wpc4a24217.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Deze en de volgende pagina’s bevatten mijn werkstuk voor de master-werkgroep Louis Couperus in Europese context van de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar 2007-2008. De voetnoten - en daarmee de literatuurverwijzingen - zijn in deze online-versie weggelaten. Wie interesse heeft in een exemplaar met noten en literatuurverwijzingen kan een e-mail sturen naar marjoleingommers@home.nl

Veel leesgenot!

 

Louis Couperus’ Noodlot versus Emile Zola’s Therese Raquin: twee naturalistische romans uit de negentiende eeuw

 

1 Inleiding

 

In dit artikel staan de romans Noodlot (1890) van Louis Couperus en Thérèse Raquin (1867) van Emile Zola centraal en wil ik antwoord geven op de vraag: in hoeverre vertoont de roman Noodlot van Couperus naturalistische kenmerken? Zola wordt vaak gezien als de grondlegger van het naturalisme. Door zijn Thérèse Raquin te vergelijken met Noodlot zal ik aantonen dat Couperus’ roman duidelijk naturalistische kenmerken vertoont. Een echte naturalist durf ik Couperus echter niet te noemen, omdat hij uiteindelijk – in tegenstelling tot Zola’s positivistische kijk op de wereld – geloof hecht aan het metafysische noodlot in het leven.

 

2 Het naturalisme van Emile Zola

 

Emile Zola (1840-1902) verzon een nieuwe stroming waarvan hij zichzelf tot voorman bombardeerde: het naturalisme. In het voorwoord van Thérèse Raquin spreekt hij over ‘de groep van naturalistische schrijvers waartoe ik de eer heb te behoren’. Dat was pure bluf, want zo’n groep bestond helemaal niet en het naturalisme evenmin, of liever: het begon vanaf dat moment te bestaan. Zola lanceerde die term om zich van zijn voorgangers te onderscheiden. Dit onderscheid bestond voornamelijk uit de wetenschappelijke aanpak. Het toenmalige positivisme hield zich bezig met objectief waarneembare feiten, die volgens wetten van oorzaak en gevolg verklaard konden worden. Volgens het positivisme zijn gedachten en gevoelens producten van de hersenen, zoals maagzuur een product is van de maag. Zola paste het positivisme toe op de literatuur. De theorie van Zola is dus in feite niets meer dan de toespitsing van een wijdverbreid, internationaal streven in de laatste decennia van de negentiende eeuw naar grotere natuurgetrouwheid en een meer wetenschappelijke houding tegenover de werkelijkheid.

Le roman expérimental uit 1880 is Zola’s beroemdste propagandageschrift waarin hij pleit dat de schrijver de wetenschappelijke methode moet hanteren, dat wil zeggen: hij plaatst een bepaald temperament in een bepaald milieu en hij registreert wat er gebeurt als dat temperament met andere temperamenten in botsing komt. De romanschrijver voert dus gedachtenexperimenten met mensen uit. Zola zoekt op deze manier naar de wetmatigheden die het menselijk bestaan beheersen. Hij geeft toe dat het ‘nog’ niet mogelijk is scherpe wetten te formuleren, maar het is volgens hem wel duidelijk dat erfelijkheid en milieu voor een belangrijk deel de mens bepalen.

Ik denk dat het overigens belangrijk is om te realiseren dat de ‘wetenschappelijke’ uitgangspunten door Zola polemisch worden gebruikt, namelijk in zijn strijd tegen de idealiserende schrijvers die het gedrag van de mens uit metafysische overwegingen proberen te verklaren. Zij blijven volgens Zola in religieuze en filosofische vooroordelen steken en geven aan het onbekende de voorkeur boven het bekende.

 

3 Thérèse Raquin van Emile Zola

 

Eén van de romans waarin Zola zijn wetenschappelijke methode heeft toegepast, is Thérèse Raquin. Deze roman ontving na publicatie een stortvloed van kritiek. Zola werd ervan beschuldigd dat hij als enig oogmerk het schilderen van aanstootgevende taferelen had gehad. Thérèse Raquin is echter naar zijn zeggen een ‘studie’ waarin hij de psychologie van de personages herleidt tot haar fysiologische oorzaken. In het voorwoord dat vanaf de tweede druk is opgenomen, verklaart hij dat ‘liefde en berouw organische aandoeningen zijn’ en dat hij geen ‘karakters’ beschrijft, maar ‘temperamenten’. Daarmee doelde hij op een medische typologie die in het midden van de negentiende eeuw populair was en waarin de menselijke constitutie werd onderscheiden naar een aantal typen. De meest voorkomende waren de sanguinici (overwicht van bloed) en de nerveuzen (overwicht van zenuwen); minder frequent waren de cholerici (overwicht van gele gal), flegmatici (overwicht van slijm) en melancholici (overwicht van zwarte gal, later geassocieerd met overwicht van zenuwen). Zola wilde in zijn ‘studie’ nagaan wat er zou gebeuren als hij twee tegengestelde temperamenten met elkaar in contact zou brengen en zijn ‘observaties’ leerden dat temperamenten werkten als magneten: tegengestelde temperamenten trokken elkaar aan, gelijkgestemde temperamenten stootten elkaar af.

Thérèse Raquin is een nerveuze vrouw. De ware aard van haar temperament wordt echter versluierd door haar huwelijk met de flegmatische Camille en door het milieu waarin ze ze zich bevindt: een naargeestig winkeltje dat sterk aan een aquarium doet denken. Diep in Thérèse smeulen echter de hartstochten. Op een dag brengt Camille de kunstschilder Laurent mee naar huis. Thérèse is gebiologeerd door ‘zijn lage voorhoofd, beplant met grof, donker haar, zijn volle wangen, zijn rode lippen, zijn regelmatige gezicht van een sanguinische schoonheid’. Door Laurent komt de hartstocht van Thérèse tot leven en ze beginnen samen een onstuimige verhouding. Thérèse vindt haar echtgenoot onverdraaglijk en ze brengt Laurent ertoe Camille te vermoorden. Na de moord begint Laurent echter te veranderen onder invloed van Thérèse: ‘Zijn zenuwen ontwikkelden zich, wonnen het van het sanguinische element, en dat blote feit veranderde zijn natuur. Hij verloor zijn kalmte, zijn logheid, zijn ingedutte manier van leven. Er kwam een moment waarop zenuwen en bloed elkaar in evenwicht hielden en dat was een moment van genot, van volmaakt bestaan.’ Tijdens dat moment schildert Laurent een paar meesterwerkjes, maar de periode is van korte duur. Wroeging en angst voor ontdekking van de moord nemen al snel de overhand. In het temperament van Laurent heersen voortaan alleen nog de zenuwen. De spanning tussen hem en Thérèse stijgt en mondt uit in een wederzijdse moord.

Zola laat in zijn roman dus uitgebreid zien wat er gebeurt als twee tegengestelde naturen – de nerveuze natuur van Thérèse en de sanguinische natuur van Laurent – met elkaar in aanraking komen.  Aanvankelijk groeien Thérèse en Laurent op onder invloed van elkaars tegengestelde temperamenten. Maar lang duurt hun liefdesverhouding niet: Thérèse gaat ten onder aan de opgewekte maar eigenlijk volgens het eigen temperament niet te hanteren hartstocht en Laurent krijgt op den duur genoeg van het ontzenuwende getob van zijn melancholieke geliefde.

Zola werd, behalve door medische studies, ook beïnvloed door het werk van de historicus Hippolyte Taine. Die had in zijn Histoire de la littérature anglaise (1864) uitgelegd dat de aard van een volk wordt gedetermineerd door ras, milieu en moment. Taine nam die begrippen nogal ruim: ‘milieu’ betekent bij hem de natuurlijke omgeving en het klimaat, ‘moment’ een tijdvak. Zola verkleint die begrippen tot de determinerende factoren van een individuele geschiedenis: afkomst, sociaal milieu en moment van handeling. Die deterministische drieslag is in Thérèse Raquin duidelijk terug te vinden. De nerveuze en gespannen aanleg wordt in het geval van Thérèse namelijk versterkt door deze erfelijke factoren. Thérèse is immers kind van een Afrikaanse moeder: ‘Met een ongekende heftigheid kwamen alle instincten van deze temperamentvolle vrouw nu tot uitbarsting, en het bloed van haar moeder, dat Afrikaanse bloed dat in haar aderen groeide, begon te stromen en zich woest kloppend een weg door haar magere, nog bijna maagdelijke lichaam te stromen.’ Thérèse, die vanaf haar dertiende jaar al aanvallen van waanzin heeft gehad, ontspoort pas volledig na de moord op haar man: ‘In haar geval was slechts haar normale natuur overmatig versterkt door de omstandigheden.’ Haar verderfelijke milieu, waarin prostitutie en alcoholisme aan de orde van de dag zijn, is de versnellende factor voor de ontwikkeling van haar waanzin.

 

4 Naturalistische kenmerken in Noodlot van Louis Couperus

 

Couperus heeft heel nadrukkelijk zijn bewondering voor Zola uitgesproken. In Verzamelde werken XII: Verhalen staat een artikel uit 1923 waarin Couperus zich uitspreekt over de literaire voorkeur van zijn jonge jaren. Het is geïnspireerd door de herlezing van Zola’s Thérèse Raquin. Couperus vertelt hoe zijn leraar Jan ten Brink hem en Netscher inwijdde in de literatuur en dat er een wereld voor hen openging toen zij Zola begonnen te lezen: ‘Met Frans Netscher las ik Thérèse Raquin, en als wij het niet samen lazen, spraken wij later over wat wij elk afzonderlijk hadden gelezen. En veel las ik Zola en … de wereld ging voor mij open. Want Zola – laat ons het ronduit en eerlijk bekennen – was de grote, loyale, litteraire leermeester onzer generatie van proza-schrijvers. Zo beschouw ik het nog steeds: Zola heeft de poorten voor ons geopend, heeft ons de wereld getoond, de immense landen van het Leven ons in de wijkende verschieten gewezen; handen geheven, in vervoering, zelfs al vulde somberheid en vertwijfeling onze jeugdige zielen – o, vertwijfeling van achttienjarige zielen, wat zijt gij zoet geweest van verbijsterende wellust! – gingen wij de nieuwe weg op en leerden het Leven zien, als het was, zonder sentimentaliteit, zonder romantiek, wreed en fataal […]’.

Het kan niet anders of de door Couperus zo bewonderde Franse schrijver heeft sporen nagelaten in zijn eigen werk. Ton Anbeek heeft een studie geschreven met de titel De naturalistische roman in Nederland. In deze studie beschrijft hij uitgebreid de kenmerken van de Nederlandse naturalistische roman en met behulp van zijn opsomming zal ik aantonen dat Noodlot in navolging van Zola duidelijk een aantal naturalistische kenmerken vertoont:

 

1. Middelpunt van de roman is een ‘nerveus’ gestel.

In Noodlot hebben we niet te maken met een overgevoelige vrouw – zoals in Eline Vere – maar met twee overgevoelige mannen. Anbeek noemt hen in één van zijn studies ‘zwakke helden’ die zich laten meeslepen door de gebeurtenissen zonder zich op de beslissende ogenblikken tegen het Lot te kunnen verzetten. Ik heb het over Frank en Bertie. Uiterlijk ziet Frank er met zijn forse bouw weliswaar heel erg sterk uit, maar innerlijk is hij zwak. Net als Eline uit Couperus’ eerste roman verveelt het rijke jongeluileventje hem mateloos. Hij heeft niet het gevoel dat hij zijn leven zelf vormgeeft, maar eerder dat hij door zijn omgeving geleefd wordt. Bertie is zowel uiterlijk als innerlijk erg zwak. Hij teert liever op de zak van zijn vriend dan zelf te werken en hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden.

 

2. De plot kan in grote lijnen worden aangeduid als de geschiedenis van een ontnuchtering.

In Noodlot is er duidelijk sprake van een ontnuchtering. De liefde tussen Frank en Eve wordt immers op wrede wijze verstoord door het ingrijpen van Bertie. Het geplande huwelijk wordt maar liefst tweemaal afgeblazen. Bertie wordt door Frank vermoord en Frank en Eve plegen uiteindelijk zelfmoord.

 

3. Van groot belang zijn de determinerende omstandigheden waaruit het onevenwichtige gestel van de hoofdpersoon wordt verklaard.

Bertie dreigt zijn luxe leventje kwijt te raken als het liefdespaar trouwplannen maakt. Hierdoor wordt bij hem een gevoel van zwakte opgeroepen die door Bertie zelf wordt ervaren als een gedetermineerde eigenschap. De naturalistische erfelijkheidsgedachte komt hier naar voren. Bertie ervaart het als noodlottig dat zijn persoon en zijn leven wordt bepaald door geërfde aanleg.

De temperamentenleer speelt in Noodlot een ondergeschikte rol. In tegenstelling tot Zola, ben ik van mening dat Couperus zich niet bijzonder heeft verdiept in medische theorieën en dat hij dan ook geen wetenschappelijke pretenties had. Het was hem er eerder om te doen om de mens weer te geven zoals hij was. Toch klinken in veel van zijn romans – en zeker ook in Noodlot – de medische theorieën van zijn tijd door. Ik denk dat de kennis die Couperus hiervan bezat, beschouwd moet worden als de algemene intellectuele bagage van zijn tijd.

 

4. De naturalistische auteur haat de burgerij.

Frank Westhove behoort tot de rijke burgerij. Hij woont in zijn villa White-Rose in Londen en hij brengt zijn dagen voornamelijk door op de club. Het rijkeluisleventje verveelt hem eigenlijk mateloos, hij heeft het gevoel dat hij geleefd wordt en hij is blij met de afleiding die Bertie in zijn leven brengt: ‘Hij zou het zelfs ontzettend gezellig vinden als Bertie een paar weken bleef; hij verveelde zich een beetje met zijn rijke jongmens leven; hij was in een kring van jongelui, die veel uitgingen, veel pierewaaiden en het verveelde hem, dat alles: diners en bals in de wereld en soupers en orgies in de halve wereld. Altijd hetzelfde: een leven als en montagne russe, der-op, der-af, der-op, der-af, zonder dat je een ogenblik behoefde te denken; een bestaan, dat voor je gemaakt werd in plaats dat je het je zelve maakte.’

 

5. De belangstelling voor seksualiteit.

In Noodlot wordt niet onomwonden geschreven over seksualiteit en al zeker niet over homofilie. Toch heb ik zelf het gevoel dat Bert homoseksuele gevoelens heeft. Op het niveau van de concrete verhaalfeiten is het verhinderen van het huwelijk tussen Frank en Eve door Bertie te verklaren door zijn wens om zijn materiële welstand te behouden. Maar toch vraag ik mezelf af of er achter de bijzondere band tussen Frank en Bertie geen verborgen motieven schuilen.

Regelmatig wordt benadrukt dat Bertie niet dol is op vrouwen. Tijdens een skating-rinkje amuseerde Frank ‘zich als een koning om Bertie, die, in een diepe minachting voor het vrouwelijk geslacht, ongevoelig voor haar drieër bevalligheden, ze voor de gek hield, ze plaagde, ze tegen elkaar ophitste, tot zij elkaar bijna de ogen uitkrabden, ze tenslotte champagne goot in hun gedecolleteerde lijfjes.’ Over vrouwen heeft Bertie niet erg verheven gedachten: ‘Het zijn wezens zonder hersens, zonder harten: wat oppervlakkigheid en ijdelheid door elkaar geklutst, schuim, flut, niets!’ De gedachte dat Bertie wel eens homoseksueel zou kunnen zijn, dringt zich langzaam op en lijkt ondersteund te worden door uitspraken als: ‘O, ik bid je, geloof toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je hou, zoveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je zo goed voor me was …’, uitgesproken tegen Frans. En waarom verdwijnt Bertie bijna geregeld om de veertien dagen? Hij blijft dan vier, vijf dagen weg en komt dan moe en verlopen terug. Zijn het geheime uitspattingen, met vrouwen … of wellicht met mannen? We weten het eenvoudig niet. Ik denk in ieder geval dat voor Couperus de tijd nog steeds niet rijp was om vrijuit over homoseksualiteit te schrijven, zoals later bijvoorbeeld in De berg van licht.

Eén overeenkomst met de Berg van licht zien we al wel opduiken, namelijk het verborgen androgynische motief. Eerder heb ik al uiteengezet dat Frank wordt getekend aan de hand van de tegenstelling: zwak innerlijk – sterk uiterlijk. Waarin bestaat nu eigenlijk Franks zwakte? Montulet wijst in een artikel op een aanwijzing dat zijn zwakte te maken heeft met een vrouwelijke aanleg. Bertie zegt tegen Frank: ‘Een man verliest zich niet zo in zijn liefde. Je bent zo net een vrouw: die doen dat (…). Zijn ogen zagen Frank zo magnetisch zacht aan dat het Frank werd alsof elk dier woorden een zuivere waarheid bevatte, en Berties laatste verwijt herinnerde Frank weer aan zijn flauwheid, zijn weifelachtige zwakte, die lag onder al het mannelijk vertoon van zijn kracht als een week fondament.’ Dit citaat kan volgens Montulet een aanzet zijn voor de opvatting dat de dualiteit zwak-sterk in Frank eigenlijk de nog niet uitgesproken vrouw-man-dualiteit is, die later in De berg van licht in de figuur van Helegabalus vorm krijgt.

Ook Bertie heeft sterk androgyne trekjes, wat het beste omschreven wordt door Eve: ‘En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van die glimlach hem de poëzie van een jonge god of een gevallen engel: het hemels zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zoals zij in haar geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk van gelaat.’

 

6. Het taalgebruik: een zo natuurgetrouw mogelijke dialoog en woordkunst (écriture artiste).

De dialogen in Noodlot komen op mij natuurgetrouw over, maar de woordkunst ontbreekt vooralsnog. In het latere werk van Couperus is daarvan veel duidelijker sprake.

 

7. De vertelwijze: een sterke voorkeur voor de hij-vorm, personale vertelwijze en vertellersoordelen (goed/slecht) ontbreken.

Er zijn in Noodlot drie verschillende vertelsituaties aan te wijzen: grote stukken worden vanuit één van de personages verteld, daarnaast zijn er opmerkingen die duidelijk van een auctoriale vertelinstantie afkomstig zijn, en er zijn passages waar de nadruk ligt op de dialoog (neutrale vertelsituatie). Bijzonder opmerkelijk zijn de geleidelijke overgangen tussen de personale en de auctoriale gedeelten. De overgangen zijn bijna niet aanwijsbaar, waardoor vertellersoordelen op geraffineerde wijze als objectieve waarnemingen worden gepresenteerd.

 

8. Objectiviteit, ofwel een onpartijdige houding tegenover personages.

Door de combinatie van een alwetende verteller en het ontbreken van vertellersoordelen, heb ik de indruk dat er in Noodlot sprake is van objectiviteit.

 

Hoewel Noodlot niet aan alle door Anbeek opgestelde kenmerken van de naturalistische roman voldoet, heeft de roman in mijn ogen toch genoeg kenmerken gemeen om als naturalistisch te kunnen bestempelen. De hier besproken romans van Zola en Couperus zijn dus beiden in de naturalistische stroming te plaatsen.

 

5 Determinisme versus fatalisme

 

Ook op het verhaalniveau vertonen beide romans overeenkomsten. In beide romans staat een liefdespaar en een goede vriend centraal. In beide romans wordt één van de mannelijke hoofdpersonen vermoord. In beide romans plegen de achterblijvers aan het einde zelfmoord. De belangrijkste overeenkomst treffen we echter aan in het hoofdmotief van beide romans. In beide romans staat het Noodlot centraal, maar in beide romans wordt dit Noodlot verschillend uitgewerkt. In het laatste onderdeel van dit artikel zal ik proberen aan te tonen dat in de romans die hier centraal staan Zola een determinist is en Couperus een fatalist. Voor mijn bewijsvoering zal ik ook Couperus’ eerste roman Eline Vere (1889) in mijn analyse betrekken.

 

Thérèse Raquin

Ik heb al eerder aangegeven dat Zola in Thérèse Raquin twee verschillende en erfelijk bepaalde karakters tegenover elkaar stelt, namelijk het sanguinische temperament van Laurent tegenover het nerveuze temperament van Thérèse. De wederzijdse inwerking van deze temperamenten wordt beschreven alsof het een chemische reactie is. Beiden reageren aanvankelijk positief, maar als gevolg van de wederzijdse inwerking wordt uiteindelijk de harmonie verstoord. De verstoring van de sanguinische aard van Laurent resulteert in zijn moord op Camille. De moord doet de begeerte voor elkaar verdwijnen. De angst voor ontdekking en straf is enorm groot. Beiden beginnen nachtmerries te krijgen. Als Thérèse en Laurent eenmaal getrouwd zijn, verliest Laurent opnieuw zijn evenwicht onder invloed van de zeer nerveuze Thérèse. De begeerte wint het niet van de angst en het stel gaat elkaar haten. Uiteindelijk is er nog maar één uitweg denkbaar en dat is elkaar te vermoorden.

Het inzicht dat de mens in hoge mate bepaald wordt door factoren als erfelijkheid, opvoeding en milieu doet natuurlijk als vanzelf de vraag rijzen in hoeverre de mens dan nog een vrije wil heeft. In Thérèse Raquin kan het noodlot worden verklaard uit fatale wederzijdse invloed van twee fysiologisch gegeven temperamenten.

Dit is een goed moment om de begrippen determinisme en fatalisme te introduceren. Determinisme houdt in dat het menselijk handelen geheel bepaald is door voorafgaande factoren, net als andere natuurverschijnselen. In het naturalisme worden die factoren wat de mens betreft samengevat onder de noemers erfelijkheid en milieu. Fatalisme houdt in dat het niets uitmaakt wat je doet, omdat je je bestemming toch niet kunt ontlopen. Fatalisme is een metafysisch begrip.

Zola is, zoals hij uitdrukkelijk zelf zegt, geen fatalist, maar het tegenovergestelde, een determinist. Fatalisme leidt namelijk tot machteloosheid van de mens; het determinisme moet hem, via kennis van de naaste oorzaken – die veranderbaar zijn – juist invloed geven op eigen en andermans handelen. In de ogen van Zola heeft de mens dus wel degelijk een vrije wil, mits zij genoeg kennis bezitten van de oorzaken van hun handelen. Het is de taak van auteurs om de veranderbare oorzaken van sociaal schadelijk handelen te laten zien. Zola noemt dit het beoefenen van praktische sociologie om de misdaad te overwinnen en het socialisme mogelijk te maken.

 

Eline Vere

Geheel in lijn met de opvattingen van het naturalisme à la Zola worden in Eline Vere erfelijkheid, milieu en opvoeding als de voornaamste noodlotsfactoren beschouwd. Eline heeft het temperament van haar vader geërfd en is ‘Eenigszins droomerig en romantisch van natuur’. Zij haalt snel werkelijkheid en fantasie door elkaar. Dr. Reijer brengt zijn diagnose van een erfelijke ziekte in de familie Vere in verband met het Noodlot: ‘Maar verder zag hij in Eline iets wat hij het noodlot van haar familie kon noemen. Eline’s vader had dat gehad. Vincent had dat. Het was een zielstorende verwarring harer zenuwen, die de verwarde snaren van een gesprongen en ontredderd speeltuig gelijk waren.’ Er bestaat volgens dr. Reijer een recept tegen deze familiekwaal, namelijk kalmte en genegenheid. Ook de invloed van het milieu op de romanfiguren wordt door Couperus uitvoerig beschreven: ‘De beide zusters, daar aan elkanders zijde ontwikkeld, onder de lessen eener zelfde opvoeding, in eene zelfde omgeving, hadden twee aan elkaâr evenwijdige gemoedslevens in zich laten ontkiemen, wier zijden echter bij het rijpen der jeugd naar de eischen van twee verschillende temperamenten afweken.’ We hebben allemaal kunnen lezen dat Eline romantisch en Betsy realistisch is. Dezelfde opvoeding en dezelfde omgeving brengen blijkbaar door het verschil in geaardheid twee gemoedslevens tot stand. Het Haagse milieu, dat door Eline als doelloos wordt ervaren, versterkt haar neiging de werkelijkheid te ontvluchten of werkelijkheid en fantasie door elkaar te halen.

In Eline Vere ligt het antwoord in het personage van Vincent op de vraag of de mens een vrije wil heeft. Hij heeft dezelfde familieziekte als Eline geërfd. Vincent gaat echter – in tegenstelling tot Eline – niet ten gronde, ondanks zijn  lichamelijke en geestelijke zwakheden, doordat de omstandigheden zich voor hem in gunstige zin hebben veranderd. Ik heb het dan over de luxe, de kalmte en de genegenheid van Vincents Amerikaanse vriend, Lawrence St. Clare. Het is duidelijk dat St. Clares wilskracht en warmte ook heilzaam had kunnen werken op Eline, die immers zoveel gelijkenis vertoont met Vincent.

Samenvattend kunnen we zeggen dat erfelijkheid, opvoeding en milieu in Eline Vere wel determinerende factoren zijn, maar zij zijn niet overheersend. Een andere beslissende factor is in deze roman het Noodlot. We zien hier eigenlijk het determinisme langzaam verdwijnen en het fatalisme verschijnen. Deze ontwikkeling zet zich voort in de roman Noodlot.

 

Noodlot

In tegenstelling tot Couperus’ eerste roman, wordt in Noodlot weinig aandacht besteed aan erfelijkheidsfactoren. Alleen het dualistische karakter van Eve wordt verklaard door een beschrijving van de karakters van haar ouders: Eve dankt de romantische kant van haar karakter aan haar moeder, de praktische kant ervan aan haar vader. Noch Franks noch Berties karakter worden verklaard in termen van erfelijkheid. Hetzelfde geldt voor de opvoeding. Van de hoofdfiguren wordt de opvoeding van Eve het meest nadrukkelijk genoemd. Zij heeft een liberale opvoeding gehad. Over de opvoeding van Frank en Bertie horen we niets. Eve is ook degene die het gevoeligst is voor haar omgeving. Zo lezen we hoe het Noorse landschap bij Molde op haar een diepe en onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Ook het sombere regenweer in Londen beïnvloedt haar stemming.

Bertie is de profeet van het Noodlot. Al direct op de eerste bladzijde antwoordt Bertie op Franks vraag hoe hij in Londen komt: ‘Misschien niet zoo heel toevallig!’ De volgende morgen vertelt Bertie ‘van zijn ongelukken in Amerika’. Ik citeer: ‘Frank had schik in hem en liet hem vertellen en hij deed het eenvoudig-weg, zonder te blageren op zijn ellende; alles was geweest zoals het had moeten zijn, het had niet anders gekund. Hij was nu eenmaal geen troetelkindje van het lot, dat was alles. […]’ Vanaf het eerste hoofdstuk komen we iedere keer verwijzingen naar het Noodlot tegen. Ik zal deze plaatsen hier niet allemaal aan de orde stellen, maar meestal duiden woorden als ‘schakel’, ‘keten’ of ‘ketting’ de macht van het Noodlot aan.

In Noodlot ligt het antwoord in het personage van Bertie op de vraag of de mens een vrije wil heeft. Bertie wil Frank en Eve scheiden: ‘Het noodlot had gewild, dat hij Eve en Frank samen zoû brengen; welnu, hij, armzalige speelbal van dat lot, hij zoû willen, dat … Ja hij zoû willen, dat ze gescheiden wierden.’ Bertie ziet echter in dat dit niet kan: ‘[…] hij zou zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zo machtig, zo oppermachtig …’ Uiteindelijk lukt het Bertie om de twee geliefden uit elkaar te drijven door Eve te laten denken dat Frank nog iets heeft met een lichtvoetige dame die hij eens op de ijsbaan heeft ontmoet. Bertie neemt niet zelf de verantwoordelijkheid voor zijn intrige, maar wijt alles aan het Noodlot: ‘[…] niemand had eenige schuld aan wat ook: alles was de schuld van het Noodlot …’ Ook op het moment dat Frank Berties intriges doorheeft, probeert Bertie zichzelf vrij te pleiten: ‘O God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je nu eerst zeggen en word er nog niet boos om Frank, vóor je alles weet, àlles … Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn … En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me.’

Aan het einde van het laatste hoofdstuk bekeren ook Frank en Eve zich tot het geloof van Bertie. Frank heeft in de gevangenis nagedacht en is tot de conclusie gekomen dat Bertie gelijk heeft. Frank en Eve zien in alles wat er gebeurd is de hand van het Noodlot. Zij kunnen alleen nog maar gelukkig worden door samen te sterven. In Noodlot is – in tegenstelling tot Thérèse Raquin en Eline Vere – sprake van een soort  ‘noodlottig’ fatalisme dat eigenlijk niet langer meer met het determinisme te rijmen is: het Noodlotsdenken gaat immers uit van een ongrijpbare, metafysische macht die de gang van zaken stuurt, terwijl het determinisme uitgaat van te doorvorsen wetten van erfelijkheid, milieu en tijd.

 

6 Conclusie

 

Couperus heeft met zijn Noodlot een roman geschreven die veel naturalistische kenmerken bezit. Toch is Couperus geen positivist zoals Zola in zijn Thérèse Raquin. Couperus laat weliswaar zien hoe de mens door buiten hem liggende krachten willoos wordt gestuurd, maar die krachten blijken een dimensie te bezitten die het positivisme niet te bieden heeft. In feite is er bij Couperus sprake van een macht van een hogere orde, die door hem herhaaldelijk wordt aangeduid als het Noodlot, die onze levensweg bepaalt. Het Noodlot heeft bij Couperus duidelijk metafysische elementen: het zweeft als het ware boven de dingen en zendt soms mysterieuze voortekens. Hiermee lijkt het Noodlotsdenken van Couperus lijnrecht tegenover het determinisme te staan, dat immers iedere metafysica zover mogelijk buiten de deur wenst te houden. Toch blijken bij Couperus het metafysische Noodlot en het positivistische determinisme elkaar niet uit te sluiten. Couperus stelt namelijk het Noodlot voor als een macht die zich toont in de deterministische keten van oorzaak en gevolg. Deze visie maakt het Couperus mogelijk om de wetenschappelijke resultaten van het positivisme te hanteren, maar tegelijk de beperktheden van deze denkrichting te laten zien. Dat is tegelijkertijd de grote kracht van Couperus’ roman Noodlot en al zijn latere romans, waarin het Noodlot steeds een grote rol blijft spelen.

 

Bibliografie

 

ANBEEK 1978 – T. Anbeek: De schrijver tussen de coulissen. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1978.

ANBEEK 1982 – T. Anbeek: De naturalistische roman in Nederland. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1982. Synthese – stromingen en aspecten.

ANBEEK 1999 – T. Anbeek: Geschiedenis van de literatuur in Nederland 1885-1985. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1999.

COUPERUS 1957 – L. Couperus: Verzamelde werken XII: Verhalen. Amsterdam: Samenwerkende Uitgevers, 1957.

COUPERUS 1994 – L. Couperus: Noodlot. Amsterdam: BulkBoek, 1994.

COUPERUS 2006 – L. Couperus: Eline Vere. Amsterdam : Maarten Muntinga, 2006.

COUSINS 1992 – R. Cousins: Zola: Thérèse Raquin. London: Grant & Cutler, 1992.

GALLE 1973 – M. Galle: Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan. Het noodlot in het werk van Louis Couperus. Hasselt: Heideland-Orbis, 1973.

KEMPERINK 1992 – M.G. Kemperink: ‘Louis Couperus en de temperamentenleer’. In: Literatuur 9 (1992), p. 2-7.

KEMPERINK 1993 – M.G. Kemperink: ‘Medische theorieën in de Nederlandse naturalistische roman’. In: De Negentiende Eeuw 17 (1993), afl. 3 (aug.), p. 114-171.

KLEIN 1983 – M. Klein: ‘Het noodlot als regisseur: over de interpretatie van Couperus’ Noodlot’. In: Spiegel der Letteren 25 (1983), afl. 3, p. 198-220.

KLEIN 2000 – M. Klein: Noodlot en Wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht: Shaker Publishing, 2000.

LUKKENAER 1985 – P. Lukkenaer: ‘In het voetspoor van Zola. Couperus als naturalist’. In: Bzzlletin  14 (1985-1986), afl. 129 (okt. 1985), p. 17-22.

MONTULET 1978 – M. Montulet: ‘Couperus’ Noodlot’. In: Forum der Letteren 19 (1978), afl. 3, p. 237-247.

POPMA 1968 – K.J. Popma: Beschouwingen over het werk van Louis Couperus (1863-1923). Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 1968.

VERHAAR 1977 – H. Verhaar: ‘Louis Couperus als naturalist’. In: Tirade 21 (1977), afl. 223 (mrt.), p. 169-178.

ZOLA 1981 – E. Zola: Thérèse Raquin. Het Spectrum: Utrecht, 1981.