wp3dd278b5.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Deze en de volgende pagina’s bevatten leesverslagen die ik heb gemaakt voor de MA-werkgroep Tweede Generatie Indische auteurs die ik heb gevolgd in het eerste semester van het collegejaar 2007-2008 bij de heer Praamstra.

Veel leesgenot!

 

Leesverslag Marion Bloem – Geen gewoon Indisch meisje

 

Voordat ik de roman ging lezen, heb ik eerst wat biografische informatie over Marion Bloem opgezocht, met name over haar Indische achtergrond: toen na de Tweede Wereldoorlog de onafhankelijkheidsstrijd in Indië losbarstte, en de Indonesiërs soeverein werden, voelden de ouders van Marion Bloem zich niet langer veilig in Indonesië. Vader Bloem had aan de kant van de Nederlanders gevochten en vreesde voor wraakacties van de Indonesiërs. Het echtpaar vertrok in 1949 naar Nederland. In 1952 werd Marion geboren. De ontvangst in Holland viel tegen en de Nederlanders maakten hun duidelijk dat ze zich zo snel mogelijk aan moesten passen. Marion werd opgevoed in een Indische ‘binnenwereld’ en maakte kennis met de Hollandse ‘buitenwereld’ op het moment dat ze naar school ging. Marion moest vanaf dat moment op zoek naar een evenwicht tussen beide werelden. Ook het thema van Geen gewoon Indisch meisje is de zoektocht van een Indisch meisje naar haar eigen identiteit. In veel kritieken wordt Geen gewoon Indisch meisje gezien als een (semi-)autobiografische roman, iets dat Marion Bloem hevig heeft ontkend in interviews die zij na het verschijnen van haar debuut gaf.

 

Aanwijzingen dat er sprake is van een postkoloniale roman:

· Het verhaal wordt niet-chronologisch en fragmentarisch verteld. Er is sprake van een telegramstijl. Ik las in een artikel: ‘De telegramstijl is een typisch Indische manier van praten, waarbij het onderwerp van de zin vaak wegvalt. Deze korte, krachtige verteltrant gebruikt meestal de tegenwoordige tijd en weinig, maar wel trefzekere woorden. De stijl laat zich kenmerken door een eenvoud in taalgebruik, zoals het Pasar Maleis ook eenvoudig is wat grammatica betreft.’

· De dertigjarige vrouwelijke hoofdpersoon heeft een schizofreen karakter en leeft alsof zij uit twee zusjes bestaat: zij is gesplitst in de Hollandse Sonja en de Indische Zon (speaking name!). Sonja heeft typisch Hollandse kenmerken (Europese bouw, goede beheersing van het Nederlands, geen verlangen naar Indonesië, ze valt op blanke mannen e.d.) en Zon heeft typisch Indonesische kenmerken (Aziatische bouw, slechte beheersing van het Nederlands, verlangen naar Indonesië, ze valt op Indonesische mannen e.d.). De gespletenheid van de hoofdpersoon is natuurlijk niet uniek en geldt in meer of mindere mate voor alle Tweede Generatie Indische mannen en vrouwen die temidden van twee culturen zijn opgegroeid. Uiteindelijk maakt de hoofdpersoon een definitieve keuze voor een Hollandse identiteit nadat Zon in een identiteitscrisis is geraakt en zich heeft beroofd van het leven met de kris die ze lange tijd bij zich gedragen heeft. De zelfmoord wijst op het gevaar van zelfverloochening bij de Indische Nederlanders.

· Ook andere figuren uit de roman vertonen Indische en Hollandse kenmerken. De vader heeft een bruin hoofd, maar een blank lichaam. Opa Paul heeft een bruin oog en een groen oog.

· Pas als Sonja/Zon naar school gaat, komt ze voor het eerst in aanraking met de Hollandse buitenwereld. Haar bruine huidskleur was tot dat moment vanzelfsprekend, maar wordt nu opeens opvallend en ze krijgt een hekel aan haar bruine huid. Tijdens haar jeugd verloochent ze haar afkomst en vertelt ze iedereen dat ze Indiaanse is.

· De taal: Zon heeft – in tegenstelling tot Sonja – veel moeite met de Nederlandse taal. Bepaalde Nederlandse woorden kent ze niet en op school lachen de andere kinderen haar uit. Zon kiest er uiteindelijk voor om dan maar te zwijgen. Ook haar gedichten laat ze aan niemand anders lezen. Doordat de Indische kant door niemand gehoord of gelezen wordt, verdwijnt deze helemaal.

· Haar ouderlijk huis is aanvankelijk typisch Indisch ingericht, maar langzamerhand verdwijnen de Indische spulletjes en komen er steeds meer Hollandse spullen in huis. Ook worden de Indische gerechten langzaam vervangen door Hollandse.

· Zon wil – in tegenstelling tot Sonja – naar Indonesië. De eerste keer gaat ze met Eddie, de tweede keer gaat ze met haar moeder. In Nederland voelt ze zich niet thuis door haar donkere huidskleur, in Indonesië voelt ze zich niet thuis door haar lichte huidskleur.

· In de roman wordt kritiek geleverd op Nederland, met name wat betreft de discriminatie. Voorbeelden: Zon/Sonja mag niet bij Mary op de schommel. Een Hollander noemt haar vader een verrader omdat hij tegen zijn eigen volk heeft gevochten. De Hollanders in de roman zijn niet altijd even gastvrij. Hollanders hebben onhygiënische gewoonten op het toilet. De Hollandse feesten zijn lang niet zo ‘gezellig’ als de Indische.

· Indonesië verwestert steeds meer. In de roman wordt hier kritiek op geleverd. Een vrouw vertelt: ‘Eerst was het volk één. Samen hebben we gestreden voor de revolutie en wij hadden dezelfde kleur. Daarna zijn de mensen met de goede baantjes hun kleur vergeten. Van kleur verschoten, noemen wij dat. Luntur. Er is slechts sprake van eigenbelang.’

· Vader beschikt over mystieke krachten en zijn dochter lijkt die mystieke krachten te hebben geërfd. Voorbeelden: ze heeft soms visioenen, vader en dochter begrijpen elkaar vaak zonder woorden, tijdens een aanvaring met de gymjuf gebruikt ze haar felle zwarte ogen waarmee zij dwars door mensen heen lijkt te kunnen kijken.

· Er bestaat een soort taboe op relaties tussen Indische meisjes en jongens, dat wordt beschouwd als een vorm van incest. Zon valt op Indische jongens, maar is opgevoed met het idee dat Indische meisjes ‘omhoog moeten trouwen’ en dus een blanke man moeten proberen te krijgen. Haar moeder zei altijd dat bruin op blond viel en andersom. Zon heeft een relatie met de Hollandse Eddie, maar tijdens de reis naar Indonesië verslechtert hun band: ze begint hem te zien als een koloniaal.

 

Leesverslag Jill Stolk – Scherven van samaragd

 

Algemene aspecten van postkoloniale teksten, toegepast op de roman die we deze week hebben moeten lezen:

 

Hybriditeit: en-en, twee werelden, twee subjecten, ontheemd, zowel negatief als positief

In deze roman is – in tegenstelling tot Geen gewoon Indisch meisje – sprake van ‘en-en’. De hoofdfiguur verloochent haar afkomst niet, zoals bijvoorbeeld de Eurinda’s (speaking name: Europa – India) die Indische achtergrond willen verbergen achter, bijvoorbeeld, een mooi uiterlijk en hippe kleding. De hoofdfiguur heeft vooral een hekel aan haar ‘tante’ Ordi, die er alles aan doet om zich aan te passen aan de Hollandse of westerse mentaliteit.

 

Representatie: verwerpen/aanvaarden stereotypen, nieuwe representaties

Alle Chinezen en alle Japanners lijken op elkaar. Het Nederlandse klimaat is slecht voor Indo’s. Dajakkers eten mensenvlees. Het oosten is demonisch. De roman staat vol met dit soort stereotypen, die overigens niet expliciet door de hoofdfiguur worden verworpen.

 

Terugschrijven: verwerken koloniale literatuur, verwijzingen naar koloniale literatuur

Verwijzingen naar westerse literatuur: Assepoester, Anne Frank. Vooral de verwijzing naar Anne Frank is interessant: ‘[…] Het is geen oorlog, ik ben geen Jood en ik behoor niet tot een of andere onder druk gezette minderheid. Ik ben niet in de omstandigheden om schrijver te worden.’ (p. 81) Volgens mij behoort de hoofdfiguur wel degelijk tot een onder druk gezette minderheid. De hoofdfiguur zegt immers zelf: ‘Het is niet goed om Indisch te zijn. Waarom weten we niet. Het is gewoon zo. Het is niet goed. Indisch zijn betekent minder zijn, dus daarom moet je meer presteren om het gebrek te compenseren.’ (p. 76-77) Later vertrouwt de hoofdfiguur toch haar ervaringen aan het papier toe: ze is alsnog schrijver geworden.

 

Herschrijving geschiedenis ↔ officiële geschiedenis (grote verhaal ↔ kleine verhaal)

In het begin van de roman wordt verteld over onderwijzers die hun leerlingen vertellen hoe dankbaar ze moeten zijn dat zij na de oorlog zijn opgegroeid. ‘Ze vertellen verhalen over de oorlog. Ze dachten dat ze alles van de oorlog wisten, maar ze zagen iets over het hoofd. Ze hadden het nooit over de oorlog van mijn vader. Dat verhaal kenden ze niet. Mijn vaders oorlog had veel langer geduurd dan die ene hongerwinter waar iedereen zo over riep. Mijn vaders oorlog was veel grootser geweest.’ (p. 10-11)

Eén keer is er letterlijk sprake van herschrijving: het hoofdstuk ‘Hollands Zondagskind’ (p. 85-92) en ‘Indisch Zondagskind’ (p. 95-104) zijn nagenoeg gelijk, afgezien van enkele details. Ik heb geen belangrijke verschillen opgemerkt (het grootste verschil zit volgens mij in de titels van de hoofdstukken) en ik begrijp niet goed waarom het hoofdstuk is herschreven. Discussiepunt?

 

Taal

Er worden vaak Indische woorden genoemd, maar het zijn meestal ‘ingeburgerde’ woorden zoals ‘baboe’, ‘goena-goena’ en ‘doekoen’.

Veel spreektaal. Geen vermenging van hoge en lage stijl.

 

Mythes en het magische

Met name in het laatste deel van de roman is sprake van oude mythen en tradities, zoals het verhaal over de waringin (vanaf p. 128) en het verhaal over Sandra die de geest van haar moeder zag (vanaf p. 134). De moeder van de hoofdfiguur is altijd bang geweest voor de geesten en demonen van Indië. ‘Ik vond het een eng land,’ placht ze te zeggen. ‘Dat heb ik altijd gevonden. Ik ben blij dat ik in Holland terecht ben gekomen.’ (p. 128)

 

Vormen/beschrijven van identiteit

De hoofdfiguur maakt een duidelijke ontwikkeling door. Ze is zich er altijd bewust van geweest dat ze ‘anders’ was. Ze had – in tegenstelling tot haar klasgenootjes – een donkere huidskleur. Ze had er geen moeite mee dat ze altijd Moriaantje moest spelen. Ze krijgt pas problemen met haar Indische afkomst op het moment dat haar ouders willen dat ze goed haar best doet op school, niet omdat iedere ouder dat van een kind verlangt, maar omdat ze Indisch is. Aan het einde van de roman is ze een evenwichtige vrouw geworden, die goed om kan gaan met haar afkomst: ‘Ik proef nog eens. Nee, dit is geen verbeelding. Dit, wat ik hier gemaakt heb, smaakt niet Indonesisch (dat zullen ze niet durven zeggen), het smaakt ook niet naar Hollandse pot (gelukkig niet, we hebben de afgelopen week al vier keer sla gegeten), het smaakt naar iets precies er tussen in. Het smaakt als een evenwichtig mengsel. Het smaakt Indisch.’ (p. 143)

Ook de ouders van de hoofdfiguur maken een duidelijke ontwikkeling door. Haar vader wordt geleidelijk meer Nederlands, haar moeder meer Indisch. Ze lijken stuivertje te hebben gewisseld. (p. 141) Hoe is dit te verklaren? De vader heeft zijn Indische achtergrond nooit verloochent. Hij uitte zijn woede en zijn onmacht als gevolg van zijn vierjarige verblijf in een kamp. De moeder heeft zich – net als ‘tante’ Ordi – altijd proberen aan te passen aan de Nederlandse en westerse mentaliteit. Zij verloochende haar afkomst, maar op deze manier heeft ze de trauma’s uit haar verleden – in tegenstelling tot haar man – nooit kunnen verwerken en blijven ze haar leven beheersen.

 

Reizen en verplaatsen als thema (afkomstig uit migrantenliteratuur)

Reizen speelt geen belangrijke rol in de roman. Er wordt gesproken over een reis, maar deze reis brengt de hoofdfiguur niet waar zij op had gehoopt: ze zou haar vader wel eens emotioneel willen zien breken, zodat hij van zijn kwaal zou worden bevrijd. ‘Maar dan gebeurt er iets anders. Hij stapt enigszins stram van de brug op de oevers, kijkt rond, ziet mij en het gezelschap en hij roept dat ze nu maar eens wat moesten gaan drinken. Hij wil wat gaan drinken! Mijn god. We zijn afgereisd naar het andere deel van de wereld om hem een confrontatie met zichzelf te geven en hij laat het moment voorbij gaan.’ (p. 34)

 

Gefragmenteerde manier van opschrijven, geen chronologie, mozaïek

De roman is ‘dagboekachtig’, maar het is geen nauwkeurig bijgehouden dagboek. De herinneringen zijn later door de hoofdfiguur chronologisch geordend en opgeschreven. Veel flashbacks.

 

Conclusie: Scherven van smaragd van Jill Stolk behoort tot de postkoloniale literatuur.

 

Leesverslag Frans Lopulalan – Onder de sneeuw een Indisch graf

 

De roman bestaat uit twee delen: ‘De barak’ en ‘De veertigste dag’. Het eerste deel beschrijft de jeugdjaren die de hoofdpersoon Frans samen met het gezin doorbrengt in het Ambonezenkamp in Woerden. In het tweede deel is de vader van Frans overleden en volgens de Molukse traditie zwerft zijn geest veertig dagen door de wereld om afscheid te nemen van de mensen en de dingen waarmee hij geleefd had. Op de veertigste dag gaat Frans nog één maal terug naar Woerden.

 

Algemene aspecten van postkoloniale teksten, toegepast op de roman die we deze week hebben moeten lezen:

 

Hybriditeit: en-en, twee werelden, twee subjecten, ontheemd, zowel negatief als positief

Er is duidelijk sprake van twee werelden in de roman: Holland en Ambon. Aanwijzingen: op school staan de Hollandse en de Ambonese jongens tegenover elkaar (pag. 30). De ouders van Frans verlangen terug naar Ambon: Op weemoedige toon praatten ze over vroeger, over de hoop die ze hadden naar Ambon terug te kunnen als de Belanda’s eindelijk weg waren, over de pijn om de kinderen die de Jappenkampen niet hadden overleefd en over de bange dagen van de Vrijheidsoorlog. (pag. 33). Frans ziet ertegenop om het barakkenkamp in Woerden te verlaten:  ‘Daar ergens gaan we wonen, Kitty … Ik wil eigenlijk helemaal niet tussen die mensen wonen … Hier in het kamp komt nooit een Belanda … De jongens op school durven niet meer op ons te schelden, omdat we bruin zijn, maar daar …?’ (pag. 98).

 

Representatie: verwerpen/aanvaarden stereotypen, nieuwe representaties

De Ambonezen worden door de Hollanders gediscrimineerd en betutteld: Met de juf (Van der Endt) heb ik het nooit kunnen vinden. We begrepen elkaar niet. Ze vond het nodig de kinderen mee te delen dat God de Here warempel ook nog van bruine kinderen hield, toen ze mij aan de klas voorstelde. (‘Houdt de Here dan ook van die blanke kaaskonijnen? had je moeten vragen,’ zei mijn broer die middag, toen ik rapport uitbracht.) (pag. 28). Het meest schrijnende voorbeeld is nog wel de barones: Die mengkleurkindertjes, die vond de barones pas leuk: Hollands verstand en Indische schoonheid. (pag. 68). Deze keer kwam mevrouw-Van Limburg Stirum zich met onze vakantiebestemming bemoeien. Met deftige stemverheffing zette ze uiteen dat er weer eens een christelijk comité in het leven was geroepen dat zich de noden onder de kampjeugd aantrok. Men had Hollandse gezinnen in Katwijk, Egmond, Schoorl en andere kustplaatsen bereid gevonden om gedurende de zomermaanden Ambonese kinderen op te vangen, alsof we uit de hemel waren komen vallen. Mijn vaders bereidwillige medewerking aan dit grootse plan zou met sympathie van comité-zijde beloond worden. Er volgde nog een bombastisch verhaal over menselijke plichten, de principiële gelijkheid van Hollanders en Ambonezen en meer van dat soort hoogstaande prietpraat waarvan de daken niet minder gingen lekken. (pag. 69). De barones wil Frans adopteren. Het zou Frans aan niets ontbreken, ik zou hem kunnen laten studeren, zodat hij later zijn land verder kan helpen ontwikkelen. (pag. 71).

Frans heeft een enorme hekel aan de Hollandse, christelijke middenstand. Frans vraagt een man tijdens zijn tocht naar Woerden de weg. De man negeert de vraag en Frans typeert hem daarna als volgt: Een reptiel dat de naam ‘Fatsoen’ draagt. (pag. 111). In Leerdamse winkels gebeurde het meermalen dat ik als kind langdurig moest wachten voor ik werd geholpen. Mensen gingen voor hun beurt en er was niemand die hen daar op wees. (pag. 111). Op de weg naar de Zuidmolukse woonwijk kwam ik groepjes kinderen tegen die vrolijk zwaaiend met hun schooltassen over het trottoir holden. ‘Die zullen wel niet op de School met den Bijbel zitten,’ dacht ik. Want aan die school had ik geen leuke herinneringen overgehouden. Ik zat daar naast kinderen wier ouders winkels hadden en die iedere dag met natte hielen huiswaarts keerden, slijmerig gelikt door het onderwijzend personeel. (pag. 113). De kinderen van christelijk Nederland mochten ons naar believen beledigen. Traden we daartegen op, dan werden wij bestraft, omdat het ten strengste verboden was voor eigen rechter te spelen. De belediging die in het geding was werd automatisch weggewuifd. (pag. 114).

Niet alleen de Hollanders, maar ook de Ambonezen hebben zo hun eigen stereotyperingen van de ‘ander’. Voorbeelden: De letter L van Lopulalan is de twaalfde letter van het alfabet, dus eerst krijg je Arends, Boogerd, De Bruyn en al die andere kaaskonijnen, en dan kom ik pas. (pag. 74). Gijs was zo’n typisch resultaat van de Zuidhollandse inteelttraditie, een mongool die men, gedreven door dubieuze naastenliefde, een simpel baantje had gegeven: het aflezen van de weegschaal. (pag. 77)

In tegenstelling tot veel andere romans van de Tweede Generatie Indische auteurs, heerst er binnen de Molukse gemeenschap geen taboe op relaties met de ‘eigen soort’. Dit wordt niet beschouwd als incest (zoals bijvoorbeeld beschreven wordt in Geen gewoon Indisch meisje).  Het standpunt van de broer van Frans: Hij legde me ook in alle ernst uit dat ik nooit een Hollands meisje moest nemen, want als je daarmee zou trouwen, dan at je alle dagen aardappelen en daar moest je dan stiekem wat sambal bij nemen. Dan zou hij mij ook nooit wat geld kunnen geven, want zo’n meid zou niet begrijpen dat je broers voor het leven bent, ze zou alleen maar nachten wakker liggen en piekeren over de vraag hoe het geld zo gauw mogelijk terugbetaald moest worden. (pag. 91). De ‘fatsoenlijke’ Hollanders zijn tegen gemengde relaties. Frans kan het namelijk tijdens zijn schooljeugd goed vinden met Marijke, de dochter van een bakker: Heel Leerdam kon er getuige van zijn dat Marijke en ik regelmatig de openbare gelegenheden bezochten, en het duurde dan ook niet lang voordat de bakker het een en ander van de klanten te horen kreeg. Er werd schande van gesproken, en hij riep zijn dochter tot de orde. Hij onthaalde haar op een prediking over het Bijbelboek Esther, waarin sprake bleek van een vrouw die zich aan de verkeerde man had gegeven. Ook sprak hij over ‘velen die geroepen waren en de weinigen die waren uitverkoren.’ (pag. 115).

Tenslotte wil ik wijzen op  het huwelijk van Frans en Liesbeth, dat op basis van verkeerde beweegredenen gesloten lijkt te zijn. Frans zegt daarover: ‘Liesbeth, er zijn dingen die je toch echt met je eigen vader moet zien op te lossen. Ik ken zoveel vrouwen die op kleurlingen vallen omdat ze denken dat wij net zo zielig zijn als zij. Dat is verdomme niet waar, laat me met rust. Ik zou jouw huidskleur beslist niet willen hebben … nou ja, voorlopig lig ik nog regelmatig met dat soort vrouwen in bed. Ze hebben volgens mij een spons in hun kruis; iedere zielige buitenstaander kan er zijn zaad in kwijt.’ (pag. 138).

 

Terugschrijven: verwerken koloniale literatuur, verwijzingen naar koloniale literatuur

Geen aanwijzingen aangetroffen in de roman.

 

Herschrijving geschiedenis ↔ officiële geschiedenis (grote verhaal ↔ kleine verhaal)

De vader van Frans realiseert zich pas op latere leeftijd dat hij tijdens zijn KNIL-jaren voor een verkeerde zaak heeft gestreden en hij betreurt zijn deelname aan de strijd: Ach, ze hebben mij en je ooms laten vechten om een Hollandse melkbus te verdedigen. Wij wisten toch ook niet dat die melkbus leeg was? Opgezopen door dat dievenvolk dat in Wassenaar door blijft zeuren over het verlies van ‘Ons Indië’. Indië is niet van hen, het enige wat ze zijn vergeten mee te nemen is de haat die ze ons hebben bijgebracht tegenover andere volken van dat grote land … (pag. 120). Het is volgens de vader van Frans de schuld van de Hollanders dat er tijdens de strijd zoveel slachtoffers zijn gevallen: Jongen, als die Anti-Revolutionairen onze mensen niet aan zich hadden weten te binden, dan hadden we nooit blindelings gemoord in dat onvolprezen KNIL. (pag. 126-127).

 

Taal

In de roman komen veel Maleise uitdrukkingen voor, die overigens meestal worden vertaald. De ouders van Frans spreken onderling het Maleis: Nauwgezet vertelde ze alles twee maal, eerst in het Maleis en dan in het Nederlands. (pag. 24). Mijn ouders bespraken de dingen van de afgelopen dag in het Hoogmaleis, en alleen uit een intonatie, een blik of een houding kon ik opmaken of ze het over mij hadden. (pag. 37). Frans beheerst het Maleis niet zo goed en op een dag interpreteert hij een verzoek van zijn vader verkeerd: Op een zaterdagmiddag vroeg mijn vader mij een stapeltje brieven weg te gooien. Hij deed zijn verzoek in het Maleis, hetgeen een vervelend misverstand opriep. Hij gebruikte het werkwoord ‘buang’ dat in het dagelijks taalgebruik ‘weggooien’ betekent. (pag. 39). Toen ik na de maaltijd aanstalten maakte om naar de keuken te gaan, riep mijn vader me terug en vroeg of ik die brieven wel op de bus had gedaan. (pag. 40). Frans is erg onder de indruk van het Maleis: Hoe weinig ik ook van het Hoogmaleis begreep, zij maakten een diepe indruk op mij. Steeds weer werd ik gegrepen, voorzichtig aangeraakt door het sacrale van de gebedsklanken en werd mij woordeloos duidelijk dat het hier iets wezenlijks betrof, een sfeer die alle eeuwen had overleefd, iets wat ons over de grote afstand tussen Nederland en de Molukse eilanden verenigde met hen die ons waren voorgegaan. (pag. 58).

 

Mythes en het magische

Het magische speelt een belangrijke rol in het boek. Frans ziet vaak de overleden gestalte van zijn grootvader voor zich: ‘Jullie opa heeft niet meer zo’n lichaam dat moe kan worden. Hij wordt door Hem gestuurd om bij voorbeeld jullie te beschermen […]’ (pag. 46). Vooral de vader van Frans hecht geloof aan het magische: ‘[…] Soms hoor je hier in het kamp dat mensen ziek worden, ze hebben overal pijn en langzaam sterven ze, maar geen enkele westerse dokter kan zeggen wat ze hebben.’ (pag. 46). Frans trouwt met Liesbeth, maar nadat zijn vrouw ontdekt heeft dat ze lesbisch is gaan ze scheiden. Zijn vader was niet verbaasd over het bericht van de scheiding: ‘Ik vond het altijd zo vreemd dat ik steeds je grootouders om jou heen zag staan met hun rug naar Liesbeth toe. Ze mochten haar niet.’ (pag. 107). De vader van Frans ziet zijn dood letterlijk tegemoet: ‘Vannacht heb ik het gezien,’ zei mijn vader. ‘Jullie kennen die foto wel van mij met mijn ouderlijk gezin, die foto die nu bij Frans aan de muur hangt. Die foto kwam vannacht tot leven. Ze zaten hier’ – hij wees met een gestrekte arm naar het midden van de vloer – ‘en mijn moeder, jullie nene, droeg een jongetje op haar arm en ze zei dat hij het was op wie we lang hadden gewacht.’ (pag. 142).

 

Vormen/beschrijven van identiteit

De ouders van Frans blijven vasthouden aan de Indonesische identiteit: ‘In Indonesië hadden we het goed kunnen hebben. Als de blanken ons de landbouwgronden en de viswateren hadden gelaten, dan had je vader zich niet gedwongen gevoeld zijn geboortedorp te verlaten om het KNIL in te gaan. Jongen, als ze je vragen waar je vandaan komt, zeg dan nooit dat je uit Woerden komt, maar uit Porto op Saparua.’ (pag. 24-25). De Indische afkomst is heel belangrijk: Bij ons was je allereerst lid van een stam, er werd verwacht dat je kon zeggen wie de ouders van je vader waren: ‘Ik heet Frans, ik ben de zoon van Alfonsus Lopulalan, die getrouwd is met Maria Francina Silahoy en die een zoon is van Zadrach Lopulalan en Bathseba Tamaëla.’ Of korter: ‘Ik ben er een van Lopulalan-Tamaëla.’ (pag. 129). De vader van Frans zet zich af tegen de Hollandse identiteit door nooit naar het Wilhelmus te luisteren: […] zijn aversie tegen het wilhelmus was mij bekend: als de televisie verslag uitbracht van een wedstrijd van het Nederlands voetbalelftal, stond hij erop dat het geluid pas werd ingeschakeld als de wedstrijd eenmaal aan de gang was. Zo niet, dan was hij in staat om het toestel door het raam de weilanden in te slingeren. (pag. 121).

 

Reizen en verplaatsen als thema (afkomstig uit migrantenliteratuur)

De ouders van Frans verlangen weliswaar terug naar Indonesië, maar ze keerden nooit terug. Zelfs niet voor een vakantie: ‘Op vakantie naar Saparua?’ vroeg mijn vader als mijn broer hem aanbood de reis te bekostigen. ‘Nee jongen, ik ga er hoogstens heen om te sterven. Ik kan jullie hier toch niet achterlaten?’ (pag. 122). Op het moment dat het eerste kleinkind van de ouders van Frans in aantocht is, is het idee van teruggaan helemaal van de baan: ‘[…] Nee, Frans, nu moeten we wel blijven, nu Jacqueline een kind in haar buik draagt …’ (pag. 128).

 

Gefragmenteerde manier van opschrijven, geen chronologie, mozaïek

In de roman staan twee perioden uit het leven van de hoofdpersoon Frans centraal. Het verhaal is chronologisch verteld, maar met veel flashbacks. Er is geen sprake van een gefragmenteerde vertelwijze.

 

Conclusie: Onder de sneeuw een Indisch graf van Frans Lopulalan behoort tot de postkoloniale literatuur.

 

Leesverslag Ernst Jansz – De overkant

 

Over de auteur

Ernst Jansz wordt op 24 mei 1948 geboren in Amsterdam. Zijn vader Rudi Jansz. was een Indo (geboren in Semarang, opgegroeid in Batavia, in 1932 naar Nederland om neerlandistiek te studeren). De auteur is vooral bekend van de band Doe Maar die in 1978 werd opgericht en waarvan hij tot de opheffing in 1984 zanger was. Hij trekt zich terug op het platteland en richt zich geheel op het schrijverschap. Van zijn hand verschijnen de novelle Gideons droom en De overkant (1985) In deze laatste roman speelt zijn vader de hoofdpersoon. Al schrijvende leert de auteur zijn vader beter kennen. Later brengt hij De overkant ook uit als album. In 2006 verscheen zijn meest recente roman: Molenbeekstraat.

 

De roman De overkant

De overkant is een drieluik. In het eerste deel ‘Brieven’ staan de brieven tussen Rudi Jansz en zijn familie in de periode 1935-1946 centraal. Dit deel maakt een buitengewoon authentieke indruk en ik vraag me af of de auteur uit brieven uit het familie-archief heeft kunnen putten. De (doorslagen van de) brieven van Rudi hebben vaak een politieke inhoud, de brieven van de andere familieleden gaan vaak over huis-tuin-en-keuken-onderwerpen. In het tweede deel ‘Jopie’ vertelt Rudi’s vrouw over haar leven met Rudi. In het derde deel ‘Een reisverslag’ vertelt Rudi’s zoon Joch over zijn ‘roots’-reis naar Indonesië. Ik beschouw Joch als het alter ego van Ernst Jansz.

 

Algemene aspecten van postkoloniale teksten, toegepast op de roman die we deze week hebben moeten lezen:

 

Hybriditeit: en-en, twee werelden, twee subjecten, ontheemd, zowel negatief als positief

Rudi voelt zich nergens thuis: ‘Ik ben volmaakt eenzaam: te oosters voor de Westerling, te westers voor de Oosterling en te weinig conventioneel voor mijn ouders. Ik heb een groot vermoeden dat ik als anarchist een berooid leven zal eindigen.’

 

Representatie: verwerpen/aanvaarden stereotypen, nieuwe representaties

Zoals we al eerder in de gelezen romans hebben gezien, hebben de auteurs van de Tweede Generatie Indische auteurs of de Indo’s het gevoel dat zij harder hun best moeten doen dan de Nederlanders. Zo schrijft de vader van Rudi: ‘een Indische jongen heeft een zwaardere taak dan zijn Hollandse broeder, hij moet een vooroordeel overwinnen, en dat doet hij zeker niet met smeken en zwak zijn, maar met dubbele energie-ontplooiing en een zekere trots.’ De vader van Rudi geeft het stereotiepe beeld van Nederland en Indië weer: ‘Indië is gelukkig geen Nederland! Jij ziet de dingen in dat land, met zijn geforceerd, jachtend en onvrij leven, anders, hopelozer in dan wij hier in het in vele opzichten nog vrije en natuurlijke Indië.’

Stereotyperingen treffen we veelvuldig aan in de roman. De meest opvallende is m.i. de volgende, waarin oom Herman het over de – in zijn ogen – luie Indonesiërs heeft: ‘Onder de Nederlanders wilden jullie wel werken, want ze zitten je achter je broek, maar nu jullie vrij bent gooit je d’r met de pet naar. Die lui zijn niet voor niets gestorven. Die vrijheid moet je zelf invullen. In-vullen.’.

 

Terugschrijven: verwerken koloniale literatuur, verwijzingen naar koloniale literatuur

In de roman wordt de koloniale samenleving sterk afgewezen: ‘Juist het wantrouwen, het inzicht, dat de Nederlandse regering en de Nederlandse kolonist zoveel mogelijk winsten voor zich en zijn land uit Indonesië poogt te persen ten koste van het Indonesische land en volk, heeft de vrijheidsdrang doen ontstaan.’  Rudi steunt de onafhankelijkheidsstrijders van de Indonesiërs: ‘En ik ben een politiek tegenstander van het ancien régime. In gezelschap van een aantal Indo’s, die nog beschikken over een beetje gezond verstand en rechtvaardigheidsgevoel, heb ik mij achter de Indonesische republiek gesteld. Tot grote ergernis van de heren op Overzeese Gebiedsdelen voeren wij nu actie voor de onmiddellijke erkenning van de Indonesische onafhankelijkheid. Wij zijn niet tegen een samenwerking met Nederland, maar deze moet vrijwillig en op basis van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren worden aanvaard. […]’ Rudi voelt zich in zijn strijd miskend door de Nederlandse regering: ‘Toen ik door de SD in Amersfoort gegooid werd, was ik een vrijheidsheld, nu ik precies hetzelfde doe voor mijn moedervolk, ben ik een rebel. Het kan verkeren. […]’ Rudi erkent dat ook de Indo schuldig is aan het koloniale verleden: ‘[…] de Indonesiër zal de verraderlijke rol van de Indo niet vergeten (dat hij die rol in het verleden niet vergeten heeft, bewijst zijn optreden tegen de Indo nu!). Laat de Indo wijs en moedig zijn, de hand in eigen boezem steken en beseffen, dat zijn uitzonderlijk bevoorrechte positie, die steunde op het gehate Nederlandse gezag, de terreur tot gevolg heeft gehad.’

Opvallend vond ik de opmerking van de Duitsers, die Rudi ‘Der Indier’ noemden: ‘Jij bent een Indiër, jij wordt gebruikt hier door de Nederlanders.’

 

Herschrijving geschiedenis ↔ officiële geschiedenis (grote verhaal ↔ kleine verhaal)

In de officiële geschiedenis is weinig aandacht voor de tussengroep van de Indo’s. Wel is er altijd aandacht geweest voor de Hollanders en de Indiërs. Rudi vraagt zich echter af: wat zal er met de Indo gebeuren als een deel van Indië een andere heerser krijgt. Idem, als Nederland fascistisch wordt? Hij correspondeert hierover met zijn vader.

Ook is er in de officiële geschiedenis weinig aandacht voor de Indo’s, die tijdens de tweede wereldoorlog weliswaar niet geïnterneerd werden door de Japanners, maar het wel heel erg moeilijk hadden: ‘Want veel wreedheden hebben de Japs in en buiten de kampen verricht, hierin bijgestaan door Indonesiërs. Heel moeilijk viel het zelf buiten de kampen te blijven, want overal dreigde gevaar, zodat we van ons eigen huis en hof genoodzaakt waren zelf een soort interneringskamp te maken.’

 

Taal

In tegenstelling tot de andere romans, treffen we veel Indonesische woorden aan die niet door de auteur vertaald worden. Dit bemoeilijkt echter niet het lezen.

 

Mythes en het magische

Mythes en het magische vinden we vooral terug in het derde deel, waarin Joch op reis gaat naar het land van zijn vader. Voorbeelden zijn het verhaal over de tokeh (‘Als hij zeven keer roept mag je een wens doen’) en het verhaal van de omgeslagen prauw, de Tangkuban Prahu.

 

Vormen/beschrijven van identiteit

Rudi is en blijft een Indo. Ook als de Indonesiërs na de tweede wereldoorlog onafhankelijk willen worden, blijft hij ze steunen. In Nederland voert hij actie, maar hij gaat niet terug naar zijn familie in Indonesië. Integendeel, hij laat zijn familie overkomen naar Nederland: ‘Inderdaad is het een goed idee om naar Holland te komen. Ik verwacht een woelige tijd in Indonesië. Het oude, waar jullie zo aan gewend zijn zal toch nooit meer terugkomen. En het zal voor jullie moeilijk zijn om je aan te passen. Het Indonesische volk is opgestaan om zijn vrijheid te veroveren, en Nederland is te berooid en arm op het ogenblik, om zo’n rijke inkomstenbron te missen. Daarom zal de strijd hard en onverbiddelijk zijn. De Indonesiërs hebben de sympathie van de wereld, omdat de nationale vrijheid zeer populair is na de oorlog, die door zovele volkeren juist daarvoor gevoerd wordt.’ Rudi verwoordt heel goed de positie van de Indo: ‘De Indo is geen Nederlander in de eigenlijke zin van het woord. Op cultureel en maatschappelijk gebied is hij westers georiënteerd, raciaal is hij verwant aan het Nederlandse en aan het Indonesische volk, doch etnografisch hoort hij thuis in Indonesië. […]’

Rudi raakt in een depressie, maar niet als gevolg van zijn afkomst maar als gevolg van de verschrikkingen die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt.

 

Reizen en verplaatsen als thema (afkomstig uit migrantenliteratuur)

Joch gaat op reis naar het land van zijn vader. Tijdens deze reis hoopt hij deelgenoot te kunnen zijn van zijn ‘overkant’, maar Indonesië blijkt voor hem allerminst een thuis te zijn. Joch voelt zich in Indonesië een vreemdeling. ‘Los van de grond. Blij om weer naar huis te gaan. Naar huis. Want één ding is zeker. Ik ben op bezoek geweest. Bij verre familie ja, naar toch op bezoek.’ En: ‘Het thuis dat ik vroeger miste en dacht te vinden in het land van mijn vader bestaat niet. Al heb ik wel het gevoel gehad dat, hier en daar, mensen heel dicht bij me staan, herkenning van hartstocht, of humor, mildheid, de blik in hun ogen, toch ligt de halve wereld tussen hun leven en het mijne. Cultuur, geschiedenis, opvoeding. Hoe zouden we met elkaar kunnen leven zonder een ingrijpende wijziging in ons dagelijks patroon? Een aanpassing?’

 

Gefragmenteerde manier van opschrijven, geen chronologie, mozaïek

De roman heeft een losse opbouw doordat er gebruik is gemaakt van drie soorten teksten: brieven, het verhaal van Jopie en de reisverhalen van Joch. Vooral in de brieven is de informatie erg fragmentarisch.

 

Conclusie: De overkant van Ernst Jansz behoort tot de postkoloniale literatuur.

 

Leesverslag Alfred Birney – Vogels rond een vrouw

 

Over de auteur

Alfred Birney is een nazaat van een kleurrijke Indische plantersfamilie en heeft een Indisch-Chinese vader en een Nederlandse moeder. Veelvuldig terugkerende thema’s in zijn literaire werk zijn vervreemding van familie, voortdurend raadselen in verband hiermee oplossen en het onvermogen tot identificatie met moederland of vaderland. Hij heeft tien boektitels op zijn naam staan en publiceerde naar schatting 350 columns, verhalen, artikelen, essays, recensies, interviews en… gitaartranscripties in dagbladen, magazines, gelegenheidsuitgaven en verzamelbundels. Twee romans verschenen in Indonesische vertaling. (Informatie van internet: << http://www.alfredbirney.com/ >>)

Voordat Vogels rond een vrouw in 1991 verscheen, had Birney de romans Tamara’s lunapark (1987) en Bewegingen van heimwee (1989) gepubliceerd.

 

De roman Vogels rond een vrouw

De roman is opgezet in drie delen. De hoofdpersoon Alan Noland is een Indo-Belanda. In de verschillende delen wordt door een wisselend gebruik van ‘ik’, ‘jij’ en ‘hij’ naar hem verwezen. De roman draait rondom de pogingen van Alan om zijn vader ‘De Arend’ te begrijpen. Deze ex-marinier koesterde een grote liefde voor koningin Wilhelmina en het Huis van Oranje en hi keerde zich tegen zijn landgenoten door met de Nederlanders mee te vechten tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. De Arend raakte getraumatiseerd en eenmaal in Nederland blijven de schimmen hem achtervolgen.

Ik vraag me overigens af of Alan Noland het alter-ego is van de auteur Alfred Birney en ik hoop dat degene die deze week een presentatie moet houden daarop antwoord kan geven.

 

Postkoloniale literatuur?

Algemene aspecten van postkoloniale teksten, toegepast op de roman die we deze week hebben moeten lezen:

 

Hybriditeit: en-en, twee werelden, twee subjecten, ontheemd, zowel negatief als positief

De vader van Alan is een Indo en werd niet door de Nederlandse kolonisator en de Indonesische bevolking erkend. Hij leeft tussen twee werelden, net als zijn zoon Alan. Alan probeert zich weliswaar volledig aan te passen aan de Nederlandse samenleving, maar hij blijkt geplaagd te worden door een vloek die over zijn familie is uitgesproken.

 

Representatie: verwerpen/aanvaarden stereotypen, nieuwe representaties

De Nederlanders confronteren Alan met zijn afkomst tijdens de gewelddadigheden van de Molukkers: hij zal ook wel zo zijn in hun ogen.

 

Terugschrijven: verwerken koloniale literatuur, verwijzingen naar koloniale literatuur

 

Herschrijving geschiedenis ↔ officiële geschiedenis (grote verhaal ↔ kleine verhaal)

In de roman is veel aandacht voor de positie van de Indo, die tussen twee werelden leeft. De vader van Alan benadrukt dat hij vor zijn inzet voor Nederland nooit waardering heeft ontvangen. Toch heeft hij nooit spijt gehad van zijn keuze: ‘Als de Hollanders morgen de boel weer zouden gaan koloniseren, dan stond hij vooraan in het gelid.’

 

Taal

Alan en zijn broer beheersen het Nederlands goed. De Arend spreekt in het petjoh met zijn kennissen en de familie in Indonesië beheerst het Nederlands gebrekkig.

 

Mythes en het magische

Het magische speelt een overheersende rol in de roman. Het meest duidelijk zijn de passages waarin een zwarte vogel verschijnt: de voorbode van onheil in Indonesië. Na de eerste verschijning verschijning krijgt het gezin van Alan het bericht dat grootmoeder is gestorven, na de tweede keer – bij het graf van zijn grootmoeder – wordt Alan ziek. Op de laatste bladzijden krijgen we van Alans medepassagiers op de terugvlucht naar Nederland te horen dat er op Java geen vogels meer vliegen door de schietlust van de bevolking. Dit vergroot het mysterie alleen nog maar. Alan berust erin dat rationele westerse verklaringen niet meer toereikend blijken te zijn.

Over de familie lijkt een soort vloek te zijn uitgesproken en hierdoor krijgt de roman min of meer het karakter van een spookverhaal. In een droom verschijnt zijn grootmoeder aan hem, gekleed in een lange witte sluier. Allerlei voorwerpen blijken magische krachten te bezitten (of krijgen deze tenminste toebedeeld), zoals de drie porseleinen vazen. ‘Die porseleinen erfstukken waren heilig en als ze braken zou er een afschuwelijke vloek over ons komen, met de wind, helemaal uit Indië.’

 

Vormen/beschrijven van identiteit

Alan heeft een Nederlandse moeder (‘Moeder Anneke’), maar een Indische vader. Hij worstelt met zijn identiteit. Zijn vader was een ‘verrader’ en als zoon draagt hij deze last op zijn schouders.

Het huwelijk van zijn vader en moeder loopt uit op een scheiding. Alan blijft zijn moeder zien, dit tot teleurstelling van zijn vader die opmerkt: ‘Wat moet jij daar? Goed, zij is jouw moeder, maar kijk eens goed in de spiegel. Jij hebt mijn bloed.’

Tijdens de gewelddadige acties van de Molukkers in Nederland, wordt Alan geconfronteerd met zijn afkomst. Met zijn donkere uiterlijk leek hij op een Molukker en daarmee riep hij bij veel Nederlanders een vijandige reactie op. ‘Je ging dus zo min mogelijk de straat op en liet huisgenoten de boodschappen doen uit angst voor sentimentele, wraakzuchtige boerenkinkels die nog nooit een geschiedenisboek hadden opengeslagen.’

Alan en zijn tweelingbroer Philip vormen tegenpolen: Alan maakt zich – in tegenstelling tot zijn broer – erg druk over zijn afkomst. Toch kunnen de broers het goed met elkaar vinden en laten zij elkaar in hun waarde.

De Arend is geobsedeerd door racisme en raadt zijn zoon aan om zijn heil ergens anders te zoeken: leer Spaans of Portugees en vestig je in één van die landen, daar val je minder op.

 

Reizen en verplaatsen als thema (afkomstig uit migrantenliteratuur)

Alan is als kind gefascineerd geraakt door een portret van zijn grootmoeder, die een magische invloed op het gezin lijkt uit te oefenen. In het derde deel van de roman vertrekt Alan naar Indië. Hij hoopt daar meer informatie over zijn grootmoeder te verzamelen, maar veel wijzer wordt hij er niet. Ook niet over de geschiedenis van zijn vader. Tante Lea ontkent bijvoorbeeld dat zijn vader tijdens de eerste politionele actie aan het front gevochten heeft. Ook over Josida’s verdwijning doen verschillende versies de ronde. Iedereen blijkt zijn eigen verhalen te hebben, er bestaat niet één waarheid. Uiteindelijk verbrandt Alan het manuscript van zijn vader: de waarheid doet er eigenlijk niets toe, de hele familie is slachtoffer van de koloniale oorlog.

 

Gefragmenteerde manier van opschrijven, geen chronologie, mozaïek

Door het zich wijzigende vertelperspectief is er sprake van een fragmentarische roman.

 

Conclusie: Vogels rond een vrouw van Alfred Birney behoort tot de postkoloniale literatuur.

 

Adriaan van Dis – Indische duinen

 

Ik zal mijn referaat beginnen met een korte schets van de biografische achtergrond van de schrijver Adriaan van Dis.

Adriaan van Dis werd in 1946 geboren als onecht kind van Victor Mulder en Marie van Dis, die beiden uit Nederlands-Indië naar Nederland repatrieerden. Hij werd verwekt in Nederlands-Indië, maar kwam ter wereld in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Hij deed eindexamen HBS in Hilversum en volgde vervolgens de studie MO Nederlands in Amsterdam. Hij richtte zich daarna op de studie Zuid-Afrikaans, waarin hij afstudeerde op een scriptie over Breyten Breytenbach in 1978. Zijn interesse voor het Zuid-Afrikaans en zijn fascinatie voor Afrika is goed te verklaren. Indonesië herinnerde hem teveel aan zijn vader en daar wilde hij verre van blijven. Hij las er geen boeken over en hij ging er pas in 1998 voor het eerst naartoe. Hij zocht eendere problemen, maar in ándere gebieden. Hij koos voor Afrika. Bovendien leek het Zuid-Afrikaans erg op het Petjôh dat bij hem thuis vaak werd gesproken. Tijdens en na zijn studie was hij werkzaam als journalist en redacteur bij NRC Handelsblad. Hij kreeg grote landelijke bekendheid door het tv-programma Hier is ... Adriaan van Dis van de VPRO, waarvoor hij in 1986 de Nipkowschijf ontving. In 1992 stopte hij met dit programma om zich geheel aan het schrijverschap te kunnen wijden. In datzelfde jaar stopte hij ook met het redactielidmaatschap van De Gids, dat hij vanaf 1987 had vervuld.

In 1983 verscheen Nathan Sid, waarvoor hij de Gouden Ezelsoor 1984 ontving, de prijs voor het best verkochte literaire debuut. In 1992 veroorzaakte zijn reisverhaal Het beloofde land (1990) commotie, omdat Vrij Nederland hem beschuldigde van plagiaat. Hij zou enkele bladzijden zonder bronvermelding hebben overgenomen uit een Amerikaanse sociologische studie. Van Dis revancheerde zich in 1994 met Indische duinen, dat zowel voor de AKO-prijs als de Librisprijs werd genomineerd. Hij ontving er de Publieksprijs en de Gouden Uil voor.

 

Een intrigerende behoefte van veel lezers – en daarop vorm ik zelf geen uitzondering – is het achterhalen welke gegevens in een boek autobiografisch zijn. In een interview met Rob Schouten in Trouw zei van Dis over het autobiografische karakter van zijn roman Indische duinen het volgende: ‘Wat weet een kind werkelijk van zijn vader op die leeftijd? Herinneringen groeien uit tot verhalen. Je gevoelens verhevigen. Er ontstaat een roman in je hoofd. […] Ik dacht dat ik die man alleen maar kon haten, maar tijdens het schrijven aan dit boek merkte ik dat ik ook van ’m kon houden. Zo heeft het wel degelijk gewerkt, al is therapeutisch een te groot woord. Er is met dit boek voor mij een onderwerp afgesloten.’

 

In het onlangs verschenen decembernummer van Psychologie Magazine staat een uitgebreid interview met Adriaan van Dis. Het beeld dat Van Dis in dit interview van zijn jeugd schetst, lijkt wel heel erg op dat van de hoofdpersoon in Indische duinen. Ik zal een passage uit het interview citeren: ‘Mijn vader, die een voorbeeld voor mij had moeten zijn, was getekend door de oorlog in Nederlands-Indië. Hij sloeg me zonder dat hij het wilde; hij was krankzinnig en zwak en ziek. Mijn moeder en drie oudere zussen hadden mij troost moeten bieden, maar konden dat niet. Zij lieten me niet toe in hun wereld. Ik was en bleef een buitenstaander. Iedereen om me heen was getraumatiseerd door die oorlog in Nederlands-Indië. Ik maakte geen deel uit van hun verleden; ik was na de repatriëring in Nederland geboren. De anderen waren dus vreemden op nieuwe grond en ik was het naoorlogse kind dat alles goed moest maken. Maar daar ben je helemaal niet voor toegerust als je het verleden van je ouders moet meetorsen.’

 

Het is nu hoog tijd om over te stappen op de bespreking van de roman. In Indische duinen woont een blank jongetje met zijn ouders en zijn drie bruine halfzussen in het dorpje Bergen aan Zee. Het jongetje is als enige na de oorlog geboren en voelt zich een buitenbeentje temidden van alle Indische families die allemaal een gemeenschappelijk, maar onduidelijk verleden hebben. De vader van het jongetje is een oud-KNIL-sergeant en wil van zijn zoon een ‘vent’ maken. Als de hoofdpersoon elf jaar oud is sterft de vader en het jongetje blijft met heel veel vragen over hem en zijn familie achter. Pas op zijn zesenveertigste gaat hij op zoek naar zijn afkomst, dit naar aanleiding van het overlijden van zijn halfzus Ada: ‘Ik besefte dat ik niet om Ada rouwde, maar om mijn vader. Ik dacht dat ik hem goed in bedwang had, vastgestampt onder zoden van cynisme, en nu piepte hij plotseling uit zijn graf. Jaren was mijn haat een houvast, alles wat ik deed of naliet kwam voort uit verzet tegen mijn vader.’

 

Het zal jullie vast en zeker opgevallen zijn dat de hoofdpersoon in de roman geen naam heeft. In de passage over het ‘letterdansen’ (p. 263) worden echter de letters A (2 keer), T, H en N (ook twee keer) genoemd en in een andere volgorde vormen deze letters de naam Nathan, de sterk autobiografische hoofdpersoon uit Van Dis’ roman Nathan Sid, waarbij SID een anagram zou kunnen zijn van DIS. In het vervolg zal ik de hoofdpersoon dan ook Nathan noemen.

 

Tijdens de zoektocht naar het verleden, overheerst aanvankelijk Nathans haat tegenover zijn vader. Het oorlogstrauma van de vader heeft nogal wat invloed gehad op het gezinsleven en vooral op dat van zijn zoon. De vader heeft nooit de gebeurtenissen die hij in de oorlog meemaakte kunnen verwerken. De opvoeding die hij zijn zoon geeft, bestaat vooral uit het kind weerbaar maken voor de volgende oorlog. Het heeft ertoe geleid dat de zoon zichzelf, maar in feite ook zijn vader haat. Maar niet alleen de hoofdpersoon, maar ook zijn halfzussen hebben het zwaar te verduren gehad door het gedrag van zijn vader. Van Els Groeneweg horen we bijvoorbeeld de reden van Jana’s vertrek uit Nederland. Dit had alles met de vader te maken, die zijn handen niet van Jana kon afhouden.

De oorlog en de Japanse kampen hebben dus diepe sporen achtergelaten. De vader leeft volkomen dwangmatig, denk bijvoorbeeld aan het tellen en het maken van ingewikkelde berekeningen. Maar ook de moeder en de drie zusjes zijn enorm door de oorlog beïnvloed. De eerste echtgenoot van de moeder en de vader van de drie zusjes wordt vermoord. De moeder zelf komt ondervoed in Nederland aan: haar tanden zitten los, ze is vel over been en begint al grijze haren te krijgen. Ada kreeg extra aandacht van een Japanse soldaat. Het hoe en wat wordt de lezer niet verteld, maar er wordt wel het een en ander gesuggereerd. Ada was echter, net als haar zus Jana en haar moeder erg flink na de oorlog: niet zeuren, positief denken. Zus Saskia, die ten tijde van het kamp twee jaar was, krijgt echter last van een trauma en gaat in therapie bij Centrum ’45, waarschijnlijk een verbastering van de werkelijk bestaande Stichting ’40-’45.

 

Een belangrijke passage in de roman begint op bladzijde 151. Hier gaat Nathan een – denkbeeldig – gesprek aan met zijn vader. Voor het eerst in zijn leven bepaalt hij hoe dit gesprek verloopt: ‘Nee stil, ik ben de rekenmeester hier vanavond. Aan deze tafel praat ik ook voor jou.’ Hij vertelt de verhalen van zijn vader, maar nu met de beschikking over de juiste historische feiten. Hij vertelt onder andere over de torpedering van de Junyo Maru en de dodenspoorweg Pakan Baroe. Voor het eerst in zijn leven denkt hij iets te begrijpen van het vreemde gedrag van zijn vader, zoals zijn telmanie. Het blijkt achteraf dat de vader tijdens folteringen ingewikkelde berekeningen maakte om zijn aandacht af te leiden van het gebeurde. Een manier dus om te overleven. De haat van de zoon maakt geleidelijk plaats voor begrip. Na het bezoek aan zijn halfzus Jana in Canada wordt de hoofdpersoon definitief bevrijd van de knellende last van zijn vader. Terwijl zijn moeder en zijn halfzus Saskia naar huis vliegen, neemt de hoofdpersoon een omweg via Cape Cod, een eiland met duinen. In dit landschap komen er herinneringen aan een patrouilletocht met zijn vader naar boven, waarbij hij met een rugzak vol zand een zware tocht door de duinen moest afleggen. Van Dis schrijft: ‘Ik liep het duin op, en de last werd lichter. De gewonde was een engel die boven mijn rug zweefde.’

Bijna het gehele verhaal wordt verteld door de ‘ik’-persoon Nathan. Via hem komen we allerlei bijzonderheden te weten over zijn familie. Maar is het allemaal wel waar wat hij vertelt? Hoe objectief en volledig is hij? Dit probleem komt duidelijk naar voren aan het einde van de roman. Het hele verhaal door hebben we meegeleefd met de hoofdpersoon en hebben we een bepaald beeld gekregen van zijn vader. Vele malen had ik tijdens het lezen medelijden met het kleine jongetje dat dagelijks het slachtoffer was van zijn autoritaire vader. En dan zet de epiloog in waarin de moeder het hele verhaal op losse schroeven zet door haar overpeinzingen dat het kind alle excercities zelf wilde. Van Dis schrijft: ‘Hoe kon die jongen zijn vader haten? Ze waren gek op elkaar, je zag het op die foto, ze straalden allebei! Al die verhalen waar hij iedereen mee lastigviel … het slaan, die stok … Er waren grote fouten gemaakt, zeker, maar wanneer kwam hij daar nou toch eens eindelijk van los? Ze zou hem eigenlijk moeten vertellen dat hij na tafel zélf die stok aandroeg: ‘Gaan we oefenen, pap?’ Híj trok zijn vader mee naar buiten, híj wilde bomen leren klimmen, hoewel zijn vader er veel te ziek voor was. […] Misschien wees Justin hem daarom af en wist hij zich geen raad met zoveel aanhankelijkheid.’

 

Voordat ik overstap op de bespreking van de postkoloniale elementen in het boek, wil ik eerst een opmerking maken op de bibliografie die achterin het boek is opgenomen. Je zou deze bibliografie kunnen opvatten als een historische onderbouwing van de dokumenten die Van Dis heeft geraadpleegd bij het schrijven van zijn familiegeschiedenis. Maar er is meer aan de hand. In de roman die voor Indische duinen verscheen – Het beloofde land – had Adriaan van Dis zich volgens critici schuldig gemaakt aan plagiaat. Hij zou bepaalde voorstellingen van mensen in de Karoo uit Vincent Crapanzano’s Waiting: the Whites of South Africa hebben overgenomen. Adriaan van Dis trok het boetekleed aan, maar bezwoer dat hij een en ander in onschuld had gedaan. In Indische duinen neemt hij subtiel wraak op de beschuldigingen door achterin het boek een uitvoerige vermelding van alle geraadpleegde en gebruikte literatuur op te nemen.

 

Ik ga nu over tot de bespreking van het rijtje postkoloniale kenmerken, toegepast op de roman die we deze week hebben gelezen.

 

Hybriditeit: en-en, twee werelden, twee subjecten, ontheemd, zowel negatief als positief

De titel van de roman luidt Indische duinen. Maar wat zijn dat eigenlijk? Eigenlijk is het een onmogelijkheid. Die twee begrippen passen niet bij elkaar en horen niet bij elkaar. En als je dan toch temidden daarvan moet opgroeien, dan heb je het niet makkelijk. De titel van de roman geeft dus eigenlijk al aan dat we te maken hebben met twee verschillende werelden, in dit geval Nederlands-Indië en Nederland.

De moeder lijkt het minst moeite met de verplaatsing van Nederlands-Indië naar Nederland, waarschijnlijk ook omdat het haar geboorteland is. Zij is echt het schoolvoorbeeld van een vrouw die er alles aan doet om zich aan te passen aan het land waarin ze verblijft. Als Nederland in zicht is op de boot dan merkt ze tot haar verbazing dat er een Hollandse aardappel uit haar keel opklinkt, in Nederlands-Indië waren haar harde klanken bijgeslepen. Ook kijkt ze op de boot vol medelijden naar de vrouwen in sarong en kabaja. Wie zo Nederland instapte, zou het nog moeilijk krijgen, dacht ze. Toch heeft ook de moeder het niet makkelijk na haar terugkomst. Ze had geen thuis om naar terug te keren: haar vader had het haar immers nooit vergeven dat ze zo jong naar Nederlands-Indië was vertrokken. Hij kende haar man en kinderen alleen van de foto’s. Ze voelde er niets voor om naar hem terug te keren. Na de dood van Nathans vader, wil zijn moeder niet meer herinnerd worden aan Nederlands-Indië: ‘Met mijn vader stierf ook Indië in huis. Mijn moeder wilde er niet meer aan herinnerd worden en dat kwam niet alleen door het kamp, maar vooral door de familierompslomp en de lange tenen. In haar eerste huwelijk had ze al ervaren hoe moeilijk het was om in een bruine familie te trouwen, ze voelde zich nooit helemaal geaccepteerd. Hoezeer ze als jong Hollands meisje ook haar best deed Maleis te leren en zich de nieuwe cultuur eigen te maken, haar mans familie zag haar toch als een bedreiging en liet niet na haar fijntjes buiten te sluiten. Het was welletjes. Indië lag achter haar.’

De vader van Nathan voelt zich duidelijk niet thuis in Nederland. Maar het is in mijn ogen niet alleen het gemis van zijn geboortegrond dat hem zo ongelukkig maakte. Het stak hem dat hij geen status had, geen baan, geen trots verleden, alleen een bastaardzoon en een vrouw met drie bruine kinderen, door ’s Rijks Repatriantendienst weggestopt in een koloniehuis aan zee. Het belangrijkst is misschien nog wel de schaamte die zijn geluk in de weg staat: waarom waren velen van zijn kampgenoten dood en hij niet? Deze schaamte verhindert hem voor zijn geluk te leven.

Ook de halfzussen van Nathan hebben het moeilijk in Nederland. Maar het meest problematisch is misschien nog wel de situatie van Jana die naar Canada is geëmigreerd. Eigenlijk had ze liever naar Australië gewild, maar daar was ze te bruin voor. Jana heeft haar zoon en dochter nooit iets over haar en dus ook hun achtergrond verteld. Ze is nooit de confrontatie met het verleden aangegaan en heeft nooit over haar jeugd en haar kampervaringen gepraat. Saskia verwijt dit haar zus: ‘Kijk naar je dochter, hoe ziet ze eruit? Een halve Chinees, heb je haar dat uitgelegd? Je ontneemt je kinderen hun achtergrond.’ Jana verdedigt zich door te beweren dat haar kinderen Canadees willen zijn en zich schamen voor hun achtergrond. Ze zegt letterlijk: ‘Dit land is een mishmash, alle kleuren, alle soorten, dat maakt ons Canadees.’ Toch blijkt dat Jana’s dochter wel degelijk belangstelling voor haar achtergrond heeft: ze wil tijdens het bezoek van haar familie juist alles over haar achtergrond weten.

Nathan voelt zich buitengesloten door zijn ouders en zijn halfzussen. Hij had altijd het gevoel dat hij niet mocht delen in het Indische verleden. Zij waren jaloers op zijn vrede en hij was jaloers op hun oorlog.

 

Representatie: verwerpen/aanvaarden stereotypen, nieuwe representaties

Net als in de vorige romans, vinden we ook in deze roman stereotypen over oosterlingen. Els vertelt bijvoorbeeld over haar schooltijd: ‘Sommige leraren waren heel rood en die hadden ontzettend de pik op kinderen uit Indië, ze treiterden ons met verhalen over luie kolonialen, we waren onderdrukkers, uitbuiters. En je kon makkelijk zien dat we uit de tropen kwamen, met ons gele vel en onze holle ogen. Op het schoolplein scholden ze ons uit voor dubbele bonnenvreters. Ik schaamde me rot.’ Ook in deze roman wordt weer geschreven over de haat tegenover de Molukkers: ‘Weet je nog toen de Molukkers die trein kaapten? In die week ben ik wel drie keer op het station gefouilleerd, één keer moest ik plat op de grond liggen. We zijn outsiders, ze zullen ons er altijd aan herinneren dat we anders zijn, we horen nergens bij.’

Behalve over oosterlingen, staan er in de roman ook stereotypen over westerlingen: regelmatig wordt gezegd dat het Hollandse weer slecht is voor de gezondheid en ook het ‘Hollandse fatsoen’ wordt opnieuw beschreven. Denk bijvoorbeeld aan de dood van Nathans vader: ‘De dag na mijn vaders dood moest ik het de mensen zelf gaan zeggen. Mijn vader was niet met mijn moeder getrouwd en om die reden konden er geen kaarten worden verstuurd – het waren nog fatsoenlijke jaren.’

 

Terugschrijven: verwerken koloniale literatuur, verwijzingen naar koloniale literatuur

In de roman komen verschillende verwijzingen naar koloniale literatuur voor, zoals de ‘gordel van smaragd’ van Multatuli, Gullivers reizen, de hut van oom Tom en de sprookjes van Duizend-en-één-nacht.

 

Herschrijving geschiedenis ↔ officiële geschiedenis (grote verhaal ↔ kleine verhaal)

In Indische duinen wordt een dubbele oorlogsgeschiedenis verteld, namelijk die van Just I en Just II. Just I (de vader van Jana, Ada en Saskia) toont de problematische situatie van de Indo, zoon van een Hollandse planter en zijn njai, de inlandse huishoudster. Een man die aan alle kanten mis zat: bij zijn eigen volk waartegen hij streed en bij de Hollandse autoriteiten die na de oorlog niet geloofden dat een Indische jongen voor de Hollanders koos. Just II (de vader van Nathan) toont de problematische situatie van de blanke overheerser. Ook hij vocht aan Nederlandse zijde in het KNIL, terwijl zijn familie al zes generaties in Indië woonde en hij Nederland dus slechts van horen zeggen kende. Hij identificeert zich zo sterk dat hij op een gegeven moment alle details van de Duitse oorlog kent en zijn eigen oorlog verzwijgt. Maar aan beide kanten wordt hij miskend: én uitgescholden voor pinda, én voor ploppermoordenaar (moordenaar van zijn eigen volk). De oorlog van Just I en Just II is niet alleen een vergeten oorlog, maar ook een nooit geëindigde oorlog, omdat er voor de betrokkenen uiteindelijk geen enkele positie kon zijn die in ieders ogen ‘goed’ werd bevonden.

De moeder van Nathan beschrijft treffend welk beeld de Nederlanders hadden van de oorlogsjaren in Indië. Niet voor niets klaagde de moeder nooit. Een klacht over het kamp en de mensen begonnen over hun eigen sores te praten. Wat had ze niet moeten slikken: ‘Ach, jullie kolonialen hebben het lang zo erg niet gehad, lastig hoor, een paar jaar zonder baboe, maar toch altijd mooi weer en aan elke boom groeide een banaan. Vergelijk dat eens met onze hongerwinter, wij hebben tulpebollen moeten vreten.’ Het leed van de moeder was tweedehands leed en ze was moe gestreden. Ook beschrijft ze hoe hard ze heeft moeten vechten voor het eerherstel van haar eerste echtgenoot, hoe ze heeft moeten vechten voor het achterstallige soldij en een karig pensioentje: ‘Een Indische jongen die in de oorlog de kant van de Hollanders koos, kom nou. Heulden niet alle opgeleide Indo’s met de Japanners en de Indonesische nationalisten?’

 

Taal

Wie Adriaan van Dis wel eens op de radio of op de televisie heeft horen spreken, zal door zijn keurig verzorgde Nederlands niet snel het vermoeden krijgen dat hij een Indische achtergrond heeft. Ook bij Nathan treffen we in zijn taalgebruik nauwelijks Indische elementen aan, behalve als hij als kind op zondag toneelstukjes speelde en de Jappen of Indische mensen nadeed. Het meest Indisch klinkt de vader van Nathan: ‘Zijn stem klonk als een schot, hard, en van zo ver, Indisch. Alle klemtonen verkeerd.’ Saskia gaat als ze in behandeling is bij Centrum ’45 een cursus Maleis volgen, dat maakt deel uit van haar identiteit.

 

Mythes en het magische

De vader en de moeder omarmen de antroposofische leer van Rudolf Steiner, een leer waarin mens en kosmos stevig met elkaar verbonden zijn en waarin de hogere geesteswereld een belangrijke plaats inneemt. Maar ongetwijfeld is er ook sprake van de invloed uit Indië: de stille kracht. Ada en Saskia krijgen daar ook hun portie van mee. Saskia staat zelfs in rechtstreekse verbinding met de verongelukte astronaute Sheila en kan dan ook veel voorspellen. Bij Ada’s crematie is, volgens de moeder en Saskia, haar vader Just I zelf aanwezig. Zelfs Aram ontkomt niet aan het hogere: ‘‘In de aula voelde ik ook een hand op mijn hoofd,’ zei Aram, ‘heel raar, ik voelde dat iemand naast me kwam zitten en zijn hand op haar legde. Een man in uniform, heel griezelig.’’ De hoofdpersoon staat nogal sceptisch tegenover dit soort zaken. Dat zijn moeder, zussen en tantes zo bijgelovig zijn, daar is hij aan gewend, maar dat zijn Hollandse neefje Aram ook een dergelijke ervaring zou hebben, daar kan hij met zijn verstand niet bij: ‘Arme Aram, dacht ik, gezond verstand, derde klas gymnasium en ook al aangeraakt door hoger sferen.’ Maar zelf heeft de hoofdpersoon ook wel degelijk bijzondere ervaringen. Zo lezen we: ‘’s Nachts voelde ik een hand langs mijn hand gaan. Hij streelde mijn armen, mijn blonde haartjes rilden en even werd ik opgetild alsof ik mijn eigen lichaam verliet, licht was ik, zonder pijn, ik viel in een diepe duizeling en werd wakker.’ Ook als de hoofdpersoon eindelijk toch in Canada is (wat hij niet wilde) nadat hem dit al veel eerder door zijn tante Nikki tijdens de crematieplechtigheid van Ada voorspeld was, lijkt er ook voor hem meer te zijn tussen hemel en aarde: ‘Ja, goed dat ik gekomen was! Toch naar mijn innerlijke stem geluisterd, want wees eerlijk, hield ik niet meer van mijn familie dan ik wou toegeven?’

 

Vormen/beschrijven van identiteit

De identiteit van de hoofdpersonen is voor een belangrijk deel gevormd door de oorlog, kampervaringen, naoorlogse gebeurtenissen en de Indische achtergrond. Vooral de vader van het gezin heeft grote schade opgelopen door de oorlog. De zusters laten in de loop van de roman ieder een eigen houding, een wijze van verwerking van al deze problemen zien: zwijgen, bagatelliseren en overdrijven. Nathan noemt de problemen van de tweede generatie aanstellerij. Hij spreekt cynisch over wat hij aanvankelijk het hulpverlenerscliché noemt en waartoe uitspraken behoren als ‘de oorlog gaat van binnen gewoon door’ en ‘voor degenen die het meemaakten is de bevrijding nog steeds niet gekomen’. Hij denkt lange tijd dat Saskia’s problemen niet door de oorlog en haar Indische achtergrond, maar eerder door haar mislukte artistieke carrière en haar mislukte huwelijk veroorzaakt worden. Maar deze cynische houding houdt geen stand. Ook Nathan moet zich ontdoen van de last van zijn Indische verleden. Hij wil afrekenen met zijn vader om wat deze hem aandeed, maar ook met degenen die zijn ouders destijds (in de beginjaren) in Nederland vernederden. En ook zien we dat de hoofdpersoon korte metten probeert te maken met de familieleugens zoals ze daar waren rondom de afkomst van zijn vader, diens eerste huwelijk en de reden van vertrek van Jana naar Canada. Hij doet een aantal verrassende ontdekkingen. Maar door het relaas van de neutrale vertelinstantie aan het einde van de roman, die de herinnering van moeder en zoon haaks op elkaar laat staan, gaan we beseffen dat veel van het verleden niet te achterhalen is. Herinneringen zijn per definitie vervormd door de tijd en dus nooit betrouwbaar.

 

Reizen en verplaatsen als thema (afkomstig uit migrantenliteratuur)

In tegenstelling tot alle andere romans die we tot nu toe tijdens deze collegereeks hebben gelezen, reist de hoofdpersoon niet af naar Indonesië op zoek naar zijn verleden. De hoofdpersoon maakt wel een reis langs familieleden en andere mensen die vooral zijn vader gekend hebben en die in Nederland wonen, op zoek naar de waarheid omtrent de familiegeschiedenis. Zo komt hij bijvoorbeeld terecht bij zijn tante Edmee, de halfzus van zijn vader. Wel is er natuurlijk de bootreis van Indië naar Nederland en de reis naar Canada. Het is opvallend dat de roman – net als in De overkant en Vogels rond een vrouw – eindigt in het vliegtuig.

 

Gefragmenteerde manier van opschrijven, geen chronologie, mozaïek

Indische duinen is een roman, maar er komen veel andere, meer documentaire tekstsoorten in voor, zoals die van oudsher in de Indische letterkunde een rol spelen. Dagboekfragmenten van Ada met haar kampherinneringen. Brieven van verschillende personen, die deels of volledig zijn opgenomen. Documenten zoals de akte van ontkenning en een verslag van een getuige. En tot slot beschrijvingen van foto’s.

 

Conclusie: Indische duinen van Adriaan van Dis behoort tot de postkoloniale literatuur.

 

Leesverslag Reggie Baay – De ogen van Solo

 

Over de auteur

Reggie Baay is op 2 juli 1955 geboren in Leiden. Hij komt uit een Indisch gezin met een Indische vader en een Indische moeder. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Leiden. Op internet staat een kort interview met hem en op de vraag hoe Indisch hij is, antwoordt hij: ‘Tja, ik weet niet of je van jezelf kunt zeggen hoe Indisch je wel of niet bent. Ik ‘voel’ me in ieder geval wel Indisch, en dan niet alleen omdat ik vrijwel dagelijks Indisch kook, maar vooral in die zin dat het Indische verleden, mijn verleden, me zeer bezighoudt. Ik schrijf er ook over. Op dit ogenblik werk ik aan een boek over de njai, de concubine van de Europeaan , de oermoeder van de Indo. Het boek verschijnt volgende voorjaar bij Athenaeum, Polak & Van Gennep. Vorig jaar is er een roman van me verschenen over de zoektocht naar een Indische vader en een Javaanse voormoeder. Allemaal nogal Indisch dus!’ (http://www.vervanfamilie.nl/page/99/Reggie_Baay)

 

De roman De ogen van Solo

De roman is een bundel autobiografische verhalen. Adriaan van Dis schreef de volgende aanbeveling: “De Ogen van Solo is de geschiedenis van een vader verteld door een zoon, soms pijnlijk, dan weer ontroerend. Maar het is meer dan een persoonlijk verhaal, door detail en toon is het zeer herkenbaar, niet alleen voor lezers die een band met de oude kolonie Nederlands Indië hebben, maar voor iedereen die geïnteresseerd is in migratie en ontworteling. Reggie Baay raakt een snaar uit het verleden die vandaag nog natrilt en ons opnieuw bezig houdt. Een roman die je aankijkt en meesleurt.”

(http://www.tongtong.nl/ReggieBaay.htm)

 

Postkoloniale literatuur?

Algemene aspecten van postkoloniale teksten, toegepast op de roman die we deze week hebben moeten lezen:

 

Hybriditeit: en-en, twee werelden, twee subjecten, ontheemd, zowel negatief als positief

De vader is van gemengde afkomst. Hij was soldaat in het KNIL. Hij voelt zich niet thuis in Nederland en hij dient een verzoek in om zo snel mogelijk te worden uitgezonden naar Nieuw-Guinea (p. 33). Hij mist vooral de overrompelende schoonheid van de natuur (p. 88). De zoon heeft hem slecht een enkele keer kunnen verleiden om te spreken over zijn verleden in Azië, maar dat beperkte zich dan tot zintuiglijke herinneringen (p. 9).

De vader wilde nooit op vakantie. Hij was een ontheemde die eindelijk – door gewenning – zijn plek had gevonden en bang was alleen al door een vakantie weer ontheemd te raken (p. 24).

Het huis van het gezin was doortrokken van de tropen. Overal bevonden zich de materiële bewijzen van het Oost-Indische verleden van de bewoners (p. 29).

Volgens de zoon leven Indische mensen in een gescheiden werelden: tijdens gezamenlijke bijeenkomsten, in de veiligheid van de eigen bangsa, leken ze zich eindelijk volkomen te ontspannen. Hier leek het of opeens iedere volwassene weer kon zijn zoals hij werkelijk was en wilde zijn; bevrijd van het dwingende keurslijf van die andere wereld buiten (p. 99).

Voor de zoon is – in tegenstelling tot de vader – de hybriditeit geen probleem.

 

Representatie: verwerpen/aanvaarden stereotypen, nieuwe representaties

Nederland wordt omschreven als een land zonder kleur. De lucht, het land en de zee: ze zijn één. Holland is een land van grijstinten, ook in de zomer (p. 65). Ook oom Boet is niet erg onder de indruk van het landschap. Hij vond er helemaal niets aan: egale, deugdelijk geasfalteerde wegen en een plat, kaal en onaantrekkelijk landschap. En alles zo klein en voorspelbaar. Geen enkele verrassing, geen enkel gevaar, geen enkel avontuur. Nederland kon hem dus niet bekoren (p. 113).

Nederland is het land waar niets mag en schijnbaar alles moet. Het is het land van Tidak Bisa (= kan niet) (p. 70).

Het is vreselijk koud in Nederland. Alleen oom Boet is bestand tegen de kou. Hij had het nooit koud, ook niet wanneer het vroor, want hij had warm bloed, nog uit de tropen; de zon zat nog in z’n lijf, en zorgde onder alle omstandigheden voor een ideale, aangename lichaamstemperatuur (p. 97).

In pension Oud London ging het verhaal vaak over de moeder en – vooral – over het verlies van ‘ons’ Indië. De teneur was dan: ‘uit de bomen schieten, dat moest er gebeuren met die apen’; ‘eeuwig zonde om ons Insulinde te verkwanselen aan een stelletje ploppers’ en ‘Soekarna was, na Hitler, de grootste misdadiger van deze tijd’. Aan de moeder werd overigens nooit iets gevraagd (p. 72).

De toezichthouder van de familie na aankomst in Nederland was de ongehuwde, streng Christelijke mevrouw G. Zij had zich tot doel gesteld de ‘arme’ Indische mensen aan een beter bestaan te helpen (p. 76). Toen de vader op een dag een windbuks mee naar huis nam om zijn zoon te leren schieten (zoals Indische vader dat gewoon waren te doen in Indië), en mevrouw G. op een bepaald moment het schiettuig opmerkte, verschoot zij eerst volledig van kleur om vervolgens op ijzige toon de historische woorden te spreken: ‘Meneer Bedier, U bent hier in Holland en niet in dat barbaarse land van u! Dit doen wij hier dus niet. Dit kan niet; dit mag niet. Het is tegen de wet.’ (p. 77). Hetzelfde gold later voor de katapult.

 

Terugschrijven: verwerken koloniale literatuur, verwijzingen naar koloniale literatuur

Geen bijzonderheden opgevallen.

 

Herschrijving geschiedenis ↔ officiële geschiedenis (grote verhaal ↔ kleine verhaal)

De vader heeft de Tweede Wereldoorlog doorgebracht in krijgsgevangenschap in Birma en Siam (p. 10). In 1950 vertrekt hij naar Nederland. De aankomst was schokkend: een kamp! Een slagboom, een wachthuisje, barakken en zelfs prikkeldraad. Waren ze de ene ellende ontvlucht, kwamen ze in de andere terecht. Dit voelde niet alleen, dit was een internering! Kamp Schattenberg, daar waren ze terechtgekomen, het voormalige Westerbork (p. 69). Even treurig was het latere verblijf in de contractpensions (p. 71). Waar ik geschokt door was, is het feit dat alle kosten voor de opvang tot de laatste cent moest worden terugbetaald (p. 76).

Het verhaal over Johnny de Vecht maakt duidelijk dat Indische mensen voor een onmogelijke keuze worden gesteld: niet welkom in het moeder- en niet welkom in het vaderland (p. 40-41).

Het verhaal over Bert (vanaf p. 41) maakt duidelijk dat de Nederlanders de situatie van de Indische oorlogsslachtoffers willens en wetens ontkent. ‘Verbeeld je, die woont in Indonesië!’ (p. 46). Bert zegt letterlijk: ‘Als men mij en de andere Indische oorlogsgetroffenen als niet bestaand beschouwt, dan besta ik niet meer. En omdat ik niet meer besta, spreek ik niet meer. Nooit meer. Als mijn omgeving niet met mij wenst te praten, dan praat ik niet meer met mijn omgeving!’ (p. 49).

De dokter begrijpt helemaal niets van Berts situatie: die stelt de diagnose dat Bert zenuwziek is en dat hij er even tussenuit moet gaan, naar familie. Later stelt de dokter voor om Bert op te nemen in een inrichting. Dat is natuurlijk onmogelijk: als ex-krijgsgevangene zal opsluiting in een inrichting zijn dood betekenen. Bert heeft bij herhaling bezworen dat hij zich ‘na de Jap’ nooit, maar dan ook nooit meer zal laten opsluiten (p. 51).

Na de dood van Bert schrijft de vader een verzoek tot eervol ontslag uit ’s lands dienst (p. 60). Hij vindt nieuw werk in een schrijfmachinefabriek: een plek waar hij jarenlang niet hoefde, maar ook niet kón praten vanwege het lawaai. Dat vond hij prima, want praten deed hij sowieso niet graag. En bovendien, als hij dat wel had willen doen, wie had er dan naar zijn verhaal willen luisteren (p. 62)?

Herschrijving van de geschiedenis is duidelijk aan de orde bij het verhaal over de verdwijning van de Amerikaan Michael Rockefeller (vanaf p. 105). Volgens de Nederlandse regering was hij verdronken, maar oom Boet vertrouwt het verhaal niet en gaat zelf op onderzoek uit en hij komt erachter dat de Amerikaan om het leven is gebracht door de Papoea’s, als wraak op een actie van de kolonialen. Nederland was op de hoogte van de feiten, maar had er baat bij deze te verzwijgen. Het zou de hele Nieuw-Guinea-kwestie immers in een voor Nederland nog kwalijker daglicht stellen. Als bekend zou worden dat Michael Rockefeller niet verdronken was of door krokodillen zou zijn verslonden (een ander gerucht dat was verspreid), maar door Papoea’s zou zijn vermoord en opgegeten, dan zou dat niet alleen de VS zeer ontstemmen, maar dan zou tevens voor het oog van de wereld duidelijk zijn dat Nederland geen controle had over het gebied en haar bewoners. Een reden temeer om Nederland te dwingen het gebied zo spoedig mogelijk over te dragen aan de republiek Indonesië (p. 110). De Nederlandse regering dwingt oom Boet om zijn mond te houden over zijn ontdekking.

 

Taal

In de roman staan veel Indische woorden en uitdrukkingen. Oom Roll beheerste als geen ander het petjok. Erg handig is de woordenlijst achterin de roman.

 

Mythes en het magische

Het magische speelt een belangrijke rol in de roman. De vader is met de ‘helm’ geboren. In de Javaanse wereld betekende dit dat hij was ‘uitverkoren’ en wel als intermediair tussen de wereld van de mensen en de geesten (p. 10). De geesten kwamen niet alleen in dromen tot de vader, hij zág ze ook werkelijk. Ze bezochten hem als de avond was gevallen met het doel hem bepaalde belangwekkende mededelingen – veelal voorspellingen – te doen (p. 12).

Een indrukwekkend verhaal was het verhaal over de Moejoeërs en hun eerste confrontatie met sneeuw. Zij snapten niet dat sneeuw kon smelten en verdachten de geoloog van toverij. Oom Boet redt de situatie door een verhaal over de geest van de koude en de warme wind te vertellen (p. 102-103).

 

Vormen/beschrijven van identiteit

Pas in zijn laatste levensjaar gaat de vader op zoek naar zijn voorgeslacht en probeert hij zijn stamboom in kaart te brengen (p. 14). Als zijn zoon hem een mooie gekalligrafeerde stamboon cadeau doet voor zijn verjaardag, dan toont hij opeens weinig interesse en zegt hij: ‘Ons voorgeslacht ging gebukt onder de last van het verleden. Dat is wat zo’n stamlijn alleen maar duidelijk maakt. Het is beter om het verleden te laten rusten en er het zwijgen toe te doen, dan belast men zichzelf én anderen het minst …’ (p. 23).

Na de dood van zijn vader vindt de zoon een koffertje naast zijn vaders bed. In dit koffertje lag zijn vaders verleden vervat in papier; in allerlei documenten en afschriften van documenten, talloze brieven (van anderen aan hem) en zelfs enkele foto’s (p. 31). De zoon begint de inhoud te lezen en ontdekt zo zijn verleden.

 

Reizen en verplaatsen als thema (afkomstig uit migrantenliteratuur)

Op 12 oktober 1950 vertrokken de vader en de moeder met vele lotgenoten vanuit de haven van Tandjong Priok. Het was een onvrijwillige reis naar het onbekende en op voorhand onbeminde. Vrijwel niemand van de passagiers had immers het land van aankomst ooit eerder aanschouwd; vrijwel niemand kon zich er een deugdelijke voorstelling van maken. En vrijwel niemand had er banden. Het zou dus een aankomst worden zonder herkenning en zonder afhalers (p. 66).

Oom Boet vertrekt – na een tijdje in Nederland te hebben doorgebracht – naar de Verenigde Staten, naar Californië, waar al zoveel andere Indo’s hun heil hadden gezocht. Wellicht geïnspireerd door het feit dat zij zelf, vrijwillig, hadden gekozen voor een bestaan in dat land (i.t.t. Nederland) waren zij vastbesloten hun verblijf daar tot een groot succes te maken (p. 115).

Precies een jaar na het overlijden van zijn vader reist de zoon naar zijn vaders geboortestad Solo/Surakarta op Midden-Java. In het land van zijn ouders gaat hij op zoek naar hun geschiedenis. Hij wil een zakje aarde vullen met zijn vaders geboortegrond voor op zijn graf. Het zou de vader én de zoon rust geven, meende hij (p. 149). Sinds de zoon in Solo aankwam, had hij last voor een fascinatie voor ogen. Hij besefte dat er heel wat ongekende familie van hem in Solo moest rondlopen. Overal meent hij familieleden te zien, herkenbaar aan de ogen van zijn grootmoeder Moeinah (p. 154). Op een bepaald moment denkt de zoon dat Pak Hudin – die hij bij toeval op zoek naar het graf van zijn overgrootvader ontmoet – wel eens familie zou kunnen zijn: hij heeft dezelfde ogen én in zijn tuin ligt de grafsteen van zijn overgrootvader, die in gebruik is als tafel. Uitsluitsel krijgt de lezer hierover niet.

 

Gefragmenteerde manier van opschrijven, geen chronologie, mozaïek

De roman bestaat uit verschillende soorten documenten: brieven, dagboekfragmenten, officiële documenten etc. die niet allemaal chronologisch geordend zijn.

 

Conclusie: De ogen van Solo van Reggie Baay behoort tot de postkoloniale literatuur.