p. 25). BEELD: De andere treinreizigers staan afgebeeld
op tekeningen (p. 24-
TEKST: Deesje vraagt zich af hoe halftante eruit ziet. Ze heeft alleen een foto van haar hoofd, niet van de rest van haar lichaam (p. 28). BEELD: We zien vier verschillende tekeningen hoe halftante eruit zou kunnen zien. De tekeningen bevatten meer informatie dan de tekst. → Het beeld vult hier de tekst aan.
TEKST: Deesje is uit de trein gestapt. Er zijn heel veel mensen op het station (p.
32). BEELD: We zien een tekening van een aantal mensen die op het station staan (p.
30-
TEKST: Deesje kan haar tante niet vinden. Ze gaat naar de afdeling verloren voorwerpen. Deesje loopt lang de kasten en bekijkt de spullen die de mensen verloren hebben (p. 34). Ze ziet o.a. een boek met een papiertje tussen bladzijde 80 en 81 en een briefje. BEELD: De lezer ziet een tekening van bladzijde 80 en 81 en het briefje. De tekeningen bevatten meer informatie dan de tekst. → Het beeld vult hier de tekst aan.
TEKST: Deesje loopt vanaf het perron naar de toonbank met folders, de groene deur en vervolgens de rode deur. BEELD: We zien een plattegrond van de perrons en het station met daarop ingetekend de looproute van Deesje (p. 38). De plattegrond bevat meer informatie dan de tekst. → Het beeld vult hier de tekst aan.
Ik ben inmiddels op pagina 38 aanbeland en ik denk dat mij de relatie tussen tekst en beeld nu wel duidelijk is. Ik lees verder zonder bij iedere afbeelding de relatie met de tekst uitvoerig te beschrijven. Alleen indien ik afwijkende zaken tegenkom, zal ik die noteren.
Het boek is uit. Ik heb geen nieuwe bijzonderheden gesignaleerd. De indruk die ik hiervoor al kreeg, is alleen nog maar bevestigd.
Conclusie: in Deesje van Joke van Leeuwen (die naast de schrijfster van de tekst ook de tekenares van de afbeeldingen is), vult het beeld de tekst meestal aan. Niet alleen ondersteunen de beelden de tekst, ze bevatten vaak ook meer informatie dan alleen in de tekst zelf terug te vinden is.
Opdracht 7
Analyseer de relatie fantasie-
Het verhaal van Kleine Sofie en Lange wapper wordt door een alwetende verteller verteld. Aan het begin van het verhaal ligt Sofie ziek in bed. Ze is al heel lang ziek en om niet te veel achter te raken op school krijgt ze thuis les van meester Jeroen. Omdat Sofie een erg nieuwsgierig meisje is, brengt ze meester Jeroen regelmatig in verlegenheid met vragen waarop hij niet meteen antwoord weet te geven. Sofie wil van alles ‘het waarom’ weten.
Als Sofies ouders naar een feest zijn en de klok twaalf uur slaat, ligt Sofie nog klaarwakker in bed. Dan hoort ze geschuifel. Haar poppen en beesten gaan leven en kruipen overal vandaan. In een hoek van de kamer staat Sofies toneeltje. Hier gaat een toneelstuk opgevoerd worden. Hier houdt naar mijn idee de werkelijkheid op en begint de fantasie: in de werkelijkheid zoals wij die ervaren, kunnen dieren en poppen immers niet praten. Sofie is ziek, dus lijkt het aannemelijk om voor de gebeurtenissen het verklarende kader van een koortsdroom te scheppen. Maar aan de andere kant: Sofie is klaarwakker en kan dus niet dromen. Er is dus iets anders aan de hand: werkelijkheid en fantasie lopen door elkaar heen. En dit alles heeft een belangrijke functie binnen het verhaal.
Het toneelstuk dat opgevoerd gaat worden, verbeeldt het leven. Omdat Sofie wil weten
wat er in het leven te koop is en haar lievelingspop Lange Wapper meedoet, wil zij
graag meespelen. Ze is al een hele tijd ziek en misschien zal ze niet meer beter
worden. Wil ze er nog achter komen wat er allemaal in het leven te koop is, dan moet
ze wel meespelen. Voor Sofie ís het toneelstuk het leven. Pelgrom presenteert de
lezer op deze manier drie werkelijkheden: die van hem-
Aan het eind van het toneelstuk belanden Annabella, Beertje, Sofie, Terror en Lange Wapper op een schip en raken ze in een storm verzeild. Het schip komt in een draaikolk terecht en wordt snel naar het midden gezogen. Het toneelstuk is uit, het leven is afgelopen, Sofie is dood. De volgende dag komt er veel bezoek naar de overleden Sofie kijken. Als het weer nacht is, is er een toeterende auto te horen. Het blijkt Beertje te zijn die samen met Annabella, Terror en Lange Wapper Sofie komt halen. Ze lopen met z'n allen langs de tegen de pui opgroeiende bruidssluier naar beneden en gaan op reis. Een reis zonder einde.
Werkelijkheid en fictie lopen in Kleine Sofie en Lange Wapper door elkaar, sterker nog: ze zijn niet van elkaar te scheiden. Er is maar één werkelijkheid, namelijk die van het verhaal. Het is een werkelijkheid die slechts in taal bestaat.
In de literatuurgeschiedenis van de jeugdliteratuur, De hele Bibelebontse berg noemt Aukje Holtrop overigens Kleine Sofie en Lange Wapper een fantastisch verhaal, een verhaal dicht bij het sprookje: “Het is een soort verhaal waarin een kind wonderbaarlijke dingen meemaakt of over fantastische capaciteiten blijkt te beschikken. Omdat dat uitzonderlijke kind midden tussen gewone mensen leeft, is zo'n verhaal niet een sprookje, dat immers helemaal in een verbeeldingswereld speelt en waarin een bepaald soort personages optreedt. Dat hoeft helemaal niet in een fantastisch verhaal. In het fantastische verhaal speelt die spanning tussen realiteit en het wonderbaarlijke juist een rol.”
Welke impliciete lezer veronderstelt de tekst?
Ik denk dat de tekst een dubbele impliciete lezer veronderstelt: de auteur heeft
de tekst zowel voor kinderen als voor volwassenen geschreven. Kinderen zullen waarschijnlijk
vooral oog hebben voor de avonturen van Sofie en de andere hoofdpersonen, volwassenen
zullen waarschijnlijk vooral oog hebben voor de levenslessen die in de verhalen verborgen
zitten. Het ontdekken van deze levenslessen vereist nu eenmaal meer lees-
Opdracht 8
Vergelijk Spookliefde en De Bijenkoningin met elkaar en noteer welke overeenkomsten en verschillen je ziet in thema, compositie en stijl.
Spookliefde De Bijenkoningin
Op de kaft van Spookliefde (ik heb overigens gebruik gemaakt van de verzamelbundel met Een warme rug, Zo is hij en Spookliefde) wordt niet expliciet de doelgroep vermeld. Door op de kaft van De Bijenkoningin ‘Jeugdsalamander’ te vermelden, richt het boek zich expliciet op een bepaalde doelgroep.
Eén van de hoofdpersonen van Spookliefde heet Phil. Eén van de hoofdpersonen van De Bijenkoningin heet Phil.
Spookliefde gaat over de relatie tussen één meisje en twee jongens. De Bijenkoningin gaat over de relatie tussen één meisje en twee jongens.
Spookliefde heeft als thema: liefde en vriendschap. De Bijenkoningin heeft als thema: liefde en vriendschap.
In Spookliefde wordt het thema vooral via beelden aan de lezer gepresenteerd (o.a. het landschap, de twee boten). In De Bijenkoningin wordt het thema vooral via concrete gebeurtenissen, via het verhaalverloop aan de lezer gepresenteerd.
In Spookliefde overheerst geen moraliserende toon. Het gedrag van personages wordt niet veroordeeld. In De Bijenkoningin overheerst geen moraliserende toon. Het gedrag van de personages wordt niet veroordeeld.
Spookliefde bevat relatief weinig en korte dialogen. De Bijenkoningin bevat relatief veel en lange dialogen.
Spookliefde is een achteraf vertelde bekentenis. Dit wordt al snel duidelijk. De Bijenkoningin is een achteraf vertelde bekentenis. Dit wordt pas aan het einde van het boek duidelijk. Dan blijkt dat het hele verhaal dat Phil heeft verteld een computeruitdraai is.
Spookliefde kent aan het einde een verrassende wending: Seamus schiet zijn tweelingbroer Michael dood. De drie vrienden vallen uit elkaar. De Bijenkoningin kent aan het einde een verrassende wending: Nando springt van een brug en belandt in het ziekenhuis. De drie vrienden vallen uit elkaar.
Spookliefde heeft een treurig einde: Michael wordt – weliswaar door een misverstand – door zijn tweelingbroer Seamus neergeschoten. De Bijenkoningin kent een open einde, maar er is wel sprake van een zeker optimisme. Tussen Phil en Julie en tussen Phil en Nando lijkt het goed te komen.
Opdracht 9
Analyseer de vorm en inhoud van de bundel Je bent mijn mooiste landschap van Ted van Lieshout. Vergelijk de gedichten met de naoorlogse kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt.
De gedichten uit Jij bent mijn mooiste landschap schetsen allemaal het landschap van een jeugd. In deze bundel zijn 300 gedichten van Ted van Lieshout verzameld, waarvan de meeste al in zeven andere bundels zijn verschenen (en prijzen wonnen) en sommige nieuw zijn. De gedichten gaan over aansprekende onderwerpen, zoals groeien (verandering), geborgenheid (huis), over verdwalen en verlangen, maar ook veel over de dood (van vader en broer), soms gekoppeld aan schuld. Veel gedichten zijn beladen en qua vorm naar het eind toe ingedikt. Er is niet vaak sprake van rijm, maar wel van ritmische teksten. Het taalgebruik is beeldend. De gedichten zijn met name geschikt voor jongeren, vanwege hun filosofische aard en hun niet altijd makkelijk te doorgronden tekst. Soms zijn de gedichten thematisch geordend, maar niet te nadrukkelijk. De getekende illustraties van de auteur zijn in verschillende technieken gemaakt en in zwart/wit of oranje afgedrukt.
Zoekend naar steeds nieuwe verhaalvormen en manieren van uitdrukken probeert Van Lieshout de afstand tussen kinderliteratuur en literatuur voor volwassenen te overbruggen. Dat geldt zowel voor zijn stijl van schrijven als voor de manier waarop hij zijn onderwerpen aanpakt. Zijn teksten en tekeningen hebben vaak een melancholische humor, waarin het vanzelfsprekende in een ander licht komt te staan. Ted van Lieshout schrijft voor kinderen, maar benadert ze naar mijn mening als volwassen mensen.
De grondtoon in zijn gedichten is een mengeling van verdriet en eenzaamheid. ‘Verdwalen’ en ‘missen’ zijn sleuteltermen in zijn poëzie. Vaak gaat het over echt verdriet, zoals de rouw om vader, broertje, oma of hond.
Sommige versregels van Ted van Lieshout doen denken aan versregels van Annie M.G. Schmidt, zoals Was ik maar nooit vertrokken! Waarom wou ik toch op reis?/ Ik had zo'n drang van binnen, maar ik was vast niet goed wijs. Het belangrijkste verschil tussen beide dichters is dat Schmidt vaak moralistische gedichten schrijft. Ze schrijft nauwelijks over ernstige, verdrietige onderwerpen. Van Lieshout schrijft geen moralistische gedichten. Hij schrijft wel over ernstige, verdrietige onderwerpen, heel vaak zelfs. Beide auteurs tonen hun solidariteit met het kind door het kind serieus te nemen.
Opdracht 10
Kies een dubbelpublieksauteur en zoek informatie op over haar of zijn werkexterne literatuuropvatting. Vergelijk een kinderboek en een boek voor volwassenen van deze auteur met elkaar en vergelijk de werkinterne opvatting die je vindt met zijn of haar werkexterne literatuuropvatting.
Als dubbelpublieksauteur heb ik gekozen voor Simone van der Vlugt.
Als volwassenenboek heb ik gekozen voor Het laatste offer. In deze roman doet een archeoloog een belangrijke ontdekking in Egypte, waardoor Birgits ooit zo beschermde leventje totaal op zijn kop komt te staan. Zij beleeft met Jef, die ze nog maar net heeft ontmoet, twee heftige nachten waarna hij spoorloos verdwijnt. Op haar zoektocht naar Jef belandt Birgit in een reeks verwikkelingen waarin ze beiden hun leven niet meer zeker zijn. De zoektocht leidt onder andere naar de Ark des Verbonds, die al eeuwenlang net zo tot de verbeelding spreekt als de Heilige Graal. Wat is die Ark precies? Wat was zijn functie? En waar is hij gebleven?
Als jeugdboek heb ik gekozen voor De amulet. Het is 1630 en de heksenjacht is in volle gang. Oude vrouwen, zelfs hele gezinnen met kleine kinderen worden het slachtoffer. Ook over Nina doen verhalen de ronde. Soms weet ze namelijk zomaar dingen over mensen of heeft ze visioenen. Terwijl de geruchten over Nina steeds sterker en grimmiger worden komt ze erachter dat haar moeder als heks is verbrand toen Nina nog heel klein was. Nina's enige aandenken aan haar is een amulet. Om te voorkomen dat ook Nina slachtoffer wordt van de nietsontziende heksenvervolging, smokkelt Nina's tante haar de stad uit. Ze wil Nina uithuwelijken aan een oude boer. Maar Nina voelt daar niets voor en neemt de benen. Dit is het begin van een lange zwerftocht.
Over de werkexterne literatuuropvatting van Simone van der Vlugt heb ik veel informatie gevonden. Hieronder staat deze informatie opgesomd met daarbij de vergelijking met haar werkinterne literatuuropvatting zoals die blijkt uit Het laatste offer en De amulet.
Kinderen lezen liever over hun eigen belevingswereld, dus geen historische jeugdboeken. Volwassenen lezen liever historische romans. Sinds Van der Vlugt is overgestapt van historische jeugdboeken naar thrillers, scoorde ze opeenvolgende bestsellers met De reünie (2004) en Schaduwzuster (2005). Een echte verklaring voor haar succes heeft ze niet. “Ik denk dat je met historische jeugdboeken simpelweg een kleiner publiek bereikt. Kinderen zijn toch minder gaan lezen en als ze dat wel doen, lezen ze graag over hun eigen belevingswereld. Zonder verhalen vol pukkels, brugklas en jongens vinden ze het al snel minder interessant.” Volwassen lezers hebben, zeker de laatste jaren, minder bezwaar tegen een extra geschiedenislesje.
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: Van der Vlugt is inderdaad na haar (grotendeels historische) jeugdromans overgestapt op boeken voor volwassenen. Toch staat op haar website http://www.simonevandervlugt.nl vermeld dat in september 2007 een nieuw jeugdboek van haar verschijnt: Schuld. Deze keer is het geen historische roman maar speelt het verhaal zich in deze tijd af.
Voor ieder boek moet je zelf op de locatie gaan kijken. In Het Laatste Offer zorgen een vermiste archeoloog en een belangrijke archeologische ontdekking in Egypte ervoor dat het beschermde leven van hoofdpersoon Birgit volledig op z’n kop wordt gezet. Ik vind dat je, als het even kan, voor ieder boek zelf op locatie moet gaan kijken. Voor Het Laatste Offer zijn we met het hele gezin naar Egypte afgereisd, maar ook naar de kathedraal van Chartres in Frankrijk.” Met spijt in haar stem: “In feite heb ik veel meer locaties bezocht dan ik uiteindelijk in het boek kwijt kon.” […] In Het laatste offer komen heel wat geschiedkundige fenomenen aan de orde, van Cleopatra en haar geliefde Julius Caesar tot en met de befaamde wereldkaart van Piri Reis uit het begin van de zestiende eeuw, waarop een nauwkeurige tekening stond van de toen nog niet ontdekte Zuidpool. Is het voor Van der Vlugt alleen materiaal voor een spannend verhaal of gaat ze er echt in mee? “Ik geloof wel dat er beschavingen zijn geweest waar we graag meer over hadden willen weten maar die van de aardbodem zijn verdwenen. Maar dat betekent niet dat ik alles geloof wat ik daarover tegenkom. Daarom laat ik een van de twee hoofdpersonen ook twijfelen aan het waarheidsgehalte van die bevindingen, zodat je als lezer kunt kiezen aan wiens kant je wilt staan.”
“[…] In Het laatste offer zijn waarheid en fictie vermengd: alle locaties waar ik over schrijf bestaan echt, alle ontdekkingen ook, alleen zijn ze niet altijd precies op de beschreven plek gedaan. Met dit boek ben ik teruggegaan naar een oude liefde, de geschiedenis. Ik vind geschiedenis verschrikkelijk interessant.”
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: niet alleen voor Het laatste offer, maar ook voor De amulet heeft Van der Vlugt zich goed gedocumenteerd over het dagelijks leven in die tijd: de jonge lezer komt hier echt te weten hoe de mensen uit die eeuw woonden, sliepen, werkten, aten, reisden, aan hun hygienische behoeften voldeden, etc. De beschrijving van het leven van de zigeuners in die periode is een verrassend element in deze historische roman.
Vrouwen schrijven en lezen anders dan mannen. Van der Vlugt schrijft vooral voor en over vrouwen. Lekker schrijven, lekker lezen. Dat roept de vragen op of vrouwelijke auteurs anders schrijven dan mannen en of vrouwelijke lezers ook anders lezen dan mannen. Simone is er resoluut in: “Ja, vrouwen schrijven anders, op een subtiele manier. Datzelfde geldt voor het lezen. De boeken die nu populair zijn, zijn op vrouwen gericht. Zeker op het gebied van thrillers. Vrouwen willen zich herkennen. Vrouwen willen geen harde en rauwe beschrijvingen van lijken met allerlei onprettige details. Vrouwen willen meer onderhuidse spanning. Ook het fenomeen angst heeft voor de vrouw een heel andere lading dan voor de man. In het donker, alleen op straat, is voor vrouwen een angstiger belevenis dan voor mannen. Mannen schrikken niet zozeer van voetstappen in het donker. Vrouwen wel. Zie jij het voor je dat mannen met een busje peperspray in hun zak rondlopen omdat ze bang zijn dat ze worden aangevallen? Nee toch? Dus het begrip spanning betekent voor iedereen wat anders. Ik merk zelf ook dat ik aarzel om mannen voor hun verjaardag De reünie of Schaduwzuster te geven. Die zijn toch te veel op vrouwen gericht. Met Het laatste offer zit ik gelukkig helemaal goed. Dat is voor iedereen. Ik kan het trouwens ook zien aan mijn lezingen in het land. Er komen voornamelijk vrouwen. Er zijn wel manen, maar heel weinig”
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: zowel in Het laatste offer als in De amulet staat een vrouwelijke hoofdpersoon centraal. Beide boeken vind ik ook geschikt om gelezen te worden door mannen.
Van der Vlugt trekt geen scherpe grens tussen jeugd-
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: ik denk dat Het laatste offer toch niet zo heel geschikt is voor de (al wat oudere) jeugd. Hoewel haar schrijfstaal eenvoudig is (korte zinnen, eenvoudige woorden), maar ik vraag me af hoe jongeren met de waarheid achter Birgits heftige jeugd om zullen gaan. Door het verhaal in de derde in plaats van in de eerste persoon te schrijven, kunnen jonge lezers zich waarschijnlijk moeilijk inleven in de hoofdpersoon. Het perspectief in De amulet is veel meer geschikt voor kinderen. Van der Vlugt gebruik een vertelinstantie die steeds in de huid van Nina kruipt. Door deze personele gedeelten krijg je een goede indruk van de gedachten en gevoelen van Nina, waardoor je goed met het meisje kunt meeleven. De amulet lijkt mij ook zeer geschikt voor volwassenen.
Van der Vlugt schrijft het liefst vanuit het perspectief van een vrouw. “[…] eigenlijk schrijf ik het liefst vanuit het perspectief van een vrouw. Maar dat kon vaak niet in mijn historisch jeugdboeken. Mijn hoofdpersonen waren vrijgevochten types, die bijvoorbeeld alleen op reis gingen. Als vrouw kwam je dan niet ver in de Middeleeuwen. Dan was je na één dag al verkracht of vermoord. Ik moest dus wel kiezen voor jongens. En het lukt me ook wel om me in een jongen te verplaatsen. Maar in een volwassen man… Dat is andere koek! Dan kom je op vragen als: hoe kijkt een man naar vrouwen. Dat soort dingen. Ik weet niet of ik dat wel geloofwaardig kan beschrijven. Ik wil bovendien altijd iets van mezelf in mijn hoofdpersoon kunnen leggen. Schrijven vanuit een vrouw is dus gewoon makkelijker, omdat ik zelf een vrouw ben.”
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: zoals eerder opgemerkt, staat zowel in Het laatste offer als in De amulet een vrouwelijke hoofdpersoon centraal. Beide boeken vind ik ook geschikt om gelezen te worden door mannen.
Van der Vlugt schrijft graag korte zinnen en korte hoofdstukken in haar boeken voor volwassenen. In kinderboeken schrijft ze langere hoofdstukken. Haar thrillers kenmerken zich door korte zinnen en korte hoofdstukken. “Dat vinden mensen in deze jachtige tijden prettig,” weet ze. “Ik hou wel een beetje rekening met de omstandigheden waarin mensen lezen. Volwassenen hebben minder tijd voor lezen en je moet hen dan niet midden in een hoofdstuk uit een verhaal halen. Kinderen daarentegen moet je juist met een langer hoofdstuk bij de les houden. Bij lekker spannende, langere hoofdstukken lezen ze door.”
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: de hoofdstukken in Het laatste offer zijn korter dan in De amulet.
Van der Vlugt schrijft graag realistische, niet geromantiseerde verhalen. Dit geldt zowel voor haar boeken voor volwassenen als voor haar kinderboeken. Bekend werd Van der Vlugt door haar historische jeugdboeken, waarin ze forse onderwerpen – waaronder de zeventiende eeuwse heksenjacht, de Franse revolutie, het leven van Jeanne d’Arc, en de aanloop tot de Tachtigjarige Oorlog – helder, en zonodig realistisch, beschrijft. Aan ieder boek gaat een grondige research vooraf. […] Ik wil geen geromantiseerde weergave geven van vroegere tijden. Kinderen worden graag serieus genomen. Dan moet je ze niet het bos insturen met geromantiseerde verhaaltjes. Ze weten heel goed wat er nu in de wereld speelt. Waarom zouden ze dan moeten worden afgeschermd van wat er vroeger werkelijk is gebeurd?
Vergelijking met de werkinterne literatuuropvatting: zowel in Het laatste offer als in De amulet vinden vreselijke gebeurtenissen plaats, waarbij de hoofdpersonen niet worden gespaard.
Van der Vlugt gebruikt weinig metaforen. “Wat ik het meest ergerlijk vind in recensies is het verwijt dat het vlak zou zijn. Ik ben geen metaforenschrijfster, zal ik ook nooit worden. Maar de zinnen die ik schrijf, bekijk ik allemaal nog drie keer, of ze mooi lopen, of ik dingen niet kan omdraaien en verbeteren. Met jeugdboeken pak ik dat ook heel serieus aan. Ik heb geen poëtische gaven, maar ik doe wel mijn best en ik hou van duidelijke spreektaal. […]”
Vergelijking met haar werkinterne literatuuropvatting: voor beide boeken geldt dat het taalgebruik zorgvuldig, gevarieerd en beeldend is. Ze schrijft zuinig en beknopt, maar tegelijkertijd levendig en helder. Haar dialogen zijn meestal levensecht.
Van der Vlugt schrijft altijd alsof het zichzelf overkomt of kán overkomen. “Ik heb in De reünie heel erg moeten schrappen, omdat ik veel te veel had geschreven over de jeugd van de hoofdpersoon Sabine. Ik was bang dat mensen daarin konden lezen dat ik oorspronkelijk jeugdboekenschrijfster was, dat ik te kinderachtig zou worden. Het enige wat mijn boeken gemeen hebben, is dat ik altijd schrijf alsof het mezelf overkomt of kán overkomen. De hoofdpersoon geef ik mijn gevoelens, mijn gedachten en mijn manier van reageren mee. Dus eigenlijk ben ik iedere hoofdpersoon elke keer zélf. Niet in alles natuurlijk, maar er zijn altijd dingen in mijn leven die erop lijken en die je kunt vertalen naar die situatie. Zowel in de historische boeken als in De reünie.”
Vergelijking met haar werkinterne literatuuropvatting: voor beide boeken geldt dat Van der Vlugt schrijft alsof de avonturen haarzelf (kunnen) overkomen.
De hoofspersonen van Van der Vlugt moeten altijd een ontwikkeling doormaken. “Een andere overeenkomst tussen mijn boeken is dat de hoofdpersoon aan het begin van het verhaal een heel ander figuur is dat aan het eind. Ik wil dat je kunt zien dat hij of zij door alle belevenissen is veranderd, zich heeft ontwikkeld.”
Vergelijking met haar werkinterne literatuuropvatting: beide hoofdpersonen maken een ontwikkeling door, hoewel de ontwikkeling die de hoofdpersoon in De amulet doormaakt naar mijn gevoel groter is, maar dat kan misschien verklaard worden doordat deze hoofdpersoon jonger is en op haar leeftijd sowieso meer ontwikkeling doormaakt.
Mijn conclusie: de werkinterne en de werkexterne literatuuropvatting van Simone van der Vlugt komen goed met elkaar overeen, zowel in haar jeugdboeken als in haar boeken voor volwassenen.
Opdracht 11
Geef een eigen, met argumenten onderbouwd antwoord op de vraag ‘Bestaat er één Nederlandstalige jeugdliteratuur?’
Er bestaat niet één Nederlandstalige jeugdliteratuur. Argumenten:
Ten eerste moet er een onderscheid gemaakt worden tussen teksten die dienen tot hulpmiddel bij het leren lezen en de boeken die niet in de eerste plaats een didactische doelstelling hebben. De zogenaamde leesboekjes zijn vaak geschreven volgens vaste recepten, dit in tegenstelling tot de zogenaamde ontspanningsliteratuur.
Kinder-
Binnen de jeugdliteratuur wisselen verschillende benaderingen – ruwweg de pedagogische en de esthetische benadering – elkaar voortdurend af. Op het ene moment is de ene benadering dominant, op het andere moment de andere benadering. De heersende opvattingen hebben invloed op auteurs die kinderboeken schrijven.
Bij sommige boeken is de grens tussen jeugd-
Volwassenen en kinderen kennen literaire prijzen toe aan verschillende boeken en verschillende auteurs. Dit is een aanwijzing voor het feit dat er minimaal twee soorten literatuur bestaan.
Sommige jeugdboekenauteurs houden wel rekening met de capaciteiten van de lezer, andere jeugdboekenauteurs niet. Steeds vaker weigerden de auteurs om kinderen anders aan te spreken dan volwassenen. Steeds vaker werd het traditionele middel van adaptatie losgelaten.
Ook met betrekking tot genres bestaan er verschillende soorten jeugdliteratuur: romans, strips, gedichtenbundels, prentenboeken en informatieve boeken etc.