

Deze en de volgende pagina’s bevatten mijn bachelorscriptie Moderne Letterkunde voor
de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar
2006-
Veel leesgenot!
De Indische invloed op het werk
van Tonke Dragt

I Inleiding
Het moet inmiddels alweer zo’n vijftien à twintig jaar geleden zijn geweest, dat
ik in mijn Tonke Dragt-
Een paar maanden geleden kwam ik opnieuw in aanraking met de boeken uit mijn kindertijd. Bij toeval ontdekte ik dat Tonke Dragt in Indië geboren is. Het grootste deel van haar jeugd bracht ze op Java door. Ik ging mezelf afvragen: zijn er misschien ook Indische invloeden in haar werk aan te wijzen? Tonke Dragt heeft weliswaar nooit expliciet over Indië geschreven, maar het is goed voorstelbaar dat bepaalde motieven in haar werk direct of indirect toch een relatie hebben met haar jeugd in Indië. En wat dragen de Indische motieven vervolgens bij aan de algemene thematiek van haar werk? Deze vragen staan centraal in mijn bachelorscriptie.
II Biografie en het werk van Tonke Dragt
1 Tonke Dragt: schrijfster én illustratrice
Tonke (officieel Antonia Johanna) Dragt werd op 12 november 1930 geboren in Batavia (het huidige Djakarta) in Indonesië, waar ze ook het grootste deel van haar jeugd doorbracht. Tijdens de oorlog verbleef ze van haar twaalfde tot haar vijftiende jaar in een Japans gevangenenkamp. Na de oorlog kwam ze met haar ouders en haar twee jongere zusjes naar Nederland. Nadat ze de HBS had afgerond, doorliep ze de Akademie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, waar ze de middelbare akten A en B handtekenen behaalde. Ze was tot 1980 als tekenlerares verbonden aan verschillende middelbare scholen.
Voor de klas vertelde Tonke Dragt verhalen om de aandacht van leerlingen te krijgen als ze te veel herrie maakten. Toen Tonke Dragt rond 1960 haar vertellingen begon op te schrijven, liet zij zich vooral inspireren door sprookjes, sagen en legenden. Haar verhalen en tekeningen werden boeken. ‘Nee, dat ging helemaal niet makkelijk. De eerste uitgever zei: “Sprookjes zijn uit!” Maar ik kan alleen maar zó schrijven, zei ik. Toen ben ik met mijn manuscripten naar Miep Diekmann gegaan, een enorme autoriteit toen. Eigenlijk had ze geen tijd, zei ze. Maar binnen twee dagen belde ze en zei: dit is het helemaal! Zij heeft mij bij Leopold geïntroduceerd. In 1961 debuteerde ik met de Verhalen van de tweelingbroers.’ Tonke Dragt heeft niet alleen de tekst geschreven, maar ook de illustraties verzorgd. Ze is een dubbeltalent. Naast schrijfster is ze illustratrice. Ze illustreert niet alleen haar eigen boeken, maar ook die van anderen.
2 Het werk van Tonke Dragt
Hieronder zal ik kort het werk van Tonke Dragt bespreken.
Verhalen van de tweelingbroers (1961)
Laurenzo en Jiacomo lijken als twee druppels water op elkaar. Als ze vijftien jaar oud zijn, trekken ze de wijde wereld in om werk te zoeken. En dan gaan ze elk een andere weg: Laurenzo wordt edelsmid, en Jiacomo een meesterdief. Toch komen ze elkaar telkens weer tegen en ze beleven vele avonturen, waarbij het vaak lastig is dat ze zoveel op elkaar lijken, maar soms ook heel handig.
De brief voor de koning (1962)
In de nacht voordat Tiuri tot ridder zal worden geslagen, krijgt hij een opdracht. Hij moet een brief brengen naar de koning van het naburige rijk Unauwen. Het is een moeilijke tocht, door wouden, over bergen en rivieren. De brief voor de koning kun je opvatten als het verhaal van een jongen die volwassen wordt. Hij moet leren te onderscheiden wie goed is, wie kwaad en wie hij kan vertrouwen en wie niet. Tonke Dragts carrière nam meteen een hoge vlucht na de publicatie van dit boek, dat werd bekroond met de Kinderboekenprijs van de CPNB, de voorloper van de Gouden Griffel. In 2004 werd De brief voor de koning bekroond met de Griffel der Griffels, een eenmalige prijs die ter ere van het vijftigjarig bestaan van de Kinderboekenweek werd toegekend aan één boek, gekozen uit alle eerder bekroonde kinderboeken van de afgelopen vijftig jaar.
De blauwe boekanier (1964)
Op een dag vindt Joris Jas een blauwe fles met een stuk papier erin waarop een rijm staat van de Blauwe Boekanier: de beruchtste van alle zeerovers, die rondzwerft met de zeezweep – het schip dat eens Swajurka heette en eigendom was van Joris’ oom, Pieter Jas. En dan begint het avontuur van Joris, die als scheepsjongen uitvaart om de Blauwe Boekanier te vinden en zijn oom de Swajurka terug te bezorgen. De blauwe boekanier werd uitgegeven in 1964 ter gelegenheid van de Kinderboekenweek.
Geheimen van het Wilde Woud (1965)
Ridder Tiuri en zijn vriend Piak gaan op onderzoek uit in het Wilde Woud, waarover vreemde verhalen de ronde doen. Rovers, bosgeesten, dwaalwegen en mysterieuze mannen in het Groen maken dat velen er niet terugkeren. Tiuri en Piak proberen de geheimen te ontsluieren en raken betrokken in een strijd tussen goede en kwade machten.
De eerste boeken van Tonke Dragt, vooral de ridderverhalen, zijn echte queesten. Net als de ridders van de Ronde Tafel wordt Tiuri op weg gestuurd om een opdracht te volbrengen en moet hij daarvoor talloze gevaren doorstaan. Tiuri wordt van kind een volwassene. Niet alle boeken van Tonke Dragt spelen echter af in een ver verleden. Sommige spelen in het heden, zoals De zevensprong.
De zevensprong (1966)
De roodharige leraar Frans van der Steg vertelt zijn klas verhalen over de avonturen van ridder Frans de Rode. Maar dan gebeuren in werkelijkheid plots dingen die daarvoor alleen zijn verzonnen alter ego overkwamen. Tonke Dragt heeft zelf ook jaren voor de klas gestaan. In Frans van der Steg, de onderwijzer uit De zevensprong, zit veel van haarzelf. Net als hem vertelde ze haar leerlingen vaak verhalen om ze zoet te houden.
De robot van de rommelmarkt (1967)
In dit boek staan twee korte verhalen. De twee verhalen vormen een introductie op de toekomstromans Torenhoog en mijlen breed en Ogen van tijgers, maar kunnen goed op zichzelf worden gelezen.
Torenhoog en mijlen breed (1969)
Planeetonderzoeker Edu is speciaal naar Venus gegaan omdat daar nog wouden zijn. Op aarde zijn die allang verdwenen. Hij overtreedt de regels van de Koepel, het ruimtestation van de Aarde, en komt in contact met de Venuswezens, die communiceren door middel van gedachten. Torenhoog en mijlen breed noemt Tonke Dragt ‘een tussenboek’. De boeken die erop volgden, hebben in mindere mate het karakter van een queeste. Zij laat zich sindsdien inspireren door sciencefictionauteurs als Ray Bradbury, maar vooral door natuurkundigen.
De torens van februari (1973)
Tom Wit ontdekt dat er meer werelden zijn dan de onze. Hij komt in een parallelwereld terecht. Zijn geheugen is hij kwijt, en hij gaat op zoek naar zijn vergeten verleden in een vreemde wereld waar alles nieuw is. De torens van februari speelt in een wereld die een betere, mooiere versie lijkt dan de onze. Je komt er door op 29 februari op het juiste moment het juiste woord uit te spreken. Om er weer weg te raken, doe je een maand later precies hetzelfde. Er is maar één probleem: wie van de ene naar de andere wereld reist, verliest zijn geheugen en vergeet dus ook het magische woord.
Water is gevaarlijk (1977)
Water is gevaarlijk is een bloemlezing die Tonke Dragt samenstelde uit verhalen van andere auteurs (o.a. Grimm, Shakespeare, Slauerhoff, Hemingway) waarin water een belangrijke rol speelt.
Het gevaarlijke venster en andere verhalen (1979)
In dit boek staan zes korte, sprookjesachtige verhalen. Eén van deze verhalen heeft de titel De draak en de sleutel en werd ter gelegenheid van de verloving van prinses Beatrix en Claus verfilmd.
Ogen van tijgers (1982)
In Ogen van tijgers, dat speelt in een toekomstige wereld vol mechanisch vernuft,
staat de figuur van Jock Martijn centraal. Jock is kunstschilder en creatief begeleider
van de ‘stad’ Aarde. Ooit was Jock op Venus, en hij blijft een onbestemd soort heimwee
voelen naar de wouden op die planeet, waar wellicht nog tijgers voorkomen die op
Aarde reeds lang zijn uitgestorven. Via de psycholoog Akke komt Jock in contact met
de onaangepaste jongen Bart, waarmee hij een soort haat-
Het geheim van de klokkenmaker en Aan de andere kant van de deur spelen in een wereld waarin fantasie en realiteit in elkaar overlopen.
Het geheim van de klokkenmaker (1989)
Student geschiedenis Jan A. woont op kamers bij een klokkenmaker, die een klok heeft gemaakt waarmee in de tijd kan worden gereisd. Omdat hij benieuwd is naar de uitslag van een tentamen dat hij slecht heeft voorbereid, besluit hij met behulp van de klok naar de volgende dag te reizen. In het boek wordt voortdurend gespeeld met het begrip ‘tijd’. De vraag waar het om draait is, of door het tijdreizen er een blijvende verandering plaatsvindt: blijven de twee studenten naast elkaar bestaan vanaf het moment dat er een stap in de toekomst is gezet, of worden zij weer één persoon?
Aan de andere kant van de deur (1992)
Aan de andere kant van de deur gaat over een jongen die gepest wordt op school, maar op een dag ontdekt dat zijn slaapkamerdeur soms open gaat in een andere wereld, waar geen tijd is en geen volgorde in de gebeurtenissen. Het doel van het reizen naar de andere kant van de deur is niet het vinden van een uitweg, geen terugkeer, geen loutering, maar de ambassade zelf. De uitkomst van het verhaal ligt niet vast. Je kunt niets doormaken als er geen tijd is. In de ambassade groei je niet op, word je niet oud, je hoeft er niet alleen te zijn. Als je er permanent asiel aanvraagt, of je naam vergeet, verlies je je spiegelbeeld. De jonge hoofdpersoon Otto jaagt dat schrik aan, maar Tonke Dragt zelf ervaart de onafzienbare ruimte zonder tijd eerder als geruststellend. Otto is in de gewone wereld een buitenbeentje, dat geplaagd wordt. In de ambassade voelt hij zich thuis, hij maakt er vrienden, hij is er vrij, maar hij wil zijn ouders niet missen. Hij durft zijn wereld (nog?) niet op te geven, maar hij overweegt het wel.
Met smart wachten velen op het vervolg De weg naar de cel, dat achterin Aan de andere kant van de deur wordt aangekondigd. Samen zullen de boeken de cyclus Zeeën van tijd gaan vormen. De weg naar de cel zal parallel lopen aan Dragts laatste boek, maar het heeft één van de bijfiguren als hoofdpersoon. De verschijning van het boek werd al in 1996 aangekondigd, maar is nog steeds niet verschenen.
De blauwe maansteen (2005)
Tonke Dragt schreef eind jaren zeventig een serie van acht leesboekjes voor het basisonderwijs onder de titel De blauwe maan. Leopold heeft in 2005 van de laatste drie deeltjes een herziene uitgave gemaakt.
De hoofdpersoon van De blauwe maansteen is Joost. Hij moet een reis maken om de blauwe maansteen te bemachtigen en een prins te helpen ontsnappen aan de koning van de onderwereld. Daarbij krijgt hij hulp van goede mensen met magische krachten. Belangrijker is dat Joost zijn angsten en onzekerheid moet overwinnen. Hij wordt gepest op school en hij moet voortdurend zichzelf en de wereld zijn moed bewijzen.
3 De thematiek in het werk van Tonke Dragt
In de boeken van Tonke Dragt is een duidelijke thematiek aan te wijzen. De schrijfster vat deze zelf als volgt samen: ‘Ik schrijf over de zoekende mens. De mens die ja zegt tegen het verbodene, het geheim, en daarvoor een tol moet betalen. Terwijl hij tegelijkertijd rijker wordt.’
De zoekende mens is in alle boeken van Tonke Dragt in allerlei vermommingen aanwezig. In haar eerste boek zijn het de twee broers, die ieder het meesterschap zoeken: de een in de kunst, de ander in de misdaad. In De brief voor de koning zoekt Tiuri het onbekende avontuur na eerst bewust een zekere toekomst als ridder opgegeven te hebben. In Geheimen van het wilde woud zoekt dezelfde Tiuri naar zijn keus: wie is de vriend, wie is de vijand, wie is de geliefde? Het thema van de zoekende mens is altijd centraal blijven staan: in welke tijd, op welke plaats zij haar verhaal ook situeert.
4 De literatuuropvatting van Tonke Dragt
Tonke Dragt heeft zich altijd verzet tegen grenzen: grenzen tussen realiteit en fantasie,
tussen tekenen en schrijven, tussen jeugd-
Tonke Dragt schrijft fantasieverhalen. Ze wil niet bewust allerlei pedagogische elementen in haar werk stoppen. Ze doet niet mee aan de modieuze tendens in de jeugdliteratuur die er van uit gaat dat het boek voor jongeren op zijn minst één van de vele nijpende maatschappelijke problemen aan de orde moet stellen. ‘Ik kan niet gaan zitten en tegen mijzelf zeggen: ga nu eens een boek schrijven waarin dit of dat probleem aan de orde komt – behalve als dat ook toevallig mijn probleem is. Vroeger moest er in een jeugdboek een meisje voorkomen en een jongen, zodat vervolgens de liefde op kon bloeien; nu moeten er in een jeugdboek minstens wel een homofiele vriendschap of een zelfmoordpoging voorkomen. Het gaat er niet om welke ingrediënten je gebruikt, maar hoe je ze verwerkt. Ik heb wel mijn boosheden die ik wil overbrengen, ik ben bijvoorbeeld boos dat tijgers aan het uitsterven zijn. Ik doe zelfs mijn best met mijn boeken mensen te dwingen de dingen te zien zoals ik ze zie.’
Komt het idee voor een nieuw boek voort uit tekeningen of schrijft ze eerst en maakt ze daarna illustraties? ‘Allebei tegelijk. Ik schrijf de eerste versie van mijn verhalen met de pen en sla dan al denkend aan het droedelen, en het is maar enkele passen van mijn schrift naar mijn tekenvel. Het tekenen in de marge van mijn schrift brengt me vaak op nieuwe ideeën. […] Ik schrijf en teken altijd meer dan ik uiteindelijk gebruik, mijn huis ligt vol ongebruikte ideeën. Een beeld dat ik al had ver voor de woorden kwamen, dat zijn de wouden. Al heel jong wist ik dat ik iets wou schrijven over de wouden die ik als kind kende. Die lieten me niet los, ze lokten me, in tegenstelling tot mijn moeder, die er bang van was.’
Tonke Dragt is tegen de scheiding tussen kinder-
Sommige boeken van Tonke Dragt worden bestempeld als science fiction. ‘Ik schrijf geen science fiction! Torenhoog en mijlen breed is een toekomstverhaal. Het verhaal begon als een parodie op de moderne wereld, maar het ging met me op de loop en ik begreep dat ik met erstiger dingen bezig was. Ook Ogen van tijgers is een toekomstroman.’
III Tonke Dragt en Indië
Tonke Dragt laat zich niet vaak interviewen, omdat ze het tijdverspilling vindt. ‘Ik ben heel vervelend om te interviewen, want ik dwaal altijd af. En ik vertel ook elke dag weer een ander verhaal, dus wat voor zin heeft het om dat vast te leggen? Ik heb eens opgeschreven dat elk mens bestaat uit heel veel verschillende personen. Soms komt de ene wat meer naar voren en soms de andere.’ Toch tonen de interviews die Tonke Dragt in al die jaren heeft gegeven, ons een vrij goed beeld van de schrijfster. Uit de gesprekken blijkt duidelijk dat haar jeugd in Indië een grote invloed heeft gehad op haar verdere leven.
1 De eerste jaren van haar jeugd
Tonke Dragts grootvader is indertijd als onderwijzer naar de Gordel van Smaragd vertrokken. Zijn zoon studeerde wiskunde in Delft, maar keerde na zijn studie terug naar Indië. Hij vond werk bij een verzekeringsmaatschappij. In Holland was hij verloofd met een meisje uit Dordrecht. De moeder van Tonke Dragt was echter een beetje bang voor de Oost. Toch kwam ze haar verloofde achterna zodra hij de huur van een huis kon betalen. ‘Ze was een moedige vrouw, maar Indië bleef eng. Het opvoeden liet ze niet aan de baboes over. Ze wilde ons niet te veel in aanraking brengen met die andere, gevaarlijke cultuur. Wij vonden het daardoor natuurlijk extra interessant.’
In het gezin werd veel voorgelezen, vooral spannende en sprookjesachtige verhalen. De wereld van koning Arthur en Flash Gordon liet haar nooit meer los.
‘We zijn in een stad opgevoed’, blikt Tonke Dragt in een interview terug. ‘Maar de vakanties brachten we in de bergen door.’ De fantastische natuur heeft een onsterfelijke indruk op Tonke Dragt gemaakt. ‘Het dichtgewoekerde, stille oerbos van Java. Wrakke bruggetjes, de rotswand, stroomversnellingen en watervallen, helemaal boven zag je dan de lucht. De meeste enge beesten vergeet je. Mijnworm, dat was gevaarlijk. We mochten niet op blote voeten lopen, dat deden we stilletjes toch en dan was je moeder bang dat je dood ging. Ik kende alle Nederlandse provincies maar de stations tussen Batavia en Bandoeng leerde je niet, toch ken ik die nog uit mijn hoofd.’
Haar vader Dries Dragt was er trots op alle bergen van Java te hebben beklommen. Ze herinnert zich nog dat ene kratermeer. ‘Bij een bepaalde lichtinval zag je alle kleuren van de regenboog in een peilloze diepte. Een prinses had daar haar juwelen verloren. Je boog steeds verder voorover om te kijken, tot moeder riep: “Pas op!” Ik heb geen hoogtevrees, maar je donderde er natuurlijk zó in, en of ze je eruit konden halen weet ik niet. En toch kijken, hè? Pas later is daar een hek gekomen.’
Tonke Dragt bracht haar jeugd door in het land van de stille krachten. ‘Alle Indische
kamermeisjes – wij hadden er geen, omdat mijn moeder daar tegen was – vertelden daar
verhalen over. Dat leefde in Indië sterker dan in Holland. We deden niets liever
dan elkaar bang maken voor de Grote Waringinboom. Die mocht nooit gekapt worden,
omdat er geesten woonden tussen de luchtwortels. Voor de Portugese kerk in Batavia
stond een zeventiende-
2 De kampjaren
Na twaalf fijne jeugdjaren bracht Tonke Dragt de Tweede Wereldoorlog van 1942 tot
de bevrijding in 1945 door achter het kawat, het bamboehek met prikkeldraad van kamp
Tjideng, een afgegrendelde wijk van Batavia. Hetzelfde interneringskamp als waar
collega-
‘Mijn vader werd krijgsgevangen gemaakt, ik heb hem vier jaar niet gezien. Met mijn
moeder en zusjes werd ik in een kamp geïnterneerd.’ In het kamp las ze haar zusjes
veel voor. ‘Mijn jongste zusje had moeite met lezen. Om die reden koos mijn moeder
dikke spannende boeken uit, grote folianten met Alleen op de wereld erin en dan hielden
we op als het spannend werd. Maar ook Indische verhalen over een poesje die Katoetje,
Katoeti heette; Zeven kleine Australiërs, een boek dat hier helemaal niet bekend
is, maar daar door iedereen gelezen; De geheimzinnige koepel van J.C. Kievit natuurlijk
over een koepel die hier in Den Haag staat; of Woutzak knapt het op van Roggeveen
over een politie-
In het kamp ontdekte Tonke Dragt haar creatieve talenten. Ze had altijd al getekend en met houtskool decoreerde ze de muren van het getto. Maar ze merkte ook dat ze het leuk vond om de dingen die ze fantaseerde op te schrijven. Het was een beetje een vlucht in de fantasie, om de nare dingen van het kamp even te vergeten.
‘Ik zat bij een paar zieke kinderen en begon te vertellen: “Op de grote vlakte van Babina, daar was in de mist iemand verdwaald …” Ik wist zelf ook niet waarom diegene verdwaald was. Maar de kinderen keken mij vol spanning aan, dus verzon ik ter plaatse hoe het verder ging. Als ik even stopte vroegen ze: “Hoe gaat het verder?” Samen met een vriendin maakte ik in het kamp een boekje, geschreven op bij elkaar gebedelde velletjes papier. De jacht op de trouwkleurige door Tito Drastra, een samenstelling van onze namen.’ ‘Het was beïnvloed door alles wat we lazen. Jules Verne en zo, er was niets origineels aan. Er kwamen hele wijde verten in voor waarin je niet opgesloten kon worden. Als de hoofdpersonen toch werden gevangen ontsnapten ze en alle maaltijden werden uitgebreid beschreven.’ Later herkende Tonke Dragt pas hoe ze de wereld van het kamp had verwerkt in dat verhaal.
In een interview vertelt Tonke Dragt hoe ze in Indië met haar zusjes toverheksje
speelde, maar nooit op haar zelfgemaakte bezem van twijgen durfde te stappen. Stel
dat je weg zou vliegen. Stel dat je níet weg zou vliegen. Het was allebei even erg
en eng. ‘Ja, zo was het precies. Elkaar bang maken was onder ons, drie meisjes, sport.
Eerst bij ons in de tuin in de schaduw van de Indisch-
Ze zal nooit de sterrenkundelessen vergeten die ze in Tjideng kreeg, onder de blote
tropenhemel. Ze heeft er een grote fascinatie voor wis-
‘Ik moet me áltijd buiten grenzen begeven. Het kamp heeft dat alleen maar erger gemaakt. Nog een troost dat het in de tropen was, daar liggen andere werelden om de hoek. Prikkeldraad of niet.’
3 De periode na de oorlog
Na de oorlog repatrieerde de familie naar Nederland, maar vader Dragt pakte al snel
zijn koffers om zijn werk in Batavia weer te hervatten. ‘Omdat we elkaar als gezin
al zo lang hadden moeten missen, gingen mijn moeder, zusjes en ik mee. Bovendien
waren we hier niet welkom. Ik haatte Holland. Het was er koud en grijs, de mensen
gedroegen zich onvriendelijk.’ Op Java wachtten echter evenmin rozengeur en maneschijn.
Tonke Dragt kwam midden in de bershiap-
Tonke Dragt is nooit getrouwd. ‘Tussen mijn twaalfde en vijftiende jaar was ik de oudste met wie moeder alles besprak, maar na de oorlog moest ik weer terug in de rol van het kind. Dat schept verwarring. Ik had in die tijd geen enkele ervaring opgedaan met mannen en werd dus verliefd op de eerste de beste die ik tegen kwam. Dat herhaalde zich een paar keer, maar op de een of andere manier werkte het niet. Mijn werk zat in de weg, de man op wie ik verliefd was, bleek getrouwd of er was iets anders aan de hand. In ieder geval ging het altijd mis. Dat is jammer en ik heb er veel last van gehad. Maar het is beter ‘to have loved and lost than not have loved at all’.’ Nu is het ook zo dat Tonke Dragt meer over mannen heeft geschreven dan over vrouwen. In de jaren dat ze in het kamp zat – tussen haar twaalfde en vijftiende –, was er een absoluut gebrek aan mannen, doordat alle jongens van tien en ouder naar het mannenkamp moesten. De weinigen die overbleven – de dokter en de dominee – kregen daardoor iets goddelijks en onaanraakbaars, terwijl de Japanners alleen al door hun positie buiten elk erotisch krachtenveld vielen. Levert dat een verklaring voor de geringe hoeveelheid seks en erotiek in haar werk (wel liefde of verliefdheid)? En is de overmacht aan mannelijke protagonisten dan te zien als een vorm van compensatie?
Iets meer dan zestig jaar na haar bevrijding uit het jappenkamp, verscheen haar bestseller De brief voor de koning in het Japans. ‘Zoete wraak? Nee. Genoegdoening, dat wel. Toen betekende ik niets voor ze.’
IV De Indische invloed op haar werk
In interviews heeft Tonke Dragt concrete uitspraken gedaan over de verschillende manieren waarop Indië haar werk heeft beïnvloed. Ook geeft ze concrete passages aan waarin Indië in haar werk terecht is gekomen.
Over de verhalen die Tonke Dragt in het kamp met haar vriendinnetje verzon, heeft
ze gezegd: ‘Het waren avonturenverhalen en we schreven op alles wat we tegen kwamen,
tot wc-
De tweelingbroers Laurenzo en Jiacomo wonen in Bainoe, aan de rand van de wijde, open vlakte van Babina. Die vlakte ontstond in het Jappenkamp. Samen met een vriendinnetje maakte ze er De jacht op de Trouwkleurige, een op Jules Verne geïnspireerd boevenverhaal. Behalve wijde verten kwamen er veel uitgebreide maaltijden in voor. De maaltijden zijn intussen uit haar werk verdwenen, de verten zijn gebleven. Haar leven lang schreef Dragt over onafzienbare ruimten.
Vaak is het verband gelegd tussen de wouden die Tonke Dragt kent uit haar jeugd in Indië en de vele wouden die in haar boeken beschreven worden. ‘Wat denk je dat erin zit van jezelf, als kind? Verlangen?’ ‘Dat weet je niet hè … Ik was nog klein, in Indië. Toch die wouden in Torenhoog en mijlen breed (1969) zijn door iemand exact de tropische wouden genoemd. Ja, dat verlangen heb ik wel, de liefde voor dat obsessieve groen, dat tropische. Het geheimzinnige ook, want daar kan toch maar van alles gebeuren. Landschappen, dingen, die komen toch wel terug denk ik; je neemt scherp waar als je klein bent. In Indië was je tenslotte een vreemdeling. Mijn moeder, die er toch veel langer was geweest, was er bang voor, alleen mijn vader was veel vertrouwder met het land; hij hield ervan.’
‘In Indië reden we op van die kleine bergpaardjes. Zelfs in het kamp werd het eten binnengebracht op karretjes met paarden ervoor. Ieder kind had zijn eigen paard dat we lokten (tjukten), soms mocht je het zelfs een eindje mennen. Als je dan een paard nodig hebt in je verhaal, grijp je automatisch terug naar dat soort ervaringen. Dat geldt ook voor het landschap in De brief voor de koning. Mijn vader was verzekeringsagent bij de Nilmij. Toen het oorlog werd moest hij als reserveofficier voor zijn nummer opkomen. Het gezin is toen een tijdje met hem meegegaan, de bergen in. De ruimte van dat landschap, de sfeer, het verstoppen in bomen zijn op de een of andere manier in mijn werk terecht gekomen’.
Aan de andere kant van de deur speelt zich af in de Januaraanse ambassade, die zich bevindt aan de andere kant van de deur, mits je die deur op de goede manier, op de juiste tijd opent. De ambassade is een doolhof van wenteltrappen, ruimtes, deuren en spiegels, met uitzicht op een eindeloze tuin en is volgens de schrijfster geïnspireerd op een huis in de bergen in Indië, waar zij in haar jeugd met bevriende families de vakanties doorbracht.
In de Januaraanse Ambassade uit Aan de andere kant van de deur wonen ondermeer Albert Einstein en Schrödinger’s kat. Erwin Schrödinger, een Oostenrijks natuurkundige, bedacht een gedachtenexperiment waarin een kat in een doos wordt opgesloten, tezamen met een mechaniek van een hamertje en een flesje vergif. Zolang de doos gesloten blijft, stelde hij, is niet met zekerheid te zeggen of de kat leeft of dood is. In de ambassade laat de kat zich af en toe zien, maar lost dan plotseling op in het luchtledige. Schrödinger’s kat doet Tonke Dragt denken aan poes Witje die ze in het kamp had. ‘[…] Dat was een witte Indische kater met een knobbel aan zijn staart. Hij heeft nog eens een gebakken vis gestolen van een Japanner. Opeens was hij weg, ik hoop dat hij niet is opgegeten. Mijn vorige kat is in 1988 verdwenen. Ik hing duizenden advertenties op, ik ging iedere nacht zoeken. Dan liep ik weer in de straten van Tjideng. Ik schrok daar niet echt van, het hoort erbij. Zo nu en dan moet je ook huilen als je iets schrijft. Niet alleen de lezer mag dat.’
V Motieven in het werk van Tonke Dragt
De Indische invloed op het werk van Tonke Dragt is mijn inziens breder. Uit de interviews met de schrijfster komen een aantal motieven in haar werk naar voren die weliswaar geen directe, maar wel een indirecte relatie met Indië hebben. In dit hoofdstuk zal ik deze motieven bespreken: het landschap, gevangenschap en vlucht en het mysterie. Ik zal in eerste instantie de ontwikkeling van deze motieven in haar werk schetsen, los van de Indische context. Alleen de boeken waarin deze motieven een belangrijke rol spelen, komen aan de orde.
1 Het landschap
In De brief voor de koning moeten vijf jonge schildknapen de nacht wakend doorbrengen in een kapel, omdat zij de volgende dag tot ridder zullen worden geslagen. Eén van hen is Tiuri. Hoewel hij heel goed weet dat hij met niemand mag praten en de kapel niet mag verlaten, gaat hij toch naar buiten als hij een noodkreet hoort. Een oude man vraagt Tiuri dringend op zoek te gaan naar de Zwarte Ridder met het Witte Schild. Hij moet hem een brief brengen voor de koning van Unauwen. De onbekende kan zelf de brief niet meer wegbrengen, omdat de vijand hem op de hielen zit. Hij heeft iemand nodig die onbekend is en niet opvalt. Na enig aarzelen besluit Tiuri aan het verzoek van de oude man te voldoen, ondanks het feit dat hij hierdoor zijn ridderslag wel eens zou kunnen mislopen. Tiuri gaat op reis door de donkere nacht en hij vindt de ridder die hij zocht. Deze is echter zwaargewond en kan nog net voordat hij sterft Tiuri verzoeken om zijn taak over te nemen. Vanuit het land van Dagonaut, ten oosten van het Grote Gebergte, zal hij naar het land van Unauwen, ten westen van het Grote Gebergte, moeten reizen. Hij mag niemand vertellen over zijn opdracht en het doel van zijn tocht, alleen de kluizenaar die ver weg in het westen woont en hem zal begeleiden over de bergen.
Na de dood van de Zwarte Ridder begint Tiuri aan een lange en gevaarlijke tocht. Onderweg beleeft hij allerlei avonturen, maar uiteindelijk weet hij de koning van Unauwen de inhoud van de brief letterlijk mee te delen: uit voorzorg heeft hij de gecodeerde inhoud uit het hoofd geleerd en het document zelf vernietigd. De boodschap is zorgwekkend: de vorst van Eviellan dreigt het rijk van Unauwen binnen te vallen. Tot slot aanvaardt Tiuri de terugreis samen met Piak, de jongen die hem door de bergen gegidst heeft en met wie hij een innige vriendschap heeft gesloten.
Op weg naar de koning van Unauwen reist Tiuri door allerlei landschappen: dorpen, steden, vlakten, heuvels, bossen en bergen. De natuur ervaart Tiuri vaak als een belemmering op zijn tocht: dichte wouden, moeilijk doordringbaar struikgewas, steile hellingen, hoge bergen met diepe kloven en nauwelijks begaanbare wegen (waar mist, koude en sneeuw de tocht nog eens extra bemoeilijken), snel stromende rivieren. Dat belet hem desondanks niet oog te hebben voor het mooie in de natuur. De natuur op zich wordt door hem dan ook niet als vijandig ervaren, het is de aanwezigheid van mensen, van echte en vermeende vijanden, die haar verraderlijk maakt. Het woud biedt Tiuri immers ook eten en drinken en vele schuilplaatsen. De bergen vormen geen onoverkomelijke moeilijkheid als je er zoals Piak je weg weet te vinden. De Regenboog Rivier is een onoverkomelijk obstakel omdat de mensen er zo nodig tol moeten heffen.
Geheimen van het Wilde Woud is het vervolg op De brief voor de Koning. Het landschap speelt een belangrijke rol in het boek. Het Wilde Woud is de plek van verbeelding, van verhalen, van legenden, van fictie, van het onbekende, het andere.
In het verleden maakte Tiuri met een aantal ridders de afspraak elkaar in het voorjaar in kasteel Ristridin te ontmoeten. Eén voor één bereiken de ridders het afgelegen kasteel, behalve Ristridin en Arwaut. Zij waren op verzoek van koning Dagonaut op onderzoek in het Wilde Woud, waarover allerlei geruchten de ronde deden. Lange tijd geleden had het bericht het kasteel bereikt dat ridder Ristridin het woud had verlaten, omdat er niets bijzonders zou zijn en hij was doorgetrokken naar Deltaland. Na een aantal dagen op hem te hebben gewacht besluiten de ridders naar kasteel Islàn te gaan, om daar informatie over Ristridin te vragen. Daar was hij immers voor het laatst gezien. De kasteelheer en zijn dochter ontvangen hen gastvrij, maar toch hangt er een beklemmende sfeer. Als na een paar dagen nog niets van de verdwenen ridders is vernomen, wordt besloten op zoek te gaan in Deltaland. Tiuri wil echter liever op onderzoek uitgaan in het Wilde Woud. Bovendien wil hij de Dwaas van de boshut, die hij ondertussen aan de rand van het Wilde Woud had ontmoet en die door onbekenden was ontvoerd, naar huis terugbrengen.
Over het Wilde Woud doen allerlei verhalen de ronde. Het Wilde Woud zou bevolkt worden door vreemde wezens: de Mannen in het Groen. Nergens raak je zo vlug de weg kwijt als in het Wilde Woud:
‘De Onzalige Heuvels,’ herhaalde hij. ‘Onzalig zijn ze! Daar draai je rond en rond en meent de weg te vinden, maar als je de weg gevonden hebt, is die weg weg, en als je terug meent te gaan, ga je voort. Als je voortgaat, verdwaal je steeds verder, dieper en dieper in het Wilde Woud. In die dalen tussen de Onzalige Heuvels liggen vele geraamten onder voetenhoog gebladerte … witte beenderen op het donkere mos van hen die verdwaald zijn en de weg nooit meer vonden. Ik ben daar geweest; ik wilde er niet heen maar kwam er toch, en sindsdien ben ik niet meer dezelfde man.’
Tiuri en Piak zetten, ondanks tegenwerpingen van de gastheer, hun plan door. En daarmee begint opnieuw een lange en moeilijke reis voor de twee jonge mannen.
Het Wilde Woud is een symbolische plek, waarin dimensies van de menselijke natuur gestalte krijgen. De laatste scène speelt zich bijvoorbeeld af in het donkere dal in het hart van de Onzalige Heuvels, bij een poel die zo dof en donker was dat niets zich erin weerspiegelde. Dit water is het tegengestelde van het Groene Meer dat zich in het hart van het gebied van de Mannen in het Groen bevindt. Het Wilde Woud lijkt daarmee twee uitersten in zich te verenigen.
Torenhoog en mijlen breed is Dragts eerste toekomstroman. Voor het boek was er al een verhaal, De robot van de rommelmarkt, geschreven voor de schoolleesserie De trapeze. In Torenhoog en mijlen breed is het, in verkorte vorm, opgenomen als proloog. De elfjarige Edu heeft op een rommelmarkt de robot Bob op de kop getikt. Deze Bob zegt telkens dichtregels die Edu mateloos intrigeren: ‘Waar wouden zijn als vuur zo heet, torenhoog en mijlen breed’. Deze vertaalde dichtregels zijn overigens van Robert Louis Stevenson, de auteur van onder meer Schateiland.
Na de proloog start de roman met de aankomst van een ruimteschip met planeetonderzoekers op Venus. Aan boord is Edu Jansen, die op eigen verzoek voor een tweede keer op Venus is gestationeerd. En dat is opvallend, want Venus staat bekend als ‘de gevaarlijke planeet’. Volgens de geleerden schuilt het gevaar in de wouden die vrijwel de hele planeet bedekken. Nu op Aarde alle bossen zijn uitgestorven, vormen de wouden een onbekende en dus angstaanjagende grootheid. De wouden, herhaaldelijk vergeleken met vlammen, zijn gevaarlijk en de enkele mensen die zich erin gewaagd hebben, kwamen krankzinnig of doodziek terug. De planeetonderzoekers verblijven daarom in een koepel en gaan alleen met helm en gehuld in veilige pakken naar buiten. Edu verlangt er echter naar de wouden te betreden:
‘Wat hebben we eraan dat we op Venus zijn, als we steeds bij de Koepel blijven. Als we ons niet de wildernis in wagen, zullen we deze planeet nooit leren kennen …’
Edu negeert alle verboden en maakt een ‘noodlanding’ in het Woud en wandelt er rond. Daar ontdekt hij dat alle pantsers juist gevaarlijk zijn: pas als hij zijn helm afzet en zijn pak uittrekt, kan hij ademen in het woud. Edu is diep onder de indruk van het woud, dat door Tonke Dragt uitvoerig wordt beschreven:
Geschubde stammen die overgingen in reusachtige, gekartelde bladeren, rose, oranje en geel … Daar tussendoor plotseling bomen die donker waren, van purper tot zwart; het leken bomen van rook, met gevederde kruinen. En alles wuifde zachtjes heen en weer. Tussen de hoge stammen zweefden paarse en grijze nevels; heel het bos walmde en dampte.
[…]
Onder de bomen was schaduw, maar er bloeiden bloemen die een glinsterend groen licht gaven, en tussen donker harig mos glansden witte kelken. De varens hier waren groter dan bij de Koepel; de meeste gloeiden als vlammen. En als hij naar boven keek, zag hij de boombladeren, die ook in brand schenen te staan. Er vielen voortdurend druppels naar beneden; soms verdichtten ze zich tot een kleine regenbui.
Het woud is de plek waar de mens zichzelf tegenkomt en dus zichzelf leert kennen. Zoals Firth, een Venusbewoner, zegt: ‘De gevaren zitten in jezelf, niet in het woud.’ Ver weg van de beschaving kan de mens niet anders dan zichzelf naakt tegemoet treden. In Torenhoog en mijlen breed gebeurt dit letterlijk: alle kleding die de planeetonderzoekers dragen wordt in een mum van tijd door het woud aangetast.
Het woud staat ook voor ongereptheid en onschuld, voor leven in harmonie met de natuur. Harmonie is ook het woord dat de woudbewoners van Venus, de Afroini, kenmerkt. Doordat ze elkaars gedachten kunnen lezen, hebben ze vrijwel geen geheimen voor elkaar en kunnen ze elkaar ook niet verraden. Tonke Dragt schetst deze eigenschap niet als iets bedreigends, maar als iets dat de wereld beter zou maken.
Edu ontdekt dat ook hij de gave bezit gedachten te lezen. Hij ervaart die gave niet altijd als een geschenk. Zo weet hij zonder woorden dat Petra, de vrouw op wie hij verliefd is, eigenlijk niet van hem, maar van Igor houdt.
In het vervolg op Torenhoog en mijlen breed, het zelfstandig te lezen Ogen van tijgers, wordt het idee van gedachten lezen of buitenzintuiglijke waarneming verder uitgewerkt. Niet alleen kunnen de hoofdpersonen hier gedachten lezen, ze kunnen ook door elkaars ogen kijken. Of beter gezegd: naar elkaars herinneringen kijken. Ze bezitten ‘ogen van tijgers’.
Hoofdpersoon is ex-
Nu Jock is afgekeurd als onderzoeker, is hij kunstschilder van beroep en werkt hij als begeleider in een centrum voor moeilijke jongeren. Jock krijgt in het centrum een jongen toegewezen, met wie hij al snel een bijzondere band heeft: Bart. Deze jongen verzet zich tegen iedere toenadering van Jock, maar hij kan er niet omheen dat hij zich toch ook tot hem aangetrokken voelt. Wat zij gemeen blijken te hebben is de kunst van het gedachten lezen. Ze zijn het zich geen van beiden bewust, maar bij sommige mensen bestaat al langer het vermoeden dat met name Jock deze kunst machtig is. Jock wordt geschaduwd, omdat hij als gevaarlijk voor de maatschappij wordt gezien. Wie gedachten kan lezen is machtig, zo iemand is gevaarlijk in een maatschappij waarin iedereen in principe controleerbaar behoort te zijn.
Edu Jansen keert terug op Aarde van zijn bezoek aan Venus. Het is hem streng verboden om over zijn ontdekkingen te praten. Door hem komt Jock echter te weten dat hij gedachten kan lezen. Edu, zijn collega Mick en kunstschilder Jock ontmoeten elkaar en besluiten zich niet aan het gebod tot zwijgen te houden.
Een schilderij dat Jock maakt met daarop de ogen van een tijger mag niet worden tentoongesteld omdat men vermoedt dat Jock tot een groep behoort die via gedachten met elkaar kan communiceren. En zo’n groep vormt een bedreiging.
De tijgers in dit boek zijn de tegenhangers van de wilde wouden in Torenhoog en mijlen breed: hoewel ze alleen in taal aanwezig zijn (op de in dit boek beschreven Aarde zijn ze allang uitgestorven) of in de gedaante van katten, staan ze voor hetzelfde als de wouden: voor het wilde en het woeste in de mens, voor de meest eigen kern, ontdaan van de laagjes vernis van de beschaving. Tijgers laten zich niet temmen en zijn eigenzinnig. Ze staan haaks op de drang van de mensen om alles te beheersen en onder controle te houden. Die controledwang is in dit boek uitvergroot. Dragt schetst een Aarde waar de mens alles beheerst, tot het weer aan toe. De Dienst Algemeen Welzijn waakt met argusogen over de bewoners van de stad en huisrobotten slaan alle gegevens over het gedrag van hun eigenaar op. Zo houdt de huisrobot van Jock precies bij hoeveel alcohol zijn eigenaar drinkt. De Aarde is één grote stad, met de natuur veilig weggeborgen in een (soms zelfs nog nagebouwd) reservaat.
Tegenover dit idee van ‘Big Brother is watching you’ plaatst Tonke Dragt een andere, menselijker manier van elkaar in de gaten houden, namelijk telepathie: de gave om elkaar aan te voelen en elkaars gedachten te lezen. Dat het juist om ogen van tijgers gaat is veelbetekenend. Katten en katachtigen kunnen zien in het donker. De hoofdpersonen Edu, Jock, Anna (Jocks halfzus) en Bart zijn ook zieners in regionen die voor gewone mensen duister blijven.
De gedachtenlezers houden er een hoge moraal op na: ze laten zich niet misbruiken door de machthebbers en ze luisteren niet ‘aan de deur’: ze dringen niet ongewenst iemands hoofd binnen.
Dragts gedachtenexperiment duidt op een ideaal: mensen moeten de ruimte krijgen om zichzelf te zijn, desnoods dwars tegen heersende regels in. Onaangepastheid is niet verkeerd, zolang mensen maar betrokken blijven op elkaar en naar elkaar luisteren. En misschien wel het belangrijkste: de mens moet accepteren dat het leven nooit helemaal begrepen kan worden.
2 Gevangenschap en vlucht
In De brief voor de koning wordt Tiuri gevangen genomen in kasteel Mistrinaut. De Grauwe Ridders sluiten hem op in een kamer. Tiuri wordt vastgebonden op een stoel en wacht machteloos op de dingen die komen gaan. In zijn volkomen hulpeloosheid heeft Tiuri het dieptepunt in zijn avontuur bereikt. Niets lijkt hem nog te kunnen redden. Er is sprake van een oneindige droefenis en een onuitsprekelijke verlatenheid:
Even later was hij weer alleen, machteloos, gebonden. De brief was buiten zijn bereik, onder het kleed op de vloer.
[…]
Daar zat hij nu, starend naar de plaats op het kleed waaronder zich de brief moest bevinden, gevangen in een onbekend kasteel, niet wetend welk lot hem boven het hoofd ging …
In De brief voor de koning was al duidelijk hoe indringend Tonke Dragt gevangenschap en machteloosheid kan beschrijven. In Geheimen van het Wilde Woud valt Tiuri in handen van de meedogenloze Zwarte Ridder met het Rode Schild. In de wereld van deze ridder is de dreiging van geweld nooit ver weg. Voor de Zwarte Ridder zijn mensen en dieren slechts middelen in een te bereiken doel, pionnen die in het grotere spel geofferd worden. De Zwarte Ridder aarzelt geen moment om uit de weg te ruimen wat een obstakel of een mogelijke bedreiging voor hem vormt.
Hoewel Tiuri volkomen aan de Zwarte Ridder is overgeleverd, kiest die er voor om spelletjes met hem te spelen die Tiuri de illusie geven dat hij nog enige invloed heeft op de situatie. Eerst mag Tiuri een duel voeren met het leven van de Dwaas als inzet, en vervolgens een schaakspel om zijn paard. De Dwaas maakt Tiuri uiteindelijk duidelijk dat de Zwarte Ridder met hem spéélt en dat hij eigenlijk machteloos, hulpeloos en kwetsbaar is. Zijn ridderschap biedt Tiuri geen enkele bescherming of immuniteit. Het schaakspel is een treffende verbeelding van de illusie van gelijkwaardigheid die gecreëerd wordt en de verleiding die daarvan uitgaat:
‘Het schaakspel is de enige eerlijke strijd ter wereld,’ sprak de [Zwarte] ridder toen. ‘Beide partijen hebben evenveel stukken, beide hebben gelijke kansen. Alleen heeft wit het voorrecht te mogen beginnen … en dát voorrecht heb ik u gelaten.’
[…]
Had hij, zonder het te willen, precies gedaan wat de Zwarte Ridder van hem verlangde? In ieder geval had hij met hem gesproken, terwijl hij zich had voorgenomen hooghartig te zwijgen; hij had naar hem geluisterd, hoewel hij wist dat zijn woorden leugenachtig waren. En zelfs al zou hij het spel winnen … wat maakte het uit of hij het gezicht van zijn vijand zag? Hij speelt met je, en het is hem gelijk of je wint of verliest …
Uiteindelijk weten Tiuri en de Dwaas te ontsnappen uit de Tarenburcht. Vanuit de
gevangenschap bij de Zwarte Ridder met het Rode Schild belandt Tiuri echter bij de
Mannen in het Groen, die hun geheel eigen motieven hebben om hem vast te houden en
bij wie ontsnapping werkelijk uitgesloten is. De leider van de Mannen in het Groen
is Tehalon. Zijn land vormt een samenleving die het tegenovergestelde is van waar
Eviellan voor staat, maar evenzeer verschilt van de feodale riddermaatschappijen
van Unauwen en Dagonaut: zonder hiërarchie, met gelijkheid van de seksen, in harmonie
met de natuur, geweldloos. Tiuri wordt geconfronteerd met een hem onbekende denk-
3 Het mysterie
Het mysterie is in alle boeken van Tonke Dragt tastbaar aanwezig.
In Verhalen van de tweelingbroers krijgen Laurenzo en Jiacomo in het achtste verhaal, ‘De herberg van Elvegast’, te maken met duistere magie. Op de begeleidende illustratie (door Tonke Dragt zelf getekend) komt een Javaanse duivel om de hoek kijken.
Het verhaal over de herberg van Elegast gaat als volgt: de Vlakte van Babina is eenzaam en ziet er eentonig uit. Er groeit geelachtig gras en een enkele scheve boom en hier en daar rijzen, als onheilspellende gedaanten, donkere rotsblokken op. Vaak stormt het er; dan vieren de heksen feest en dansen ze op een plek die niemand weet. Vaak hangt er een dichte mist; dan zwerven er dwaallichten rond en zij lokken de mensen van de weg af. Op een dag komt de koopman Koenraad in de smederij met een vreemd verhaal: op de Vlakte van Babina verdwaalde hij en hij kwam terecht in de geheimzinnige herberg van Elvegast. De knecht gedroeg zich vreemd, hij bediende onder andere een onzichtbare gast. ’s Ochtends wordt de koopman wakker met een geldbuidel vol zand en stenen én met een kostbare schaal. Toen hij de herberg wilde zoeken bleek die onvindbaar. Verdwenen? De broers vinden het een mooi verhaal, maar geloven niet in bovennatuurlijke zaken. Ze gaan zelf naar de Vlakte. De knecht handelt weer vreemd, maar Jiacomo herkent in de herberg de spullen van zijn oude leermeester, de rover Jannos. Na een beetje gespook nodigen ze de waard uit om samen met hen te drinken, en inderdaad: het is Jannos. Hij legt uit dat hij zijn leven heeft gebeterd, maar hij zit nog wel met alle kostbaarheden die hij heeft gestolen. Die kan hij niet zomaar verkopen, dus ‘ruilt’ hij die voor de inhoud van de beurzen van zijn ongelukkige gasten. Met een slaapmiddel krijgen de broers de rover en zijn knecht in slaap. Ze leggen hen bij de weg, en vervangen de kostbaarheden door zand en stenen. Jannos gaat dan zijn leven echt beteren: hij wordt een eerlijke herbergier. De broers proberen de kostbaarheden terug te brengen naar hun rechtmatige eigenaars.
In De brief voor de koning wordt Tiuri gewaarschuwd voor een donkere poel:
‘Maar drink niet uit de donkere poel straks, want die is alleen van de bosgeesten.’
[…]
Hij kwam langs een donkere poel, omringd door heel hoge, oude bomen. Dat moest de poel zijn, waarvoor de Dwaas hem gewaarschuwd had. Tiuri had weer dorst gekregen, maar hij hield zich aan de raad van de Dwaas. De poel stond hem helemaal niet aan; met haar stille duistere water, waarin zich geen rimpeltje vertoonde. Het zou best kunnen zijn dat deze plaats betoverd was … in elk geval vreemd en vijandig aan mensen. Hij reed haastig door en was blij toen hij de poel ver achter zich had gelaten.
In Geheimen van het Wilde Woud gaat het hoofdzakelijk om raadselachtige gebeurtenissen diep in een woud. De jonge ridder Tiuri heeft zich tot taak gesteld het mysterie te ontcijferen. De wouden herbergen steeds weer een geheim, zij zijn een symbool van wat mysterieus is, ondoordringbaar. Zij vervullen de mens met angst en zijn daarom taboe, verboden terrein, maar anderzijds oefenen zij een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Om toegang te krijgen tot het Wilde Woud, moet Tiuri eerst de Dode Steen passeren:
‘Wat is de Dode Steen?’ vroeg Piak.
‘Dat is een steen,’ sprak de waard, ‘aan de overkant van de Zwarte Rivier. De steen
noemen ze soms ook zwart, al is-
[…]
‘Ja, het is een Zwarte Plek,’ knikte hij. ‘Er rust een vloek op. Ze zeggen zelfs dat elke onheilswens bij de Dode Steen uitgesproken, tot waarheid wordt – alleen moet dat bijzonder gevaarlijk zijn voor degene die de wens uitspreekt.’
Al eerder kwam het schaakspel tussen Tiuri en de Zwarte Ridder in Geheimen van het Wilde Woud aan de orde. Het blijkt een magisch spel en de krachtmeting via het schaakbord heeft in deze roman een symbolische betekenis.
In De Zevensprong blijkt op de centrale plek in het woud de zevensprong slechts uit zes wegen te bestaan en is het zoeken naar nummer zeven. Er zijn zeven samenzweerders die een complot smeden om de jeugdige graaf te bevrijden. De toonladder die daarbij een cruciale rol speelt, bestaat uit zeven noten, de sommen die gemaakt moeten worden staan in paragraaf zeven en Geert Jans opstel dient zeven bladzijden lang te zijn. Het verhaal is strak opgebouwd volgens het kringspel ‘de Zevensprong’. Er zijn zeven hoofdstukken. Zeven is een magisch, volgens sommigen zelfs heilig getal en het is door de schrijfster vast niet bij toeval gebruikt.
In De Zevensprong komt een erg bizar trappenhuis voor. Allerlei trappen en ladders leiden er naar verborgen en schemerige kamers. Een onderwijzer gaat er met zijn klas op zoek naar een schat, die pas gevonden wordt als een aantal hoogst wonderlijke voorspellingen in vervulling zijn gegaan.
In De torens van februari gaat een jongen op zoek naar een andere wereld. Van de geleerde Thomas Alva leert Tom Wit dat er andere werelden zijn, die van de onze gescheiden zijn door de tijd. Je kunt in een andere wereld terecht komen door een woord uit te spreken, op 29 februari bij zonsopgang. Tom besluit de proef op de som te nemen. Daar weet hij zelf helaas niets meer vanaf, als hij eenmaal in die andere wereld is beland. Hij is zijn geheugen kwijt en hij is opeens in een vreemde omgeving waar hij niets of niemand herkent. Het enige wat Tom zou kunnen helpen om te achterhalen wie hij is en waar hij vandaan komt, is het aantekenboekje dat hij bij zich blijkt te hebben. Hij kan alleen niet lezen wat er in staat. Later ontdekt hij dat het in spiegelbeeld is geschreven. Om te proberen zijn geheugen terug te krijgen, begint hij een dagboek.
In Torenhoog en mijlen breed landt de jonge planeetonderzoeker Edu Jansen, ondanks het uitdrukkelijke verbod van zijn superieuren, met zijn ruimteschip in het woud. Om er vervolgens een hoogst verrassende ontdekking te doen … een ontdekking die in Ogen van tijgers geheim moet blijven voor het grote publiek. Hoe zouden de mensen op Aarde reageren als zij te horen krijgen dat op Venus groene wezens wonen die gedachten kunnen lezen en dus telepathisch met elkaar kunnen communiceren? En ook sommige mensen op Aarde blijken deze gave te bezitten.
In Het geheim van de klokkenmaker is de klokkenmaker bezig met de uitvinding van een tijdmachine, een bijzonder soort klok die je vooruit of achteruit in de tijd kan brengen. De inwonende student, die nogal benauwd is voor een tentamen dat hij de volgende dag moet doen, besluit om zichzelf via de tijdklok een dag vooruit te verplaatsen. ’s Avonds, als de klokkenmaker er even niet is, kruipt hij de machine in en … het raadselachtige gebeurt: hij komt een dag verder uit. Na allerlei gebeurtenissen tovert hij zichzelf ook weer terug.
De avonturen in De blauwe maansteen spelen zich af in een mysterieuze omgeving waar niets is wat het lijkt, waar achter gewone dingen ongewone dingen schuilen. Een oma die ook heks is, het vennetje in het bos dat ook de poort is naar de onderwereld, de grijze trui van Joost die verandert in een maliënkolder.
VI Relatie motieven – Indië
Hoewel Tonke Dragt weliswaar nooit expliciet over Indië heeft geschreven, hebben de hiervoor besproken motieven in haar werk direct of indirect toch een duidelijke relatie met haar jeugd in Indië.
1 Het landschap
Ik heb al eerder opgemerkt dat Tonke Dragt in haar debuut Verhalen van de tweelingbroers schreef over de open vlakte van Babina. Deze vlakte was ontstaan in de verhalen die ze in het jappenkamp had verzonnen. Terwijl ze samen met haar moeder en zusjes in een hermetisch afgesloten jappenkamp zat, verlangde ze naar weidse ruimten, naar vrijheid. Vlakten keren echter slechts incidenteel terug, het zijn vooral de wouden die een belangrijke rol spelen in het werk van Tonke Dragt. Eén van haar romans heet zelfs Geheimen van het Wilde Woud. In het Wilde Woud, dat door mensen gemeden wordt en waarover fluisterend allerlei verhalen de ronde doen, gebeuren vreemde, onverklaarbare dingen. De jonge Tiuri, nu tot ridder geslagen, begeeft zich in het woud om het mysterie te ontraadselen. Wouden herbergen bij Tonke Dragt steeds weer een geheim, zij zijn een symbool voor wat mysterieus is, ondoordringbaar. Zij vervullen de mens met angst en zijn daarom taboe, verboden terrein, maar anderzijds oefenen zij een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit. Dit is natuurlijk niet iets typisch Indisch. Maar het woud staat ook voor ongereptheid en onschuld, voor leven in harmonie met de natuur. En in Indië leefde Tonke Dragt heel dicht bij de natuur. Net zoals Tonke Dragt terugverlangt naar de oerbossen van haar jeugd, zo wil ook Edu het woud in, op zoek naar de wouden waarover zijn oude robot Bob sprak.
Dat wouden centraal staan in een groot deel van het werk van Tonke Dragt, is wel
duidelijk. Maar heeft Tonke Dragt nu de Indische of de Europese wouden beschreven
(in Nederland zelf hebben we natuurlijk geen echte wouden)? Vaak is het verband gelegd
tussen de wouden die Tonke Dragt kent uit haar jeugd in Nederlands-
‘… deze ontdekking op onze zuster-
[…]
‘Beziet deze reconstructies en – helaas ééndimensionale – films van de verdwenen wouden op Terra … Dit is wat vroeger Indonesische Archipel heette, gordel van smaragd rond de evenaar … Tropisch regenwoud. Djawa, Sumatra … Het Oerwoud was een biologisch wonder …’
De wouden in de ridderverhalen vertonen niet de kenmerken van een tropisch regenwoud.
2 Gevangenschap en vlucht
Als kind in een Japans kamp werd Tonke Dragt al jong geconfronteerd met de grenzen van menselijkheid. ‘In Batavia bestond het kamp uit een aantal woonhuizen waar prikkeldraad omheen gespannen was, met bamboe erlangs, zodat je er niet door kon kijken. Per persoon had je een ruimte van 2 bij 1 meter tot je beschikking. Geen wonder dat ik, zoals vele anderen, met tal van klachten uit het kamp kwam – hoewel je de meeste daarvan pas na je dertigste ondervindt. Aan de andere kant moet je bedenken dat de Japanse concentratiekampen nooit met de vreselijke Duitse vernietigingskampen te vergelijken zijn.’ Levend in onmenselijke omstandigheden kon Tonke Dragt zich – onder andere – staande houden door in elk geval in haar hoofd de beperkingen van die tijd en die ruimte te doorbreken. Tonke Dragt ontvluchtte de ellende door te fantaseren. Ze vond het heerlijk dat ze anderen in haar fantasie kon meenemen. ‘De verhalen die ik bedacht waren natuurlijk waardeloos – ik lachte me dood toen ik ze later over las – maar het voelde alsof we op vakantie waren geweest. We konden na een verhaal weer even tegen het barse kampleven.’
De angst, het escapisme van die tijd, heeft Tonke Dragt, aanvankelijk soms zelfs onbewust, verwerkt in haar boeken. In haar sprookjesbundel Verhalen van de tweelingbroers verwerkte ze de ervaringen van haar kamptijd toen ze verhalen verzon om het gevaar en de onveiligheid van het kampbestaan te bezweren. Ook de theorievorming rond het schrikkeljaar in De torens van februari verwijst naar haar gevangenschap. Het verhaal begint in 1964. Terugtellend in schrikkeljaren kom je vanzelf op het jaar 1944. Tonke Dragt zat toen in een concentratiekamp en meneer Alva , die in deze roman de andere wereld heeft ontdekt, probeerde toen te ontsnappen uit bezet gebied. In Duitsland hebben ze geprobeerd die passage te laten schrappen, maar dat is niet gelukt. Zo direct zeiden ze het trouwens niet, ze suggereerden alleen dat Tonke Dragt het boek wat zou kunnen moderniseren door het acht jaar later te laten spelen. Toch heeft Tonke Dragt ze moeten uitleggen dat dat niet kon, want maar eens in de 28 jaar corresponderen de datum en de dag van de week voor en na schrikkeldag precies met elkaar. Het is wel duidelijk dat Tonke Dragt voor dit boek uitgebreid studie van kalenders gemaakt heeft.
3 Het mysterie
Tonke Dragt woonde jarenlang met haar familie in Indië. In het land van haar jeugd
bestonden twee werelden naast elkaar: de oosterse en de westerse denk-
Het mysterie, het magische is in alle boeken van Tonke Dragt tastbaar aanwezig. Dat is ook één van de belangrijkste reden waarom haar boeken zo geliefd zijn. ‘Mijn lezerspubliek bestaat veelal uit jonge mensen tussen de 10 en pakweg 45. Uit brieven die ik krijg, blijkt dat een bepaald type mensen zich door mijn boeken voelt aangesproken. Leeftijd speelt daar absoluut geen rol bij. Meestal zijn het mensen met gevoel voor de werkelijkheid achter de buitenkant en voor symboliek. Mensen die net als ik houden van sprookjes, sagen en mythen.’
De verklaring voor haar neus voor magisch avontuur móet deels liggen in haar land van herkomst, het land van goena goena en Si Mathan de tijger, het symbool voor het kwaad. Fluisterend: ‘De geheime naam van Si Matjan mag je niet uitspreken. Dan komt ie je opeten! Ja, dát is Indië.’
Ver weg van Nederland was Tonke Dragt niet zo sterk beïnvloed door het Nederlandse
realisme. ‘On-
Een verschijnsel met een sterk magische sfeer is telepathie. Interessant is dat de auteur in het interview met Joke Linders vertelt dat het doordenken van de mogelijkheid dat mensen elkaars gedachten kunnen lezen uit haar kamptijd stamt. ‘Mijn vader was overtuigd atheïst, mijn moeder zeer gelovig, maar ze respecteerden elkaar in hun keuze. Mijn moeder is in het kamp Remonstrants geworden, maar voor die tijd en ook in het kamp ging ik vaak met haar mee. Aan de zondagsschool en de verhalen daar heb ik alleen maar goede herinneringen. Dominee Kater vond ik uitgesproken boeiend, al was Vundering leuker. […] Met dominee Kater heb ik uitgebreid gesproken over telepathie. Bij wijze van spel of experiment vroegen we ons af hoe het zou zijn als de Japanners konden horen wat je dacht.’ Dit idee komt uitgebreid terug in Torenhoog en mijlen breed en in Ogen van tijgers. Belangwekkend is dat Tonke Dragt dit gedachten lezen niet voorstelt als iets afschrikwekkends, als iets waardoor de mens vogelvrij wordt, maar juist als iets dat mensen nader tot elkaar brengt.
VII Relatie motieven – thema
Eerder heb ik het overkoepelende thema in het werk van Tonke Dragt omschreven als ‘de zoekende mens’. In ieder boek van haar staat het volwassen worden centraal. Dit is vooral een geestelijk proces, waarbij een mens de wereld en zijn eigen plaats daarin gaat ontdekken. Een mens op zoek naar de zin van het bestaan, de grote schat, de universele waarheid, de echte liefde, de eigen identiteit die je op elk moment kwijt kan raken. Alle protagonisten in haar werk – of het nu Tiuri is, de Blauwe Boekenier, meester Frans, ridder Ristridin, Edu Jansen, Jock Martijn of Otto – gaan op zoek naar wie ze zijn.
Als mens moet je je eigen normen volgen. Zo begint – ruw samengevat – De brief voor de koning. Deze passage is karakteristiek voor de problematiek die we vaak aantreffen in de boeken van Tonke Dragt. In een interview verklaart ze: ‘Dat is één van de dingen die ik geloof: dat je op een gegeven moment je eigen normen moet volgen en niet de normen die de maatschappij je oplegt.’ Maar het thema van de zoekende mens komt het duidelijkst naar voren in De torens van februari. De hoofdpersoon is een jongen die zelf niet meer weet wie hij is. Stel je voor dat je ’s morgens wakker wordt en niet meer weet wie je bent of waar. Hoe laat het is of welke dag. Dat je je helemaal opnieuw moet oriënteren. Tom moet in de roman letterlijk en figuurlijk op zoek naar zichzelf.
Maar wat dragen de Indische motieven nu eigenlijk bij aan de algemene thematiek van
het werk van Tonke Dragt? De zoektocht van Tiuri en Edu vindt plaats in de magische
wouden. Tiuri gaat op zoek naar de geheimen van het Wilde Woud. Edu maakt met zijn
ruimteschip een noodlanding in de wouden van Venus. De mens zal zich altijd mee blijven
nemen, waar hij ook gaat, al zoekt hij het zo ver als op Venus. Tijdens zijn gevangenschap
wordt Tiuri geconfronteerd met een hem onbekende denk-
VIII Conclusie
Tonke Dragt heeft tijdens haar jeugdjaren in Indië gewoond. In 1930 werd ze geboren in Batavia en de Tweede Wereldoorlog bracht ze samen met haar moeder en haar twee zusjes in gevangenschap door in een Japans kamp. Uiteindelijk keerde de familie terug naar Nederland.
In 1961 debuteerde Tonke Dragt met Verhalen van de tweelingbroers. Ze schreef zeer
uiteenlopende boeken: boeken die zich afspelen in een zelfbedacht, middeleeuws aandoend
verleden, boeken over de toekomst, als het gehele aardoppervlak één grote stad is
en de mens uitwijkt naar andere planeten, en boeken over werelden waar geen tijd
bestaat. Geen enkel boek heeft echter Indië direct als onderwerp. Toch heeft haar
jeugd in Nederlands-
Hoewel Tonke Dragt nooit expliciet over Indië heeft geschreven, hebben drie motieven
in haar werk direct of indirect toch een duidelijke relatie met haar jeugd in Indië:
het landschap, gevangenschap en vlucht en het mysterie. De zoektocht van Tiuri en
Edu vindt plaats in de magische wouden. Of het nu in het Wilde Woud of in de wouden
van Venus is, een mens neemt altijd zichzelf mee. Tijdens gevangenschap worden haar
personen geconfronteerd met onbekende denk-
Bibliografie
Gedrukte bronnen
AGT 1994 – B. van Agt: ‘Waar wouden zijn, als vuur zo heet, torenhoog en mijlen breed …’. In: Pasarkrant mei 1994.
ANONIEM 1977/1978 – Anoniem: ‘Tonke Dragt: in de ban van het mysterie’. In: De Schoolmediatheek 1977/1978, nr. 2.
ANONIEM 1993 – Anoniem: ‘Een exclusief interview met Tonke Dragt’. In: De Lemniscaatkrant
28 (winter 1993), p. 9-
ANONIEM 1995 – Anoniem: Tonke Dragt. Amsterdam: Leopold, 1995.
BOLHUIS 2006 – A.J. Bolhuis: ‘De psychologie van het woord’. In: S. van der Putte
(red.): Torenhoog en mijlen breed. Over het werk van Tonke Dragt. Tilburg: Stichting
Bladwijzer, 2006, p. 42-
BOONSTRA 1990 – B. Boonstra: ‘Reis door de tijd’. In: NRC Handelsblad, 5 januari 1990.
BOONSTRA 2001 – B. Boonstra: ‘Raadsels, sfeer en suggestie. De Zevensprong herlezen’.
In: Literatuur zonder leeftijd 55, zomer 2001, p. 171-
BOSCH 2005 – V. van den Bosch: ‘De ambassade van Tonke Dragt’. In: De Standaard 10 november 2005.
BOSCHMAN 2000 – E. Boschman: ‘Goena-
DETIGER 2004 – T. Detiger: ‘Snelkookpan voor fantasie’. In: De Telegraaf 1 oktober 2004.
DIEKMAN 1969 – M. Diekman: ‘Probleemroman van Tonke Dragt’. In: Haarlems Dagblad, 3 september 1969.
DIEKMAN 1971 – M. Diekman: ‘Tonke Dragt maakt jeugd rijp voor de literatuur’. In: Haagsche Courant, 26 november 1971.
DONKERSTEEG 2000 – J. Donkersteeg: ‘De levensreis is belangrijker dan het doel’. In: Reformatorisch Dagblad 4 oktober 2000.
DRAGT 1961 – T. Dragt: Verhalen van de tweelingbroers. Leopold: Den Haag, 1961.
DRAGT 1962 – T. Dragt: De brief voor de koning. Leopold: Den Haag, 1962.
DRAGT 1964 – T. Dragt: De blauwe boekanier. Confiance: Amsterdam, 1964.
DRAGT 1965 – T. Dragt: Geheimen van het Wilde Woud. Leopold: Den Haag, 1965.
DRAGT 1966 – T. Dragt: De zevensprong. Leopold: Den Haag, 1966.
DRAGT 1969 – T. Dragt: Torenhoog en mijlen breed. Leopold: Den Haag, 1969.
DRAGT 1973 – T. Dragt: De torens van februari. Leopold: Den Haag, 1973.
DRAGT 1977 – T. Dragt: Water is gevaarlijk. Leopold: Den Haag, 1977.
DRAGT 1979 – T. Dragt: Het gevaarlijke venster en andere verhalen. Leopold: Den Haag, 1979.
DRAGT 1982 –T. Dragt: Ogen van tijgers. Leopold: Den Haag, 1982.
DRAGT 1989 – T. Dragt: Het geheim van de klokkenmaker. Leopold: Amsterdam, 1989.
DRAGT 1992 – T. Dragt: Aan de andere kant van de deur. Leopold: Amsterdam, 1992.
DRAGT 2005 – T. Dragt: De blauwe maansteen. Leopold: Amsterdam, 2005.
DUIN 1992 – L. van Duin: ‘Waar noord soms zuid is …’. In: Trouw, 21 oktober 1992.
EISELIN 1999 – J. Eiselin: ‘Op weg naar een plaats zonder tijd: de pesterige boeken
van Tonke Dragt’. In: NRC Handelsblad 31-
EVENHUIS 1977 – G. Evenhuis: ‘Tonke Dragt: Staatsprijs voor de Jeugdliteratuur’. In: Trouw, 15 december 1977.
GOEMAND-
GOOL 1977 – J. van Gool: De wereld van Tonke Dragt. Den Haag: NBLC, 1977. Refleks 4.
GOOL 1978 – J. van Gool: ‘Tonke Dragt: ‘Ik ben altijd eindeloos verwonderd …’’. In: Lezerskrant 2, 1978.
HENSELMANS 2001 – M. Henselmans: ‘Wat hier wil groeien, mag blijven’. In: De Volkskrant, 8 juni 2001.
HOLTROP 1989 – A. Holtrop: ‘Een tijdreis’. In: Vrij Nederland 11 november 1989.
JONGEN 2001 – L. Jongen: ‘Een ridder in hart en nieren. Tonke Dragts evocatie van
de Middeleeuwen’. In: Literatuur zonder leeftijd 55, zomer 2001, p. 161-
KLIS 1987 – J. van der Klis: ‘Tonke Dragt over dualisme en schizofrenie in haar jeugdboeken. Waarom zou er achter een deur altijd een gang zijn en geen dode wereld?’. In: De Groene Amsterdammer, 20 september 1987.
KLOMPMAKER 1980 – M. Klompmaker: ‘Niet uitgaan van panklare recepten’. In: Leidsch Dagblad, 1 oktober 1980.
KOOPMANS 1969 – J. Koopmans: ‘Tonke Dragt waagt zich aan science-
KOUSBROEK 1995 – R. Kousbroek: Het Oostindisch kampsyndroom. Amsterdam: Meulenhoff, 1995.
KROMHOUT 1987 – R. Kromhout: ‘Jubileumuitgave bekroont oeuvre van Tonke Dragt’. In: De Volkskrant, 22 juli 1987.
KROMHOUT 1989 – R. Kromhout: ‘De twee werkelijkheden van Tonke Dragt’. In: De Tijd, 29 september 1989.
LENTEREN 2005A – P. van Lenteren: ‘De toverkollenwereld van Tonke Dragt’. In: De Volkskrant 27 mei 2005.
LENTEREN 2005B – P. van Lenteren: ‘Vluchten in fantasie’. In: De Volksrant 4 oktober 2005.
LINDERS 2001 – J. Linders: ‘Ik ben altijd aan het spelen, altijd. Het Tonke Dragt
interview I’. In: Literatuur zonder leeftijd 55, zomer 2001, p.146-
LINDERS 2001 – J. Linders: ‘De parabel van de olifant. Het Tonke Dragt interview
II’. In: Literatuur zonder leeftijd 55, zomer 2001, p.191-
LINDERS 2006 – J. Linders: ‘De macht van het woord of die van de verbeelding’. In:
S. van der Putte (red.): Torenhoog en mijlen breed. Over het werk van Tonke Dragt.
Tilburg: Stichting Bladwijzer, 2006, p. 7-
MALIEPAARD 2005 – B. Maliepaard: ‘Tonke Dragt wil steeds het mooiste boek ter wereld schrijven’. In: Libelle 51, 2005.
NANNINGS 1978 – E. Nannings: Tonke Dragt. ’s-
PENNEN 1995 – W. van der Pennen: Lezen over Tonke Dragt. Den Haag: NBLC Uitgeverij, 1995. Lezen over.
PENNEN 2001 – W. van der Pennen: ‘Schrijfster van andere werelden. Tonke Dragt en
de kritiek’. In: Literatuur zonder leeftijd 55, zomer 2001, p. 221-
PUTTE 2006 – S. van der Putte: ‘Complexiteit en vernieuwing in Geheimen van het Wilde
Woud’. In: S. van der Putte (red.): Torenhoog en mijlen breed. Over het werk van
Tonke Dragt. Tilburg: Stichting Bladwijzer, 2006, p. 23-
RAEPHORST 1977 – M. van Raephorst: ‘Een vrouw die de Staatsprijs verdient’. In: Elseviers Magazine, 15 oktober 1977.
ROS 2001 – B. Ros: ‘Experimenteren met tijd en ruimte. De sf-
VERDONSCHOT 1985 – K. Verdonschot: ‘Fantastiek is wel een leuke benaming, ja. Tonke Dragt: Verhalen vertellen zichzelf’. In: De Gelderlander, 24 mei 1985.
VERSCHUREN 1984 – H. Verschuren: ‘Het zou altijd anders kunnen zijn’. In: En nu over jeugdliteratuur 11 (1984).
VREEDE 1974 – M. de Vreede: ‘Puzzeltocht met een happy end’. In: NRC Handelsblad, 26 april 1974.
VOS 1983 – J. Vos: ‘Maar het was de tijger die mij riep’. In: Leestekens 3 (1983), nr. 4.
WEEDA 1983 – P. Weeda: ‘Je ging niet op die bezem zitten, je kon nooit weten …’. In: Jonas 13 (1983), afl. 15.
ZEE 1990 – R. van der Zee: ‘Sprookjes zijn heel erg echt gebeurd’. In: Haagsche Courant, 24 augustus 1990.