wp3232343e.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

I Inleiding

 

De laatste jaren is er steeds meer belangstelling ontstaan voor de bestudering van verzamelhandschriften. Sinds het gereedkomen van het eerste deel in de reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden in 1994 worden verzamelhandschriften steeds beter toegankelijk gemaakt voor bestudering.

Via de verzamelhandschriften zijn veel Middelnederlandse spreuken overgeleverd. Hoeveel precies weet eigenlijk niemand. Met het systematisch onderzoek naar het genre van de Middelnederlandse spreuken is het namelijk armoedig gesteld. Een belemmerende factor hierbij vormt ongetwijfeld de onoverzichtelijke wijze waarop de meeste spreuken in het verleden zijn uitgegeven. De uitgaven van de MVN-reeks leveren dan ook een belangrijke bijdrage aan de ontsluiting van deze tekstsoort.

In 1999 kwam de integrale uitgave van het handschrift-Van Hulthem in de MVN-reeks gereed. In deze bachelorscriptie staan twee grote spreukenverzamelingen uit dit handschrift centraal. Ik zal de voorgeschiedenis van beide verzamelingen nagaan zoals ze in het handschrift-Van Hulthem bewaard zijn. Ik zal dit doen op basis van de analyse van de vorm en de inhoud, omdat op basis hiervan binnen veel spreukenverzamelingen clusters of deelverzamelingen zijn aan te wijzen. Voordat ik mijn onderzoek en de resultaten ervan beschrijf, zal ik eerst ingaan op het verschijnsel verzamelhandschriften en daarbij op het handschrift-Van Hulthem in het bijzonder. Ook zal ik aandacht besteden aan spreuken en spreukenonderzoek.

 

II Verzamelhandschriften

 

Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw is binnen de Middelnederlandse letterkunde een grote belangstelling ontstaan voor verzamelhandschriften. Het startpunt daarvoor werd gegeven door Van Anrooij en Hogenelst: zij pleitten in 1991 voor de uitgave van tekstedities van verzamelhandschriften.

In de negentiende eeuw zijn veel edities van Middelnederlandse teksten tot stand gekomen. Hoewel op editoriaal gebied nooit complete stilstand is ingetreden, signaleren Van Anrooij en Hogenelst dat het in het begin van de jaren negentig slecht gesteld is met de editoriale activiteiten in de medioneerlandistiek. Op een enkele uitzondering na, zoals het Utrechtse Lancelot-project, worden er nog nauwelijks teksten uitgegeven. De meeste aandacht van onderzoekers gaat namelijk uit naar cultuurhistorische studies. Maar, zo betogen de auteurs, ook voor dergelijke studies zijn betrouwbare tekstedities nodig. Van Anrooij en Hogenelst pleitten vervolgens voor de uitgave van middeleeuwse handschriften die een reeks van teksten bevatten. Dat was tot dan toe in de medioneerlandistiek nog maar zelden gedaan. Bovendien past de bestudering van deze verzamelhandschriften uitstekend binnen de tendens van het meer cultuurhistorisch gerichte onderzoek, dat de teksten vooral in hun context wil bestuderen. De meest directe context van een tekst is nu eenmaal de verzameling waarin zij is overgeleverd. Wackers steunt het pleidooi voor dergelijk onderzoek. Hij geeft een belangrijk aanvullend argument voor de bestudering van verzamelhandschriften: uitgaan van de verzamelingen waarin een tekst is overgeleverd, beïnvloedt vaak ook de visie op de tekst.

Als het prototype van een verzamelhandschrift noemen Van Anrooij en Hogenelst het beroemde handschrift-Van Hulthem, dat ook wel ‘De Nachtwacht van de Middelnederlandse letteren’ wordt genoemd. Het bevat meer dan tweehonderd, in hoofdzaak korte items, welke onderling een grote diversiteit vertonen; onder andere een verslag van de zeereis van Sint-Brandaan, een hoofse novelle (de Vergi), spreuken, toneelstukken (de beroemde abele spelen en sotternieën), liederen, liefdesbrieven, gebeden, preken, sproken en een routebeschrijving naar Santiago de Compostela.

Hoe is het handschrift-Van Hulthem tot stand gekomen? Wat was de functie van het handschrift? Voor wie was het handschrift bestemd? Het bestuderen van de meer dan tweehonderd items is vrijwel onbegonnen werk zonder te kunnen beschikken over een integrale editie van het handschrift. De afzonderlijke teksten zijn weliswaar over het algemeen toegankelijk gemaakt, maar wie alle teksten bij elkaar zou willen zoeken dient daar toch geruime tijd voor uit te trekken. In de praktijk gebeurde dat nauwelijks, met het gevolg dat het handschrift nooit in zijn geheel werd bestudeerd. Steeds waren het bepaalde teksten die nader werden toegelicht, afhankelijk van het onderzoek waar men op een bepaald moment toevallig zelf mee bezig was. Aan ‘toppers’ zoals de abele spelen is bijzonder veel aandacht besteed. Van andere teksten is alleen een editie verschenen, veelal in literaire tijdschriften uit de negentiende eeuw. Een diepgaand onderzoek naar het handschrift-Van Hulthem en andere verzamelhandschriften vereist kortom een integrale editie.

Het pleidooi van Van Anrooij en Hogenelst is de aanzet geweest voor de reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden (afgekort MVN). Voordat met de editiewerkzaamheden voor de MVN-reeks werd gestart, heeft de projectcommissie zich gebogen over de vraag wat eigenlijk een verzamelhandschrift is. De commissie kwam tot de volgende definitie: ‘Als verzamelhandschrift geldt in dit verband een codex die van meet af aan als materiële eenheid bedoeld is en waarin tenminste twee teksten zijn bijeengebracht’. Onder deze definitie zijn bijna alle middeleeuwse handschriften verzamelhandschriften.

In 1994 kwam het eerste deel van de MVN-reeks gereed: het Geraardbergse handschrift. Het handschrift-Van Hulthem vormt het zevende deel van deze reeks en werd in 1999 in twee banden uitgegeven.

 

III Het handschrift-Van Hulthem

 

1 Het handschrift

 

Het handschrift-Van Hulthem wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel en draagt de signatuur 15.589-623. Het papieren handschrift telt 241 folia. Aan het begin en aan het eind ontbreekt een onbekend aantal folia. Het onderzoek naar de watermerken in het gebruikte papier is gedaan door Leendertz in 1907 en door Tack in 1913. De slotconclusie was dat het gebruikte papier van Franse oorsprong is, dat de samensteller van het handschrift zijn papier in drie termijnen heeft aangekocht en dat het handschrift geschreven moet zijn tussen 1399 en 1410. Het handschrift bevat geen teksten die in tegenspraak zijn met deze datering.

Brinkman heeft aangetoond dat het handschrift tot stand gekomen kan zijn in de nabijheid van het dorp Sint-Jans-Molenbeek bij Brussel, mogelijk in de directe omgeving van de Brabantse edelman Willem van den Heetvelde, die in de periode 1382-1417 heer was van Koekelberg en tussen 1381 en 1414 zeven maal het ambt van schepen van de stad Brussel bekleedde. Misschien moet de opdrachtgever van het handschrift in dezelfde kring gezocht worden en heeft het zijn overlevering vooral te danken aan het feit dat het tot ver in de achttiende eeuw in bezit van dezelfde adellijke familie bleef.

De tekst is geschreven in de littera cursiva, waarbij tweemaal een ander lettertype, een soort textualis, werd ingevoegd. De lopende tekst werd met zwarte inkt genoteerd, de opschriften, tussenkopjes, initialen, lombarden en paragraaftekens met rode inkt.

Het merendeel van de teksten eindigt met een afrondingsformule. De standaardformule luidt ‘Dit boec/deze sproke …’, gevolgd door het opschrift boven de tekst of de eerste regel van het incipit, waarna het aantal versregels wordt genoteerd. De verzentelling komt alleen bij berijmde teksten voor, bij prozateksten ontbreekt een regeltelling. De telling is niet altijd conform het juiste aantal verzen en de ene keer worden rubrieken, tussenkopjes, weesrijmen, weggevallen versregels en doorgehaalde regels wel meegeteld, de andere keer niet. Over de functie van de verzentelling is veelvuldig gespeculeerd, al dan niet in combinatie met de functie van het handschrift als geheel.

 

2 De functie van het handschrift-Van Hulthem

 

Aanvankelijk hebben vooral onderzoekers van de abele spelen zich over de functie van het handschrift uitgelaten: de collectie zou zijn samengesteld ten behoeve van een stedelijk of een rondreizend toneelgezelschap, of voor een individuele sprookspreker. De spreker zou aan de hand van de hoeveelheid verzen zijn voordrachtstijd kunnen inschatten. In deze veronderstelling wordt de inhoud van de gehele codex als het repertoire van toneelspelers of een sprookspreker beschouwd, maar dat lijkt, gezien de aard van veel teksten, toch wel erg onwaarschijnlijk.

In 1968 presenteerde een onderzoeksgroep van Utrechtse neerlandici de scriptoriumhypothese: het handschrift zou een scriptoriumexemplaar zijn, waaruit men tegen betaling een tekst kon laten afschrijven. Dit zou verklaren waarom aan het eind van de meeste teksten het aantal verzen wordt opgegeven: op grond daarvan werd het schrijfloon berekend. Deze hypothese zou ook het veelzijdige karakter van de collectie verklaren: men heeft eenvoudig alles verzameld waar de klanten om zouden kunnen vragen en waar men de hand op heeft weten te leggen. Aanvullende argumenten voor de scriptoriumhypothese werden aangedragen door Pleij.

In 1995 kwam er kritiek op de scriptoriumhypothese. Klein gelooft niet in het bestaan van lekenscriptoria. Daarmee verdwijnt vanzelfsprekend ook de mogelijkheid van een scriptoriumexemplaar. Volgens Klein berust immers het idee van grote(re) schrijfzalen in de stad waar meer kopiisten samenwerkten op een verkeerde parallellie met de kloosterscriptoria. De organisatie van een klooster heeft ertoe geleid dat daar schrijfzalen ontstonden, evenals eet- en slaapzalen. Maar volgens Klein zal niemand beweren dat er in de middeleeuwse stad aparte slaap- en eetzalen waren waar de burgers gezamenlijk sliepen of aten. Evenzo waren er in de stad geen aparte schrijfzalen. Klein geeft vervolgens aanvullende argumenten die de scriptoriumhypothese ondermijnen. Ten slotte geeft hij een andere suggestie voor de verklaring van de verzentellingen: het zou kunnen dat de teksten in het handschrift van rollen zijn overgeschreven, waarop verstellingen regelmatig voorkwamen als aanduiding van het einde van de tekst. Maar waarschijnlijker acht hij het dat de tellingen een loze mededeling zijn.

Volgens Schenkel berust de kritiek van Klein op de scriptoriumhypothese op een verkeerde parallellie: omdat er in de stad geen eet- of slaapzalen zijn, zijn er ook geen schrijfzalen. Maar het ontbreken van het één sluit de aanwezigheid van het ander niet uit. Of die schrijfzalen (scriptoria) er nu wel of niet zijn geweest, doet er dan niet eens toe. Het door Klein gebruikte argument tegen schrijfzalen is volgens Schenkel in ieder geval niet deugdelijk.

Kwakkel heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de boekproductie in de stad Brussel. Zijn conclusie is dat er in Brussel een grote commerciële markt voor boeken was en hij toont aan dat een groot deel van de boeken werd gekopieerd door beroepskopiisten, die allen waarschijnlijk waren gevestigd in een en dezelfde straat: de Bergstraat. Al dan niet onder leiding van een librarius leverden de beroepsschrijvers boeken aan een zeer divers publiek.

In de loop der jaren is het idee van een stedelijk scriptorium in de zin van een ruimte waar kopiisten permanent schrijfarbeid verrichten, losgelaten. Dit idee is ingewisseld voor een meer realistisch ad hoc werkverband van perkamentmakers, kopiisten, verluchters en binders.

Andere hypothesen over de functie van het handschrift-Van Hulthem zijn dat het zou gaan om een boek dat primair bestemd was voor privé-lectuur en dat het bestemd was om in kleine of grotere kring uit voor te lezen.

 

3 De totstandkoming van het handschrift-Van Hulthem

 

Verzamelhandschriften kunnen in één arbeidsgang vervaardigd zijn, waarbij de kopiist een bestaande verzameling of keuze daaruit in één keer heeft afgeschreven. Daarnaast kan sprake zijn van een gefaseerde totstandkoming, dat wil zeggen dat met tussenpozen door één of meer kopiisten nieuwe teksten aan de verzameling zijn toegevoegd, waarbij al dan niet afzonderlijke codicologische eenheden te onderscheiden zijn. Naast in fasen geschreven, bestaan er ook in fasen en delen tot stand gekomen handschriften. Een aparte categorie vormen ten slotte de handschriften die bestaan uit bijeenhorende productie-eenheden, die van meet af aan als één boek zijn opgezet.

 Hoe is het handschrift-Van Hulthem tot stand gekomen? Mogelijk gaat het handschrift terug op een oudere verzamelcodex, zoals Deschamps in 1972 waarschijnlijk achtte. De collectie kan echter evengoed uit meerdere tekstdragers samengesteld zijn geweest. Dat de verzameling direct of indirect teruggaat op een grote diversiteit aan leggers zou de tamelijk willekeurige volgorde verklaren, waarin de meeste teksten in het handschrift voorkomen.

Van Anrooij kwam tot de gedachte die men de ‘aangroeihypothese’ zou kunnen noemen. Door het schijnbare gemak waarmee teksten van zo verschillende inhoud elkaar steeds afwisselen, ontstaat volgens hem de indruk dat de Hulthem-kopiist alles wat hij zoal onder ogen kreeg in willekeurige volgorde achter elkaar afschreef, zonder zich daarbij te bekommeren om een overkoepelende thematische ordening of iets van dien aard. De hier en daar aanwijsbare clustering zag Van Anrooij als aanwijzing dat de teksten als groepje tegelijk moesten zijn overgenomen uit eerdere verzamelhandschriften.

Gumbert heeft in 2004 de terminologie voor codicologische eenheden samengevat en uitgebreid. Volgens deze terminologie is het handschrift-Van Hulthem te typeren als een codicologische eenheid: het handschrift is door één persoon geschreven in één arbeidsgang. Het handschrift is zoals het is omdat iemand rond 1400 besloot dat deze verzameling teksten in één boek gekopieerd moest worden. Het handschrift-Van Hulthem is een homogeen handschrift en vormt een uniforme eenheid: het bevat geen grenzen die afwijken van de katerngrens. Andere handschriften, zoals het Comburgse handschrift, zijn zoals ze zijn omdat een latere eigenaar in zijn collectie verschillende handschriften bezat en besloot ze samen in één band te doen. Met andere woorden: in het handschrift-Van Hulthem is de gebruikseenheid gelijk aan de productie-eenheid en in het Comburgse handschrift bestaat de gebruikseenheid uit verschillende productie-eenheden. Handschriften als het Comburgse, die in werkelijkheid meerdere handschriften zijn die alleen maar in één band zijn samengebracht, noemt men convoluten.

Brinkman benadrukt in zijn artikel een aantal belangrijke punten, die overigens al uit eerdere onderzoeken naar voren waren gekomen. Het handschrift moet in ieder geval na 30 september 1399 zijn geschreven, de dag waarop het tweede wonder gebeurde dat wordt beschreven in Ene mierakele van mijn here sente Jan Baptista van Molenbeke te Brusele. Door onderzoek naar de ouderdom van het papier dat voor het handschrift is gebruikt, kunnen we met vrij grote zekerheid zeggen dat het handschrift in het eerste decennium van de vijftiende eeuw, waarschijnlijk omstreeks de jaren 1405-1408, door de kopiist is opgetekend. Het handschrift is dus binnen zes tot negen jaar tot stand gekomen. Doordat het schrift nergens aspectverschillen vertoont, zou dit wel eens kunnen betekenen dat de kopiist en de compilator van het handschrift één en dezelfde persoon geweest is. In dat geval is het natuurlijk interessant hoe de compilatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Betekent het feit dat de kopiist het handschrift in één arbeidsgang heeft geschreven dat er slechts één bron aan ten grondslag lag? Of had de kopiist-compilator verschillende bronnen tegelijkertijd tot zijn beschikking?

 

IV Spreuken

 

1 De verzameling, optekening en uitgave van spreuken

 

Via de verzamelhandschriften zijn veel Middelnederlandse spreuken overgeleverd. Hoeveel weet niemand. Met het systematisch onderzoek naar het genre van de Middelnederlandse spreuken is het namelijk armoedig gesteld. Een belangrijke oorzaak voor het ontbreken van dit soort onderzoek is waarschijnlijk het niet aanwezig zijn van een repertorium van Middelnederlandse spreuken, zoals dat bijvoorbeeld wel bestaat voor sproken. Een belemmerende factor voor de totstandkoming van een dergelijk repertorium vormt ongetwijfeld de onoverzichtelijke wijze waarop de meeste spreuken in het verleden zijn uitgegeven. De MVN-reeks kan dan ook een belangrijke bijdrage leveren aan de ontsluiting van deze tekstsoort. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat heel veel spreuken nog nooit systematisch zijn verzameld, opgetekend en uitgegeven, zoals opschriften op gebouwen en kunstwerken.

 

Er bestaat één belangrijk instrument dat ons kan helpen bij de ontsluiting van het spreukenmateriaal: de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta van Willem de Vreese (1869-1938). Telkens wanneer deze wetenschapper een Middelnederlands handschrift aantrof, maakte hij daarvan een beschrijving. Zo verzamelde hij in een lange reeks van jaren een enorme hoeveelheid materiaal, bestemd voor zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscripta. Tegen het einde van zijn leven had De Vreese naar schatting circa 11.000 Middelnederlandse handschriften beschreven. Deze beschrijvingen vormen de kern van de BNM. Bovendien heeft De Vreese zoveel mogelijk afzonderlijke aspecten van de beschreven handschriften toegankelijk gemaakt door middel van indices, ondergebracht in enkele fichiers van – alles bij elkaar – meer dan 300.000 fiches. Deze fiches functioneren als de sleutels op de beschrijvingen. Zo bestaan er indexen op auteurs en trefwoorden, maar ook op spreuken.

Met behulp van de BNM is het heel goed mogelijk om een meervoudige overlevering van een spreuk na te gaan. Zo weet De Vreese ons mee te delen dat spreuk 148:6 uit het handschrift-Van Hulthem – met uitzondering van een aantal verschillen – bestaat uit de eerste 18 regels van het tiende boek van de Roman van Heinric en Margriete van Limborch:

 

Handschrift-Van Hulthem:

 

Die tijt lijdt ende henen veert

Ende oec alle dinc verteert

Ende slit hoe danich het si

Oec heeft soe versleten mi

Dat met mi naect der vespertijt

Al mijn yoie ende mijn jolijt

Leeght indie scotel ende inden nap

Van minnen en hebbic maer den clap

Anders en doegicker niet toe

Nochtan benic blide ende vroe

Als icker iet af spreken hore

Dat gheet mi soe wel in doere

Dat icker af verblide te male

Want niet meer dan die tale

En hebbics van dat men doet

Nochtan hebbic den wille goet

Haddic die macht ghelijc den wille

Ic wane ic selden laghe stille

 

De Limborch:

 

Die tiit die liidt ende oververt

Ende oec alle dinc vertert

Ende verliest hoedanicht si,

Hi heeft soe versleten mi,

Dat met mi naect der versper tiit.

Al mine joye ende miin deliit

Leit in de scotele ende in den nap,

Van minnen en hebbic maer den clap,

Anders en dogicker niet toe;

Nochtan ben ic blide ende vroe

Als icker iet af spreker hoere,

Dat gheet mi soe wel in doere

Dat ic vervrouwe altemale;

Maer nemmermeer dan die tale

En hebbics van dat men doet;

Nochtan hebbic den wille goet,

Haddic de macht geliic den wille,

Ic wanic selden lage stille.

 

2 Wat is een spreuk?

 

In het Middelnederlands kende men het hedendaagse begrip ‘spreuk’ niet, maar wel het begrip ‘sproke’. Zo bevat het handschrift-Van Hulthem een verzameling spreuken met de titel Van alderhande sprockne clein notabel verskne.

‘Sproke’ heeft in het Middelnederlands verschillende betekenissen. De meest algemene betekenis volgens het Middelnederlandsch woordenboek is ‘hetgeen iemand zegt, zijn taal of woorden’. Verwant met deze betekenis, maar specifieker is die van ‘een gezegde, uiting, uitspraak, vooral een gezegde dat de moeite waard is om te onthouden, waarin een les van levenswijsheid zit’. Deze betekenis vertoont sterke gelijkenis met de huidige begrippen ‘spreuk’ en ‘spreekwoord’.

Hogenelst komt in de inleiding op haar repertorium van de Middelnederlandse sproke tot de volgende definitie van een sproke: ‘een verzameling van zelfstandig overgeleverde, korte, Middelnederlandse, meestal paarsgewijs rijmende, niet-lyrische teksten, die geschikt zijn om door een spreker te worden voorgedragen’. Deze definitie bevat verschillende elementen, maar de sproke als korte tekst is hier van bijzonder belang. Hogenelst gaat uitgebreid in op de vraag hoeveel verzen een tekst minimaal en maximaal mag bevatten om als sproke beschouwd te worden. De ondergrens ligt volgens haar op twintig verzen. Teksten met minder verzen liggen dichter bij een spreuk dan bij een sproke. Uitgaande hiervan, kom ik tot de volgende definitie van het begrip ‘spreuk’: een uiting die de moeite waard is om te onthouden, waarin een les van levenswijsheid zit van maximaal twintig verzen.

 

3 Spreukenverzamelingen

 

In handschriften treffen we spreuken niet alleen aan als marginaal verschijnsel, als bladvulling of pennenproef. Kopiisten legden verzamelingen van spreuken aan, die soms tot een geweldige omvang konden uitgroeien. Het handschrift-Van Hulthem bevat meerdere van dergelijke grote verzamelingen, zoals Van alderhande sprockne clein notabel verskne en Van vele edelen parabelen ende wiser leeren.

Hoe kwamen de spreukenverzamelingen tot stand? Bestaande verzamelingen konden integraal worden gekopieerd en zonodig aangevuld. Hoewel er tot nu toe nog geen identieke verzamelingen in verschillende codices zijn aangetroffen, komen korte sequenties spreuken soms toch in meerdere verzamelingen voor. Iedere verzamelaar had bij de samenstelling van zijn collectie de vrijheid zijn eigen selectie te maken, waardoor afzonderlijke verzamelingen een min of meer individueel bepaald karakter kunnen dragen.

 

4 Spreukenonderzoek

 

Er heeft tot nu toe relatief weinig onderzoek plaatsgevonden naar spreuken. Onderzoek naar spreuken beperkt zich meestal tot één of enkele spreuken, zoals de bespreking van een serie middeleeuwse opschriften door Van Anrooij in het tijdschrift Literatuur in 1997.

Van Anrooij en Mertens besteedden in 1992 een artikel aan Middelnederlandse spreukstrofen met het rijmschema aabccb. Hun inventarisatie bracht ruim driehonderd losse aabccb-strofen aan het licht, verspreid over meer dan zestig handschriften. De spreukstrofen zijn gnomisch van aard: ze bevatten algemeen geldende waarheden, geformuleerd in tegenwoordige tijd. De inhoud is didactisch, met een moraliserend of godsdienstig karakter.

Brinkman schreef in 1995 over profane ethiek in Middelnederlandse rijmspreuken: korte, uit één strofe bestaande moraliserende gedichten, waarin doorgaans slechts één hoofdgedachte pregnant wordt verwoord. Volgens Brinkman zijn deze spreuken zo interessant, omdat we herhaaldelijk zien dat dit genre functioneert buiten of naast de in de regel door kerkelijke waardensystemen bepaalde belerende literatuur. Het genre van de rijmspreuken kan daardoor tot voertuig worden van opvattingen die niet zozeer van bovenaf worden bijgebracht, maar die zich in het alledaagse gebruik hebben bewezen en die gedragen worden door een brede kring van gebruikers.

 

5 Spreuken en hun auteurs

 

Wat weten we omtrent het ‘auteurschap’ van spreuken? Spreuken treffen we pas aan sinds de veertiende eeuw. In die periode waren er verschillende typen auteurs.

In de middeleeuwse kloosters bestond van oudsher een intensieve schriftcultuur, met monniken (en soms zelfs nonnen) die de pen voerden: meestal in het Latijn, een enkele maal ook in de volkstaal. De spreuken lijken mij, vanwege hun geringe godsdienstige inhoud, niet gecomponeerd en opgetekend te zijn door geestelijken.

Een ander type auteur is de literator-klerk. Dankzij meer of minder grondige scholing vanuit de kerk heeft deze de bekwaamheid tot schrijven verworven. Een positie die sociale zekerheid biedt, stelt hem in staat tot het componeren van groots opgezette epische werken. Het is daarbij nooit de literatuur zelf die deze positie verschaft; ook (juist) voor de meest prominente middeleeuwse literatoren was schrijven een neventaak, vaak zelfs perifeer ten opzichte van andere activiteiten. Wel komt zo’n auteur dikwijls uit hoofde van zijn functie in aanraking met schriftverkeer: veelal is hij bijvoorbeeld klerk op een kanselarij, (hof)kapelaan of secretaris van een stadsbestuur.

Veel Middelnederlandse teksten uit de eerste helft van de veertiende eeuw zijn ontstaan in de stad Antwerpen. De belangrijkste schrijver in die tijd was Jan van Boendale, schepenklerk in dienst van het Antwerpse stadsbestuur. Het corpus van de Antwerpse School omvat in totaal tien teksten waarvan er zeven waarschijnlijk door Boendale zijn geschreven. Reynaert meent zelfs over voldoende indicaties te beschikken om de teksten Melibeus en Dietsche doctrinale ook aan Boendale toe te schrijven. Als zijn redenering klopt, zouden dus negen van de tien teksten van het corpus van de Antwerpse School met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid door Boendale zijn geschreven.

Boendale schreef in de eerste helft van de veertiende eeuw onder andere zijn Brabantse yeesten. Het is een uitvoerige geschiedenis van de Brabantse hertogen en hun voorgangers, met als grote held Karel de Grote. Boendale schreef ook over de nieuwste geschiedenis en daarbij maakte hij gebruik van wat hij her en der hoorde en las.

De historiografische werken van stadsklerken zoals Boendale zitten vol vuur. Zij geven geen afstandelijke historische overzichten, maar zij nemen standpunten in over politieke kwesties die de mensen beroerden. Auteurs als Boendale wilden een boodschap overbrengen. En om dat te doen maakten ze gebruik van alle literaire middelen die er waren. In dat opzicht passen de spreuken uitstekend binnen hun andere literaire werk.

Een laatste type auteur leidt een zwervend literair bestaan: de sprooksprekers of andere voordrachtskunstenaars. In dat geval moet de literatuur een groot deel van de inkomsten garanderen; ruimte voor een solide betrekking is er immers niet, of het zou die van (diplomatieke) koerier moeten zijn – een rol die zwervende dichters dan ook niet zelden hebben vervuld. Maar vergeleken met het eerste type zijn deze auteurs toch meer ‘beroeps’, in zoverre zij primair in beslag worden genomen door hun functie als literator. De risico's van hun vak zijn ook ontegenzeglijk groter, omdat zij aan grotere onrust blootstaan. Ook hun beloningsstructuur is anders: een dergelijke auteur wordt pas betaald na de voltooiing van het werk, of in feite pas na de voordracht ervan; daar staat tegenover dat hij hetzelfde gedicht veelvuldig te gelde kan maken, door het op verschillende plaatsen ten beste te geven. Hij leeft zogezegd bij de variatie: van verblijfplaats, publiek en oeuvre. De andere positie brengt ook een andere epische vorm met zich mee, die van het korte gedicht namelijk, gemakkelijker (goedkoper) te produceren, te transporteren en te recipiëren. Juist de korte vorm biedt bij uitstek wendbaarheid.

Een voorbeeld van een zwervende dichter is Willem van Hildegaersberch. Hij komt tussen 1380 en 1408 als spreker voor in de rekeningen van het Hollandse en Gelderse hof, in die van de abdij van Egmond en in de stadsrekeningen van Middelburg en Utrecht. Van geen enkele spreker is een zo groot oeuvre bekend als van hem. Ik betwijfel echter of de spreuken tot het repertoire van voordrachtskunstenaars als Hildegaersberch kunnen hebben behoord. Mondeling voorgedragen teksten zullen waarschijnlijk een grotere omvang gehad hebben: een voordrachtstekst moet een minimale lengte hebben om de aandacht van en het begrip bij de luisteraar op te wekken. De spreuken zijn te kort om goed door te kunnen dringen bij het publiek. Of waren de spreuken ‘uittreksels’ van de voorgedragen teksten die de pregnante boodschap weergaven? Dit alles brengt ons bij een andere belangrijke vraag waarop we het antwoord nog niet weten: hoe functioneerden de spreuken? Werden zij voorgedragen of dienden zij als leestekst?

 

V Spreukenverzamelingen in het handschrift-Van Hulthem

 

1 Verzameling nummer 108 en nummer 148

 

Het handschrift-Van Hulthem kent vier spreukenverzamelingen. Verzameling nummer 47 bevat 4 spreuken, nummer 59 bestaat uit 17 spreuken in proza, nummer 108 uit 234 rijmspreuken en nummer 148 uit 225 rijmspreuken. In mijn onderzoek staan de rijmspreuken uit verzameling nummer 108 en nummer 148 centraal. Deze verzamelingen dragen respectievelijk de opschriften Van alderhande sprockne clein notabel verskne en Van vele edelen parabelen ende wiser leeren. Ondanks het feit dat we hier te maken hebben met berijmde teksten, ontbreekt de verzentelling aan het einde van iedere verzameling.Verzameling nummer 47 en nummer 59 worden vanwege hun geringe omvang buiten beschouwing gelaten.

Voor mijn onderzoek naar beide spreukenverzamelingen maak ik gebruik van de diplomatische editie van het handschrift-Van Hulthem van Brinkman en Schenkel uit 1999. Naast deze editie zijn beide spreukenverzamelingen eerder (geheel of gedeeltelijk) geëditeerd in de negentiende eeuw: verzameling nummer 108 door Willems en Verdam en verzameling nummer 148 door Willems, Serrure en Suringar. Uitgebreide studies naar beide spreukenverzamelingen zijn nog niet verschenen.

Zowel Willems als Suringar hebben aangetoond dat een groot aantal spreuken uit Van vele edelen parabelen ende wiser leeren identiek zijn aan spreuken uit Freidanks Bescheidenheit. Freidank was een Duitse klerk of geleerde die waarschijnlijk geboren is aan het einde van de twaalfde eeuw. Hij schreef zijn werk tussen 1215 en 1230 en het bestaat uit een verzameling rijmspreuken, onderverdeeld in 53 thematische afdelingen van in totaal ruim 4.700 verzen. De spreuken vatten de volkswijsheid uit die tijd samen. Het werk was lange tijd populair en werd ook wel ‘de Bijbel van de wereld’ genoemd. In 1834 verzorgde Jakob Grimm een kritische editie. Bij het achterhalen van clusters in de spreukenverzamelingen zal ik nagaan of de Freidankspreuken kunnen bijdragen tot de beantwoording van mijn onderzoeksvraag.

 

De lengte van de spreuken in verzameling nummer 108 loopt uiteen van 2 tot en met 8 regels. De gemiddelde verslengte is 4,4 regels. De verdeling van het aantal versregels ziet er als volgt uit:

Verzameling 108

 

 

Aantal regels

Aantal spreuken

In %

2

68

29%

3

1

< 1%

4

51

22%

5

2

1%

6

109

47%

8

3

1%

Totaal

234

100%

 

 

 

Verzameling 148

 

 

Aantal regels

Aantal spreuken

In %

2

25

11%

4

79

35%

6

40

18%

8

39

17%

9

12

5%

10

15

7%

12

9

4%

13

3

1%

18

2

1%

20

1

0%

Totaal

225

100%

Zoals uit bovenstaand schema blijkt, is 18% van de spreuken in verzameling nummer 148 langer dan de langste tekst in verzameling nummer 108 (spreuken met een lengte van 9-20 regels). Het verschil in lengte wordt vooral veroorzaakt door de spreuken 160 tot en met 224 in verzameling nummer 148. Deze spreuken worden in de mond gelegd van autoriteiten. Deze groep wordt verderop uitvoeriger besproken.

 

2 Thematische clusters

 

Op basis van een gelijk aantal versregels, gelijke rijmschema’s en/of inhoudelijke kenmerken zijn verschillende clusters van bij elkaar horende spreuken in beide verzamelingen aan te wijzen. Het is erg waarschijnlijk dat een kopiist deze reeksen uit dezelfde materiële bron overgenomen heeft.

 

Om de clusters te achterhalen die te onderscheiden zijn op basis van inhoudelijke kenmerken, heb ik gebruik gemaakt van een belangrijk hulpmiddel: een elektronische database die is samengesteld met behulp van Microsoft Excel. Deze elektronische database is opgenomen in bijlage 1. De basis van de database vormen de spreuken uit verzameling nummer 108 en nummer 148. Op basis hiervan heb ik, per deelverzameling en in totaal, frequentielijsten samengesteld die laten zien hoe vaak ieder woord voorkomt.

Een belemmerende factor bij de analyse van de frequentielijsten is het feit dat het woordbeeld in het Middelnederlands niet stabiel is. De spelling was weinig systematisch doordat er nog geen sprake was van een spellingconventie. Tussen en binnen teksten worden dezelfde woorden soms verschillend gespeld. Daarnaast treffen we binnen teksten vaak clisis aan: woorden die tijdens het spreken één geheel vormen, worden ook aan elkaar geschreven. Het gaat hier om zwak beklemtoonde woorden die één geheel vormen met een beklemtoond woord. Ten slotte dient er rekening gehouden te worden met flexie bij zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden. De naamval en het grammaticale geslacht speelden in het Middelnederlands immers nog een grote rol in de verbuiging.

Een hoge frequentie van een bepaald woord kan een aanwijzing zijn voor een regelmatig terugkerend thema. Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet alle woorden even belangwekkend zijn. Het zijn vooral de lexicale of inhoudswoorden die interessant zijn: met deze woorden kunnen we dankzij hun betekenis naar iets verwijzen. Tot de lexicale woorden behoren de nomina, adjectieven, verba en adverbia. Minder interessant zijn de grammaticale of functiewoorden: deze hebben als functie verband te leggen tussen lexicale woorden en de zinsdelen waarin ze voorkomen. Tot de grammaticale woorden behoren de voegwoorden, preposities, voornaamwoorden en lidwoorden.

 

Ik zal de wijze waarop ik van de elektronische database gebruik heb gemaakt bij het opsporen van clusters demonstreren aan de hand van twee voorbeelden.

De frequentielijsten tonen dat het begrip ‘trou’ relatief vaak voorkomt in de spreukenverzamelingen. Een zoekopdracht op het trefwoord ‘trou’ levert namelijk de volgende resultaten op:

 

Frequentie

 

Verzameling nr. 108

Verzameling nr. 148

Totaal

betrout

-

1

1

betrouwen

1

1

2

ghetrouwe

1

6

7

ghetrouwen

2

1

3

trouwe

13

9

22

trouwen

14

3

17

onghetrouwe

2

1

3

ontrouwe

1

2

3

Totaal

34

24

58

Interessant is vervolgens de spreiding van de treffers over de spreuken: zijn er opeenvolgende of dicht bij elkaar liggende spreuken waarin hetzelfde thema voorkomt? Dergelijke groepjes zouden de clusters kunnen vormen waarnaar we op zoek zijn. De spreiding in verzameling nummer 108 is als volgt: spreuk 1, [4, 5, 6, 7, 8], 17, 25, 48, 50, [63, 64], [70, 71, 72, 73], [75, 76], [95, 96], 120, 124, 130, 139, 181, 200, 205, 212. En in verzameling nummer 148: spreuk 5, 15, 24, 59, [84, 85], 89, 112, 118, [138, 139], 143, 153, 174, 192, 201, 203, [207, 208].

Op basis van bovenstaand overzicht lijkt het mij heel goed mogelijk dat de reeksen 108:4-8, 108:63-64, 108:70-73, 108:75-76, 108:95-96, 148:84-85, 148:138-139 en 148:207-208 deel uitmaken van een thematisch cluster. Om na te gaan of dit daadwerkelijk zo is, richt ik me op de spreuken zelf. De eerste reeks (108:4-8) bestaat uit spreuken van 2 en 4 verzen met gepaard rijm.

 

108:4 Het steet wel waer mens ghewaecht

Dat elc vrouwe int herte draecht

Trouwe den ghenen dien si mint

Ende dien si met trouwen kint

 

108:5 Ach men siet selden

Trouwe met trouwen ghelden

 

108:6 In trouwen willic volstaen

Al soudt mi ane mijn leuen gaen

 

108:7 Die in trouwen wilt volstaen

Hi moet seker te nieute* gaen   ten onder

 

108:8 Ghelijc een in den spieghel siet

Sijn anschijn blicken ende anders niet

Dat nemic seker op mijn lijf

Alsoe blict trouwe in menech wijf

 

Ondanks het vormverschil, is de thematische overeenkomst evident: in alle spreuken staat de hechte en loyale band tussen mensen centraal. We hebben hier dus te maken met een cluster spreuken dat als één geheel in de spreukenverzameling terecht kan zijn gekomen. En waarschijnlijk is er zelfs meer aan de hand: we hebben hier niet zomaar te maken met vijf losse spreuken die hetzelfde thema hebben. Bij nadere beschouwing lijkt er zelfs sprake te zijn van een samenspraak. Ik denk zelf aan een dialoog tussen een man en een vrouw. Eerst komt er een vrouw aan het woord, die verklaart dat vrouwen trouw zijn aan hun geliefden (108:4). Vervolgens antwoordt een man dat trouw zelden met trouw beloond wordt (108:5). Voor de vrouw is dit geen reden om niet trouw te zijn: zelfs als het haar haar leven zou kosten, zou ze trouw blijven (108:6). De man voorspelt dat de vooruitzichten voor haar niet gunstig zijn: wie trouw is en blijft, zal uiteindelijk ten onder gaan (108:7). De vrouw sluit af met wijze woorden: als je in de spiegel kijkt, weet je precies wat je van een ander kunt verwachten. De man is zo sceptisch over trouw, omdat hij zelf waarschijnlijk niet altijd trouw is tegenover anderen (108:8). De suggestie van een dialoog lijkt te worden bevestigd door woorden in de laatste spreuk die verwijzen naar de voorgaande spreuk: dat nemic seker op mijn lijf. Behalve de thematische overeenkomst en de dialoogvorm, is er tussen spreuk 108:6 en 108:7 nog een opvallende vormelijke overeenkomst aan te wijzen. In beide spreuken zijn de rijmwoorden aan het einde van de versregels identiek: volstaen en gaen.

 

Een tweede voorbeeld. De frequentielijsten tonen dat diersoorten regelmatig voorkomen in de spreukenverzamelingen: catte/cater, duue, extere/dextere, gans, hanen, honde/hont/honden, muus/muse/musen, ossen, ram, scape, vloie, voghel, vos/vosse, wolf. Met behulp van de elektronische database kwam ik al snel de clusters 148:74-76 en 148:78-81 op het spoor:

 

148:74 Men siet selden rijcs mans huus

Sonder dief ochte sonder muus

De dieue salmen te rechte hanghen

Ende die muse met vallen vanghen

 

148:75 Wie vosse met vosse vaen sal

Hi moet kinnen haer weghe al

Wie dat vosse muse weert

Hi werent hem spise dier hi gheert

 

148:76 Het heuet selden vette muus

Den vos ghebeten in sijn huus

Der muus es alle weelde ontseght

Als si in die valle leght

 

148:78 Wie oude honde in bande leidt

Hi verliest dat hi aerbeit

Eens ossen scinckel hadde lieuer een hont

Dan van roeden goude een pont

 

148:79 Hoe wel een hont ghetemt si

Ens honts sede es hem emmer bi

Al ginge die hont talder stont

Ter kerken nochtan bleeft een hont

 

148:80 De muus niet gherne te kinde en gheet

Daer si bi die catte weet

 

148:81 Een extere sprac des es niet lanc

Ter duue leert mi uwen sanc

Die duue seide ic lere v wel gaen

Woudi v huppelen laten staen

Iaic seide dextere maer en halp niet

Soe wat haer die duue hiet

 

Alleen in de tussenliggende spreuk 148:77 komt geen dier voor:

 

148:77 Die scalcheit leert in siere joghet

In hem veroudt selden doghet

 

Misschien is deze spreuk later tussengevoegd. Toch is er wel degelijk een thematische relatie met de voorgaande spreuk denkbaar. In spreuk 148:77 staat immers ‘scalcheit’ centraal. Volgens het Middelnederlands Woordenboek is een schalc onder andere een dienaar, een ondergeschikte, maar ook een gewetenloze, een schelm, een misdadiger. En geldt niet juist de vos, die nog centraal stond in spreuk 148:76, als het prototype van de schalc? In Van den vos Reynaerde wordt de vos immers als volgt geïntroduceerd:

 

Kendi Reynaert, den ribaut*?    bandiet

Wildine scauwen*, so siettene hier,   bekijken

           Den roden scalc, den fellen ghier*.   schurk

 

Spreuk 148:77 kan dus bij nadere beschouwing heel goed als opvolger van spreuk 148:76 beschouwd worden.

Ook in dit voorbeeld geldt weer: er is duidelijk meer aan de hand dan losse spreuken die hetzelfde thema hebben. Sommige woorden keren zo regelmatig terug, dat er meer aan de hand is dan louter toeval. Er is duidelijk sprake van een doorgecomponeerd geheel. Hieronder volgt een kleine illustratie aan de hand van de eerste drie spreuken. De verschillende kleuren geven de overeenkomsten tussen de spreuken aan.

 

148:74 Men siet selden rijcs mans huus

Sonder dief ochte sonder muus

De dieue salmen te rechte hanghen

Ende die muse met vallen vanghen

 

148:75 Wie vosse met vosse vaen sal

Hi moet kinnen haer weghe al

Wie dat vosse muse weert

Hi werent hem spise dier hi gheert

 

148:76 Het heuet selden vette muus

Den vos ghebeten in sijn huus

Der muus es alle weelde ontseght

Als si in die valle leght

 

Binnen deze drie spreuken is van alles aan de hand. De losse spreuken staan niet op zichzelf: ze zijn duidelijk gelijktijdig gecomponeerd.

 

Mijn werkwijze lijkt me duidelijk. Dezelfde aanpak heb ik gehanteerd voor de meest frequente inhoudswoorden. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de woordgroepen die ik met behulp van de elektronische database heb geanalyseerd. Alle door mij geïdentificeerde clusters – op basis van een gelijk aantal versregels, gelijke rijmschema’s en/of inhoudelijke kenmerken – zijn opgenomen in een samenvattend overzicht in bijlage 3. Ik spreek van een thematisch cluster wanneer ten minste drie opeenvolgende spreuken gelijke inhoudelijke kenmerken vertonen. Wanneer zo’n reeks slechts door één afwijkende spreuk onderbroken wordt, heb ik deze toch als cluster aangemerkt. Het is namelijk heel goed denkbaar dat de afwijkende spreuk later tussengevoegd is.

 

3 Losse spreuken of doorlopende tekst?

 

Hiervoor heb ik al gewezen op het feit dat een aantal opeenvolgende spreuken soms geïnterpreteerd kunnen worden als een doorlopend geheel of als een dialoog. Opvallend in dit verband is een reeks van twaalf spreuken (spreuk nummer 148:33-44) van negen versregels met het rijmschema ababcdcdd. Mede omdat deze strofevorm erg zeldzaam is, is het erg waarschijnlijk dat deze spreuken bij elkaar horen. Waarschijnlijk zijn ze door één auteur geschreven. Het is zelfs heel goed denkbaar dat hier sprake is van een doorlopende tekst. De kopiist heeft de tekst in ieder geval niet als eenheid, maar als een verzameling losse spreuken opgevat:

 

148:33 Die god wijsheit gheuet ende sin

Hi gheeft hem die meeste gaue

Die de werelt mach hebben in

Heerscap rijcheit oft haue*    eigendom, bezitting

Want jan soetrec ons bescrijft

Dat altoes die wise man

Here bouen den sterren blijft

Hets recht dat sijs hem dancken dan

Dien god sen ende wijsheit an

 

148:34 Allet goet dat ons gheuen mach

Beide de werelt entie natuere

Dat mach ons in een oege op slach

Nemen die doot ofte auontuere

Niemen en beroeme hem hoghe dade

De mensche ende oec sijn goet al

Hanct ane den hemel met enen drade

Ende men en weet wanneert vallen sal

Elc huede hem vore desen val

 

148:35 Het heet menech nv ten tide

Wesen een goet edel man

Die noit in ne ghenen zide

Edelheit ane hem en ghewan

Want al ware een man van gheslachte

Van tonghen ofte alsoe goet

Rijc van goede ende van machte

Hem edelheit nie en bestoet

Hi en si edel inden moet

 

148:36 Dus ware beter enen hellinc

Met gode ghewonnen ende verteert

Dan wi hadden alle dinc

Daer hare de werelt mede gheneert

Dat ghewonnen ware met blamen

Van onsen tienden ouder vader

Al waert dat wijt alte samen

Den aermen gauen al gader

Dore gode onsen hemelschen vader

 

148:37 Die aelmoesene gheeft

Hi doet hem seluen meerder goet

Dan den aermen diere bi leeft

Dus seggic oec dat hi doet

Hem seluen vele meerder ere

Die eert enen goeden man

Dan hi eert den goeden here

Elc ere goede liede dan

Waer hi mach ende waer hi can

 

148:38 Die ghenoecht dat hi heeft

Hi heeft al sinen noet verwonnen

Ende hi es die rijcste die leeft

Naest gode onder der sonnen

Maer die vrec es hi heeft pine

Altoes gaet hem droefheit ane

Al ware al ertrike oec sine

Hi soude nochtan na minen wane

Willen die sonne ende oec de mane

 

148:39 Die scalken knechten licht gheloeft

Entie verraders niet en kint

Entie werct na sijn selfs hoeft

Ende die den smeekere mint

Ende die mesdadeghen niet en doet ghenade

Alse men hem mach doen gheuede

Ende vroeden liede niet gheet te rade

Ende licht ontseit een goedsmans bede

Sijn rike en mach niet sijn ghestede

 

148:40 Ic wil mi des vermeten wel

Waren wi dat wi wesen souden

Aise ons god maecte ende niet el

Wi souden hebben dat wi wouden

Want ons seit aristoteles

Dat alle dinc van recht begheren

Dat in hem meest goet es

Ende al aercheit* van hem weren   zonde, kwaad

Die wilt mach hem in doghden gheneren

 

148:41 Die hem verlaet op joncheit

Op scoenheit ochte op ghesonde

Ochte op lijfs crachtecheit

Ic woude dat hi wel merken conde

Hoe die bloemen ende tgroene gras

Des morghens groit eer ment af sleit

Ende zauons voert inden tas

Dits ons allen euen ghereet

Als die doot comt diet al versleet

 

148:42 Die rijcheit heuet ende diese hout

Hi moet sorghen al sijn leuen

Ende als hi sterf ende hi vercoudt

Moet hise met groten rouwe begheuen

Maer die rijcheit niet en heeft

Ende hem daghelijcs gheneert

Hi es die rijcste man die leeft

Want hi tsine met gode verteert

Dat hem zorghe noch anxt en deert

 

148:43 Die wille wachtem voer den wijn

Al dunct hi ons smaken wale

Bouen mate soe eest venijn

Ende gheeft den mensche dicwile quale

Hi brect ende droecht de natuere

Ende nemt der herten haren sin

Mansclacht luxurie* in meneger vre   wellust, onkuisheid

Werringhe scande ende clein ghewin

Dit brinct drunkenscap al in

 

148:44 Dobbelsteene ende vrouwen minne

Ende drunckenscap diese antiert

Si bringhen hem al aercheit inne

Ende blijf dicwile gheoneert

Traecheit ter doghet soe heefti in

Die leecht onder der minnen roede

Ende dronckenscap benemt den sin

Ende dobbelsteene gheuen armoede

Die wille hi sijs op sine hoede

 

De losse spreuken vertellen eigenlijk een doorlopend verhaal: wijsheid is het grootste geschenk dat God ons gegeven heeft. Wijsheid is meer waard dan alle bezittingen op aarde. De wijsheid wordt echter bedreigd door allerlei factoren, zoals dobbelen, liefde voor vrouwen en dronkenschap.

 

Er zijn nog twee andere spreuken waarvan met vrij grote zekerheid beweerd kan worden dat zij oorspronkelijk bij elkaar hoorden:

 

108:35 Woudsi eenwerf* segghen ja    eenmaal, eens

         Altoes woudic haer volghen na

 

108:36 Ende ochte sijs niet doen en wille

         Mach si dan niet swighen stille

 

Het voegwoord ‘ende’ impliceert dat de tweede spreuk het vervolg is op een eerdere mededeling en gezien de betekenis is dat hier heel goed mogelijk. Misschien heeft een compilator beide spreuken gesplitst, omdat ze ook op zichzelf betekenis hebben.

 

4 Aabccb-spreuken

 

De meest opvallende reeks spreuken uit de eerste verzameling is een reeks van 84 spreuken van zes versregels met het rijmschema aabccb (spreuk nummer 108:142-225). Zoals we eerder hebben gezien, komt deze strofevorm in de Middeleeuwen vrij veel voor. Tussen opeenvolgende aabccb-spreuken bestaan soms thematische verbanden. Een voorbeeld hiervan is de reeks 108:167-173 waarin de ‘minne’ centraal staat. Ook hier heb ik door middel van een kleurenschema aangegeven dat er meer aan de hand is dan een zuiver thematische samenhang. Sommige spreuken zijn duidelijk gelijktijdig gecomponeerd:

 

108:167 Spelen ende wel singhen

Dese twee bringhen

Dicke tsmenschen herte

In groter minnen saen*    snel, spoedig

Dier si niet ontgaen

En moghen sonder smerte

 

108:168 Soe wie dat mint

Hi gheeft oft sint

Den sanc altoes

Als hi wel weet

Dat soe hem steet

Ocht hi es loes

 

108:169 Die raet die vint

Ene vrouwe die mint

In corten stonden

Eer si verliest

Dat si verkiest

Daers na gheen gronden

 

108:170 En es wijsheit

Bouen tscalcheit*     gemeenheid, bedrog

Eens wijfs die mint

Noch gheen man

Hoe vele hi can

Sine maecten blint

 

108:171 Menech die mint daer

Daer men een haer

Om hem niet en gaue

Ende en can niet

Nochtan hi siet

Ghetrecken aue

 

108:172 Die mint dien es leet

Dat iement steet

Na dat hi mint

Want hi en can niet

Hars niemen iet

Dan hem een twint

 

108:73 Die lief ende leet

Van minnen weet

Ende heuet ontfaen

Die mach kinnen

Die cracht van minnen

Ende leren gaen

 

5 Freidankspreuken

 

Eerder zijn al de zogenaamde Freidankspreuken ter sprake gekomen. De volgende spreuken uit verzameling nummer 148 in het handschrift-Van Hulthem zijn identiek aan de verzameling van Freidank:  spreuk nummer 2-3, 19-22, 26, 29, 45-59, 61-89, 91-100, 102-109, 111-112, 114-115, 117 en 149-154. Uitgaande hiervan, lijkt het mij gerechtvaardigd om deze spreuken, met uitzondering van de op zichzelf staande spreuk 117, als afzonderlijke clusters aan te wijzen die ieder als groep in de spreukenverzameling terecht zijn gekomen. Of is er sprake van een grotere groep met latere tussenvoegingen? Het is namelijk erg opvallend dat de reeks Freidankspreuken 148:45-116 in totaal zes keer onderbroken wordt door telkens slechts één spreuk met een andere herkomst. Ik heb overigens geen (vormelijke of thematische) samenhang tussen de Freidankspreuken en de ‘latere tussenvoegingen’ kunnen ontdekken.

De Freidankspreuken in het handschrift-Van Hulthem zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze bachelorscriptie. Deze spreuken hebben geen overkoepelend thema, er staan verschillende onderwerpen centraal. Wat de vorm betreft, is er geen overeenkomst in het aantal versregels, maar wel in het rijmschema: in alle gevallen is sprake van gepaard rijm.

Er bestaan overigens ook andere Middelnederlandse handschriften met Freidankspreuken, zoals het handschrift waarin de gedichten van Willem van Hildegaersberch zijn opgenomen. Ik heb een aantal overeenkomsten gevonden tussen de Freidankspreuken in dit handschrift en het handschrift-Van Hulthem. Op de volgende bladzijde staan eerst de spreuken uit het handschrift-Van Hulthem en daarnaast de spreuken uit het handschrift met de gedichten van Hildegaersberch.

 

 

108:5

Ach men siet selden

 

37

Men siet nu, leyder! selden

 

Trouwe met trouwen ghelden

 

 

Trou mit trouwen ghelden.

 

 

 

 

 

148:46

Het drincken si C hen seluen doot

 

 

 

 

Die niet en storuen van dorste groet

 

 

 

 

Want wie vele sonder dorst drinct

 

 

 

 

Die doot hi te hem wert winct

 

 

 

 

Dronckenheit es selden goet

 

44

Dronckenscap is selden goet,

 

Want si den wisen dolen doet

 

 

Want si valscht eens wisens moet.

 

Ende si es roeuerse der zinnen

 

 

 

 

Ende bode der doot wildijt bekinnen

 

 

 

 

 

 

 

 

148:54

Ic doe mi seluen leets meer

 

 

 

 

Dan al de werelt dats mi zeer

 

 

 

 

Mochtic mijn selfs meester zijn

 

76

Mocht ic mijns selfs meester sijn,

 

Soe haddic saen den wille mijn

 

 

Soe had ic van wille die wille mijn.

 

Mochtic mi seluen af trecken

 

 

 

 

Van dinghen die mi bevlecken

 

 

 

 

Soe dat ic rede ofte gingen

 

 

 

 

Mine volghede gheen quade dingen

 

 

 

Enkel afgaande op het geringe aantal overeenkomsten, acht ik het niet mogelijk om vast te stellen of de Freidankspreuken in deze Middelnederlandse handschriften overgenomen zijn uit dezelfde materiële bron. Toch lijkt dat niet erg waarschijnlijk: de Freidankspreuken waren erg populair en raakten verspreid over vrijwel geheel West-Europa. Het Marburger Repertorium der Freidank-Üferlieferung bevat maar liefst ruim tweehonderd handschriften en drukken tot en met de zeventiende eeuw waarin Freidankspreuken zijn overgeleverd. De kans dat de compilatoren van het Hollandse en het Brusselse handschrift dezelfde materiële bron in handen hadden, wordt daardoor erg klein.

 

6 Autoriteitsspreuken

 

Ook erg opvallend in verzameling nummer 148 is een reeks van 65 spreuken (spreuk nummer 160-224) van een wisselend aantal versregels die in de mond worden gelegd van autoriteiten als Aristoteles, Gregorius, Ovidius, Plato en Salomon. De naam van de autoriteit is telkens in rode inkt boven de spreuk genoteerd. Het is zeer waarschijnlijk dat deze groep spreuken een gemeenschappelijke oorsprong heeft en als groep in het handschrift-Van Hulthem terecht is gekomen. Over de voorgeschiedenis van deze spreuken is niets bekend. Gedacht kan worden aan spreuken op een muur in combinatie met een afbeelding van een filosoof of geleerde. Dergelijke geschilderde voorstellingen zijn bekend uit de veertiende eeuw. Als voorbeeld kan worden gewezen op een reeks in het stadhuis van Keulen en een kleine serie in het huis van een burger uit Brugge. De muurschilderingen in het Brugse woonhuis dateren uit de late veertiende eeuw, waarvan nu twee voorstellingen vrijgelegd zijn: Sint-Joris met de draak en een reeks van tien deugden. Rondom de deugden staan schuine banderollen met vierregelige Middelnederlandse rijmteksten.

 

7 Dubbele of (bijna) identieke versregels

 

Verschillende versregels komen tweemaal voor, soms verspreid over beide spreukenverzamelingen. Een enkele keer zijn zelfs twee of vier versregels achter elkaar identiek. In sommige gevallen zal dit erop duiden dat er sprake is van een vaste formule die met grote regelmaat gehanteerd wordt in dit genre (zoals ‘Dats dicke gheseit’ in 108:74 en 108:166). In andere gevallen zal sprake zijn van een (deel van een) spreuk die in twee verschillende bronnen is overgeleverd en als gevolg van compilatiewerkzaamheden nu in één handschrift terecht is gekomen (zoals spreuk 108:6 en 108:76).

108:166

Vroude comt gherne

 

108:220

Heren cnapen

 

Al seit ment tscherne�

 

 

Vrouwen papen

 

Na groot droefheit

 

 

Staen alle na tgoet

 

Ende groot rampspoet

 

 

Ende comen gherene

 

Na groten moet

 

 

Al seitment tscherne

 

Dats dicke gheseit

 

 

Waer ment men doet

 

 

 

 

 

108:6

In trouwen willic volstaen

 

108:76

In trouwen soe willic volstaen

 

Al soudt mi ane mijn leuen gaen

 

 

Al soudt mu ane mijn leuen gaen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

148:29

Niemen sijn vriende en weet

 

148:155

Niemen sine vrienden en weet

 

Alse sijn dinc ten besten steet

 

 

Alse hem sijn dinc ten besten geet

 

Maer de vriende worden becant

 

 

Maer de vriende werden becant

 

Alst hem ten quaetsten gheet in hant

 

 

Alst hem qualec geet in hant

 

Gheet mi wel soe hebbic vriende

 

 

 

 

Maer lettel alst mi steet onsiende

 

 

 

 

 

 

 

 

108:74

Verholen minne

 

108:166

Vroude comt gherne

 

Na dat ic kinne

 

 

Al seit ment tscherne

 

Die waerheit

 

 

Na groot droefheit

 

Beter ware

 

 

Ende groot rampspoet

 

Dan openbare

 

 

Na groten moet

 

Dats dicke gheseit

 

 

Dats dicke gheseit

 

Die anxt ende ghestadecheit mint

 

 

 

 

Hem es trouwe ende doecht bekint

 

 

 

 

 

 

 

 

148:13

Wetti hoe de werelt staet

 

148:137

Tfi v clappers scaemt v der wraken

 

Doet mi goet ic doe v quaet

 

 

Die ghi doet met achter spraken

 

Doet mi ere ic doe v lachter

 

 

Wetti waer mede de werelt omme gaet

 

Trect mi vore ic sette v achter

 

 

Doet mi goet ic doe v quaet

 

 

 

 

Doet mi ere ic doe v lachter

 

 

 

 

Set mi vore ic sette v achter

 

 

 

 

 

108:157

Eens mans mesval

 

108:166

Vroude comt gherne

 

Es dicke al gheval

 

 

Al seit ment tscherne

 

Ere stadt te male

 

 

Na groet droefheit

 

Ende groet rampspoet

 

 

Ende groet rampspoet

 

Es meneghen goet

 

 

Na groeten moet

 

Ende lonet wale

 

 

Dats dicke gheseit

 

 

 

 

 

108:124

Ic wille altoes met trouwen dienen

 

148:118

Die meneghe sprect hine weet wat

 

Ic hope het sal noch lonen jemen

 

 

Besaghe hi hem seluen hi sweghe bat

 

 

 

 

Ach dat ic dat moet ontgelden

 

 

 

 

Dat trouwe loenet alsoe selden

 

 

 

 

Nochtan willic met trouwen dienen

 

 

 

 

Ic hope het sal noch loenen iemen

 

 

 

 

 

148:70

Een sot nemt eens sots sanc

 

148:82

Soe wat manne den sot leert

 

Vore der vedelen gheclanc

 

 

Sine sanc hi niet en verkeert

 

Ende wat men den sotten leert

 

 

Des sots sancs en es niets weert

 

Sinen sanc hi niet en verkeert

 

 

Want hi te beteren niet en gheert

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

148:28

Elc sie vore hem dat radic wel

 

148:40

Ic wil mi des vermeten wel

 

Want ware hem dauontuere fel

 

 

Waren wi dat wi wesen souden

 

Ende hem tgheluc niet en dient

 

 

Aise ons god maecte ende niet el

 

Hine sal behouden ghenen vrient

 

 

Wi souden hebben dat wi wouden

 

Maer die wilt proeuen sijn vriende al

 

 

Want ons seit aristoteles

 

Hi leerse kinnen int dongheval

 

 

Dat alle dinc van recht begheren

 

Want int tgheluc vint men menegen vrient

 

 

Dat in hem meest goet es

 

Die inder noet niet en dient

 

 

Ende al aercheit van hem weren

 

Nv laet ons emmer den ghenen ontsien

 

 

Die wilt mach hem in doghden gheneren

 

Daer niet sonder en mach ghescien

 

 

 

 

Waren wi dat wi wesen souden

 

 

 

 

Wi souden hebben dat wi wouden

 

 

 

8 Vaste formules

 

Hierboven hebben we al gezien dat dubbele versregels kunnen duiden op vaste formules in spreuken. Veel vaste formules bestaan echter uit slechts enkele woorden aan het begin van een zin. Het zijn vaak weinig zeggende woorden waarmee een niet nader bepaalde persoon of algemene situatie wordt aangeduid:

 

Al waert/ware/was (108:111 en 148:11,36,38,45,139)

Als(e) men (108:42,123,230 en 148:39,158,185,216)

Alsoe langhe (148:5,92,222,225)

Beter es/ware (108:74,162 en 148:161,162,224)

Daer men (108:53,161,171 en 148:56,186,189,191,220)

Daer om(me) (108:120,133,174,208 en 148:7)

Dat men (108:88,97 en 148:10,27,182,185,192,199)

Dicke/dicwile (108:24,90,146,167,187,207,208,210,212,221,222 en 148:80,105)

Es dicke (108:157,178,211)

Hets dic(ke) (108:148,156,180 en 148:189)

Die meneghe (108:18,19,232 en 148:118)

Die wel (108:86,202 en 148:159,174,184,194,203)

Een here (148:198,200,201,209)

Een(s) man(s) (108:40,157,187,205,208,221 en 148:86,139,183)

Een(s) mensche(n) (108:211 en 148:157,223)

Een(s) wijf(s) (108:170,188,207)

 

9 Opsommingen

 

Een veel gebruikte formule in spreuken is een opsomming van een aantal zaken:

 

108:33 Scalcheit ende smeken sijn twee dinghen

Die doghet ende scamelheit tonder bringhen

 

108:52 Twee dinghen sijn die ic niet en gare

Een jonc wijf ende enen spoerware

Men moeter dicke tsnach om waken

Ocht men verliesse met clenen saken

 

108:87 Ontfermech gherechtech wettech ende milde

Die dese drie ponte wel hielde

Alle die werelt souden minnen

Ende hi souder hemelrike Ane winnen

 

108:164 Ontfermecheit

Ende edelheit

Dit sijn twee saken

Die van naturen

Tallen vren

Daer doghet es smaken

 

108:167 Spelen ende wel singhen

Dese twee bringhen

Dicke tsmenschen herte

In groter minnen saen

Dier si niet ontgaen

En moghen sonder smerte

 

108:233 Nonnen minne beghinen tonghe

Morwe eyere kind er jonghe

Dese viere sekerlike

Besciten meneghen op eertrike

 

148:18 Nijt vrese minne ende miede

Dese IIII dinghen doen dat die liede

Dat recht vonnesse verkeren

Daer si hen seluen met onteren

 

148:24 Die ene stat wilt regeren

            Selen deze XI poente anteren

            Eendrachtech sijn met trouwen

            Ghemeine orbore anscouwen

            Haer vriheit niet laten breken

            Dicke om ghemeine orbore spreken

            De stat beuelen den vroeden

            Tghemene ghelt nauwe hoeden

            Ende keren ter meester baten

            Te vriende houden de omme saten

            Trecht houden ghelike

           Alsoe wel den armen als den rike

           Vaste houden haer statuten

           Die quade altoes worpen vte

           Ghetrouwe sijn haren here

           Dits der ouder wiser lere

           Ende waer een ghebrecht van desen

           Daer soe steet die stat in vresen

 

148:50 Vier dinghen sijn op ertrike

Die leuen herde wonderlike

Dat salmander dat spise geene

En nvt sonder dat vier allene

Ende dat water de harinc

De stoor de locht geen ander dinc

Ende bider erden leeft die mol

Die hi nuttet in sijn hol

Dus soe leuen dese IIII

Na ene wonderlijc maniere

 

148:172 Int hoeren leit wijsheit groet

Int verstaen leit vele eren

Onthouden es wijsheit ghenoet

Wel vertrecken prijst men sere

Die meester es van desen IIII

Heuet die gracie gods ontfaen

Tusschen den vrecken enten gieren

Siet ment selden effen staen

 

148:192 Placencius

Ghierecheit heuet haer beroemt

Trouwe ende ere es af ghestroemt

Scaemte ende ere mede

Dese IIII es wel leede

Dat men den mensche mach verdraghen

Weder si recht of onrecht jaghen

Seder men recht met onrecht dwanc

Verloes wijsheit haren ganc

 

148:194 Anaxgorax

Doghet ende ere sijn twee namen

Die billic wel horen te samen

Qualic mach iement ere ontfaen

Hine moet hebben doget ghedaen

Ere maect den man wel stout

Die wel meint ende dat wel hout

Die es emmer louens weert

Wel den ghenen die wel begheert

Menech mensche in sonden sneeft

Di sonder daet boese wille heeft

 

148:220 Marcolf

Een mach soe wel ghebeteren niet

De sonden als dat mense vliet

Die iet beg ent moet beseffen

Waer hem dende af sal heffen

Hets groet sotheit dat men mint

Daer men scade af ghewint

Minne ende haet sijn twee saken

Die dicke recht onrecht maken

 

In 2002 heeft Van Anrooij aandacht besteed aan het geledingssysteem van de ‘poenten’ in de Middelnederlandse letterkunde. De aankondiging om een bepaalde zaak in een aantal punten te behandelen stelt de toehoorder of de lezer in staat gelijk aan het begin vast te stellen wat hem of haar te wachten staat. Door numerieke signaalwoorden te kiezen, kan de structuur van het betoog dus worden verduidelijkt. Een getalsmatige afsluiting kan daartegenover dienst doen als recapitulatie.

Het didactische middel om in ‘punten’ te werken raakte in de veertiende eeuw populair onder sprookspekers. In de tijd van Boendale waren die in opkomst en na 1350 beginnen ze furore te maken. Dini Hogenelst, die het Middelnederlandse sprokenmateriaal in zijn geheel heeft onderzocht, spreekt in dit verband zelf van ‘een passie voor poenten’ van de zijde van de sprekers. Een goed voorbeeld van het hier besproken verschijnsel is een zelfstandig overgeleverde sproke uit het handschrift-Van Hulthem: nummer 92 met de titel Dese poente moet een here al hebben die sijn lant regeren sal. Een aardig detail in dit verband is dat dit een als zelfstandige sproke fungerend kapittel is uit Der leken spiegel (bk. III, kap. 12). Van Anrooij toont in zijn artikel aan dat in vergelijking met de tekst uit Der leken spiegel de opmaak van de sproke in het handschrift-Van Hulthem toegespitst is op de indeling in ‘punten’.

 

10 ‘Opeenvolgende paren’

 

Binnen de spreukenverzamelingen komen veel ‘opeenvolgende paren’ voor: in de eerste spreuk wordt een begrip genoemd, dat in de volgende spreuk wordt herhaald. Het is heel goed mogelijk dat iemand naar aanleiding van de eerste spreuk een tweede spreuk heeft gecomponeerd of zich een soortgelijke spreuk heeft herinnerd en samen heeft opgetekend. Dit zou betekenen dat ook deze spreuken telkens als cluster in de spreukenverzameling terecht zijn gekomen. Alleen in tekst nummer 108 heb ik opeenvolgende paren aangetroffen:

 

108:6 In trouwen willic volstaen

          Al soudt mi ane mijn leuen gaen

108:7 Die in trouwen wilt volstaen

          Hi moet seker te nieute gaen

 

108:10 Ay hoe lettel men ontsiet

Valsche herten die anders niet

Peinsen dan si moghen ont eren

Beide vrouwen ende heren

108:11 Die quaet peinsen sijn ons bi

Hoet v ic hoede mi

 

108:66 Goeden dienst en bleef noit onvergouden

Den ghenen die hem ghestadech houden

108:67 Die hem moet wachten telker vren

Hem wert sijn leuen sere te suren

 

108:104 Ach here god hoe wel hi dade

Die den scemelen gaue eer hi bade

108:105 Die scemel es en bidden moet

Dicke verwandelt hem sijn bloet

 

108:106 Ocht mi god wilt beraden

Diet niet en cost wat macht hem scaden

108:107 Die god wilt beraden

Hi en comt te vroch no te spade

 

In de volgende voorbeelden is zelfs sprake van twee opeenvolgende paren direct achter elkaar:

 

108:12 Goede hoede in alder stont

Stopt den wroeghers haren mont

108:13 Daer goede hoede es daer es goet vrede

Te nauwe hoede en gheet niet mede

108:14 Te nauwe hoede heeft ghedaen

Den meneghen wt sire eren gaen

 

108:63 Trouwe es ghecroent in mi

Woudsi mi met trouwen staen bi

108:64 Met trouwen te dienen in ghere niet el

Ic hope het sal mi lonen wel

108:65 Het ware onrecht si en lonet mi

Die ghene dien ic eyghen si

 

Op een ‘hoger’ niveau is in het handschrift-Van Hulthem iets vergelijkbaars aan de hand. Sarah Westphal heeft in dit verband gewezen op de aanwezigheid van ‘dyads’. ‘Dyads are the pointed juxtaposition of two couplet texts in what appears tob e the textual equivalent of the couplet rhyme.’ De samensteller-kopiist van het handschrift-Van Hulthem legde op dit verschijnsel de nadruk door herhalende titels of titelelementen te gebruiken, zoals Ene edel exsempel en Ene exsempel noch (nr. 8 en 9), Van onser vrouwen ene goede bedinghe en Van onser vrouwen ene bedinghe (nr. 38 en 39), Van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder en Wat dat trouwe es (nr. 124 en 125), een ingenieus voorbeeld waarin de plot van het eerste gedicht – zoals uitgedrukt in de titel – gemoraliseerd wordt in het tweede gedicht, en D e maghet van ghend en Die corte cornike van brabant (nr. 100 en 101), waarin het geografische element op het eerste gezicht de relatie tussen beide items is, maar op een dieper niveau de hechte relatie tussen anekdotische en historische vertelkunst. Het gebruik van dit soort verwante titels kan de middeleeuwse lezer een signaal hebben gegegeven dat zij een hecht samengesteld boek voor zich hadden, net zoals ook de opeenvolgende paren in de spreuken wijzen op een hecht gecomponeerd geheel.

Sarah Westphal wijst in haar artikel verschillende keren op het feit dat de betekenis van korte items binnen een verzamelhandschrift als Van Hulthem sterk beïnvloed wordt door de andere items. De verschillende items dienen dan ook niet op zichzelf gelezen en geanalyseerd te worden, maar in relatie tot de andere items. Ook een groot deel van de spreuken moet naar mijn mening niet op zichzelf, maar in samenhang met de direct opvolgende spreuken – en misschien zelfs in samenhang met de spreukenverzamelingen als geheel – gelezen worden.

 

11 Het vertelperspectief

 

Aparte aandacht verdient het vertelperspectief. Dit is een term uit de romananalyse voor het punt van waarneming waaruit een tekst of tekstgedeelte blijkt te worden verteld. Uitgaande van de belangrijkste verteller(s) spreekt men van verschillende verteltypen: de auctoriale vertelwijze, de personale vertelwijze, de ik-vertelwijze en het meervoudig perspectief.

In de spreuken van het handschrift-Van Hulthem hebben we ruwweg te maken met twee vertelwijzen: de auctoriale en de ik-vertelwijze. Binnen deze spreukenverzamelingen worden zowel de auctoriale als de ik-vertelwijze gebruikt om algemene waarheden te poneren. Toch is het nuttig om onderscheid te maken tussen beide vertelwijzen. In tegenstelling tot de auctoriale vertelwijze impliceert de ik-vertelwijze – naar mijn gevoel – veel meer een interactie tussen een zender en een ontvanger. De kans is groot dat we te maken hebben met de schriftelijke weerslag van een orale overlevering. Te denken valt aan voordrachtsteksten die bijvoorbeeld een jongleur, minstreel of sprookspreker ten gehore brengt. In het geval van de auctoriale vertelwijze worden de algemene waarheden aan een lezer gepresenteerd door een alwetende en alomtegenwoordige vertelinstantie. Vaak worden dit soort wijsheden geplukt uit het werk van wijsgeren en literatoren, zoals in de autoriteitsspreuken veelvuldig voorkomt.

Om na te gaan welke spreuken een ik-vertelperspectief hebben, heb ik de volgende frequentielijsten samengesteld:

 

Ic (inclusief alle enclitische vormen: achtic, alsict, bederuic, benic, biddic, canic, comic, constic, dragic, gaic, haddic, hebbic,hebbics, hebbix, houdic, kinnic, laic, latic, lenic, leuic, minnic, mochtic, moedic, moetic, nemic, ontseggic, prisic, radic, riepic, salic, seggic, seidic, soudic, steruic, swigic, vindic, voeric, vondic, vruchtic, waric, wasic, weetic, wetic, willic, willicx, woudic)

108:[1,2,3],6,8,11,15,[17,18],[20,21],23,31,35,38,[43,44,45],47,49,52,[54,55,56],62,[64,65],68,[71,72],74,76,81,[84,85,86],[89,90],94,96,100,[108,109,110,111,112],[115,116],[118,119,120,121],[123,124],129,131,133,137,139,155,

177,191,216,226 (64)

148:2,4,[6,7],[12,13],21,26,[28,29,30],37,[40,41],47,52,[54,55,56,57,58],61,65,71,81,83,[91,92],98,100,103,[117,

118],[123,124],128,131,133,137,140,[142,143],152,163,168,[175,176],180,182,190,195,[197,198,199],203,207,209,

[217,218] (59)

 

Mi

108:1,3,6,11,[15,16,17,18],20,31,[43,44,45,46],[48,49],[54,55,56],59,[63,64,65],71,76,78,[80,81,82],[84,85,86],[93,

94],106,111,[115,116,117,118],121,123,129,131,133,[137,138,139],155,226,232 (51)

148:4,6,[12,13],29,40,47,[53,54],56,62,68,81,91,103,114,126,131,[137,138],143,152,[174,175],180,186,203,205,

[208,209],217 (31)

 

Samengevat levert dit het volgende resultaat op:

Spreuken

Totaal aantal spreuken

Aantal spreuken met een ik-vertelperspectief

In %

108:1-234

234

77

33%

148:1-225

225

59

36%

Aabccb-spreuken

84

4

5%

Freidankspreuken

81

23

28%

Ababcdcdd-spreuken

12

3

25%

Autoriteitsspreuken

65

14

25%

Het meest opvallend zijn de aabccb-spreuken (108:142-225). Zoals ik al eerder heb aangegeven, zijn deze spreukstrofen gnomisch van aard: ze bevatten algemeen geldende waarheden, geformuleerd in tegenwoordige tijd. De inhoud is didactisch, met een moraliserend of godsdienstig karakter. Vanwege het relatief lage aantal spreuken met een ik-vertelperspectief binnen deze deelverzameling, is het erg onwaarschijnlijk dat aan deze spreuken een mondelinge overdracht ten grondslag ligt. Een ander argument ondersteunt deze hypothese: er is in de aabccb-spreuken sprake van een enigszins ‘ingewikkeld’ rijmschema, in plaats van het gepaard rijm dat we vaak aantreffen in teksten die oorspronkelijk bestemd waren voor mondelinge voordracht.

 

VI Overkoepelende thema

 

Op basis van de frequentielijsten heb ik hieronder twee lijsten opgesteld die aangeven welke inhoudswoorden het meest frequent in beide spreukenverzamelingen voorkomen. Cursief weergegeven staan de begrippen die slechts in één van beide verzamelingen zeer frequent (> 10) voorkomen.

 

Verzameling nummer 108:

Herte, herten, therte (42)

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint (35)

Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe (28)

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren (24)

Man (18)

Lief, lieflec, lieflijc (17)

God, gode, gods (16)

Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic (16)

Smerte, smerten (15)

Vrouwe, vrouwen (14)

Wijf, wijfs, wiue (14)

Leet (13)

Verdriet, verdrieten (12)

Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap (12)

Dinc, dingen, dinghen (10)

Waer, waerheit (10)

 

Verzameling nummer 148:

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren (45)

Man (33)

Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic (31)

God, gode, gods (30)

Waer, waerheit (27)

Here, heren (24)

Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap (24)

Mens, mensch, mensche, menschelike, menschen, mense (21)

Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe (19)

Niemen (19)

Dinc, dingen, dinghen (18)

Recht, rechte, rechter (18)

Scade, scaden, scaemt, scaemte, scamen, scande, scanden (17)

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint (16)

Vroe, vroede, vroeden, vroet, vroetscap, vroetscapen (16)

Rade, raden, radic, raet (15)

Sonde, sondeghe, sonden (14)

Werelt (14)

Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste (14)

Dode, doden, doot (12)

Herte, herten, therte (12)

Rijc, rijchede, rijcheit, rijcs, rijcste, riken, riket (12)

Sot, sotheit, sots, sotte, sottelijc, sotten (11)

Mate, maten (10)

 

Het is niet eenvoudig om uit deze frequentie-overzichten het overkoepelende thema van beide spreukenverzamelingen vast te stellen. Het steeds maar weer (her)lezen en interpreteren van de spreuken blijft daarvoor het belangrijkst. Vanuit mijn eigen leeservaring heb ik het gevoel ontwikkeld dat in beide verzamelingen de thema’s eer, trouw en vriendschap centraal staan.

Ik zal dieper ingaan op het begrip ‘eer’. Zonder eer vaart niemand wel, en ook het omgekeerde geldt: wie het voor de wind gaat, verwerft eer. In hun verheerlijking van eer zijn beide spreukenverzamelingen, elk op hun eigen wijze, met het traditionele, aristocratische waardenpatroon verbonden. Echter: de factoren die belangrijk zijn voor het verwerven en in stand houden van eer, zijn in beide teksten verschillend.

 

In verzameling nummer 108 staat vaak de relatie tussen twee gelijken centraal en in dat geval meestal twee geliefden of twee vrienden. In de relatie tussen geliefden zijn minne en monogamie erg belangrijk. In de relatie tussen vrienden is eer te behalen door zowel in goede als in slechte tijden trouw aan elkaar te zijn. Ontrouw zorgt ervoor dat het hart pijn doet.  Centraal in deze spreukenverzameling staan de innerlijke waarden. Afgunst, leedvermaak, onbetrouwbaarheid, valsheid, verdorvenheid en verraad worden afgewezen. Bescheidenheid, het bewaren van geheimen, dankbaarheid, mildheid, nederigheid, standvastigheid, vrijgevigheid en zelfkennis worden aangeprezen.

De spreuken in deze verzameling hebben soms een ‘volks’ karakter: soms zijn personen uit het gewone volk tot onderwerp gekozen. Een voorbeeld:

 

108:51 Die een pert heeft dat qualijc gheet

         Ende een wijf die achter wt sleet

         Ende op elken tee II exteroghen

         Die man die leeft selden sonder doghen

 

In verzameling nummer 108 komen regelmatig vrouwen voor. In deze spreuken wordt vaak een algemene wijsheid (tegenwoordig zouden we zeggen: een vooroordeel) over vrouwen gegeven, waarmee de man zijn voordeel kan doen. Een gewaarschuwd man telt immers voor twee:

 

108:39 Aen vrouwen zeer en leghet gheen macht

         Die oghen wenen therte lacht

         Al dat si in seuen jaren mint

         Dats binnen derde daghe al wint

 

In één spreuk komt zelfs duidelijk een vrouw aan het woord:

 

108:111 Ic wille mi seluen staen bi

           Ende van allen menschen keren mi

           Ende ic wille hem doen wt minen sinne

           Al was hi daer ghewortelt jnne

           Dats mire herten alte swaer

           Een dach dunct mi VII jaer

 

In verzameling nummer 148 staat meestal niet de relatie tussen twee gelijken centraal, maar de relatie tussen een ondergeschikte en zijn heer of meester. Ontrouw zorgt niet zozeer voor pijn in het hart of zielensmart, maar eerder voor schaamte en schande tegenover de buitenwereld. Het is beter om de buitenwereld niets van je leed te laten merken:

 

148:223 Aristoteles

           Een mensche die wel can verdraghen

           Sijn leet verborghen sonder claghen

           Ende toene in hem een goet ghebare

           Oft gheen liden in hem en ware

           Die dit wel ghedoen can

           Leeft in eren eest wijf of man

 

Uit de analyse met behulp van de elektronische database blijkt dat het begrip ‘eer’ verhoudingsgewijs zeer frequent voorkomt binnen één van de deelverzamelingen, namelijk de autoriteitsspreuken:

 

Reeks

Totaal aantal spreuken

Aantal spreuken waarin het begrip  eer voorkomt

In %

108:1-234

234

24

10%

148:1-225

225

45

20%

Aabccb-spreuken

84

15

18%

Freidankspreuken

81

5

6%

Ababcdcdd-spreuken

12

2

17%

Autoriteitsspreuken

65

27

42%

Deze resultaten zijn niet verwonderlijk. Veel van de autoriteiten die uitspraken in de mond gelegd worden, zijn grote schrijvers. In de Middeleeuwen is voor veel schrijvers eer het hoogste doel op aarde. Eer is de term voor wat wij een goede reputatie zouden kunnen noemen. Het gaat hier om het aanzien dat men in zijn omgeving heeft en op de wijze waarop men dit aanzien zelf beleeft. Van Oostrom schrijft in zijn Woord van eer uitgebreid over de cultus met betrekking tot de preoccupatie van dit aanzien in de Middeleeuwen.

Echte trouw komt weinig voor en daar moet een heer dus niet op rekenen:

 

148:121 Wachten die hem te wachte heeft

           Men vint in niemen trouwe die leeft

           Sspel van vrouwen ende heerscaps helde

           Mach men verdriuen al met gelde

 

148:143 Ay mi ay mi wats mi ghesciet

           Ic soeke trouwe in vinder niet

           Die mint dat hem sal laten

           Hi legger ane sen te maten

 

Toch hoeft dat geen belemmering te zijn om zelf wel trouw te zijn:

 

148:118 Die meneghe sprect hine weet wat

           Besaghe hi hem seluen hi sweghe bat

           Ach dat ic dat moet ontgelden

           Dat trouwe loenet alsoe selden

Nochtan willic met trouwen dienen

Ic hope het sal noch loenen iemen

 

De spreuken bevatten regelmatig aanwijzingen welke eigenschappen en daden onontbeerlijk zijn voor een goed bestuur. De volgende spreuk is daar wel het meest duidelijke voorbeeld van:

 

148:24 Die ene stat wilt regeren

         Selen deze XI poente anteren

         Eendrachtech sijn met trouwen

        Ghemeine orbore anscouwen

        Haer vriheit niet laten breken

        Dicke om ghemeine orbore spreken

        De stat beuelen den vroeden

        Tghemene ghelt nauwe hoeden

        Ende keren ter meester baten

        Te vriende houden de omme saten

        Trecht houden ghelike

        Alsoe wel den armen als den rike

        Vaste houden haer statuten

        Die quade altoes worpen vte

        Ghetrouwe sijn haren here

        Dits der ouder wiser lere

        Ende waer een ghebrecht van desen

        Daer soe steet die stat in vresen

 

In tekst nummer 148 lijken de vrouwen vrijwel volledig afwezig te zijn, het betreft hier duidelijk een mannenaangelegenheid.

 

In de culturele antropologie maakt men vaak onderscheid tussen de begrippen ‘schaamtecultuur’ en ‘schuldcultuur’. Het gaat hier om een begrippenpaar dat dient om culturen te typeren, uitgaande van de vraag wat in een samenleving het meest te vermijden valt: een innerlijk besef van eigen schuld, dan wel de publieke schaamte of schande. In een schaamtecultuur wordt grote waarde gehecht aan eer, aanzien en reputatie en het (vermeende) oordeel van anderen is in hoge mate bepalend voor het handelen van het individu. In een schuldcultuur wordt grote waarde gehecht aan het persoonlijke normen- en waardenstelsel en hier is het vooral het eigen geweten dat in hoge mate bepalend is voor het handelen van het individu. De vraag is dus: laat men zich leiden door de waardering die men in de buitenwereld verwerft, of vooral door eigen drijfveren? Het één sluit het ander natuurlijk nooit volledig uit en beschavingen zijn in feite nooit pure schaamte- of schuldculturen.

De Middeleeuwen zouden een overwegende schandecultuur zijn; het eerbegrip zou zich in de loop der eeuwen ‘verinnerlijken’, parallel daarmee maakte de schandecultuur langzamerhand plaats voor een schuldcultuur.

Toepassing van de termen schaamte- en schuldcultuur op beide spreukenverzamelingen betekent dat in verzameling nummer 108 meer sprake is van een schuldcultuur. Huwelijkstrouw en oprechte vriendschap zijn immers waarden die in hoog aanzien staan. In verzameling nummer 148 is duidelijker sprake van een schaamtecultuur. Publieke erkenning of eer blijkt hier immers de hoogste waarde in het aardse leven en openbare schande is tot elke prijs te mijden.

 

VII Conclusie

 

Het handschrift-Van Hulthem is een Middelnederlands verzamelhandschrift. Het bevat meer dan tweehonderd in hoofdzaak korte teksten welke onderling een grote diversiteit vertonen, onder andere twee grote spreukenverzamelingen. Er heeft tot nu toe weinig onderzoek plaatsgevonden naar Middelnederlandse spreuken en het onderzoek ernaar beperkt zich meestal tot één of enkele spreuken. Mijn onderzoek richt zich daarentegen op ruim vierhonderd spreuken. Ik ben de directe voorgeschiedenis van beide verzamelingen nagegaan zoals ze thans in het handschrift-Van Hulthem bewaard zijn. Ik heb dit gedaan op basis van een analyse van de vorm en de inhoud, omdat op basis hiervan in veel spreukenverzamelingen clusters of deelverzamelingen zijn aan te wijzen.

Ik heb het begrip ‘spreuk’ als volgt gedefinieerd: een uiting die de moeite waard is om te onthouden, waarin een les van levenswijsheid zit van maximaal twintig verzen. Dit genre past uitstekend binnen de moralistische en didactische literatuuropvatting van de Middeleeuwen.

Uit de analyse van het onderzoeksmateriaal met behulp van een electronische database blijkt dat de spreukenverzamelingen grotere en kleinere clusters bevatten. Tot de grotere clusters behoren de qua vorm identieke aabccb-spreuken, de Freidankspreuken die vanuit het Hoogduits zijn vertaald en de zogenaamde autoriteitsspreuken die in de mond worden gelegd van autoriteiten als Aristoteles, Gregorius, Ovidius, Plato en Salomon. Binnen één van de spreukenverzamelingen is een reeks van twaalf spreuken van negen versregels opgenomen met het rijmschema ababcdcdd, die een doorlopende tekst vormen. Ten slotte zijn er nog de vele kleine clusters die te onderscheiden zijn op basis van inhoudelijke overeenkomsten, hiertoe behoren ook de zogenaamde ‘opeenvolgende paren’. Opvallend is het veelvuldig gebruik van vaste formules en opsommingen. Dubbele versregels doen vermoeden dat aan de verzamelingen minimaal twee bronnen ten grondslag hebben gelegen die als gevolg van compilatiewerkzaamheden in één handschrift terecht zijn gekomen. Het vertelperspectief en het rijmschema vormen wellicht aanwijzingen voor het al dan niet ten grondslag liggen van een mondelinge voordracht aan de spreuken.

Behalve duidelijke vormelijke of thematische overeenkomsten tussen losse spreuken, is het belangrijkste onderzoeksresultaat misschien nog wel het feit dat er vaak sprake lijkt te zijn van een ‘doorgecomponeerd geheel’: veel spreuken staan niet op zichzelf en zijn duidelijk gelijktijdig gecomponeerd en later als eenheid schriftelijk vastgelegd. De losse spreuken dienen dan ook niet op zichzelf, maar in samenhang met de direct opvolgende spreuken – en misschien zelfs in samenhang met de spreukenverzamelingen als geheel – gelezen te worden.

De spreuken willen het publiek duidelijk iets leren. Er is sprake van een veelheid aan recepten. De centrale thema’s in beide spreukenverzamelingen zijn eer, trouw en vriendschap. De spreukenverzamelingen zijn elk op hun eigen wijze met het traditionele, aristocratische waardenpatroon verbonden. De verzamelingen vertonen echter een belangrijk verschil: de factoren die belangrijk zijn voor het verwerven en in stand houden van eer, zijn in beide teksten verschillend. Terwijl in de eerste verzameling innerlijke waarden centraal staan, legt de tweede verzameling sterk de nadruk op uiterlijke waarden. Ik heb de eerste verzameling verbonden met een schuldcultuur, waarin een innerlijk besef van goed en kwaad de drijfveer vormt van het menselijk handelen. De tweede verzameling heb ik verbonden met een schaamtecultuur, waarin het oordeel van anderen het handelen bepaalt en waarin publieke schande tot elke prijs vermeden dient te worden.

Bibliografie

 

Gedrukte werken

 

ANROOIJ 1986 – W. van Anrooij: ‘Bijdrage tot een geografische situering van het handschrift-Van Hulthem’. In: Spiegel der Letteren 28 (1986), afl. 4, p. 225-233.

ANROOIJ 1990 – W. van Anrooij: Spiegel van ridderschap. Heraut Gelre en zijn ereredes. Amsterdam: Prometheus, 1990.

ANROOIJ 1993 – W. van Anrooij: ’29 september 1399: In Brussel vinden twee mirakelen plaats, die kort daarop in het handschrift-Van Hulthem worden opgeschreven. Literaire veelzijdigheid in een stedelijke verzamelcodex’. In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (hoofdred.): Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen: Nijhoff, 1993, p. 86-91.

ANROOIJ 1997-1 – W. van Anrooij: ‘Aanzien doet gedenken’. In: Literatuur 14 (1997), afl. 1, p. 11-12.

ANROOIJ 1997-2 – W. van Anrooij: ‘Een rijmspreuk van papieren letters in Deventer’. In: Literatuur 14 (1997), afl. 2, p. 100-101.

ANROOIJ 1997-3 – W. van Anrooij: ‘De Negen Besten op het graf van Godfried van Bouillon’. In: Literatuur 14 (1997), afl. 3, p. 158-159.

ANROOIJ 1997-4 – W. van Anrooij: ‘Spreukstrofen over recht en eendracht’. In: Literatuur 14 (1997), afl. 4, p. 210-212.

ANROOIJ 1997-5 – W. van Anrooij: ‘Een gevelsteen van het Huis Tol te Koudekerk aan den Rijn’. In: Literatuur 14 (1997), afl. 6, p. 368-369.

ANROOIJ 2000 – W. van Anrooij: ‘Jan van Boendale en de Antwerpse School’. In: Nederlandse Letterkunde 5 (2000), afl. 1, p. 86-99.

ANROOIJ 2002 – W. van Anrooij: ‘Poenten in de Middelnederlandse letterkunde. Een geledingssysteem in het zakelijke en discursieve betoog’. In: W. van Anrooij e.a.: Al t’Antwerpen in die stad. Jan van Boendale en de literaire cultuur van zijn tijd. Amsterdam: Prometheus, 2002, p. 65-80.

ANROOIJ 2007 – W. van Anrooij: ‘Literarische Kleinformen im Spiegel mittelniederländischer Sammelhandschriften’. [Ter perse.]

ANROOIJ & BUUREN 1991 – W. van Anrooij & A.M.J. van Buuren: ‘’s Levens felheid in één band: het handschrift-Van Hulthem’. In: H. Pleij [e.a.]: Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen. Amsterdam: Prometheus, 1991, p. 184-199 en 385-391. NLCM 4.

ANROOIJ & HOGENELST 1991 – W. van Anrooij en D. Hogenelst: ‘Pleidooi voor tekstedities van verzamelhandschriften’. In: Dokumentaal 20 (1991), afl. 2, p. 69-71.

ANROOIJ & MERTENS 1992 – W. van Anrooij en Th. Mertens: ‘Een cort jolijt. Middelnederlandse spreukstrofen met het rijmschema aabbccb’. In: F. Willaert e.a.: Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen. Amsterdam: Prometheus, 1992, p. 219-233 en 392-399. NLCM 7.

BERGH 1846-1847 – L.Ph.C. van den Bergh (ed.): Roman van Heinric en Margriete van Limborch, gedicht door Heinric. Leiden, 1846-1847. 2 dln.

BEZZENBERGER 1962 – H.E. Bezzenberger: Fridankes Bescheidenheit. Aalen: Otto Zeller, 1962.

BIEMANS 1989 – J. Biemans: ‘Willem de Vreese en de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta. Over een Vlaamse geleerde en zijn levenswerk’. In: Literatuur 6 (1989), afl. 2, p. 93-101.

BISSCHOP & VERWIJS 1981 – W. Bisschop & E. Verwijs: Gedichten van Willem van Hildegaersberch. Utrecht: HES Publishers, 1981.

BRAEKMAN 1969 – W.L. Braekman (ed.): ‘Middelnederlandse didactische gedichten en rijmspreuken’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1969, p. 79-111.

BRINKMAN 1995 – H. Brinkman: ‘Alder wysheit fondament. Profane ethiek in enige verzamelingen Middelnederlandse rijmspreuken’. In: J. Reynaert e.a.: Wat is wijsheid? Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde. Amsterdam: Prometheus, 1995, p. 230-245 en 423-425. NLCM 9.

BRINKMAN 1998 – H. Brinkman: ‘Het Comburgse handschrift en de Gentse boekproductie omstreeks 1400’. In: Queeste 5 (1998), afl. 2, p. 98-113.

BRINKMAN 2000 – H. Brinkman: ‘Het wonder van Molenbeek. De herkomst van de tekstverzameling in het handschrift-Van Hulthem’. In: Nederlandse letterkunde 5 (2000), afl. 1, p. 21-46.

BRINKMAN & SCHENKEL 1999 – H. Brinkman en J. Schenkel (red.): Het handschirft-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Hilversum: Verloren, 1999.

BUYLE 1995 – M. Buyle: ‘Een puzzel op de schouw en draken op de muren. Merkwaardige muurschilderingen uit de late 14de eeuw in een Brugs woonhuis’. In: Monumenten en Landschappen 14 (1995), p. 6-27.

DESCHAMPS 1972 – J. Deschamps: ‘Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken’. Leiden: Brill, 1972.

DESCHAMPS 1996 – J. Deschamps: ‘Een mislukte reeks facsimele-uitgaven van middeleeuwse handschriften uit de Nederlanden’. In: G. Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 99-107.

DIJK 1985 – H.van Dijk: ‘Als ons die astrominen lesen. Over het abel spel Vanden Winter ende Vanden Somer.’ In: A.M.J. van Buuren, H. van Dijk, O.S.H. Lie [e.a.] (red.): Tussentijds. Bundel studies aangeboden aan W.P. Gerritsen ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Utrecht: HES, 1985, p. 56-70 en 333-335.

DIJK 1992 – H. van Dijk (red.): Klein kapitaal uit het handschrift-Van Hulthem: zeventien teksten uit Hs. Brussel, K.B., 15.589-623. Hilversum: Verloren, 1992.

DIJK 1996 – H. van Dijk: ‘De reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Een toespraak bij het verschijnen van het eerste deel’. In Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 93-98.

DIJK 1998 – H. van Dijk: ‘Verzamelhandschriften en literatuurgeschiedschrijving: verslag van een forumdiscussie’. In: Queeste 5 (1998), afl. 2, p. 189-198.

GERRITSEN 1998 – W.P. Gerritsen: ‘Het verzamelhandschrift in de litteratuurgeschiedenis’. In: Queeste 5 (1998), afl. 2, p. 182-188.

GORP 1998 – H. van Gorp [e.a.] (red.): Lexicon van literaire termen. Groningen: Martinus Nijhoff, 1998.

GOVERS 1994 – M.J. Govers (red.): Het Geraardsbergse handschrift. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I, 837-843. Hilversum: Verloren, 1994. MVN 1.

GRIMM 1834 – W. Grimm: Göttingen in der Dieterichschen Buchhandlung, 1834.

GUMBERT 2004 – J.P. Gumbert: Codicologische eenheden – opzet voor een terminologie. Amsterdam: KNAW, 2004.

HOGENELST 1997 – D. Hogenelst: Sproken en sprekers. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam: Prometheus, 1997. 2 dln. NLCM 16.

JANSEN-SIEBEN 1999 – R. Jansen-Sieben (red.): ’s Levens felheid in één band. Handschrift-Van Hulthem. Brussel: Centrum voor de Bibliografie van de Neerlandistiek, 1999.

JANSSENS 2000 – J. Janssens: ‘Een kwarteeuw Middelneerlandistiek: weifelen tussen algemene literatuurwetenschap en cultuurgeschiedenis. Een subjectieve geschiedenis’. In: M. de Clercq, D. de Vin, J. Janssens [e.a.] (red.): Verzoenende veelzijdigheid. Huldealbum opgedragen aan prof. dr. H. van Gorp. Brussel: Katholieke Universiteit Brussel, 2000, p. 109-126.

JUNGMAN & VOORBIJ 1999 – M.E.M. Jungman en J.B. Voorbij: Repertorium van teksten in het handschrift-Van Hulthem (hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek België, 15.589-623). Cd-rom met een Inleiding. Hilversum: Verloren, 1999.

KIENHORST 1996 – H. Kienhorst: ‘Middelnederlandse verzamelhandschriften als codicologisch object’. In: Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 39-60.

KIENHORST 2005 – H. Kienhorst: ‘Hoe moet zo’n boek genoemd worden? Een vernieuwde kijk op Middelnederlandse verzamelhandschriften als codicologisch object’. In: Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis 83 (2005), p. 785-817.

KLEIN 1995 – J.W. Klein: ‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten, functies’. In: Queeste 2 (1995), afl. 1, p. 1-30.

KWAKKEL 2002 – F. Kwakkel: Die dietsche boeke die ons toebehoren. De kartuizers van Herne en de productie van Middelnederlandse handschriften in de regio Brussel (1350-1400). Leuven: Peeters, 2002. Miscellanea Neerlandica 27.

LäMMERT 1970 – E. Lämmert: Reimsprecherkunst im Spätmittelalter. Eine Untersuchung der Teichnerreden. Stuttgart: Metzler, 1970.

LULOFS 2001 – Van den vos Reynaerde. Editie F. Lulofs. Hilversum: Verloren, 2001.

MERTENS 1994 – Richtlijnen voor de uitgave van Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Geredigeerd onder verantwoordelijkheid van de projectcommissie Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden door Th. Mertens. Hilversum: Verloren, 1994.

OOSTERMAN 2001 – J. Oosterman: ‘Mooie boeken en gemiste kansen’. In: Queeste 8 (2001), afl. 2, p. 192-195.

OOSTROM 1987 – F. van Oostrom: Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400. Amsterdam: Meulenhoff, 1987.

OOSTROM 1992 – F. van Oostrom: ‘Achtergronden van een nieuwe vorm: de kleinschalige epiek van Willem van Hildegaersberch’. In: F. van Oostrom (red.): Aanvaard dit werk. Over Middelnederlandse auteurs en hun publiek. Amsterdam: Prometheus, 1992, p. 99-116 en 293-296.

PLEIJ 1984 – H. Pleij: Het literaire leven in de middeleeuwen. Culemborg: Educaboek, 1984.

REYNAERT 2002 – J. Reynaert: ‘Boendale of ‘Antwerpse School’? Over het auteurschap van Melibeus en Dietsche doctrinale’. In: W. van Anrooij e.a.: Al t’Antwerpen in die stad. Jan van Boendale en de literaire cultuur van zijn tijd. Amsterdam: Prometheus, 2002, p. 127-157.

SCHENKEL 1997 – J. Schenkel: ‘Het handschrift-Van Hulthem, het Comburgse handschrift en de scriptoriumhypothese’. In: Queeste 4 (1997), afl. 1, p. 42-59.

SCHRöDER 1997 – C. Schröder: ‘Het ‘Rijksmuseum’ van de Middelnederlandse letteren: teksteditie handschrift-Van Hulthem in de maak’. In: Vaktaal 10 (1997), afl. 4, p. 5-6.

SERRURE 1858 – C.P. Serrure (ed.): ‘Kleine gedichten en prozastukken uit de dertiende en veertiende eeuw’. In: Vaderlandsch museum 2 (1858), p. 146-221 en 374-451.

SONNEMANS 1996 – G. Sonnemans: ‘What’s in a name? : het belang van opschriften in verzamelhandschriften’. In: Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 61-78.

SPIEWOK 1996 – W. Spiewok: Freidanks Bescheidenheit. Greifswald: Reineke, 1996.

SURINGAR 1886 – W.H.D. Suringar (ed.): Middelnederlandsche rijmspreuken uit een oud Brusselsch handschrift van de Koninklijke Bibliotheek als vertaalde verzen van Freidanks Bescheidenheit. Leiden: Brill, 1886.

VERDAM 1883 – J. Verdam: ‘Over twee spreukenverzamelingen uit het Hulthemsche handschrift’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 3 (1883), p. 177-188.

VERDAM 1892 – J. Verdam: ‘Kleine Middelnederlandsche overblijfselen’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 11 (1892), p. 285-305.

VERDAM 1893 – J. Verdam: ‘Eene onuitgegeven spreukenverzameling’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 12 (1893), p. 97-111.

WACKERS 1996 – P. Wackers: ‘Het belang van de studie van verzamelhandschriften’. In: Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 22-37.

WESTPHAL 1999 – S. Westphal: ‘The Van Hulthem Ms and the compilation of medieval German books’. In: R. Jansen-Sieben & H. van Dijk: Codices miscellanearum: Brussels Van Hulthem Collquium 1999. Brussels: Archives et bibliothèques de Belgique, 1999, p. 71-89.

WILLAERT 2004 – F. Willaert: Medieval memory: image and text. Turnhout: Brepols, 2004.

WILLEMS 1837 – J.F. Willems (ed.): ‘Van alderhande sprokene, clein notabel verskine’. In: Belgisch museum 1 (1837), p. 99-136.

WILLEMS 1842 – J.F. Willems (ed.): ‘Oude rijmspreuken en priamelen’. In: Belgisch museum 6 (1842), p. 184-213.

 

Digitale bronnen

 

HEINZLE 1998 – J. Heinzle [e.a.]: Marburger Repertorium der Freidank-Überlieferung, <http://web.uni-marburg.de/hosting//mr/mrfd/welcome.html>, 1998.

 

 

Bijlage 1 Elektronische database

 

Bijgevoegd is een cd-rom met daarop de bestanden die samen de elektronische database van beide spreukenverzamelingen in het handschrift-Van Hulthem vormen. De cd-rom bevat de volgende bestanden:

 

Aantal versregels en rijmschema.xls

In dit bestand staat per deelverzameling het aantal versregels en het rijmschema per spreuk aangegeven.

 

Frequenties Freidankspreuken.xls

Frequenties verzameling nummer 108.xls

Frequenties verzameling nummer 148.xls

Frequenties totaal

Deze bestanden zijn allen op dezelfde wijze opgebouwd:

· Blad1 bevat de tekst van alle spreuken.

· Op blad2 is de tekst gespitst in losse woorden.

· Op blad3 staan alle losse woorden onder elkaar.

· Blad4 bevat een draaitabel van alle losse woorden: van ieder los woord staat op alfabetische volgorde de frequentie aangegeven.

· Blad5 bevat hetzelfde overzicht als blad4, maar op een andere wijze geordend: de losse woorden met de hoogste frequentie staan bovenaan en de woorden met de laagste frequentie onderaan.

 

Geanalyseerde woordgroepen.xls

Dit bestand bevat alle woordgroepen die ik met behulp van de elektronische database heb geanalyseerd. De selecties zijn gemaakt aan de hand van de frequentieoverzichten.

 

Identieke versregels.xls

In dit bestand staan alle versregels uit beide verzamelingen alfabetisch geordend. Dit bestand is gebruikt om na te gaan welke identieke versregels/spreuken de verzamelingen bevatten.

 

Vertelperspectief.xls

In dit bestand is aangegeven welke spreuken een ik-vertelperspectief hebben. Geselecteerd zijn alle spreuken met de trefwoorden ‘ik’ en ‘mi’ (inclusief de enclytische vormen).

 

Bijlage 2 Geanalyseerde woordgroepen

 

Hieronder staat een samenvattend overzicht van woordgroepen die ik met behulp van de elektronische database heb geanalyseerd. Na het nummer van de spreukenverzameling staan de spreuken vermeld waarin de betreffende woorden voorkomen en afsluitend staat tussen ronde haken het totaal aantal spreuken met treffers vermeld. Vierkante haken geven reeksen van opeenvolgende spreuken aan.

 

Anxt, anxte

108:75,182,189,199 (4)

148:42,52 (2)

 

Armen, armer, armoede, ermoede, ermoeden

108:140,229 (2)

148:24,44,129,163,177,200,217,221 (8)

 

Auenture, auontuere, auontueren, auonturen, dauontuere, dauontueren

108:47,59,115 (3)

148:5,10,28,34,183,214 (8)

 

Bedrieget, bedrieghen, bedroghen

108:geen

148:14,25,56,109,210,219 (6)

 

Begheert, beghere, begheren, beghert

108:98,158 (2)

148:40,49,85,87,117,169,174,194,222 (9)

 

Bidde, bidden, biddic, bidt

108:94,105,123,139,179 (5)

148:102,177 (2)

 

Blide, blidelec, blidelike, blider, bliscap, blisscap

108:28,31,34,54,78,[121,122],163 (8)

148:6,[9,10],12,27,162,178,197 (8)

 

Claecht, claghe, claghen, claghet

108:15,79,89,152,174 (5)

148:61,154,158,223 (4)

 

Coninc

108:geen

148:169,179,191,205 (4)

Cracht, crachte, crachtecheit

108:77,97,173,206,212 (5)

148:41,88,161,221 (4)

 

Daghe, daghelijcs

108:39 (1)

148:10,42,63,98,176,183 (6)

 

Danc, dancke, dancken, danct

108:28,43 (2)

148:9,33,157.162,173,185 (6)

 

Dinc, dingen, dinghen

108:27,[33,34],52,97,130,148,206,208,210 (10)

148:6,18,[21,22],29,36,40,47,[50,51],54,63,125,132,155,210,212,225 (18)

 

Dobbel, dobbelsteene, dobbelstenen

108:130 (1)

148:44,224 (2)

 

Dode, doden, doot

108:100,135,138,149,180,186,199,211 (8)

148:5,34,41,46,52,92,[94,95,96],157,183,221 (12)

 

Draecht, draghe, draghen, draghet, dragic

108:4,79,89,113,153 (5)

148:117,133,165,169,191,196 (6)

 

Dranc, drincken, drinct, dronckenheit, dronckenscap, dronken, drunckenheit, drunckenscap, drunken, drunkenscap

108:135 (1)

148:16,43,44,46,73,90,135,177,222 (9)

 

Duuel, duuels

108:40,128 (2)

148:22,52,61,72,103,134 (6)

 

Edel, edele, edelheit

108:42,164 (2)

148:20,35,96,100,158,208 (6)

 

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren

108:10,14,47,50,77,104,141,143,149,154,157,[160,161],169,174,179,183,190,198,208,214,216,227,229 (24)

148:1,4,13,14,18,23,27,31,37,41,68,96,137,145,[149,150,151],157,161,163,[165,166,167,168],[171,172,173],176,

184,189, [191,192],194,197,199,[202,203],206,209,[211,212,213,214],217,223 (45)

Gheluc, ghelucke

108:21,114,174 (3)

148:32,107 (2)

 

Ghi

108:27,83,112,117,125,132 (6)

148:1,8,27,100,124,127,137,158,178,181,196,199,202,225 (14)

 

Ghierecheit, ghiereghe, ghiereger, giereghe

108:geen

148:19,151,174,192,201,219 (6)

 

God, gode, gods

108:96,[100,101],104,[106,107],122,151,153,174,189,192,200,214,218,222 (16)

148:11,16,21,33,36,38,40,42,45,56,[59,60],65,102,108,116,123,144,148,160,169,[172,173],177,180,[184,185],193,

197,211 (30)

 

Haestecheden, haestecheit, haesten

108:geen

148:146,186,189,201,211 (5)

 

Hemel, hemelrike, hemelschen

108:87,100 (2)

148:2,34,36 (3)

 

Herte, herten, therte

108:4,10,15,19,30,39,60,[78,79],82,88,90,93,96,[110,111],113,[117,118,119,120],123,129,131,137,156,163,165,167,175,179,181,187,[200,201],[203,204],209,[211,212],215,222 (42)

148:2,10,43,57,59,124,142,161,[166,167],[199,200] (12)

 

Hope, hopen

108:59,64,81,84,121,124,191 (7)

148:118,[174,175] (3)

 

Houe, houerdech, houesch, houescheit

108:[117,118] (2)

148:9,96,147,224 (4)

 

Ic (inclusief alle enclitische vormen: achtic, alsict, bederuic, benic, biddic, canic, comic, constic, dragic, gaic, haddic, hebbic,hebbics, hebbix, houdic, kinnic, laic, latic, lenic, leuic, minnic, mochtic, moedic, moetic, nemic, ontseggic, prisic, radic, riepic, salic, seggic, seidic, soudic, steruic, swigic, vindic, voeric, vondic, vruchtic, waric, wasic, weetic, wetic, willic, willicx, woudic)

108:[1,2,3],6,8,11,15,[17,18],[20,21],23,31,35,38,[43,44,45],47,49,52,[54,55,56],62,[64,65],68,[71,72],74,76,81,[84,85,86],[89,90],94,96,100,[108,109,110,111],112,[115,116],[118,119,120,121],[123,124],129,131,133,137,139,155,

177,191,216,226 (64)

148:2,4,[6,7],[12,13],21,26,[28,29,30],37,[40,41],47,52,[54,55,56,57,58],61,65,71,81,83,[91,92],98,100,103,[117,

118],[123,124],128,131,133,137,140,[142,143],152,163,168,[175,176],180,182,190,195,[197,198,199],203,207,209,[217,218] (59)

 

Kind, kindekijn, kinder

108:233 (1)

148:[90,91] (2)

 

Leet

108:1,2,[17,18],86,144,155,[172,173],[178,179],194,198 (13)

148:26,109,179,223 (4)

 

Licht, lichte, lichten

108:47,195 (2)

148:14,39,111,179,181,219 (6)

 

Lief, lieflec, lieflijc

108:2,22,24,45,62,[81,82],86,[93,94],112,[116,117,118],[120,121],173 (17)

148:27,83,208 (3)

 

Lieghen, loghen, loghene, loghenechtech, loghenen

108:40,88,198,227 (4)

148:11,22,25,53,[55,56],109,178,210 (9)

 

Macht, machte

108:39,106 (2)

148:6,35,51,166,196 (5)

 

Man

108:40,51,136,143,[161,162],170,[184,185],[187,188],190,197,[206,207,208],215,221 (18)

148:1,4,16,[20,21],25,30,33,35,37,42,53,[56,57],65,84,86,93,102,109,[138,139],151,158,169,174,183,194,[199,200],203,215,223 (33)

 

Mate, maten

108:geen

148:43,143,167,171,186,191,196,[213,214],222 (10)

 

Meester, meesters

108:geen

148:24,54,98,172,176 (5)

 

Men

108:5,10,17,28,42,[52,53],58,73,88,92,97,109,123,132,161,171,178,180,219,224,230,234 (23)

148:2,6,[8,9,10],14,17,[26,27,28],[30,31],34,39,45,47,53,56,70,74,84,89,119,121,136,142,154,157,158,[160,161,162,163,164],167,170,172,[174,175,176,177,178,179,180],[182,183],[185,186],[188,189,190,191,192],199,[203,204],

206,[209,210],[212,213],216,220,222 (64)

 

Mens, mensch, mensche, menschelike, menschen, mense

108:4,111,139,211 (4)

148:3,34,43,48,53,60,88,98,112,157,[179,180],185,192,194,197,201,205,215,220,223 (21)

 

Mi

108:1,3,6,11,[15,16,17,18],20,31,[43,44,45,46],[48,49],[54,55,56],59,[63,64,65],71,76,78,[80,81,82],[84,85,86],[93,

94],106,111,[115,116,117,118],121,123,129,131,133,[137,138,139],155,226,232 (51)

148:4,6,[12,13],29,40,47,[53,54],56,62,68,81,91,103,114,126,131,[137,138],143,152,[174,175],180,186,203,205,

[208,209],217 (31)

 

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint

108:4,15,17,23,[37,38,39],61,70,[74,75],80,82,87,[92,93],98,[113,114],117,146,165,[167,168,169,170,171,172,173],182,187,[208,209,210],233 (35)

148:[6,7],15,18,39,44,59,143,151,160,198,201,[219,220],222,225 (16)

 

Niemen

108:50,172,174,178,234 (5)

148:29,34,48,66,68,85,89,100,102,105,109,121,132,142,149,155,180,215,217 (19)

 

Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic

108:11,26,44,51,61,68,102,128,[145,146],152,177,194,208,217,227 (16)

148:9,13,17,[24,25],29,45,47,54,86,132,135,137,141,155,165,168,177,181,186,[190,191],[193,194,195],200,204,

211,214,224 (31)

 

Rade, raden, radic, raet

108:9,32,69,97,[145,146],151,169,196 (9)

148:2,28,39,60,72,98,101,124,171,179,187,[200,201],207,213 (15)

 

Ramp, rampoet, rampspoet

108:153,157,159,166,177 (5)

148:119 (1)

 

Recht, rechte, rechter

108:73,177,234 (3)

148:8,18,20,27,33,40,74,100,112,158,161,165,173,177,192,196,206,220 (18)

Rijc, rijchede, rijcheit, rijcs, rijcste, riken, riket

108:40 (1)

148:33,35,38,42,48,68,74,96,163,179,205,221 (12)

 

Roue, rouwe, rouwen

108:120,145,159,181,198,203,205,212 (8)

148:15,42,147,178,208 (5)

 

Scalc, scalchede, scalcken, scalken

108:69 (1)

148:20,22,39,163,190,200 (6)

 

Scande, scanden

108:50,144,214,216 (4)

148:43,73,157,171,183 (5)

 

Scoen, scoenheden, scoenheit, scone, sconen

108:114,116,131,136,143,223 (6)

148:41,132,138,170,225 (5)

 

Selden

108:15,51,78,134,224 (5)

148:6,22,46,57,61,63,71,[73,74],[76,77],83,118,172 (14)

 

Smerte, smerten

108:78,113,120,129,156,163,167,175,187,[200,201],209,211,215,222 (15)

148:200 (1)

 

Sonde, sondeghe, sonden

108:142,[194,195],214 (4)

148:3,21,45,60,[72,73],85,89,[107,108],180,194,220,224 (14)

 

Sot, sotheit, sots, sotte, sottelijc, sotten

108:geen

148:[31,32],70,73,82,119,168,199,210,213,220 (11)

 

Sterf, sterft, steruen, steruet, steruic, storuen

108:23,100,142,196 (4)

148:10,42,46,[92,93],105,157 (7)

 

V

108:3,11,23,34,83,86,91,[93,94,95,96],100,112,116,[118,119],122,[128,129],132,139 (21)

148:1,5,13,27,30,81,100,124,126,137,145,150,158,173,177,179,[180,181],187,189,[196,197,198,199],[208,209],225 (27)

 

Venijn, venine

108:26,61,190 (3)

148:43,218 (2)

 

Verdriet, verdrieten

108:15,31,38,53,78,80,86,159,163,176,181,199 (12)

148:146 (1)

 

Verraden, verrader, verraderen, verraders, verraet

108:56,224 (2)

148:39,55,83,[165,166] (5)

 

Viande, vianden, viant, viants, viantscap

108:26 (1)

148:1,25,27,177,182 (5)

 

Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap

108:3,[25,26],56,95,109,123,125,131,154,186,218 (12)

148:1,5,14,24,[28,29],47,94,130,142,[152,153,154,155],158,166,174,177,182,187,196,[201,202],212 (24)

 

Vroe, vroede, vroeden, vroet, vroetscap, vroetscapen

108:32,216 (2)

148:6,24,39,[119,120],151,158,[160,161],176,[185,186],203,[211,212],215 (16)

 

Vrome, vromen, vromt

108:34,160,204 (3)

148:105,187,208,214 (4)

 

Vrouwe, vrouwen

108:4,[9,10],39,50,77,96,126,130,145,169,195,205,220 (14)

148:16,44,121,133,[138,139],225 (7)

 

Waer, waerheit

108:4,74,88,129,149,161,178,[197,198],220 (10)

148:4,10,20,24,26,37,45,48,55,58,88,91,[104,105],119,124,137,158,[176,177,178],188,[198,199],[209,210],220 (27)

 

Werelt

108:50,87,136 (3)

148:[10,11],13,[33,34],36,54,66,89,106,137,167,197,205 (14)

 

Wijf, wijfs, wiue

108:8,52,[127,128],134,143,147,170,[187,188],190,193,197,207 (14)

148:139,184,213,223 (4)

 

Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste

108:[68,69],140,170,[183,184,185] (7)

148:31,33,66,68,96,166,172,[191,192],199,204,[210,211,212] (14)

 

Wonder, wonderlijc, wonderlike

108:98,159,181 (3)

148:50,111,205 (3)

 

Ziele, zielen

108:147 (1)

148:2,14,97,160 (4)

 

 

Bijlage 3 Clusters op basis van inhoudelijke en vormkenmerken

 

Hieronder staan alle door mij geïdentificeerde clusters – op basis van een gelijk aantal versregels, gelijke rijmschema’s en/of inhoudelijke kenmerken – opgenomen in een samenvattend overzicht. Spreuken die tot een grotere, overkoepelende verzameling behoren, zijn gearceerd.

 

Cluster

Inhoud

Vorm

108:4-8

Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe

Gepaard rijm

108:6-7

 Opeenvolgend paar

2 versregels,

rijmschema aa

108:10-11

 Opeenvolgend paar

Gepaard rijm

108:12-14

 Opeenvolgende paren

2 versregels,

rijmschema aa

108:35-36

 Doorlopende tekst

2 versregels,

rijmschema aa

108:37-39

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint

 

108:63-65

 Opeenvolgende paren

2 versregels,

rijmschema aa

108:66-67

 Opeenvolgend paar

2 versregels,

rijmschema aa

108:70-73,75-76

Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe

2 versregels,

rijmschema aa

108:104-105

 Opeenvolgend paar

2 versregels,

rijmschema aa

108:104,106-107

God, gode, gods

2 versregels,

rijmschema aa

108:106-107

 Opeenvolgend paar

2 versregels,

rijmschema aa

108:110-111,113

Herte, herten, therte

6 versregels

108:116-118,120-121

Lief, lieflec, lieflijc

 

108:117-120

Herte, herten, therte

 

108:142-225

 

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:165,167-173

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:183-185

Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:184-185,187-188,190

Man

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:187-188,190

Wijf, wijfs, wiue

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:200-201,203-204

Herte, herten, therte

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:206-208

Man

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:208-210

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint

6 versregels,

rijmschema aabccb

108:209,211-212

Herte, herten, therte

6 versregels,

rijmschema aabccb

148:9-10,12

Blide, blidelec, blidelike, blider, bliscap, blisscap

Gepaard rijm

148:10-13

Werelt

Gepaard rijm

148:24-25,27

Here, heren

Gepaard rijm

148:33-44

 Doorlopende tekst

9 versregels,

rijmschema ababcdcdd

148:33-36

Werelt

9 versregels,

rijmschema ababcdcdd

148:45-59,61-89,91-100,102-109,111-112,114-115,117

Freidankspreuken

 

148:53,55-56

Lieghen, loghen, loghene, loghenechtech, loghenen

Gepaard rijm

148:73-74,76-77

Selden

Gepaard rijm

148:74-76,78-81

Allerlei diersoorten

Gepaard rijm

148:94-96

Dode, doden, doot

4 versregels,

rijmschema aabb

148:149-154

Freidankspreuken

 

148:149-151

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren

4 versregels,

rijmschema aabb

148:152-155

Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap

Gepaard rijm

148:160-224

Autoriteitsspreuken

 

148:161,163,165-168

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren

Gepaard rijm

148:171-173

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren

8 versregels,

rijmschema aabbccdd

148:176-178

Waer, waerheit

Gepaard rijm

148:189,191-192,194

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren

Gepaard rijm

148:190-191,193-195

Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic

Gepaard rijm

148:197-201

Here, heren

Gepaard rijm

148:207-209

Here, heren

Gepaard rijm

148:209,211-214

Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren

Gepaard rijm

148:210-212

Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste

Gepaard rijm

148:219-220,222

Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint

8 versregels,

rijmschema aabbccdd

Bijlage 4 Freidankspreuken

 

In onderstaand schema staan links de Freidankspreuken in het handschrift-Van Hulthem opgenomen en rechts daarvan de corresponderende spreuken uit Freidankes Bescheidenheit.

 

 

 

 

 

 

Handschrift-Van Hulthem

 

Freidankes Bescheidenheit

 

 

 

 

 

148:2

Alse dwater jeghen berghe gaet

 

35:12-17

S� wazzer hin ze berge g�t,

 

Mach der zielen werden raet

 

 

�s� mac des s�nders werden r�t:

 

Ic meine soe dat vlieten moghe

 

 

�ich mein, soz fliuzet tougen

 

Vander herten tote in doeghe

 

 

�vom herzen zuo den ougen;

 

Dat water en loept soe sachte niet

 

 

�diz wazzer h�t vil l�sen fluz,

 

Men hoert tot inden hemel die vliet

 

 

�und hoert got durch der himele duz.

 

 

 

 

 

148:3

Vier grote loene daelmoesen heeft

 

39:10-15

Vier gr�ze loene almuosen h�t:

 

Si verblijdt dien mense gheeft

 

 

�als fr� der ist, der ez enpf�t,

 

Hi es blide diese mach gheuen

 

 

�als vil s�n ist, des man d� g�t,

 

Si verbluscht die sonde ende linghet leuen

 

 

�als durft s�n ist in hungers z�t.

 

Soe wiese gheuet onstelike

 

 

�swerz g�t mit guotem willen dar,

 

Hi heeft dese IIII sekerlike

 

 

�dem werdent die vier loene gar.

 

 

 

 

 

148:19

Die giereghe en die vrecke mede

 

132:26-27

Vilkarc unde Samkarc

 

Souden deilen ene maerct tere stede

 

 

�solten teilen dr� marc:

 

Die ghiereghe woude hebben dbeste deel

 

133:1-4

�Vilkarc wolte 'z bezzer h�n,

 

Die vrecke weder seit gheheel

 

 

�Samkarc wolte ez niht l�n;

 

Al noch soe eest onbescheeden

 

 

�der str�t ist ungescheiden

 

Die strijt tusschen hem beden

 

 

�under'n kargen beiden.

 

 

 

 

 

148:20

Soe waer dat een jonc man

 

51:23-24

Swer dem alter und der jugent

 

Sijn recht behout daers doghet an

 

 

�ir reht behaltet, daz ist tugent.

 

Es hi eighen ofte vri

 

54:8-11

Er s� eigen oder fr�,

 

In dien dat hi niet scalc en zi

 

 

�der von geburt niht edel s�,

 

Sine doghdelike saken

 

 

�der sol sich edel machen

 

Selen hem emmer edel maken

 

 

�mit tugentl�chen sachen.

 

 

 

 

 

148:21

Twee dinghen god niet doen en mach

 

39:2-5

Got zwei dinc niht getuon mac,

 

Die ic wale doe alden dach

 

 

�die tuon ich wol, daz ist m�n slac:

 

Ic ga wel tenen betren man

 

 

�ich vinde m�nen tiurren hie;

 

Ic sondeghe des god niet en can

 

 

�ich s�nde; daz entete er nie.

 

 

 

 

 

148:22

Visscheren weueren tolnaren mede

 

75:5a-5d

Vischaere unde vergen,

 

Connen wel meneghe scalchede

 

 

�zolnaere unde schergen

 

Ende menegher ande dinc

 

 

�die kunnen manegen boesen list,

 

De oit de duuel wel ontfinc

 

 

�der dem tiuvel liep ist.

 

Ende lieghen bescheedelike

 

 

 

 

Nochtan werden si selden rike

 

 

 

 

 

 

 

 

148:26

Seidic de waerheit talder tijt

 

74:23-27

Seit ich die w�rheit z' aller z�t,

 

Soe vondic meneghen weder strijt

 

 

�s� funde ich manegen widerstr�t;

 

Dies moetic dicke om legghen

 

 

dar umbe muoz ich dicke dagen:

 

Men mach te vele de waerheit segghen

 

 

�man mac ze vil der w�rheit sagen.

 

Ende seidic al dat ic weet

 

 

seit ich allez, daz ich weiz,

 

Soe wiste de vremde al mijn leet

 

75:01:00

�s� m�este ich b�wen fremden kreiz.

 

 

 

 

 

148:29

Niemen sijn vriende en weet

 

96:9-12

Niemen weiz, w� er friunde h�t,

 

Aise sijn dinc ten besten steet

 

 

�wan s�z an l�p und �re g�t:

 

Maer de vriende worden becant

 

 

�d� wirt der rehte friunt erkant,

 

Alst hem ten quaetsten gheet in hant

 

 

�der valsche friunt wenkt ze hant.

 

Gheet mi wel soe hebbic vriende

 

 

 

 

Maer lettel alst mi steet onsiende

 

 

 

 

 

 

 

 

148:45

Lisemuschs seit al oppenbaer

 

40:5-8

Ob s�nd niht s�nde waere,

 

Al waert dat sonde geen sonde en waer

 

 

�si solt doch s�n unmaere

 

Ende god gheen sonde en wraken

 

 

�durch vil manege unreinekeit,

 

Ende niemet quaet van sonden en sprake

 

 

�die man von der s�nde seit.

 

Nochtan soude men scuwen sonde

 

 

 

 

Want si comt vte soe quaden gronde

 

 

 

 

 

 

 

 

148:46

Het drincken si C hen seluen doot

 

94:25:00

Ez trinkent t�sent � den t�t,

 

Die niet en storuen van dorste groet

 

95:01:00

�� einer st�rbe in durstes n�t.

 

Want wie vele sonder dorst drinct

 

177:17-18

Dem t�de maneger winket,

 

Die doot hi te hem wert winct

 

 

�der �ne durst trinket.

 

Dronckenheit es selden goet

 

94:1-4

Trunkenheit ist selten guot,

 

Want si den wisen dolen doet

 

 

�si tobet und velschet w�sen muot;

 

Ende si es roeuerse der zinnen

 

 

si ist ein roup der tugende gar,

 

Ende bode der doot wildijt bekinnen

 

 

�si ist t�des bilde; nemt es war.

 

 

 

 

 

148:47

Alse mi die quade wel ontfaen

 

90:21-22

Swann ich der boesen hulde h�n,

 

Soe hebbic emmer iet mesdaen

 

 

�so h�n ich etewaz misset�n.

 

Hets beter der quader haet

 

90:19-20

Noch bezzer ist der boesen haz

 

Dan haer vriescap wel verstaet

 

 

�dan ir friuntschaft; merket daz.

 

Men sal metten goede wandelen

 

90:23-24

Man sol h�n mit den besten pflicht,

 

Ende metten quaden geen dinc handelen

 

 

�die boesen hoeren unde volgen niht.

 

 

 

 

 

148:48

Waren alle der lieden zinnen ghelijc

 

43:22-23

Waer aller liute sin gel�ch,

 

Sone ware niemen aerm no rijc

 

 

�son waere nieman arm noch r�ch.

 

Ende wie dat riket ane sijn goet

 

56:11-12

Swer r�chet an dem guote,

 

Hi wert aerm in sinen moet

 

 

�der armet an dem muote.

 

Aise een aerm mensche waer rijc

 

41:8-9

S� swache liute werdent r�ch,

 

Sone es niement soe onverdrachelijc

 

 

�sost niht s� unvertregel�ch.

 

 

 

 

 

148:49

Hoe sere dat wi sijn an sorghen

 

58:23-25

Mich gr�ezent iemer sorgen

 

Wi gheren emmer enen morghen

 

 

�zum �rsten an dem morgen.

 

Om den morghen roepen sere

 

 

�Den morgen sorget mennegl�ch,

 

Ende als wine hebben sijn wi here

 

59:1-3

�so ist der �bent fr�uden r�ch.

 

Maer die hebben mochten dat hi begheert

 

 

�hete ein �bent, des er gert,

 

Het ware M morghen weert

 

 

�er waere t�sent morgen wert.

 

 

 

 

 

148:50

Vier dinghen sijn op ertrike

 

109:14-21

Ez sint vier gotes geschaft,

 

Die leuen herde wonderlike

 

 

�der leben diu sint wunderhaft:

 

Dat salmander dat spise geene

 

 

�salamandr� sp�set sich

 

En nvt sonder dat vier allene

 

 

�mit fiure, daz ist wunderlich;

 

Ende dat water de harinc

 

 

�gam�l��n des luftes lebt,

 

De stoor de locht geen ander dinc

 

 

�der herinc wazzers, sw� er swebt;

 

Ende bider erden leeft die mol

 

 

�der scher sich niht wan erden nert;

 

Die hi nuttet in sijn hol

 

 

�sus ist den viern ir nar beschert.

 

Dus soe leuen dese IIII

 

 

 

 

Na ene wonderlijc maniere

 

 

 

 

 

 

 

 

148:51

Drie dinghen sijn dat wet wel

 

 

 

 

Die ons sijn altoes te fel

 

 

 

 

Die vlieghende vloie ende sduuels nijt

 

146:1-2

Fliegen, floehe, des tiuvels n�t,

 

Dese ligghen op ons taltder tijt

 

 

�die m�ent die liute z' aller z�t.

 

Dits een nijt die niet en begheuet

 

 

 

 

Van selker macht alse elc heuet

 

 

 

 

 

 

 

 

148:52

Dat ic den duuel entie doot

 

67:9-14

Daz ich den tiuvel und den t�t

 

Ontsien moet des hebbic noet

 

 

�muoz f�rchten, deist ein gr�ziu n�t:

 

Die ic nochtan noit en sach

 

 

�und ich ir dewederz nie gesach,

 

Nochtan vruchtic haren slach

 

 

�und f�rhte doch ir ungemach;

 

Van hem beiden moetic anxt ontfaen

 

 

�ich muoz ir beider angest h�n

 

Nochtan en weetic niet hoe sijn ghedaen

 

 

�und enweiz doch, wie si sint get�n.

 

 

 

 

 

148:53

Meneeh mensche hout inden moet

 

171:3-4

Ein ieglich man ze schirme h�t

 

Dat hi an loghene clein mesdoet

 

 

�l�ge f�r s�ne misset�t.

 

Die scilt mach onlanghe hulpen mi

 

171:7-8

Der schilt wert deheine frist,

 

Die van loghenen ghemaect zi

 

 

�der von l�ge gemachet ist.

 

Want menech mach mi herkinnen

 

106:12-15

Maneger waent erkennen mich,

 

Die hem seluen niet en kint binnen

 

 

�der selbe nie erkande sich;

 

Bekinde hem seluen elc man

 

 

erkande sich ein ieglich man,

 

Hi soude te men lieghen dan

 

 

�er l�ge ein andren selten an.

 

 

 

 

 

148:54

Ic doe mi seluen leets meer

 

113:18-19

Ich tuon mir selbe leides m�

 

Dan al de werelt dats mi zeer

 

 

�dan al diu werlt; daz tuot mir w�.

 

Mochtic mijn selfs meester zijn

 

113:12-17

M�ht ich m�n selbes meister s�n,

 

Soe haddic saen den wille mijn

 

 

�s� hete ich gar den willen m�n.

 

Mochtic mi seluen af trecken

 

 

M�ht ich mir selbe widersagen,

 

Van dinghen die mi bevlecken

 

 

�s� m�este ich m�nen v�ent tragen.

 

Soe dat ic rede ofte gingen

 

 

m�ht ich mir selbe ane gesigen,

 

Mine volghede gheen quade dingen

 

 

�s� het ich m�n n�t gar �berstigen.

 

 

 

 

 

148:55

Vondic enen yseren hoet

 

170:14-17

Funde ich veile ein �senhuot,

 

Die jeghen loghene waer goet

 

 

�der f�r l�ge waere guot,

 

Ende enen scilt jeghen scelden

 

 

�und einen schilt f�r schelten,

 

Dese woudic herde diere ghelden

 

 

�den wolte ich tiure gelten.

 

Ende een borch jeghen verraet

 

170:26-27

und f�r arger liute unkust

 

Ic soudse hueren dat verstaet

 

 

�ein widerschiezend armbrust,