wp701e6f5a.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Deze en de volgende pagina’s bevatten leesverslagen die ik heb gemaakt voor de Accentgroep 1900-nu die ik heb gevolgd in het tweede semester van het collegejaar 2006-2007 bij de heer Goedegebuure.

Veel leesgenot!

 

Leesverslag Paul van Ostaijen – De feesten van angst en pijn

 

wp706afa1b_0f.jpg wp28406bca.gif

 

Persoonlijke leeservaring:

Ik heb gebruik gemaakt van de facsimile-editie die in 2006 bij uitgeverij Vantilt is verschenen.

Paul van Ostaijen heeft zijn bundel opgedragen aan zijn vriend en kunstenaar Oskar Jespers.

De gedichten zijn met de hand geschreven in zwarte, rode, paarse, blauwe en groene inkt.

Het schrift verloopt niet regelmatig van links naar rechts en van boven maar beneden, maar is onregelmatig over de gehele bladzijde verdeeld. Sommige bladzijden vertonen veel wit.

Eigenlijk is er van het ‘lezen’ van de gedichten geen sprake, ik heb meer het gevoel dat ik naar beelden zit te kijken. Sommige gedichten roepen zelfs de associatie met het luisteren naar muziek op. Zo begint het gedicht Barbaarse dans met de weergave van een ritme: ‘Holoho holoho tata tata tatata holoho holoho bam’.

De gedichten worden gekenmerkt door het ontbreken van rijm. De regels van de syntaxis worden veelvuldig overtreden.

Paul van Ostaijen gebruikt in deze bundel regelmatig reclameslogans, flarden uit liedjes, titels van films en opschriften van uithangborden. In veel gedichten worden nieuwe media zoals de grammofoon, de telegraaf, de stomme film en de fotografie expliciet genoemd. Zijn dit een typisch kenmerken voor het dadaïsme?

In veel gedichten treffen we religieuze verwijzingen aan. Voorbeelden: Vers 5 (Halt! Hier is te zien de laatste katholiek), drie uitdrukkelijk als gebeden gepresenteerde gedichten, regelmatig verwijzingen naar mystici zoals Meister Eckhardt. Het lijkt wel alsof de dichter heen en weer wordt geslingerd tussen het verlangen naar God en de wanhoop hem ooit daadwerkelijk te vinden.

Uit veel gedichten komt een diep besef van eenzaamheid en angst naar voren. Heeft dit te maken met zijn vlucht naar Berlijn in die jaren?

Tijdens de colleges moderne letterkunde in de propedeuse heb ik Paul van Ostaijen leren kennen als de eerste werkelijk moderne dichter in het Nederlandse taalgebied. Zijn werk vertoont kenmerken van het dadaïsme en het expressionisme.

 

Het artikel in Nederlandse literatuur, een geschiedenis:

In het artikel wordt Van Ostaijen de pionier van de avant-garde genoemd. In Berlijn maakt Van Ostaijen kennis met allerlei op het eerste gezicht tegenstrijdige stromingen: dadaïsme, futurisme, kubisme, humanitair expressionisme, formeel expressionisme. Van Ostaijen ondergaat een nihilistische crisis. Zijn gevoel van onmacht en wanhoop blijkt ook duidelijk in De feesten van angst en pijn. Volgens het artikel valt vooral uit het toenmalig werk op te maken dat Van Ostaijen zich geestelijk in het krachtenveld tussen twee polen heeft bewogen: het nihilistisch Dadaïsme en de constructief gerichte Sturm-esthetiek, die de ‘formele’ vleugel van het Expressionisme vertegenwoordigt.

 

Discussiepunten:

· Hoe is de bundel opgebouwd? Zit er een logische ordening in de gedichten?

· Had Van Ostaijen de bedoeling om dit werk te laten drukken?

· Is er een verklaring voor de kleurkeuze en de bladvulling van Van Ostaijen?

· Behoort de bundel tot het expressionisme, het kubisme of het dadaïsme?

· Wat is Van Ostaijens houding tegenover religie? Was hij atheïst of niet?

· De titel van de bundel luidt Feesten van angst en pijn. De ‘angst en pijn’ komen duidelijk in de bundel naar voren (met name in de eerste drie gedichten), maar waarom is er sprake van ‘feesten’? Verschillende gedichten verwijzen weliswaar naar ‘dansen’ (Barbaarse dans en Angst een dans) maar het feestelijke eraan kan ik niet ontdekken.

 

Leesverslag Hella Haasse – De scharlaken stad

 

wpe6bb8cfe_0f.jpg wp95654944_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

De hoofdpersoon van de roman is Giovanni Borgia. Giovanni groeit als kind samen met Rodrigo op bij de, toen nog machtige, Spaanse Borgia-familie: de paus, Alexander (Giovanni dacht dat dit zijn grootvader was) en Cesare (Giovanni dacht dat dit zijn vader was). Toen de Borgia’s van de troon gestoten werden, werd hij naar Isabella gebracht. Giovanni is een bastaardzoon: niemand weet precies wie zijn ouders zijn. De onzekerheid over zijn afkomst houdt Giovanni erg bezig. Hij probeert erachter te komen wie zijn ouders zijn. Giovanni weet door zijn onzekerheid over zijn afkomst niet wat zijn wensen voor de toekomst zijn: ‘Ik antwoordde dat het mij pas mogelijk zou zijn mijn eigen wil te kennen, als ik wist wie ik zelf was’. Als drager van de naam Borgia, begint hij zichzelf te haten. De naam dwint hem namelijk tot een houding van trots en machtsbegeerte, die door zijn bloed niet wordt gevoed. Uiteindelijk slaagt Giovanni in zijn zoektocht: kardinaal Farnese blijkt zijn vader te zijn. De eerste woorden van de roman luiden: Borgia ben ik, tweevoudig, drievoudig Borgia misschien. De laatste woorden van de roman luiden: Farnese ben ik, Farnese …

We hebben duidelijk te maken met een historische roman. De roman speelt zich af in de zestiende eeuw. De Italianen waren destijds verdeeld in verschillende groepen: de Fransen en de Spanjaarden streden om de macht over Italië en dan waren er ook nog Italianen die vonden dat ze moesten strijden om de macht over hun eigen land te behouden.

De roman heeft een bijzondere opbouw. De hoofdstukken bestaan uit verschillende verhaallijnen en in de titel van ieder hoofdstuk wordt aangegeven welke persoon (en dus welke verhaallijn) centraal staat. De verschillende verhaallijnen volgen elkaar niet chronologisch op: soms vinden sprongen verder of terug in de tijd plaats. Er is sprake van verschillende soorten vertelinstanties en –technieken (ik-vertelsituatie, auctoriale verteller, briefwisseling, dialogen etc.).

Belangrijke motieven in de roman zijn politiek, intriges, onzekerheid, eenzaamheid, macht, eer en liefde. Het thema van de roman is de onzekerheid die veroorzaakt kan worden door onwetendheid/onzekerheid omtrent je afkomst. Giovanni is op zoek naar zijn herkomst, maar hij is zeker niet de enige die op zoek is: ook Vittoria Colonna is op zoek naar de liefde van haar man, Tullia naar de liefde van Giovanni, Michelagniolo Buonarotti naar voldoening in zijn werk etc.

Mijn persoonlijke leeservaring is dat de roman niet vlot leest. De lezer wordt overdonderd met namen van families, pausen, kanseliers, landgoederen, hoven etc. In de roman wordt naar mijn persoonlijke mening veel te veel en veel te gedetailleerd aandacht besteed aan allerlei historische feiten. De schrijfster veronderstelt enige voorkennis omtrent de historische periode die ze beschrijft, maar die is bij veel lezers waarschijnlijk niet aanwezig. Nergens geeft ze beknopt de grote lijnen weer. Ik bewonder de deskundigheid en de diepgravendheid van het onderzoek dat Hella Haasse heeft uitgevoerd, maar het resultaat is dat de roman te gecompliceerd is. In een recensie (Basje Boer, De Groene Amsterdammer 13 april 2007) las ik: ‘Het vertellen van het verhaal overschaduwt het verhaal zelf’. Ik ben het met deze uitspraak eens.

 

Discussiepunten:

· Is het Hella Haasse het meest om de roman of om de historie te doen geweest in De scharlaken stad? De geschiedenis lijkt in deze roman een grotere rol dan slechts achtergrond te spelen. Door de overvloed/overdaad aan feiten komt de roman zelf m.i. niet op gang.

· Hella Haasse heeft meerdere historische romans geschreven. Vertonen deze romans een bepaalde ontwikkeling? Hoe is deze ontwikkeling te typeren?

 

Leesverslag Louis Paul Boon – De voorstad groeit

 

wp6cc6a431.gif wpd205c105_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

Gelezen uitgave: Salamander, vijfde druk 1973. De voorstad groeit is het romandebuut van Louis Paul Boon en de eerste druk verscheen in 1942. Het boek werd bekroond met de Leo J. Krijn-prijs 1942.

Zoals de titel van de roman al duidelijk aangeeft, wordt in de roman de ontwikkeling van een voorstad aan de rand van een grote, niet door de auteur genoemde stad beschreven.

‘Daar hebt ge nu de laatste straat van de stad, een rijkemensen-huis dat een beetje alleen staat, en de zot houdt met zeven ander huizekes op een root, schots en scheef, met hun rug tegen de vlakte, tegen de open wind van de stroom en de braakliggende gronden.’ (p. 5)

Aan het einde van de roman is de voorstad een hele agglomeratie geworden met winkels, cafés en fabrieken, zonder dat er echter veel veranderd is aan de inwoners. Zij verkeren nog steeds in grote materiële en geestelijke ellende, zonder uitzicht op een beter leven.

Er is sprake van een alwetende verteller. De verteller richt zich niet alleen tegen de lezen, maar ook tot de romanpersonages.

Belangrijke motieven in de roman zijn: kunst (gedichten, schilderijen), de stad, desillusie, fatalisme, angst, vertwijfeling.

Ik zou het thema van de roman als volgt willen omschrijven: de onoverbrugbare kloof tussen ideaal en werkelijkheid. Ten eerste op individueel niveau: individuele personen slagen er niet in om hun droom te verwezenlijken (bijv. het lukt Bernard niet om het volmaakte kunstwerk te vervaardigen, Elie zal nooit met haar grote liefde Mark kunnen trouwen). Ten tweede op collectief niveau: het blijkt niet mogelijk om door middel van gezamenlijke inspanningen een betere maatschappij te vestigen.

Het worstelen en lijden treft ieder mens, ongeacht zijn maatschappelijke positie. Ondanks de voortdurende groei van de voorstad, verandert er in wezen niets. ‘Maar de voorstad blijft. Zij groeit. Volk komt en volk gaat, oorlogen komen en oorlogen gaan. De voorstad blijft.’ De laatste regels van de roman zijn in dit opzicht veelbetekenend: ‘De ene zegt dit en de andere dat. En … ach, enzovoort, enzovoort.’

Er is sprake van een onbepaalde tijd en ruimte. De problematiek die centraal staat in de roman is immers universeel.

 

Het artikel in Nederlandse literatuur, een geschiedenis:

Nederlandse literatuur, een geschiedenis plaatst de roman binnen het realisme.

 

Discussiepunten:

· Welke maatschappelijke houding spreekt uit dit boek? Een marxistische (de tegenstelling tussen rijk en arm wordt veroorzaakt door de klassenstrijd) of een socialistische? Waarom zal de maatschappij nooit veranderen?

· De roman is verschenen tijdens de oorlogsjaren. Een paar keer wordt de oorlog ook genoemd in het boek. Wat is precies de rol van de oorlog in deze roman?

 

Leesverslag Frank Martinus Arion – Dubbelspel

 

wpf6891bce_0f.jpg wp731ff821_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

De roman Dubbelspel gaat over vier mannen die op een zondag in november (in de jaren zeventig?) een spelletje domino spelen. Het spel vindt, conform het tijdsverloop, plaats in deel 1 tot en met 3 van de roman: De morgen en de ochtend, De middag en de schemering en De schemering.

De dominospelers zijn deurwaarder Manchi Sanantonio, taxichauffeur Boeboe Fiel en de vrijgezellen Chamon Nicolas en Janchi Pau. Chamon heeft in het verleden veel gestolen en verhuurt nu huizen (of beter: krotten) in de stad. Hij heeft een verhouding met Nora, de vrouw van Boeboe. Janchi is ex-zeeman en werkt nu bij Shell. Hij heeft een verhouding met Solema, de vrouw van Manchi.

De gebeurtenissen vinden plaats op het eiland Curaçao, in een buitenwijk van Willemstad. Ten noorden van deze wijk ligt het hoerenhotel Campo Alegre en ten zuiden van deze wijk ligt een joods kerkhof.

De regels van het dominospel, zijn als volgt: wie het eerst tien punten heeft en meer dan vijf punten op de andere partij voorligt, geeft de verliezers ‘een paar schoenen’. Eigenlijk is dit een denigrerende term die verband houdt met de slaventijd, maar in de roman gebeurt dit letterlijk. Manchi, de rijkste van de vier, heeft voor de schoenen gezorgd.

Het dominospel wordt door twee partijen tegen elkaar gespeeld: enerzijds Manchi en Boeboe, anderzijds Chamon en Janchi. Normaal zijn beide partijen goed tegen elkaar opgewassen, maar deze middag zijn Chamon en Janchi duidelijk veel sterker en ze winnen ronde na ronde. Manchi en Boeboe lijden een verpletterende nederlaag. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje over het eiland en voorbijgangers verzamelen zich voor Boeboes huis, waar het dominospel gespeeld wordt. De spelers worden geïnterviewd. Alle deelnemers spreken hun dromen uit: Manchi wil rechter worden, Boeboe treedt op als een soort vakbondsleider, Chamon maakt bekend dat hij binnenkort zal vertrekken naar zijn geboorte-eiland Saba en Janchi wil een meubelfabriek oprichten om onafhankelijk van Shell te worden. Uiteindelijk is de stand in het dominospel tien-nul. Boeboe voelt zich vernederd door zijn nederlaag, maar ook doordat hij ontdekt dat zijn vrouw vreemdgaat met Chamon. Hij gaat Chamon met een krik te lijf waarop Chamon hem met een mes in de borst steekt. Boeboe is op slag dood en Chamon geeft zichzelf aan bij de politie. Ook Manchi voelt zich vernederd door zijn nederlaag en het bedrog van zijn vrouw. Hij schiet zichzelf met zijn pistool door het hoofd.

De roman bevat ook een soort epiloog: Naspelen. Een plotseling opgedoken ik-verteller deelt mee dat hij van de rechtbank de opdracht heeft gekregen om de gebeurtenissen te onderzoeken. Hoe zijn de handelingen van de dominospelers te verklaren? Janchi en Solema hebben ondertussen een aantal coöperatieve bedrijven opgericht en Chamon zit in de gevangenis.

De titel Dubbelspel is een term uit het dominospel. Het betekent het winnen van een ronde met een steen die aan beide zijden van het spel kan aansluiten en die de cirkel als het ware rond maakt.

In de roman vinden veel tijdsverschuivingen plaats, wat verklaard wordt door de wisseling van personage. Ook bevat de roman veel (onheilspellende) vooruitwijzingen.

De vier hoofdpersonen – de dominospelers – representeren de gehele bevolking van Curaçao. Er is met andere woorden sprake van een sociale roman: niet alleen geeft de roman de lotgevallen van de hoofdpersonen weer, maar ook de lotgevallen van een heel volk. De vrouwen spelen in de roman ook een belangrijke rol: zij zorgen voor het gezin en zij proberen hun idealen te verwezenlijken. Eigenlijk zijn de vrouwen de sterkste personages uit de roman die het eiland dragen terwijl de mannen domino zitten te spelen. Zoals veel andere vrouwen komt Nora aan huishoudgeld door zich te prostitueren. Solema is onderwijzeres. Ze is erg socialistisch: ze wil haar eiland economisch versterken door coöperaties op te richten om op die manier minder afhankelijk van de grote westerse maatschappijen te worden.

Belangrijke motieven in de roman zijn het dominospel, schoenen, liefde, overspel, kerkhoven, het briefje van vijf gulden, het getal vijf, wassen en de kleuren wit en zwart.

Het thema van de roman is macht: macht tijdens het dominospel, maar ook de macht van de regering en de macht van de grote westerse maatschappijen (zoals Shell) komt regelmatig ter sprake. Een ander belangrijk thema is de vrije wil. De roman laar zien dat je niet zelf bepaalt wat je wilt. De vrije wil is veel minder vrij dan wij denken.

 

Discussiepunten:

· De titel Dubbelspel is een term uit het dominospel, maar heeft het ook nog een andere betekenis? Ik denk namelijk aan de strijd/het spel tussen de mannen onderling en dan zowel de politieke strijd als de strijd om de vrouwen.

· Waarom heeft de auteur de epiloog toegevoegd? In de epiloog geeft de auteur m.i. de boodschap van de roman te expliciet weer. Het is m.i. de taak van de lezer om de boodschap zelf uit het boek te halen en dat kan uitstekend uit de eerste drie delen.

· Waarom treden er geen blanken op in de roman? Wat is Arions houding tegenover de kolonisator? Dat wordt niet echt duidelijk in de roman.

· Is Dubbelspel wel zo’n links boek? Nergens wordt het socialisme namelijk als oplossing voor alle problemen gesuggereerd.

· Waarom is deze roman gekozen tot het eerste boek van de CPNB-leescampagne Nederland Leest?

 

Leesverslag Carry van Bruggen – Eva

 

wpd4a98189.jpg wpa137dfcd.gif

 

Persoonlijke leeservaring:

De roman Eva is geschreven door Carry van Bruggen, een zus van Jacob Israël de Haan. Carry van Bruggen groeide op in een orthodox-joodse omgeving.

Hoofdfiguur van de roman is Eva. De roman beschrijft haar leven tussen haar zestiende en haar veertigste jaar. Het verhaal wordt niet chronologisch verteld, er is sprake van veel flashbacks. Met haar korte kapsel lijkt Eva op een jongetje. Ze houdt niet van meisjesdingen. Ze voelt zich anders, maar ze voelt zich tegelijkertijd verplicht om ‘er bij te horen’, ze wil net als de anderen zijn. Ik denk dat haar gevoel van anders zijn verband houdt met haar seksuele voorkeur (zie discussiepunten). Eva groeit op met een verkrampte houding tegenover alles wat met lichamelijkheid te maken heeft. Seksualiteit roept ook bij haar sterke verlangens op, maar staat tegelijkertijd in het teken van het lagere en het verbodene.

De thematiek van de roman zou ik willen omschrijven als de ontwikkeling van een jonge vrouw naar volwassenheid en daarbij de filosofische zoektocht naar zichzelf.

 

Het artikel in Nederlandse literatuur, een geschiedenis:

Het artikel over Eva in het handboek besteedt (m.i. terecht) uitgebreid aandacht aan de dialectiek en het Eenheidsverlangen. Het is een duidelijke uiteenzetting. Jammer genoeg besteedt de schrijver weinig aandacht aan de literair-historische situering en de rol van homoseksualiteit en biseksualiteit in dit werk. Dit lijken mij dan ook zeer relevante discussiepunten.

 

Discussiepunten:

· Tot welke literaire stroming behoort de roman? Behoort de roman tot de naturalistisch-realistische traditie?

· Welke rol speelt homoseksualiteit en biseksualiteit in dit werk? Haar broer Jacob Israël de Haan veroorzaakte veel ophef door openlijk te schrijven over homoseksualiteit in zijn roman Pijpelijntjes. Carry van Bruggen schrijft weliswaar niet openlijk over homoseksualiteit, maar in de roman Eva zijn wel verwijzingen naar homoseksuele gevoelens te herkennen. Met de heteroseksuele relaties die in de roman worden beschreven, is steeds iets aan de hand. Wanneer Eva gevraagd wordt naar haar mening over de homoseksualiteit van haar broer David, antwoordt ze dat ze zijn seksualiteit niet zo belangrijk vindt. Ze vraagt zich zelfs af waarom een heteroseksuele relatie beter zou zijn dan andere vormen van relaties. De eerste keer dat Eva verliefd wordt, vertelt ze tot twee keer toe ‘geen meisje’ te zijn ‘en hij geen man’. Haar laatste minnaar beschrijft ze als iemand die zich niet van haar laat scheiden door de ‘tweeërlei orde’ van man en vrouw. Eva vindt uiteindelijk geen geluk in het huwelijk. Of is er misschien sprake van biseksualiteit? Andy kust Eva op haar mond. Er is sprake van een sterke intertekstualiteit met de Claudine-romans van de Franse schrijfster Colette. Eva leest Claudine en Ménage, dat door de andere personages wordt gezien als pornografisch. Eva is het hier niet mee eens: ‘Neen, het is geen pornografie. [...] Er zijn twee geesten in dit boek. En de een houdt de ander gevangen. En de gevangene is de vrouw. Die zich vrijmaken zal. Colette ... Claudine. Ze weet alles wat ik niet weet. Ik kan haar nog niet volgen. Ze omvat mij, maar ze is meer dan ik... rijper dan ik, sterker dan ik. Ik ben bij haar maar een kind... misschien zal ik haar ééns evenaren. [...] Naar mij toe is ze gekomen ... ik wil haar niet meer missen ...’ De romans van Colette waren zeer bekend in Europa in de eerste helft van de vorige eeuw, met name vanwege de openhartigheid waarmee de biseksualiteit van het hoofdpersonage Claudine werd beschreven. Wat betekent dit voor het leven van Eva? Eva heeft steeds angst en schaamte rond haar seksuele gevoelens. Omdat haar sociale omgeving steeds blijft vasthouden aan het stereotype beeld ‘man-vrouw’, voelt Eva zich door haar afwijkende seksualiteit opgesloten. Doordat ze haar homoseksuele of biseksuele gevoelens niet kan uiten, komt ze in een isolement terecht.

 

Leesverslag Willem Frederik Hermans – Ik heb altijd gelijk

 

wp4e9aa6ca.gif wpe7b2ed96_0f.jpg

 

De roman is geschreven in de periode februari tot en met juni 1951 in Voorburg blijkens de laatste regels.

 

Motto:

Het motto van de roman luidt:

If I cannot narrate a life of adventurouw and daring exploits, fortunately I have no heavy crimes to confess; and, if I do not rise in the estimation of the reader for acts of gallantry and devotion in my country’s cause, at least I may claim the merit of zealous and persevering continuance in my vocation. (Captain Marryat, Peter Simple)

Het motto heeft betrekking op de hoofdpersoon Lodewijk Stegman, die geen heldendaden te vertellen heeft, maar wel ijverig probeert zijn leven te rechtvaardigen door te bewijzen dat hij altijd gelijk heeft.

 

Titelverklaring:

De zinsnede ‘Ik heb altijd gelijk’ (of woorden van vergelijkbare strekking) keert met grote regelmaat terug in de roman, voor het eerst als Lodewijk vertelt over zijn jeugd: Debora zegt het en zij is de oudste. De oudste is de wijste en heeft altijd gelijk. Niemand durfde zij te slaan, a;;een mij. Alles is mij altijd al mislukt. Alles is altijd al niet veel bijzonders geweest. – Maar ìk had gelijk, maar ìk had gelijk.

 

Korte inhoudsweergave:

De roman bestaat uit twee delen.

Deel I De wieg der revolutie – Lodewijk Stegman keert per boot terug uit Indië, waar hij als vrijwilliger heeft gediend tijdens de Indonesische kwestie. Kervezee vertelt Lodewijk dat hij terug in Nederland een politieke partij wil oprichten: de Europese Eenheidspartij (EEP). Niemand staat Lodewijk op te wachten langs de kade: hij heeft ruzie met zijn ouders, zijn zus heeft zelfmoord gepleegd en vrienden heeft hij niet. Hij trekt in bij een verpleegster die kort voor aankomst in Nederland haar adres aan hem heeft gegeven. Het lukt Lodewijk niet om zijn leven op te bouwen: al zijn pogingen mislukken. Lodewijk heeft vroeger een tijdje indologie gestudeerd. Hij wil zijn studie af gaan maken maar als hij voor inlichtingen naar de universiteit gaat, krijgt hij te horen dat de studierichting indologie is opgeheven. Pa Riemers kan Lodewijk misschien een baantje bezorgen, maar de potentiële werkgever wil Lodewijks diploma zien. Zijn diploma ligt echter nog bij zijn ouders en daar wil Lodewijk niet langs.

Deel II De revolutie in de aanval – De politieke partij van Kervezee komt niet van de grond wegens financiële beslommeringen: Key, die voor de fondswerving moest zorgen, os er zelf met het geld vandoor gegaan. Uiteindelijk besluit Lodewijk toch bij zijn ouders langs te gaan. Thuis verruilt hij zijn uniform voor burgerkleren en dit markeert een belangrijk punt: net als zijn vader, is hij nu een echte burgerman. Lodewijk laat zijn idealen varen en kiest uiteindelijk voor datgene waar het allemaal om draait in het leven: geld.

 

Vertelsituatie:

Er is een overwegend personele vertelsituatie met Lodewijk als verteller. Ook komen er veel innerlijke monologen van Lodewijk in de roman voor.

 

Tijd:

De roman beschrijft een paar weken uit het leven van Lodewijk in de winter van 1951. Dit verhaal wordt chronologisch verteld, maar wordt regelmatig onderbroken door jeugdherinneringen van Lodewijk.

 

Ruimte:

De roman speelt zich overwegend af in Amsterdam. Lodewijk logeert bij de familie Riemers, die op twee kleine kamers woont. Na de oorlog heerste een grote woningnood en dat komt regelmatig in de roman aan de orde. Het gebrek aan ruimte staat in schril contrast met Lodewijks verlangen naar vrijheid, ongebondenheid en groots leven.

 

Personages:

De hoofdpersoon van de roman is Lodewijk Stegman. Hij is bijna dertig jaar. Hij heeft geen gelukkkige jeugd gehad: een autoritaire vader die nooit een goed woord voor zijn zoon over had en een zus Debora die voorgetrokken werd. Zijn vader heeft hem in de oorlog de deur uitgetrapt, omdat hij zich met de illegaliteit bemoeide. Zijn vader was niet pro-Duits, maar bang. Hij wilde dat zijn zoon zich niet met de politiek bemoeide, maar kalm zijn studie indologie voortzette. Om dat te kunnen doen, moest Lodewijk een loyaliteitsverklaring tekenen voor de Duitsers, maar Lodewijk weigerde dat. Lodewijk vluchtte naar Frankrijk. Daar was hij gearresteerd en in het vreemdelingenlegioen gestopt. Zijn regiment liep over toen de Amerikanen in Afrika landden. Toen het vrede werd, wist hij zich geen raad. Daarom was hij naar Nederland teruggekomen en had hij weer dienst genomen. In Nederland werd hij gedegradeerd van luitenant naar sergeant. Hij wilde overlopen naar de Indonesiërs (zijn oude verlangen om generaal te worden speelde hierbij mee), maar hij werd gepakt. Hij hield vol dat het ging om een handeltje in gecondenseerde melk.

 

Motieven:

Ik ontleen de motieven aan een artikel van H.B. Bersma dat in 1972 in Forum der letteren is gepubliceerd.  Dit artikel heeft de titel Lodewijk en het grote gelijk. Een onderzoek naar coördinerende herhaling in “Ik heb altijd gelijk”. Bersma geeft in dit artikel de meest coöordinerende elementen van de roman aan:

1. Ongelijk – gelijk (zie onder andere de titelverklaring).

2. De jongste (= Lodewijk) moet zich schikken naar de oudste (= Debora). Om zijn ondergeschiktheid te kunnen overwinnen moet Lodewijk generaal worden (zie punt 3): een generaal heeft immers alleen maar ondergeschikten en krijgt dus altijd gelijk. Uiteindelijk overwint Lodewijk zijn minderwaardige gevoelens ten opzichte van zijn zus op een andere manier: in gedachten ontmoet hij aan het einde van de roman Debora die een tijdje rustig naast hem blijft lopen. Door een soort katharsis overwint hij zijn ondergeschikte positie.

3. Het jeugdverlangen generaal te worden. Tijdens zijn jeugd wordt Lodewijk hier enorm mee gepest. Zijn vader verbiedt hem een carrière in het leger. Uiteindelijk belandt Lodewijk in het Vreemdelingenlegioen en later gaat hij als vrijwillig militair naar Indonesië. Tot generaal schopt hij het echter niet. Lodewijk probeert in Indonesië over te lopen maar de T.N.I. om alsnog generaal te worden.

4. De dood van Debora. Pas aan het einde van de roman komen we te weten hoe de zus van Lodewijk gestorven is: ze heeft samen met haar neef – met wie ze een geheime verhouding had – op de dag dat Nederland capituleerde zelfmoord gepleegd.

5. De lelijke vrouw en het ‘restauratieplan’. Primair is hiermee Gertie bedoeld, echter steeds in vergelijking met Debora die ook niet moeders mooiste was. Lodewijk geeft Gertie dure kleren en een behandeling in een schoonheidsinstituut, maar hij blijft haar afstotelijk vinden. Aan het einde van de roman verbreekt hij hun relatie.

6. De bril van Gertie. De bril van Gertie komt regelmatig ter sprake: het is een vreselijk lelijk ding. Lodewijk koopt een nieuwe bril voor haar, maar Gertie blijft lelijk.

7. Het uniform van Lodewijk. Na terugkomst in Nederland houdt Lodewijk zijn uniform aan. Tijdens een bezoek aan zijn ouders trekt hij het uit en verruilt hij het voor burgerkleren. Op het moment dat Lodewijk zijn oude kleren weer aantrekt, zet Gertie haar oude bril weer op. Dat is erg opvallend.

8. Het smokkelgeld. Lodewijk wisselt overgesmokkeld geld van een ander direct na aankomt in Nederland en maakt bijna alles op. De vader van Gertie heeft ook geld uit Indonesië laten smokkelen, maar dat heeft hij nog steeds niet ontvangen. Gertie denkt dat het geld dat Lodewijk achterover heeft gedrukt dat van haar vader is. Aan het einde van de roman wordt het belang van geld nog eens benadrukt: ‘Alleen mensen die het niet hebben, plegen lang uit te weiden over alles wat er voor geld niet te koop zou zijn. En bovendien, geld is in een nauwbehuisd lans als het onze, het enige dat altijd nog wel een plaatsje vinden kan.’

9. Gymnasiumdiploma. Lodewijk weigert aanvankelijk om naar het huis van zijn ouders te gaan om zijn diploma op te halen.

10. Schoolmeestersbloed. De vader van Lodewijk is schoolmeester. In de roman laat Lodewijk zich regelmatig negatief uit over schoolmeesters in het algemeen (en daarmee over zijn vader?).

11. In retraite op de toiletten. Het toilet is voor Lodewijk een plaats om zich aan de wereld te onttrekken. Op vele momenten in de roman gaat Lodewijk naar een toilet.

 

Thema:

Het thema van de roman wordt voortreffelijk door Hermans verwoord in de volgende passage waarin Lodewijk zich tot Kervezee richt: De werkelijkheid is de waarheid maar niemand kent de werkelijkheid. […] Idealen zijn helemaal niets. Idealen zijn de kleuren van een blinde en de oorsuizingen van een stokdove. Dat zijn idealen!

Zoals in veel romans problematiseert ook Hermans in Ik heb altijd gelijk de werkelijkheid. Volgens Hermans is de werkelijkheid onkenbaar.

In deze roman blijkt dat idealen niet te verwezenlijken zijn. Lodewijk heeft aanvankelijk allerlei idealen (hij wil generaal worden, hij wil een politieke partij oprichten, hij wil niet zo burgerlijk als zijn ouders worden), maar geen van deze idealen verwezenlijkt hij. Uiteindelijk wordt ook hij een burgerman. Dit wordt heel goed gedemonstreerd in de passage waarin hij op bezoek bij zijn ouders zijn uniform verwisselt voor burgerkleren.

Het idealisme wordt in deze roman gepresenteerd door Nico Kervezee: hij is de man met grote idealen. In Indië heeft hij veel nagedacht en daardoor weet hij precies wat hij wil. Hij wil een politieke partij oprichten: de Europese Eenheidspartij (EEP). Hij wil de Nederlandse staat opheffen en een Europees leger invoeren. De politieke partij wordt echter een flop, wegens gebrek aan financiële middelen. Door het personage Kervezee wordt duidelijk dat het hebben van idealen niet altijd aantrekkelijk is: hij is immers straatarm en hij woont met zijn gezin in het tuinhuise van zijn broer die wel geld heeft.

Key staat qua karakter lijnrecht tegenover Kervezee. Hij heeft geen idealen. Hij is leugenachtig en egoïstisch. Hij is het type van de malafide zakenman en hij is erg rijk.

Uiteindelijk moet Lodewijk kiezen tussen de houding van Kervezee en Key. De laatste zinnen van de roman geven aan dat Lodewijk zich niet meer zal bezighouden met het verwezenlijken met idealen, maar met datgene waar het in de wereld uiteindelijk om draait: geld.

 

Stijl:

Ik heb geen bijzonderheden aangetroffen in de stijl van de roman. Eén ding is opvallend: er komt vrij veel dialoog in het boek voor. De dialogen worden gekenmerkt door natuurlijk taalgebruik.

 

Literair-historische situering:

Nederlandse literatuur, een geschiedenis is niet erg duidelijk over de literair-historische situering van deze roman en het werk van Vestdijk in het algemeen. In het artikel van Janssen wordt alleen vermeld tot welke filosofische stromingen Hermans niet behoort: personalisme, humanisme en existentialisme. Volgens Janssen behoort Hermans tot het negativisme.

Zelf zou ik Hermans plaatsen binnen de traditie van het realisme, hoewel hij ook een surrealistische roman heeft geschreven.

 

Overige bijzonderheden:

Willem Frederik Hermans werd in 1952 aangeklaagd wegens belediging van katholieken in Ik heb altijd gelijk. Het betreft het moment waarop Lodewijk vlak voor aankomst van de boot in Nederland een toespraak houdt: ‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!’ In dit fragment worden de katholieken wel beledigd, maar niet door Hermans. Het gaat om een halfdronken tirade (er is sprake van ‘razen’), die in de mond wordt gelegd van de hoofdpersoon Lodewijk Stegman. Hermans heeft altijd beweerd dat hij ten onrechte geïdentificeerd werd met zijn personage. Bovendien: alle confessies in Nederland, inclusief socialisten en liberalen, krijgen ervan langs. De aparte behandeling van de katholieken lijkt vooral gemotiveerd door Lodewijks zorgen inzake de overbevolking. Zijn grote vrees is dat straks de katholieken in de meerderheid zullen zijn en de macht zullen overnemen. Ten slotte: uitgerekend een katholieke geestelijke (de aalmoezenier) verlost Lodewijk van zijn illusie dat de Tachtigjarige Oorlog omwille van de vrijheid is gevoerd: ‘Sergeant,’ zei hij, ‘is het u onbekend dat het zonder Alva’s tiende penning nooit tot een oorlog tegen Spanje zou zijn gekomen? Heus, wat de Nederlanders na aan het hart ligt, dat is niet de vrijheid, maar dat zijn de belastingen! Goddeloze oorlogen ontstaan niet uit idealen, maar uit geldzucht.’ Ook hier komt het thema van de roman (idealen zijn niet te verwezenlijken, alles draait uiteindelijk om geld) weer duidelijk naar voren.

 

Discussiepunten:

· Werd Hermans ten onrechte geïdentificeerd met zijn personage? Het lijkt mij onvermijdelijk dat een schrijver – bewust of onbewust – iets van zichzelf in zijn boek verwerkt. Ik beweer overigens niet dat Hermans met opzet de katholieke kerk heeft willen beledigen. Maar hoewel hij altijd binnen en buiten de rechtszaal heeft volgehouden dat hij er niet op uit was de katholieken te beledigen, is het volgens mij geen geheim dat Hermans geen vriend was van de katholieke kerk. Hermans heeft zich vaker gericht tegen de pretenties van heil en verlossing van het katholieke geloof én andere geloofsrichtingen.

· Zijn er nog andere biografische elementen in de roman aan te wijzen, met uitzondering van bovenstaand punt? Had Hermans net als Lodewijk een autoritaire vader die zich altijd laatdunkend uitliet over zijn zoon? Had Hermans net als Lodewijk ook een zus die voorgetrokken werd? Heeft de zus van Hermans ook zelfmoord gepleegd?

· Ik zou graag willen discussiëren over de literair-historische situering van deze roman en over het werk van Hermans in het algemeen. Is het werk van Hermans wel binnen een bepaalde stroming te plaatsen?

· Een vraagje in het algemeen: welke stromingen zijn er allemaal na de Tweede Wereldoorlog? Eigenlijk weet ik daar (te) weinig van.

· Vertoont Ik heb altijd gelijk van Hermans overeenkomsten met De avonden van Reve. Mij doet Lodewijk Stegman soms denken aan Frits van Egters, bijvoorbeeld hun gezamenlijke afkeer van hun burgerlijke ouders en hun ‘nutteloze’ bestaan.

 

Leesverslag Willem Elsschot – Kaas

 

wp1fe8c3dd_0f.jpg wp0e587079_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

De roman vertelt het verhaal van Frans Laarmans, klerk bij de General Marine and Shipbuilding Company. Dankzij Van Schoonbeke, een vriend van zijn broer Karel, wordt hij algemeen en officieel vertegenwoordiger voor België en het Groothertogdom Luxemburg voor de kaasverkoop van de firma Hornstra uit Amsterdam. Hornstra zendt Laarmans twintig ton volvette Edammer. Laarmans verkoopt aan vrienden 7,5 bol, maar een handel opzetten lukt niet. Hij mist mensenkennis en handelsgeest. Hij neemt agenten in dienst, maar er komen geen bestellingen binnen. Zijn zoontje verkoopt een kist aan de vader van een klasgenootje. Op een dag komt Hornstra langs om de eerste zending te verrekenen, maar Laarmans heeft niet de moed om hem te ontvangen en laat hem voor een gesloten deur staan. Hij laat schriftelijk weten dat hij niet langer vertegenwoordiger wil zijn. Hij keert terug naar de General Marine and Shipbuilding Company. Zijn collega’s ontvangen hem hartelijk en hij beseft hoe gezellig het op kantoor kan zijn. Thuis werd nooit meer over kaas gesproken.

De roman is opgedragen aan Jan Greshoff, recensent bij het tijdschrift Forum. Het gedicht dat op de opdracht volgt, verwenst het alledaagse in de mensen. Dit kan tot cynisme leiden.

De roman heeft een inleiding. Elsschot vergelijkt stijl met muziek en de lucht. De lucht moet zo lang blauw en ongerept blijven tot het blauwe volkomen in zijn ziel is ingedrongen. Als de blauwe heerlijkheid lang genoeg geduurd heeft, dan komt een eerste wolkje. En geleidelijk slinkt het blauw tot één chaos van wolkgevaarten. Ik denk dat Elsschot het volgende bedoelt: een schrijver moet een boek zó componeren dat het de lezer doorlopend blijft boeien. De lezer moet voortdurend in spanning uit blijven kijken naar de gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden en de schrijver moet de lezer telkens blijven verrassen met onverwachte wendingen.

Na de inleiding volgt een lijst van personages en elementen. Dit doet denken aan een toneelstuk. Achter het personage Frank Laarmans staat vermeld: klerk bij de General Marine and Shipbuilding Company, daarna koopman, daarna weder klerk. Hierdoor weet de lezer al aan het begin van het boek dat de onderneming in kaas van Laarmans zal mislukken.

De hoofdpersoon van de roman is Frans Laarmans. Hij is een nederige klerk, te nederig vindt hij zelf. Via zijn broer komt hij in contact met Van Schoonbeke. Van Schoonbeke komt uit een rijke familie en is vrijgezel. Hij heeft rijke vrienden met wie hij eenmaal per week samen komt. Laarmans voelt zich niet thuis tussen dit clubje en houdt meestal zijn mond tijdens hun gesprekken. Als hij eens iets zegt, schrikt hij van zijn eigen stem. Op het moment dat Van Schoonbeke hem overhaalt om in de kaashandel te gaan, stijgt hij in aanzien. Laarmans heeft eigenlijk een hekel aan kaas, maar hij is te laf om zich tegen het voorstel van Van Schoonbeke te verzetten. Hij is en zal altijd die nederige klerk blijven.

Ik zou het thema van de roman als volgt samen willen vatten: de tragedie van een eenvoudige burger die er niet in slaagt zich op te werken in de maatschappij. Belangrijke motieven zijn (uiteraard) kaas, onvrede met je eigen maatschappelijke positie, het zakenleven, dood, droom versus werkelijkheid.

Kaas werd uitgegeven in 1933. Het behoort volgens Nederlandse literatuur, een geschiedenis tot de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid, die zich kenmerkt door een sobere, strakke, nuchtere manier van schrijven met een ironische wending, door het weglaten van bijkomstigheden, door een filmische reportageachtige stijl. Vooral in het tijdschrift ‘Forum’ werd er een nuchtere houding tegenover de literatuur gepropageerd. Willem Elsschot onderscheidde zich al omstreeks 1910 door zijn voorkeur voor het gewone woord. Zijn eerste boeken werden daardoor nauwelijks opgemerkt en pas tijdens de ‘Forum’-generatie, werd Elsschot echt ontdekt.

Willem Elsschot is een Vlaming, maar dat blijkt helemaal niet uit het woordgebruik.

 

Discussiepunten:

· Tot welke stroming behoort dit werk?

· In de inleiding geeft Elsschot zijn visie op stijl weer. Slaagt Elsschot erin om zijn eigen theorie in praktijk te brengen?

· Waar ik benieuwd naar ben: welke autobiografische elementen bevat dit werk?

· Heeft Elsschot bewust voor de triviale titel Kaas gekozen? Ik las ergens: Kaas, opgeslagen in een pakhuis, is tevens symbolisch voor begraven, dood en ontbinding.

 

Leesverslag Lucebert – Apocrief/De analphabetische naam

 

wp9b63bf47_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

 

Lucebert (luce = licht, bert = helder) was het pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk. Deze dichter – ook actief als beeldend kunstenaar – werd geboren in 1924 in Amsterdam.

 

De dichtbundel Apocrief/De analphabetische naam verscheen in 1952 en is opgedragen aan F.D. en Hans Andreus.

 

Het motto van het boek luidt ‘et homo factus est’ en dit betekent: door de mens gemaakt.

 

De dichtbundel bestaat uit drie cycli:

· Apocrief (23 gedichten, elk gedicht heeft een titel)

· De Analphabetische naam (13 gedichten, deze gedichten hebben geen titel)

· De Getekende Naam (11 gedichten, elk gedicht heeft een titel)

 

Het is opmerkelijk dat in de titel alleen de eerste twee cycli worden genoemd en de derde niet.

 

Hieronder bespreek ik kort de drie cycli.

 

Apocrief

Veel van de gedichten zijn poëticaal: het gedicht gaat over het dichten zelf. Dit is meteen het geval bij het eerste gedicht uit de eerste cyclus: ‘Sonnet’. Dit gedicht bestaat uit slechts drie woorden: ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’. Deze woorden worden afgewisseld volgens de sonnetvorm: abab baba aac cca. Lucebert neemt meteen een bepaalde houding in tegenover poëzie: de conventionele rijmschema’s hebben geleid tot een te sterke nadruk op het lyrische ‘ik’.

In het volgende gedicht met de titel ‘School der poëzie’ voorspelt Lucebert het ten onder gaan van de dichters waartegen hij zich in het eerste gedicht heeft afgezet:

Ik bericht, dar de dichters van fluweel

Schuw en humanisties dood gaan.

Hierna laat Lucebert ons zien hoe het nieuwe dichten er uit zou moeten zien. Vaak is er in de gedichten die volgen sprake van ongrammaticaliteit en meerduidigheid van betekenissen.

 

In deze clyclus staan veel verwijzingen naar de bijbel en de mythologie: ‘diotima’, ‘jezus’, ‘Het vlees is woord geworden’, ‘heiland’, ‘exodus’, ‘Christuswit’, ‘Romeinse elehymnen’ etc. Ook het eerste deel van de titel van de bundel en deze cyclus verwijst naar de bijbel, namelijk naar de apocriefe boeken. Apocrief is een term waarmee bepaalde boeken worden aangeduid die aanspraak maakten om als onderdeel van de Bijbel te worden beschouwd, maar niet in de canon van de Bijbel zijn opgenomen. Er bestaat echter ook een alledaagse betekenis. Het woord ‘apocrief’ komt van het Griekse apokruphos dat ‘geheim’, ‘verborgen’ betekent.

 

De Analphabetische naam

De eerste vier gedichten zijn duidelijk poëticaal. Het gedicht met de beginregel ‘Ik tracht op poëtische wijze’ is een heel erg bekend gedicht. De dichter wil het volledige leven vatten en dus het onuitsprekelijke uitspreken. Daartoe wendt hij zich tot de schoonheid van de taal, waarmee hij in zijn gedichten vrijuit experimenteert.

Er verschijnt een soort tussentitel: ‘De welbespraakte slaap’. De gedichten die hierop volgen, doen mij denken aan droomervaringen.

 

De Getekende Naam

Zeven gedichten uit deze cyclus dragen de naam van een kunstenaar in hun titel: ‘Arp’, ‘Brancusi’, ‘Moore’, ‘Langeweg’, ‘Rousseau’, ‘Miro’ en ‘Klee’. Het is niet zo vreemd dat Lucebert een aantal schilders noemt, want hij scholderde zelf ook.

 

Belangrijke stijlmiddelen in deze bundel zijn herhaling, alliteratie, assonantie en ritme.

 

Volgens Nederlandse literatuur, een geschiedenis behoren de gedichten van Lucebert tot de literair-histoische stroming van de Vijftigers. De Vijftigers wilden een radicale breuk met het verleden forceren en gebruikten daarvoor een andere taal. Een gemeenschappelijk programma bestaat echter niet. Het totaliteitsstreven kenmerk in hoge mate de experimentele poëzie (o.a. taal en werkelijkheid, kunst en maatschappij).

De Vijftigers rekenden af met het modernisme van Forum en met de Criterium-poëzie. De dichter moest zich niet langer bezig houden met kleine dingen; poëzie moest maatschappelijk geëngageerd zijn en midden in het leven staan.

Rond 1950 klonken er verwijten aan het adres der Vijftigers als zouden zij onverstaanbaar zijn, als zouden zij bewegingen als Dadaïsme, Surrealisme en Expressionisme herhalen, als zouden zij nihilistisch zijn.

 

Discussiepunten:

· De dichtbundel bevat veel poëticale gedichten. Welke literatuuropvatting komt uit deze gedichten naar voren?

· Hebben de gedichten van Lucebert een religieuze lading? Ik heb het idee dat Lucebert in zijn gedichten afkeurend staat tegenover een religieuze levenshouding.

· Is de kritiek op de Vijftigers te verklaren vanuit het werk zelf of speelde ook de provocerende rol waarop de dichters zich in het openbaar presenteerden een belangrijke rol?

 

Leesverslag Frans Kellendonk – Mystiek lichaam

 

wpfeb7a68c_0f.jpg wpcaf107eb.gif

 

Persoonlijke leeservaring:

De roman Mystiek lichaam bestaat uit drie delen: ‘Valse lente’, ‘De moederkerk’ en ‘De geschiedenis’. De roman gaat over een gezin: vader Gijselhart, dochter Magda (‘prul’) en zoon Leendert (‘broer’). De hoofdpersoon van de roman is kunstcriticus Leendert. Hij is homoseksueel en woont in New York. Na het overlijden van zijn vriend keert hij terug naar Nederland. Hij denkt veel na over het leven en de dood. Hij is jaloers op zijn zus, omdat zijn vader wel van haar houdt maar niet van hem. Gijsselhart is weduwnaar. Hij doet er alles aan om zijn dochter zo veel mogelijk in zijn buurt te hebben. Hij is een enorme vrek. Magda echter zwanger van een oudere Joodse arts, Bruno Pechman. Leendert vervloekt zijn homoseksuele aard en vereert zijn zwangere zus. Het kind wordt geboren en krijgt de naam Victor. Gijselhart en Leendert hebben een enorme hekel aan Bruno en willen hem op een bepaald moment zelfs vermoorden. Uiteindelijk overlijdt Leendert aan aids en Magda verhuist met haar gezin naar Zürich. Gijselhart blijft alleen in Doornenhof achter.

De roman zit vol met speaking names, zoals Gijselhart (= gegijzeld hart), Prul, Leendert (hij is homo, kan daarom geen kinderen krijgen en ‘leent’ daarom het vaderschap), Pechman, Victor (= victory/overwinning) en Doornenhof (= de doornenkroon van Christus?).

Intertekstualiteit speelt een grote rol in deze roman, met name de verwijzingen naar de bijbel. Ik moet bekennen dat mijn kennis omtrent de bijbel bedroevend laag is, dus waarschijnlijk heb ik het grootste deel van de verwijzingen gemist. Gelukkig zijn sommige verwijzingen evident, zoals de terugkeer van Magda naar het huis van haar vader op Paasmaandag en de parodie op het Wees Gegroet en het Hooglied. Kellendonk gebruikt veel beeldspraak in zijn beschrijvingen, waardoor de roman op sommige momenten voor mij een poëtisch karakter krijgt. Door intertekstualiteit, de beeldspraak, de verwevenheid van de verschillende geschiedenissen en de vele flashbacks en tijdsprongen was het verhaal mij niet altijd helemaal duidelijk. Ik denk dat bij herlezing na de presentatie en de centrale discussie tijdens het college de roman voor mij een stuk toegankelijker wordt. De ironie waardeer ik wel in de roman.

Belangrijke motieven in de roman zijn gezinsverhoudingen, jaloersheid, geld, religie (christendom en jodendom) homoseksualiteit, zwangerschap/(on)vruchtbaarheid, geweld, leven en dood.

Het thema dat ik zelf uit de roman heb gehaald luidt als volgt: de verhouding tussen de geest (= mystiek) en het lichaam, samengevoegd het mystiek lichaam. De romanfiguren zijn voortdurend op zoek naar een juiste verhouding tussen deze twee. Allerlei critici hebben echter veel diepzinniger thema’s geformuleerd in veel mooie bewoordingen. Het thema wordt bijvoorbeeld door Pieter Steinz (NRC 14-12-2002) als volgt omschreven: de teloorgang van het rooms-katholieke ideaal van de samenleving als organisme – een ‘mystiek lichaam’ dat bestaat bij de gratie van biologische voorplanting, en waarvan homoseksuelen dus uitgesloten zijn.

Frans Kellendonk is na verschijning van zijn roman beschuldigd van antisemitisme en homohaat (maar dit laatste in mindere mate). Net zoals Willem Frederik Hermans, beriep Frans Kellendonk zich op het feit dat je romanfiguren – en daarmee ook de uitspraken van de romanfiguren – nooit mag identificeren met de auteur. De auteur is niet verantwoordelijk voor de uitspraken van romanfiguren.

In Nederlandse literatuur, een geschiedenis noemt Goedegebuure Mystiek lichaam een typisch voorbeeld van een postmoderne literatuur: de roman stelt hooguit een diagnose, maar biedt geen oplossing.

 

Discussiepunten:

· Welke biografische elementen heeft Kellendonk in de roman verwerkt?
(sommige zaken zijn mij wel bekend: Kellendonk was zelf homoseksueel en stierf op slechts 39-jarige leeftijd)

· Welke parallellen zijn er te trekken tussen Kellendonk en Reve?
(beschrijving van het gezinsleven, homoseksualiteit, religie)

· Er staan veel verwijzingen naar de bijbel in de roman, maar de auteur draagt niet het gedachtegoed van de bijbel uit. Hoe is dit te verklaren? Heeft dit te maken met het postmodernisme? Wil Kellendonk laten zien dat het materialisme de religie/christelijke levenshouding uit onze samenleving verdreven heeft?

 

Leesverslag Jacob Israël de Haan – Pijpelijntjes

 

wp091d7d6d_0f.jpg wp80bc4f09_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

De roman Pijpelijntjes bestaat uit 24 korte hoofdstukken. Joop en Sam wonen aan het begin van de twintigste eeuw in de Amsterdamse volksbuurt De Pijp. In de eerste hoofdstukken gaan Joop en Sam op zoek naar nieuwe woonruimte. Zij zijn door hun hospita op straat gezet. Uiteindelijk komen ze terecht bij juffrouw Meks. Joop en Sam krijgen een goede relatie met het ‘Meksenmensje’. De rode draad van de roman vormt de geschiedenis van de vriendschap tussen Joop en Sam. Daarnaast wordt een beeld geschetst van de dagelijkse beslommeringen in de volkswijk. We lezen bijvoorbeeld over de kletspraatjes die de vrouwen onderling uitwisselen en de vele theevisites die bij elkaar worden afgelegd.

Er is sprake van een ik-vertelsituatie. Joop Driesse vertelt het verhaal van zijn relatie met Sam.

De vertelde tijd van de roman bedraagt ongeveer anderhalf jaar: herfst 1902 tot en met lente 1904. De gebeurtenissen worden chronologisch beschreven. De roman speelt zich af rond de eeuwwisseling. Homofolie was toen nog niet openlijk door iedereen geaccepteerd.

De roman speelt zich voornamelijk af in de Amsterdamse volkswijk De Pijp, waarnaar ook de titel verwijst. De belangrijkste ruimte is de kamer van Joop en Sam bij juffrouw Meks. Soms vlucht Sam naar zijn kamer bij juffrouw Kater, hij kan daar ‘uitzieken’.

De hoofdpersonen zijn Joop en Sam. Joop is een zachtaardige, eenzame jongen. Hij beseft dat hij homoseksueel is, maar hij heeft er moeite mee om zijn ‘anders-zijn’ te aanvaarden. Hij houdt van Sam, maar hij wordt ook wel eens verliefd op andere jongens (o.a. de jongen op straat, de dronken jongen). Hij maakt regelmatig het onderscheid tussen ‘zuivere jongensliefde’ en ‘het andere, het gore’: begeerte zonder liefde (o.a. Koos). Op momenten dat de zuivere liefde van Sam onbereikbaar is, gaat Joop op zoek naar ‘het andere, het gore’. Als Sam hem definitief verlaat, is Joop volledig aangewezen op ‘het andere, het gore’. Joop is veel minder zachtaardig. Hij vindt het heerlijk om anderen te pesten (‘iedere keer dat je ’n ander d’r tussen neemt, is dat zoveel winst voor je’). Soms slaat het pesten zelfs over in sadisme (de kip, het hondje van de Duitse juffrouw, de witte hond Hector). Ook tegen Sam is hij af en toe gemeen: hij slaat of knijpt zijn vriend dan. Sommige perioden is Sam niet in staat om dit gedrag onder controle te houden. Hij trekt zich dan een paar weken terug op zijn kamer bij juffrouw Kater. Vanaf het moment dat hij verkering heeft met Tonia heeft hij geen sadistische buien meer. Het is niet echt duidelijk of ook Sam homoseksueel is. De seks tussen hem en Joop lijkt voor hem niet zo belangrijk. Hij houdt niet zoals Joop wel eens van andere jongens, behalve misschien in het geval van Bobbie-boy. Het is onduidelijk of dit wel een homoseksuele relatie betreft. Op een bepaald moment krijgt Sam verkering met Tonia. Echt gelukkig lijkt hij door deze relatie echter niet te worden, integendeel. Sam takelt af: hij wordt steeds magerder, hij ziet er slecht uit, hij is heel erg stil en uiteindelijk sterft hij helemaal verzwakt aan een longontsteking. Misschien houdt Sam zichzelf voor de gek en wil hij gewoon niet erkennen dat hij homoseksueel is. Een ‘normaal’ huwelijk is maatschappelijk geaccepteerd en zal zijn sociale positie en zijn carrière nooit in de weg staan. Sam blijft Joop maar vertellen hoezeer hij zich verheugt op zijn huwelijk, een eigen huis en kinderen dat het haast ongeloofwaardig klinkt.

Enkele motieven: het dagelijks leven in een volksbuurt, (homo)seksualiteit, het weer en de seizoenen (deze zijn stemmingbepalend: regen en winter doet de relatie tussen Joop en Sam geen goed), boeven, studeren.

Het thema is: een homoseksuele relatie tussen twee jongens in de Amsterdamse Pijp rond de eeuwwisseling. Op het eerste gezicht lijkt het misschien dat de roman over de dagelijkse beslommeringen in de Amsterdamse wijk gaan. Dit is echter het decor waarin de moeizame relatie tussen Joop en Sam afspeelt.

 

Het artikel in Nederlandse literatuur, een geschiedenis:

Pijpelijntjes is een naturalistische roman.

Typisch naturalistische stijlkenmerken van het naturalisme in Pijpelijntjes:

· Woordkunst (ongebruikelijke combinaties van woorden, nieuwe woorden).

· De natuurgetrouwe weergave van de dialogen. De werkelijkheid wordt op deze wijze heel nauwkeurig beschreven.

· Het is de taak van de kunst om álle aspecten van de werkelijkheid weer te geven, ook zaken die maatschappelijk gezien (nog) niet geaccepteerd worden zoals homoseksualiteit.

 

Zeer naturalistisch doet de volgende scène aan (hoofdstuk XIX):

Eetgraag lepelden ze lauwvette soep, die op elke lepel een geellaagje achterliet en dikkervet stolde laatste restje op de borden.

- Hoe is dat soepie? vroeg juffrouw Meks.

- Dat soepie is best, dat soepie is heel best, dikpraatte man van huisjuffrouw vergenoegd.

 

Maar Pijpelijntjes vertoont ook kenmerken van een andere stroming, namelijk de Tachtigers.

Typisch stijlkenmerk van de Tachtigers in Pijpelijntjes: l’art pour l’art. Velen identificeerden de ik-verteller Joop zondermeer met de schrijver. Maar dit was niet de bedoeling van De Haan. Het persoonlijke leven van de kunstenaar speelde in zijn werk geen rol, het belangrijkste was dat hij mooie kunstwerken maakte. Het kunstwerk kon onzedelijk en aanstootgevend zijn, maar dat hoefde nog niet te betekenen dat de auteur dit ook was.

 

Het artikel van Goedegebuure gaat uitgebreid in op de ‘Pijpelijntjes-affaire’. Terecht wordt betoogd dat Gerard Reve niet de eerste was die aandacht trok door over homoseksualiteit te schrijven.

Het artikel besteedt weinig aandacht aan de literair-historische plaatsing van het boek.

 

Discussiepunten:

· Naast naturalistische kenmerken, is de roman ook duidelijk door de Tachtigers beïnvloedt (namelijk l’art pour l’art, zie mijn opmerkingen onder ‘Literaire stroming’).

· Het is logisch dat Pijpelijntjes bij het verschijnen heftige kritiek opriep. Homofolie was destijds nog geen maatschappelijk geaccepteerd verschijnsel. Ik denk echter dat niet alleen de heteroseksuelen kritiek op dit boek hebben gehad. Ook voor homoseksuelen was er aanleiding om kritiek te hebben: De Haan schetst nou niet bepaald een erg positief beeld van de homoseksuelen in dit boek.

· Hoe kan de titel verklaard worden? Het eerste deel verwijst natuurlijk naar de Amsterdamse Pijp. Welke betekenis heeft ‘-lijntjes’?

 

Leesverslag Simon Vestdijk – Terug tot Ina Damman

 

wp1faf4a72_0f.jpg wpde08a901_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

Het boek is opgebouwd uit drie delen: Het Woord, Ina Damman en De overwinning. Elk deel beschrijft een schooljaar.

 

Deel 1: Het Woord

De hoofdpersoon van de roman is Anton Wachter. Zijn vader, die hem altijd ‘vent’ noemde, is overleden. Anton gaat voor het eerst naar de HBS in Lahringen. De eerste schooldag van Anton verloopt in angst. Hij is bang dat iedereen ‘Het Woord’ te weten komt. Vijf dagen later weet de hele klas het en Anton heeft op school geen leven meer. Anton werkt erg hard, maar tijdens beurten brengt hij er niets van terecht. Hij denkt dat in hoge cijfers zijn redding ligt: als hij bewondering voor zijn cijfers afdwingt, dan zal hij veilig zijn voor ‘Het Woord’. Leraar Greve noemt hem ‘naarstig’, maar dat vindt Anton bijna net zo erg dan ‘vent’. Anton probeert Marie van den Bogaard te versieren, maar Jan Breedevoort legt bijna volledig beslag op haar.

 

Deel 2: Ina Damman

Er komt een nieuw meisje op school: Ina Damman. Anton is op slag verliefd. Elke dag brengt hij haar naar de trein, want ze woont in Driehuizen. Een fietstocht in mei met zijn klas is geen succes: Anton en Ina praten nauwelijks met elkaar. Op de kermis hoort Anton van Max Mees en Han Breedevoort dat Ina hem een vervelende jongen vindt.

 

Deel 3: De overwinning

Anton verandert. Seksuele praatjes en fantasieën houden hem bezig. Marie van den Boogaard wordt verliefd op Anton. Anton weet echter zeker dat hij altijd van Ina zal blijven houden. Hij zal altijd trouw blijven ‘aan iets dat hij verloren had, aan iets dat hij nooit had bezeten’.

 

Anton is een stille jongen. Hij leeft in een soort isolement. Zijn vader is overleden en hij is enig kind. Zijn leven wordt beheerst door gevoelens van eenzaamheid, onzekerheid en angst. Zijn vader noemde hem altijd ‘vent’, maar Anton vindt het vreselijk als ze hem op school zo noemen. Zijn angst voor ‘Het Woord’ verdwijnt als hij verliefd wordt op Ina Damman. Vestdijk schrijft: ‘En alle angsten van het eerste jaar op school verzonken erbij, zo kinderachtig leken die hem nu.’ Anton is nu meer bang om afgewezen te worden. Anton voelt een soort ‘gelukzalige angst’, een vreemde beklemming die verdwijnt zodra Anton weer alleen is nadat hij Ina heeft gezien. Ook is Anton bang om uitgestoten te worden. Hij heeft het idee dat hij een gezicht zonder kin heeft. Ina blijft koel en afstandelijk tegenover hem en uiteindelijk vertellen zijn vrienden hem dat de liefde niet wederzijds is. Anton vindt het jammer dat Ina niet meer met hem wilt optrekken en hij zoekt steun bij zijn vrienden. Hij doet niet onder wat betreft vieze praatjes. Hij verwerft aanzien door Gabriëls in elkaar te slaan. Wat hem door hoge cijfers halen niet lukte, lukt nu wel: respect afdwingen. Marie van den Bogaard wordt zelfs verliefd op hem, maar hij blijft trouw aan zijn enige, echte liefde: Ina. De naam Anton Wachter lijkt mij in dit verband niet geheel willekeurig gekozen.

 

Het centrale thema van de roman is de ontwikkeling van Anton, het is zoals de ondertitel aangeeft ‘de geschiedenis van een jeugdliefde’. Het is een zogenaamde Bildungsroman. Anton probeert zich los te maken van zijn eenzaamheid en angst om afgewezen te worden.

 

Belangrijke motieven zijn het woord (‘vent’), angst, onzekerheid, verlegenheid, eenzaamheid, verliefdheid, vriendschap en vrouwen (er staan verschillende vrouwen in Antons leven centraal: Ina Damman, de moeder van Anton, Marie van den Bogaard, de dienstbode Janke).

 

Het artikel in Nederlandse literatuur, een geschiedenis:

In Nederlandse literatuur, een geschiedenis wordt een parallel getrokken tussen Vestdijk en Proust. Erg interessant, maar ik ben totaal niet bekend met het werk van Proust (net zoals de leden van Forum). Er wordt niets gezegd over de literaire stroming waartoe het werk behoort.

 

Discussiepunten:

· Tot welke literaire stroming behoort het werk? Wat betreft de stijl denk ik zelf aan het realisme en wat betreft Vestdijk grote aandacht voor de psychologische ontwikkeling van de hoofdpersoon denk ik weer eerder aan het modernisme.

· Waarom luidt de titel ‘Terug tot Ina Damman’? Anton komt toch niet terug bij Ina? Of wordt hiermee bedoeld dat Anton uiteindelijk beseft dat zij de enige ware voor hem is en dat hij haar altijd trouw zal blijven?

· Heel erg opvallend vond ik dat Anton eigenlijk heel onzeker en verlegen is, maar wel op Ina af durft te stappen om haar zijn liefde te bekennen.

· Ik vind het erg opvallend dat Anton zich pas echt bewust lijkt te worden van seksualiteit nadat Ina hem heeft afgewezen. Deze gevoelens richt hij dan op de vroegere dienstbode Janke. Bestaan er volgens Anton Wachter/Simon Vestdijk twee soorten vrouwen: vrouwen voor de seks en vrouwen waar je alleen van kunt dromen?

· Is Anton eigenlijk wel zo verliefd op Ina Damman? Houdt Anton van haar omdat ze zo’n koele indruk maakt of ondanks deze koele indruk? Staat Ina Damman symbool voor iets anders, zoals een onbereikbaar ideaal waar Anton naar streeft (vergelijkbaar met het streven naar hoge cijfers)?
En bereikt hij dit ideaal vervolgens in het derde deel (eindelijk tonen zijn medeleerlingen respect voor hem)? Hoewel dit misschien niet overeenkomt met de laatste regels van het boek.

· Welke biografische elementen zitten er in de Anton Wachter-reeks en specifiek in dit deel? In hoeverre zijn Anton Wachter en Simon Vestdijk dezelfde persoon? Ik hoop daar tijdens de presentatie iets over te horen.

· Als we de roman kunnen opvatten als een autobiografie, staat dan het ‘Note Book’ symbool voor het ontluikende schrijverschap van Vestdijk?

 

Leesverslag J.H. Leopold: Verzen

 

wpfc1d1ecf_0f.jpg wp57c744d0_0f.jpg

 

Persoonlijke leeservaring:

De bundel Verzen werd voor het eerst in boekvorm gepubliceerd in 1912 onder redactie van P.C. Boutens. In 1913 volgde de eerste uitgave onder redactie van J.H. Leopold zelf. De bundel bestaat uit verschillende afdelingen: Zes Christus-verzen, Scherzo, Verzen 1895, Paul Verlaine †, In gedempten toon, Albumblad, Verzen 1897, Morgen, Albumblad en zes andere gedichten, Voor 5 december, Kinderpartij, Claghen, Oinoy ena ÓÔÁËÁÃÌÏÍ en Oostersch.

Leopold (1865-1925) is een symbolistische dichter. Belangrijke symbolistische kenmerken van zijn werk zijn poëzie over poëzie, de suggestie en metafysische gerichtheid. Ik vind het moeilijk om zijn gedichten te begrijpen, omdat er altijd een onuitgesproken kern in schuilt. Bij Leopold gaat het bijna altijd om een suggestie: er worden samenhangen gesuggereerd, maar niet geanalyseerd.

De reeks gedichten uit de bundel die mij het meest aanspraken was Verzen 1897. Deze gedichten beschrijven de opeenvolging van seizoenen, beginnend bij de lente en eindigend bij de winter. Niet alleen de omgeving verandert, maar ook de ziel van de wandelaar.

De thematiek van Leopolds gedichten is volgens Dorleijn opvallend eenvormig: ‘het probleem van ik en wereld’, waarbij ‘wereld’ staat voor ‘de ander, de geliefde, maar ook de fysische en metafysische werkelijkheid’ (Dorleijn, 1989, p. 1-2). De eenwording met de geliefde, het opgaan in de ander, blijft echter onvolkomen. Niet alleen is de eenwording een illusie, het eigen ik kan niet verlaten worden uit angst. Dat wordt als smartelijk ervaren, maar wakkert tegelijkertijd het verlangen naar de eenwording weer aan. Dorleijn definieerde deze relatie tussen ik en wereld in Leopolds gedichten als ‘een verlangde en mislukkende liefdesrelatie’.

De symbolentaal van Leopold komt voor een deel overeen met die van het symbolisme met metaforen als het oog, kijken, bloemen, kinderen en jonge vrouwen, poëzie en liefde.

 

Het artikel in Nederlandse literatuur, een geschiedenis:

In Nederlandse Literatuur, een geschiedenis wordt op bladzijde 630 tot en met 635 door G.J. Dorleijn ingegaan op Leopolds invloed op de moderne poëzie. Het hoogtepunt van de verering van Leopold lag in 1925: het jaar waarin de schrijver zestig werd en ook het jaar waarin hij overleed. Dit is verrassend: het was immers de tijd van avantgardistische en modernistische stromingen die zich afzetten tegen de romantische Tachtigers en de zweverigheid van de symbolistische Negentigers. Leopold behoorde tot het Symbolisme. De jongeren spraken niet alleen met lof over Leopolds werk, ze volgden hem ook na in hun werk. Dorleijn probeert de Leopold-receptie te verklaren. Hij betoogt dat Leopolds werk wel degelijk paste in die tijd: Leopold stelt de werkelijkheid direct aanwezig en dat is juist wat de modernen wilden. Het meeste lof van de jongeren ging bijna steeds naar Cheops. Dorleijn geeft aan dat er meer aan de hand was: het hoogtepunt van de Leopold-waardering door de jongeren vond plaats toen de modernen zelf in een soort impasse zaten. Het modernisme was ontspoord en kwam vast te zitten in vormeloosheid. Leopold was een toonbeeld van een dichter die de gulden middenweg tussen de oude en de nieuwe traditie wist te vinden.

 

Discussiepunten:

· Was Leopold zijn tijd ver vooruit en was hij de eerste echte modernist?

· De meeste lof van de jonge modernisten ging naar Cheops. In hoeverre wijken de gedichten in de bundel Verzen af van dit werk? Hebben we te maken met een andere Leopold? Is er een duidelijk onderscheid tussen symbolistisch en modernistisch werk?