

I Inleiding
De laatste jaren is er steeds meer belangstelling ontstaan voor de bestudering van verzamelhandschriften. Sinds het gereedkomen van het eerste deel in de reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden in 1994 worden verzamelhandschriften steeds beter toegankelijk gemaakt voor bestudering.
Via de verzamelhandschriften zijn veel Middelnederlandse spreuken overgeleverd. Hoeveel
precies weet eigenlijk niemand. Met het systematisch onderzoek naar het genre van
de Middelnederlandse spreuken is het namelijk armoedig gesteld. Een belemmerende
factor hierbij vormt ongetwijfeld de onoverzichtelijke wijze waarop de meeste spreuken
in het verleden zijn uitgegeven. De uitgaven van de MVN-
In 1999 kwam de integrale uitgave van het handschrift-
II Verzamelhandschriften
Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw is binnen de Middelnederlandse letterkunde een grote belangstelling ontstaan voor verzamelhandschriften. Het startpunt daarvoor werd gegeven door Van Anrooij en Hogenelst: zij pleitten in 1991 voor de uitgave van tekstedities van verzamelhandschriften.
In de negentiende eeuw zijn veel edities van Middelnederlandse teksten tot stand
gekomen. Hoewel op editoriaal gebied nooit complete stilstand is ingetreden, signaleren
Van Anrooij en Hogenelst dat het in het begin van de jaren negentig slecht gesteld
is met de editoriale activiteiten in de medioneerlandistiek. Op een enkele uitzondering
na, zoals het Utrechtse Lancelot-
Als het prototype van een verzamelhandschrift noemen Van Anrooij en Hogenelst het
beroemde handschrift-
Hoe is het handschrift-
Het pleidooi van Van Anrooij en Hogenelst is de aanzet geweest voor de reeks Middeleeuwse
Verzamelhandschriften uit de Nederlanden (afgekort MVN). Voordat met de editiewerkzaamheden
voor de MVN-
In 1994 kwam het eerste deel van de MVN-
III Het handschrift-
1 Het handschrift
Het handschrift-
Brinkman heeft aangetoond dat het handschrift tot stand gekomen kan zijn in de nabijheid
van het dorp Sint-
De tekst is geschreven in de littera cursiva, waarbij tweemaal een ander lettertype, een soort textualis, werd ingevoegd. De lopende tekst werd met zwarte inkt genoteerd, de opschriften, tussenkopjes, initialen, lombarden en paragraaftekens met rode inkt.
Het merendeel van de teksten eindigt met een afrondingsformule. De standaardformule luidt ‘Dit boec/deze sproke …’, gevolgd door het opschrift boven de tekst of de eerste regel van het incipit, waarna het aantal versregels wordt genoteerd. De verzentelling komt alleen bij berijmde teksten voor, bij prozateksten ontbreekt een regeltelling. De telling is niet altijd conform het juiste aantal verzen en de ene keer worden rubrieken, tussenkopjes, weesrijmen, weggevallen versregels en doorgehaalde regels wel meegeteld, de andere keer niet. Over de functie van de verzentelling is veelvuldig gespeculeerd, al dan niet in combinatie met de functie van het handschrift als geheel.
2 De functie van het handschrift-
Aanvankelijk hebben vooral onderzoekers van de abele spelen zich over de functie van het handschrift uitgelaten: de collectie zou zijn samengesteld ten behoeve van een stedelijk of een rondreizend toneelgezelschap, of voor een individuele sprookspreker. De spreker zou aan de hand van de hoeveelheid verzen zijn voordrachtstijd kunnen inschatten. In deze veronderstelling wordt de inhoud van de gehele codex als het repertoire van toneelspelers of een sprookspreker beschouwd, maar dat lijkt, gezien de aard van veel teksten, toch wel erg onwaarschijnlijk.
In 1968 presenteerde een onderzoeksgroep van Utrechtse neerlandici de scriptoriumhypothese: het handschrift zou een scriptoriumexemplaar zijn, waaruit men tegen betaling een tekst kon laten afschrijven. Dit zou verklaren waarom aan het eind van de meeste teksten het aantal verzen wordt opgegeven: op grond daarvan werd het schrijfloon berekend. Deze hypothese zou ook het veelzijdige karakter van de collectie verklaren: men heeft eenvoudig alles verzameld waar de klanten om zouden kunnen vragen en waar men de hand op heeft weten te leggen. Aanvullende argumenten voor de scriptoriumhypothese werden aangedragen door Pleij.
In 1995 kwam er kritiek op de scriptoriumhypothese. Klein gelooft niet in het bestaan
van lekenscriptoria. Daarmee verdwijnt vanzelfsprekend ook de mogelijkheid van een
scriptoriumexemplaar. Volgens Klein berust immers het idee van grote(re) schrijfzalen
in de stad waar meer kopiisten samenwerkten op een verkeerde parallellie met de kloosterscriptoria.
De organisatie van een klooster heeft ertoe geleid dat daar schrijfzalen ontstonden,
evenals eet-
Volgens Schenkel berust de kritiek van Klein op de scriptoriumhypothese op een verkeerde
parallellie: omdat er in de stad geen eet-
Kwakkel heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de boekproductie in de stad Brussel. Zijn conclusie is dat er in Brussel een grote commerciële markt voor boeken was en hij toont aan dat een groot deel van de boeken werd gekopieerd door beroepskopiisten, die allen waarschijnlijk waren gevestigd in een en dezelfde straat: de Bergstraat. Al dan niet onder leiding van een librarius leverden de beroepsschrijvers boeken aan een zeer divers publiek.
In de loop der jaren is het idee van een stedelijk scriptorium in de zin van een ruimte waar kopiisten permanent schrijfarbeid verrichten, losgelaten. Dit idee is ingewisseld voor een meer realistisch ad hoc werkverband van perkamentmakers, kopiisten, verluchters en binders.
Andere hypothesen over de functie van het handschrift-
3 De totstandkoming van het handschrift-
Verzamelhandschriften kunnen in één arbeidsgang vervaardigd zijn, waarbij de kopiist
een bestaande verzameling of keuze daaruit in één keer heeft afgeschreven. Daarnaast
kan sprake zijn van een gefaseerde totstandkoming, dat wil zeggen dat met tussenpozen
door één of meer kopiisten nieuwe teksten aan de verzameling zijn toegevoegd, waarbij
al dan niet afzonderlijke codicologische eenheden te onderscheiden zijn. Naast in
fasen geschreven, bestaan er ook in fasen en delen tot stand gekomen handschriften.
Een aparte categorie vormen ten slotte de handschriften die bestaan uit bijeenhorende
productie-
Hoe is het handschrift-
Van Anrooij kwam tot de gedachte die men de ‘aangroeihypothese’ zou kunnen noemen.
Door het schijnbare gemak waarmee teksten van zo verschillende inhoud elkaar steeds
afwisselen, ontstaat volgens hem de indruk dat de Hulthem-
Gumbert heeft in 2004 de terminologie voor codicologische eenheden samengevat en
uitgebreid. Volgens deze terminologie is het handschrift-
Brinkman benadrukt in zijn artikel een aantal belangrijke punten, die overigens al
uit eerdere onderzoeken naar voren waren gekomen. Het handschrift moet in ieder geval
na 30 september 1399 zijn geschreven, de dag waarop het tweede wonder gebeurde dat
wordt beschreven in Ene mierakele van mijn here sente Jan Baptista van Molenbeke
te Brusele. Door onderzoek naar de ouderdom van het papier dat voor het handschrift
is gebruikt, kunnen we met vrij grote zekerheid zeggen dat het handschrift in het
eerste decennium van de vijftiende eeuw, waarschijnlijk omstreeks de jaren 1405-
IV Spreuken
1 De verzameling, optekening en uitgave van spreuken
Via de verzamelhandschriften zijn veel Middelnederlandse spreuken overgeleverd. Hoeveel
weet niemand. Met het systematisch onderzoek naar het genre van de Middelnederlandse
spreuken is het namelijk armoedig gesteld. Een belangrijke oorzaak voor het ontbreken
van dit soort onderzoek is waarschijnlijk het niet aanwezig zijn van een repertorium
van Middelnederlandse spreuken, zoals dat bijvoorbeeld wel bestaat voor sproken.
Een belemmerende factor voor de totstandkoming van een dergelijk repertorium vormt
ongetwijfeld de onoverzichtelijke wijze waarop de meeste spreuken in het verleden
zijn uitgegeven. De MVN-
Er bestaat één belangrijk instrument dat ons kan helpen bij de ontsluiting van het
spreukenmateriaal: de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta van Willem de Vreese (1869-
Met behulp van de BNM is het heel goed mogelijk om een meervoudige overlevering
van een spreuk na te gaan. Zo weet De Vreese ons mee te delen dat spreuk 148:6 uit
het handschrift-
Handschrift-
Die tijt lijdt ende henen veert
Ende oec alle dinc verteert
Ende slit hoe danich het si
Oec heeft soe versleten mi
Dat met mi naect der vespertijt
Al mijn yoie ende mijn jolijt
Leeght indie scotel ende inden nap
Van minnen en hebbic maer den clap
Anders en doegicker niet toe
Nochtan benic blide ende vroe
Als icker iet af spreken hore
Dat gheet mi soe wel in doere
Dat icker af verblide te male
Want niet meer dan die tale
En hebbics van dat men doet
Nochtan hebbic den wille goet
Haddic die macht ghelijc den wille
Ic wane ic selden laghe stille
De Limborch:
Die tiit die liidt ende oververt
Ende oec alle dinc vertert
Ende verliest hoedanicht si,
Hi heeft soe versleten mi,
Dat met mi naect der versper tiit.
Al mine joye ende miin deliit
Leit in de scotele ende in den nap,
Van minnen en hebbic maer den clap,
Anders en dogicker niet toe;
Nochtan ben ic blide ende vroe
Als icker iet af spreker hoere,
Dat gheet mi soe wel in doere
Dat ic vervrouwe altemale;
Maer nemmermeer dan die tale
En hebbics van dat men doet;
Nochtan hebbic den wille goet,
Haddic de macht geliic den wille,
Ic wanic selden lage stille.
2 Wat is een spreuk?
In het Middelnederlands kende men het hedendaagse begrip ‘spreuk’ niet, maar wel
het begrip ‘sproke’. Zo bevat het handschrift-
‘Sproke’ heeft in het Middelnederlands verschillende betekenissen. De meest algemene betekenis volgens het Middelnederlandsch woordenboek is ‘hetgeen iemand zegt, zijn taal of woorden’. Verwant met deze betekenis, maar specifieker is die van ‘een gezegde, uiting, uitspraak, vooral een gezegde dat de moeite waard is om te onthouden, waarin een les van levenswijsheid zit’. Deze betekenis vertoont sterke gelijkenis met de huidige begrippen ‘spreuk’ en ‘spreekwoord’.
Hogenelst komt in de inleiding op haar repertorium van de Middelnederlandse sproke
tot de volgende definitie van een sproke: ‘een verzameling van zelfstandig overgeleverde,
korte, Middelnederlandse, meestal paarsgewijs rijmende, niet-
3 Spreukenverzamelingen
In handschriften treffen we spreuken niet alleen aan als marginaal verschijnsel,
als bladvulling of pennenproef. Kopiisten legden verzamelingen van spreuken aan,
die soms tot een geweldige omvang konden uitgroeien. Het handschrift-
Hoe kwamen de spreukenverzamelingen tot stand? Bestaande verzamelingen konden integraal worden gekopieerd en zonodig aangevuld. Hoewel er tot nu toe nog geen identieke verzamelingen in verschillende codices zijn aangetroffen, komen korte sequenties spreuken soms toch in meerdere verzamelingen voor. Iedere verzamelaar had bij de samenstelling van zijn collectie de vrijheid zijn eigen selectie te maken, waardoor afzonderlijke verzamelingen een min of meer individueel bepaald karakter kunnen dragen.
4 Spreukenonderzoek
Er heeft tot nu toe relatief weinig onderzoek plaatsgevonden naar spreuken. Onderzoek naar spreuken beperkt zich meestal tot één of enkele spreuken, zoals de bespreking van een serie middeleeuwse opschriften door Van Anrooij in het tijdschrift Literatuur in 1997.
Van Anrooij en Mertens besteedden in 1992 een artikel aan Middelnederlandse spreukstrofen
met het rijmschema aabccb. Hun inventarisatie bracht ruim driehonderd losse aabccb-
Brinkman schreef in 1995 over profane ethiek in Middelnederlandse rijmspreuken: korte, uit één strofe bestaande moraliserende gedichten, waarin doorgaans slechts één hoofdgedachte pregnant wordt verwoord. Volgens Brinkman zijn deze spreuken zo interessant, omdat we herhaaldelijk zien dat dit genre functioneert buiten of naast de in de regel door kerkelijke waardensystemen bepaalde belerende literatuur. Het genre van de rijmspreuken kan daardoor tot voertuig worden van opvattingen die niet zozeer van bovenaf worden bijgebracht, maar die zich in het alledaagse gebruik hebben bewezen en die gedragen worden door een brede kring van gebruikers.
5 Spreuken en hun auteurs
Wat weten we omtrent het ‘auteurschap’ van spreuken? Spreuken treffen we pas aan sinds de veertiende eeuw. In die periode waren er verschillende typen auteurs.
In de middeleeuwse kloosters bestond van oudsher een intensieve schriftcultuur, met monniken (en soms zelfs nonnen) die de pen voerden: meestal in het Latijn, een enkele maal ook in de volkstaal. De spreuken lijken mij, vanwege hun geringe godsdienstige inhoud, niet gecomponeerd en opgetekend te zijn door geestelijken.
Een ander type auteur is de literator-
Veel Middelnederlandse teksten uit de eerste helft van de veertiende eeuw zijn ontstaan in de stad Antwerpen. De belangrijkste schrijver in die tijd was Jan van Boendale, schepenklerk in dienst van het Antwerpse stadsbestuur. Het corpus van de Antwerpse School omvat in totaal tien teksten waarvan er zeven waarschijnlijk door Boendale zijn geschreven. Reynaert meent zelfs over voldoende indicaties te beschikken om de teksten Melibeus en Dietsche doctrinale ook aan Boendale toe te schrijven. Als zijn redenering klopt, zouden dus negen van de tien teksten van het corpus van de Antwerpse School met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid door Boendale zijn geschreven.
Boendale schreef in de eerste helft van de veertiende eeuw onder andere zijn Brabantse yeesten. Het is een uitvoerige geschiedenis van de Brabantse hertogen en hun voorgangers, met als grote held Karel de Grote. Boendale schreef ook over de nieuwste geschiedenis en daarbij maakte hij gebruik van wat hij her en der hoorde en las.
De historiografische werken van stadsklerken zoals Boendale zitten vol vuur. Zij geven geen afstandelijke historische overzichten, maar zij nemen standpunten in over politieke kwesties die de mensen beroerden. Auteurs als Boendale wilden een boodschap overbrengen. En om dat te doen maakten ze gebruik van alle literaire middelen die er waren. In dat opzicht passen de spreuken uitstekend binnen hun andere literaire werk.
Een laatste type auteur leidt een zwervend literair bestaan: de sprooksprekers of andere voordrachtskunstenaars. In dat geval moet de literatuur een groot deel van de inkomsten garanderen; ruimte voor een solide betrekking is er immers niet, of het zou die van (diplomatieke) koerier moeten zijn – een rol die zwervende dichters dan ook niet zelden hebben vervuld. Maar vergeleken met het eerste type zijn deze auteurs toch meer ‘beroeps’, in zoverre zij primair in beslag worden genomen door hun functie als literator. De risico's van hun vak zijn ook ontegenzeglijk groter, omdat zij aan grotere onrust blootstaan. Ook hun beloningsstructuur is anders: een dergelijke auteur wordt pas betaald na de voltooiing van het werk, of in feite pas na de voordracht ervan; daar staat tegenover dat hij hetzelfde gedicht veelvuldig te gelde kan maken, door het op verschillende plaatsen ten beste te geven. Hij leeft zogezegd bij de variatie: van verblijfplaats, publiek en oeuvre. De andere positie brengt ook een andere epische vorm met zich mee, die van het korte gedicht namelijk, gemakkelijker (goedkoper) te produceren, te transporteren en te recipiëren. Juist de korte vorm biedt bij uitstek wendbaarheid.
Een voorbeeld van een zwervende dichter is Willem van Hildegaersberch. Hij komt tussen 1380 en 1408 als spreker voor in de rekeningen van het Hollandse en Gelderse hof, in die van de abdij van Egmond en in de stadsrekeningen van Middelburg en Utrecht. Van geen enkele spreker is een zo groot oeuvre bekend als van hem. Ik betwijfel echter of de spreuken tot het repertoire van voordrachtskunstenaars als Hildegaersberch kunnen hebben behoord. Mondeling voorgedragen teksten zullen waarschijnlijk een grotere omvang gehad hebben: een voordrachtstekst moet een minimale lengte hebben om de aandacht van en het begrip bij de luisteraar op te wekken. De spreuken zijn te kort om goed door te kunnen dringen bij het publiek. Of waren de spreuken ‘uittreksels’ van de voorgedragen teksten die de pregnante boodschap weergaven? Dit alles brengt ons bij een andere belangrijke vraag waarop we het antwoord nog niet weten: hoe functioneerden de spreuken? Werden zij voorgedragen of dienden zij als leestekst?
V Spreukenverzamelingen in het handschrift-
1 Verzameling nummer 108 en nummer 148
Het handschrift-
Voor mijn onderzoek naar beide spreukenverzamelingen maak ik gebruik van de diplomatische
editie van het handschrift-
Zowel Willems als Suringar hebben aangetoond dat een groot aantal spreuken uit Van vele edelen parabelen ende wiser leeren identiek zijn aan spreuken uit Freidanks Bescheidenheit. Freidank was een Duitse klerk of geleerde die waarschijnlijk geboren is aan het einde van de twaalfde eeuw. Hij schreef zijn werk tussen 1215 en 1230 en het bestaat uit een verzameling rijmspreuken, onderverdeeld in 53 thematische afdelingen van in totaal ruim 4.700 verzen. De spreuken vatten de volkswijsheid uit die tijd samen. Het werk was lange tijd populair en werd ook wel ‘de Bijbel van de wereld’ genoemd. In 1834 verzorgde Jakob Grimm een kritische editie. Bij het achterhalen van clusters in de spreukenverzamelingen zal ik nagaan of de Freidankspreuken kunnen bijdragen tot de beantwoording van mijn onderzoeksvraag.
De lengte van de spreuken in verzameling nummer 108 loopt uiteen van 2 tot en met 8 regels. De gemiddelde verslengte is 4,4 regels. De verdeling van het aantal versregels ziet er als volgt uit:
|
Verzameling 108 |
|
|
|
Aantal regels |
Aantal spreuken |
In % |
|
2 |
68 |
29% |
|
3 |
1 |
< 1% |
|
4 |
51 |
22% |
|
5 |
2 |
1% |
|
6 |
109 |
47% |
|
8 |
3 |
1% |
|
Totaal |
234 |
100% |
|
|
|
|
|
Verzameling 148 |
|
|
|
Aantal regels |
Aantal spreuken |
In % |
|
2 |
25 |
11% |
|
4 |
79 |
35% |
|
6 |
40 |
18% |
|
8 |
39 |
17% |
|
9 |
12 |
5% |
|
10 |
15 |
7% |
|
12 |
9 |
4% |
|
13 |
3 |
1% |
|
18 |
2 |
1% |
|
20 |
1 |
0% |
|
Totaal |
225 |
100% |
Zoals uit bovenstaand schema blijkt, is 18% van de spreuken in verzameling nummer
148 langer dan de langste tekst in verzameling nummer 108 (spreuken met een lengte
van 9-
2 Thematische clusters
Op basis van een gelijk aantal versregels, gelijke rijmschema’s en/of inhoudelijke kenmerken zijn verschillende clusters van bij elkaar horende spreuken in beide verzamelingen aan te wijzen. Het is erg waarschijnlijk dat een kopiist deze reeksen uit dezelfde materiële bron overgenomen heeft.
Om de clusters te achterhalen die te onderscheiden zijn op basis van inhoudelijke kenmerken, heb ik gebruik gemaakt van een belangrijk hulpmiddel: een elektronische database die is samengesteld met behulp van Microsoft Excel. Deze elektronische database is opgenomen in bijlage 1. De basis van de database vormen de spreuken uit verzameling nummer 108 en nummer 148. Op basis hiervan heb ik, per deelverzameling en in totaal, frequentielijsten samengesteld die laten zien hoe vaak ieder woord voorkomt.
Een belemmerende factor bij de analyse van de frequentielijsten is het feit dat het woordbeeld in het Middelnederlands niet stabiel is. De spelling was weinig systematisch doordat er nog geen sprake was van een spellingconventie. Tussen en binnen teksten worden dezelfde woorden soms verschillend gespeld. Daarnaast treffen we binnen teksten vaak clisis aan: woorden die tijdens het spreken één geheel vormen, worden ook aan elkaar geschreven. Het gaat hier om zwak beklemtoonde woorden die één geheel vormen met een beklemtoond woord. Ten slotte dient er rekening gehouden te worden met flexie bij zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden. De naamval en het grammaticale geslacht speelden in het Middelnederlands immers nog een grote rol in de verbuiging.
Een hoge frequentie van een bepaald woord kan een aanwijzing zijn voor een regelmatig terugkerend thema. Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet alle woorden even belangwekkend zijn. Het zijn vooral de lexicale of inhoudswoorden die interessant zijn: met deze woorden kunnen we dankzij hun betekenis naar iets verwijzen. Tot de lexicale woorden behoren de nomina, adjectieven, verba en adverbia. Minder interessant zijn de grammaticale of functiewoorden: deze hebben als functie verband te leggen tussen lexicale woorden en de zinsdelen waarin ze voorkomen. Tot de grammaticale woorden behoren de voegwoorden, preposities, voornaamwoorden en lidwoorden.
Ik zal de wijze waarop ik van de elektronische database gebruik heb gemaakt bij het opsporen van clusters demonstreren aan de hand van twee voorbeelden.
De frequentielijsten tonen dat het begrip ‘trou’ relatief vaak voorkomt in de spreukenverzamelingen. Een zoekopdracht op het trefwoord ‘trou’ levert namelijk de volgende resultaten op:
|
|
Frequentie | ||
|
|
Verzameling nr. 108 |
Verzameling nr. 148 |
Totaal |
|
betrout |
- |
1 |
1 |
|
betrouwen |
1 |
1 |
2 |
|
ghetrouwe |
1 |
6 |
7 |
|
ghetrouwen |
2 |
1 |
3 |
|
trouwe |
13 |
9 |
22 |
|
trouwen |
14 |
3 |
17 |
|
onghetrouwe |
2 |
1 |
3 |
|
ontrouwe |
1 |
2 |
3 |
|
Totaal |
34 |
24 |
58 |
Interessant is vervolgens de spreiding van de treffers over de spreuken: zijn er opeenvolgende of dicht bij elkaar liggende spreuken waarin hetzelfde thema voorkomt? Dergelijke groepjes zouden de clusters kunnen vormen waarnaar we op zoek zijn. De spreiding in verzameling nummer 108 is als volgt: spreuk 1, [4, 5, 6, 7, 8], 17, 25, 48, 50, [63, 64], [70, 71, 72, 73], [75, 76], [95, 96], 120, 124, 130, 139, 181, 200, 205, 212. En in verzameling nummer 148: spreuk 5, 15, 24, 59, [84, 85], 89, 112, 118, [138, 139], 143, 153, 174, 192, 201, 203, [207, 208].
Op basis van bovenstaand overzicht lijkt het mij heel goed mogelijk dat de reeksen
108:4-
108:4 Het steet wel waer mens ghewaecht
Dat elc vrouwe int herte draecht
Trouwe den ghenen dien si mint
Ende dien si met trouwen kint
108:5 Ach men siet selden
Trouwe met trouwen ghelden
108:6 In trouwen willic volstaen
Al soudt mi ane mijn leuen gaen
108:7 Die in trouwen wilt volstaen
Hi moet seker te nieute* gaen ten onder
108:8 Ghelijc een in den spieghel siet
Sijn anschijn blicken ende anders niet
Dat nemic seker op mijn lijf
Alsoe blict trouwe in menech wijf
Ondanks het vormverschil, is de thematische overeenkomst evident: in alle spreuken staat de hechte en loyale band tussen mensen centraal. We hebben hier dus te maken met een cluster spreuken dat als één geheel in de spreukenverzameling terecht kan zijn gekomen. En waarschijnlijk is er zelfs meer aan de hand: we hebben hier niet zomaar te maken met vijf losse spreuken die hetzelfde thema hebben. Bij nadere beschouwing lijkt er zelfs sprake te zijn van een samenspraak. Ik denk zelf aan een dialoog tussen een man en een vrouw. Eerst komt er een vrouw aan het woord, die verklaart dat vrouwen trouw zijn aan hun geliefden (108:4). Vervolgens antwoordt een man dat trouw zelden met trouw beloond wordt (108:5). Voor de vrouw is dit geen reden om niet trouw te zijn: zelfs als het haar haar leven zou kosten, zou ze trouw blijven (108:6). De man voorspelt dat de vooruitzichten voor haar niet gunstig zijn: wie trouw is en blijft, zal uiteindelijk ten onder gaan (108:7). De vrouw sluit af met wijze woorden: als je in de spiegel kijkt, weet je precies wat je van een ander kunt verwachten. De man is zo sceptisch over trouw, omdat hij zelf waarschijnlijk niet altijd trouw is tegenover anderen (108:8). De suggestie van een dialoog lijkt te worden bevestigd door woorden in de laatste spreuk die verwijzen naar de voorgaande spreuk: dat nemic seker op mijn lijf. Behalve de thematische overeenkomst en de dialoogvorm, is er tussen spreuk 108:6 en 108:7 nog een opvallende vormelijke overeenkomst aan te wijzen. In beide spreuken zijn de rijmwoorden aan het einde van de versregels identiek: volstaen en gaen.
Een tweede voorbeeld. De frequentielijsten tonen dat diersoorten regelmatig voorkomen
in de spreukenverzamelingen: catte/cater, duue, extere/dextere, gans, hanen, honde/hont/honden,
muus/muse/musen, ossen, ram, scape, vloie, voghel, vos/vosse, wolf. Met behulp van
de elektronische database kwam ik al snel de clusters 148:74-
148:74 Men siet selden rijcs mans huus
Sonder dief ochte sonder muus
De dieue salmen te rechte hanghen
Ende die muse met vallen vanghen
148:75 Wie vosse met vosse vaen sal
Hi moet kinnen haer weghe al
Wie dat vosse muse weert
Hi werent hem spise dier hi gheert
148:76 Het heuet selden vette muus
Den vos ghebeten in sijn huus
Der muus es alle weelde ontseght
Als si in die valle leght
148:78 Wie oude honde in bande leidt
Hi verliest dat hi aerbeit
Eens ossen scinckel hadde lieuer een hont
Dan van roeden goude een pont
148:79 Hoe wel een hont ghetemt si
Ens honts sede es hem emmer bi
Al ginge die hont talder stont
Ter kerken nochtan bleeft een hont
148:80 De muus niet gherne te kinde en gheet
Daer si bi die catte weet
148:81 Een extere sprac des es niet lanc
Ter duue leert mi uwen sanc
Die duue seide ic lere v wel gaen
Woudi v huppelen laten staen
Iaic seide dextere maer en halp niet
Soe wat haer die duue hiet
Alleen in de tussenliggende spreuk 148:77 komt geen dier voor:
148:77 Die scalcheit leert in siere joghet
In hem veroudt selden doghet
Misschien is deze spreuk later tussengevoegd. Toch is er wel degelijk een thematische relatie met de voorgaande spreuk denkbaar. In spreuk 148:77 staat immers ‘scalcheit’ centraal. Volgens het Middelnederlands Woordenboek is een schalc onder andere een dienaar, een ondergeschikte, maar ook een gewetenloze, een schelm, een misdadiger. En geldt niet juist de vos, die nog centraal stond in spreuk 148:76, als het prototype van de schalc? In Van den vos Reynaerde wordt de vos immers als volgt geïntroduceerd:
Kendi Reynaert, den ribaut*? bandiet
Wildine scauwen*, so siettene hier, bekijken
Den roden scalc, den fellen ghier*. schurk
Spreuk 148:77 kan dus bij nadere beschouwing heel goed als opvolger van spreuk 148:76 beschouwd worden.
Ook in dit voorbeeld geldt weer: er is duidelijk meer aan de hand dan losse spreuken die hetzelfde thema hebben. Sommige woorden keren zo regelmatig terug, dat er meer aan de hand is dan louter toeval. Er is duidelijk sprake van een doorgecomponeerd geheel. Hieronder volgt een kleine illustratie aan de hand van de eerste drie spreuken. De verschillende kleuren geven de overeenkomsten tussen de spreuken aan.
148:74 Men siet selden rijcs mans huus
Sonder dief ochte sonder muus
De dieue salmen te rechte hanghen
Ende die muse met vallen vanghen
148:75 Wie vosse met vosse vaen sal
Hi moet kinnen haer weghe al
Wie dat vosse muse weert
Hi werent hem spise dier hi gheert
148:76 Het heuet selden vette muus
Den vos ghebeten in sijn huus
Der muus es alle weelde ontseght
Als si in die valle leght
Binnen deze drie spreuken is van alles aan de hand. De losse spreuken staan niet op zichzelf: ze zijn duidelijk gelijktijdig gecomponeerd.
Mijn werkwijze lijkt me duidelijk. Dezelfde aanpak heb ik gehanteerd voor de meest frequente inhoudswoorden. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de woordgroepen die ik met behulp van de elektronische database heb geanalyseerd. Alle door mij geïdentificeerde clusters – op basis van een gelijk aantal versregels, gelijke rijmschema’s en/of inhoudelijke kenmerken – zijn opgenomen in een samenvattend overzicht in bijlage 3. Ik spreek van een thematisch cluster wanneer ten minste drie opeenvolgende spreuken gelijke inhoudelijke kenmerken vertonen. Wanneer zo’n reeks slechts door één afwijkende spreuk onderbroken wordt, heb ik deze toch als cluster aangemerkt. Het is namelijk heel goed denkbaar dat de afwijkende spreuk later tussengevoegd is.
3 Losse spreuken of doorlopende tekst?
Hiervoor heb ik al gewezen op het feit dat een aantal opeenvolgende spreuken soms
geïnterpreteerd kunnen worden als een doorlopend geheel of als een dialoog. Opvallend
in dit verband is een reeks van twaalf spreuken (spreuk nummer 148:33-
148:33 Die god wijsheit gheuet ende sin
Hi gheeft hem die meeste gaue
Die de werelt mach hebben in
Heerscap rijcheit oft haue* eigendom, bezitting
Want jan soetrec ons bescrijft
Dat altoes die wise man
Here bouen den sterren blijft
Hets recht dat sijs hem dancken dan
Dien god sen ende wijsheit an
148:34 Allet goet dat ons gheuen mach
Beide de werelt entie natuere
Dat mach ons in een oege op slach
Nemen die doot ofte auontuere
Niemen en beroeme hem hoghe dade
De mensche ende oec sijn goet al
Hanct ane den hemel met enen drade
Ende men en weet wanneert vallen sal
Elc huede hem vore desen val
148:35 Het heet menech nv ten tide
Wesen een goet edel man
Die noit in ne ghenen zide
Edelheit ane hem en ghewan
Want al ware een man van gheslachte
Van tonghen ofte alsoe goet
Rijc van goede ende van machte
Hem edelheit nie en bestoet
Hi en si edel inden moet
148:36 Dus ware beter enen hellinc
Met gode ghewonnen ende verteert
Dan wi hadden alle dinc
Daer hare de werelt mede gheneert
Dat ghewonnen ware met blamen
Van onsen tienden ouder vader
Al waert dat wijt alte samen
Den aermen gauen al gader
Dore gode onsen hemelschen vader
148:37 Die aelmoesene gheeft
Hi doet hem seluen meerder goet
Dan den aermen diere bi leeft
Dus seggic oec dat hi doet
Hem seluen vele meerder ere
Die eert enen goeden man
Dan hi eert den goeden here
Elc ere goede liede dan
Waer hi mach ende waer hi can
148:38 Die ghenoecht dat hi heeft
Hi heeft al sinen noet verwonnen
Ende hi es die rijcste die leeft
Naest gode onder der sonnen
Maer die vrec es hi heeft pine
Altoes gaet hem droefheit ane
Al ware al ertrike oec sine
Hi soude nochtan na minen wane
Willen die sonne ende oec de mane
148:39 Die scalken knechten licht gheloeft
Entie verraders niet en kint
Entie werct na sijn selfs hoeft
Ende die den smeekere mint
Ende die mesdadeghen niet en doet ghenade
Alse men hem mach doen gheuede
Ende vroeden liede niet gheet te rade
Ende licht ontseit een goedsmans bede
Sijn rike en mach niet sijn ghestede
148:40 Ic wil mi des vermeten wel
Waren wi dat wi wesen souden
Aise ons god maecte ende niet el
Wi souden hebben dat wi wouden
Want ons seit aristoteles
Dat alle dinc van recht begheren
Dat in hem meest goet es
Ende al aercheit* van hem weren zonde, kwaad
Die wilt mach hem in doghden gheneren
148:41 Die hem verlaet op joncheit
Op scoenheit ochte op ghesonde
Ochte op lijfs crachtecheit
Ic woude dat hi wel merken conde
Hoe die bloemen ende tgroene gras
Des morghens groit eer ment af sleit
Ende zauons voert inden tas
Dits ons allen euen ghereet
Als die doot comt diet al versleet
148:42 Die rijcheit heuet ende diese hout
Hi moet sorghen al sijn leuen
Ende als hi sterf ende hi vercoudt
Moet hise met groten rouwe begheuen
Maer die rijcheit niet en heeft
Ende hem daghelijcs gheneert
Hi es die rijcste man die leeft
Want hi tsine met gode verteert
Dat hem zorghe noch anxt en deert
148:43 Die wille wachtem voer den wijn
Al dunct hi ons smaken wale
Bouen mate soe eest venijn
Ende gheeft den mensche dicwile quale
Hi brect ende droecht de natuere
Ende nemt der herten haren sin
Mansclacht luxurie* in meneger vre wellust, onkuisheid
Werringhe scande ende clein ghewin
Dit brinct drunkenscap al in
148:44 Dobbelsteene ende vrouwen minne
Ende drunckenscap diese antiert
Si bringhen hem al aercheit inne
Ende blijf dicwile gheoneert
Traecheit ter doghet soe heefti in
Die leecht onder der minnen roede
Ende dronckenscap benemt den sin
Ende dobbelsteene gheuen armoede
Die wille hi sijs op sine hoede
De losse spreuken vertellen eigenlijk een doorlopend verhaal: wijsheid is het grootste geschenk dat God ons gegeven heeft. Wijsheid is meer waard dan alle bezittingen op aarde. De wijsheid wordt echter bedreigd door allerlei factoren, zoals dobbelen, liefde voor vrouwen en dronkenschap.
Er zijn nog twee andere spreuken waarvan met vrij grote zekerheid beweerd kan worden dat zij oorspronkelijk bij elkaar hoorden:
108:35 Woudsi eenwerf* segghen ja eenmaal, eens
Altoes woudic haer volghen na
108:36 Ende ochte sijs niet doen en wille
Mach si dan niet swighen stille
Het voegwoord ‘ende’ impliceert dat de tweede spreuk het vervolg is op een eerdere mededeling en gezien de betekenis is dat hier heel goed mogelijk. Misschien heeft een compilator beide spreuken gesplitst, omdat ze ook op zichzelf betekenis hebben.
4 Aabccb-
De meest opvallende reeks spreuken uit de eerste verzameling is een reeks van 84
spreuken van zes versregels met het rijmschema aabccb (spreuk nummer 108:142-
108:167 Spelen ende wel singhen
Dese twee bringhen
Dicke tsmenschen herte
In groter minnen saen* snel, spoedig
Dier si niet ontgaen
En moghen sonder smerte
108:168 Soe wie dat mint
Hi gheeft oft sint
Den sanc altoes
Als hi wel weet
Dat soe hem steet
Ocht hi es loes
108:169 Die raet die vint
Ene vrouwe die mint
In corten stonden
Eer si verliest
Dat si verkiest
Daers na gheen gronden
108:170 En es wijsheit
Bouen tscalcheit* gemeenheid, bedrog
Eens wijfs die mint
Noch gheen man
Hoe vele hi can
Sine maecten blint
108:171 Menech die mint daer
Daer men een haer
Om hem niet en gaue
Ende en can niet
Nochtan hi siet
Ghetrecken aue
108:172 Die mint dien es leet
Dat iement steet
Na dat hi mint
Want hi en can niet
Hars niemen iet
Dan hem een twint
108:73 Die lief ende leet
Van minnen weet
Ende heuet ontfaen
Die mach kinnen
Die cracht van minnen
Ende leren gaen
5 Freidankspreuken
Eerder zijn al de zogenaamde Freidankspreuken ter sprake gekomen. De volgende spreuken
uit verzameling nummer 148 in het handschrift-
De Freidankspreuken in het handschrift-
Er bestaan overigens ook andere Middelnederlandse handschriften met Freidankspreuken,
zoals het handschrift waarin de gedichten van Willem van Hildegaersberch zijn opgenomen.
Ik heb een aantal overeenkomsten gevonden tussen de Freidankspreuken in dit handschrift
en het handschrift-
|
108:5 |
Ach men siet selden |
|
37 |
Men siet nu, leyder! selden |
|
|
Trouwe met trouwen ghelden |
|
|
Trou mit trouwen ghelden. |
|
|
|
|
|
|
|
148:46 |
Het drincken si C hen seluen doot |
|
|
|
|
|
Die niet en storuen van dorste groet |
|
|
|
|
|
Want wie vele sonder dorst drinct |
|
|
|
|
|
Die doot hi te hem wert winct |
|
|
|
|
|
Dronckenheit es selden goet |
|
44 |
Dronckenscap is selden goet, |
|
|
Want si den wisen dolen doet |
|
|
Want si valscht eens wisens moet. |
|
|
Ende si es roeuerse der zinnen |
|
|
|
|
|
Ende bode der doot wildijt bekinnen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:54 |
Ic doe mi seluen leets meer |
|
|
|
|
|
Dan al de werelt dats mi zeer |
|
|
|
|
|
Mochtic mijn selfs meester zijn |
|
76 |
Mocht ic mijns selfs meester sijn, |
|
|
Soe haddic saen den wille mijn |
|
|
Soe had ic van wille die wille mijn. |
|
|
Mochtic mi seluen af trecken |
|
|
|
|
|
Van dinghen die mi bevlecken |
|
|
|
|
|
Soe dat ic rede ofte gingen |
|
|
|
|
|
Mine volghede gheen quade dingen |
|
|
|
Enkel afgaande op het geringe aantal overeenkomsten, acht ik het niet mogelijk om
vast te stellen of de Freidankspreuken in deze Middelnederlandse handschriften overgenomen
zijn uit dezelfde materiële bron. Toch lijkt dat niet erg waarschijnlijk: de Freidankspreuken
waren erg populair en raakten verspreid over vrijwel geheel West-
6 Autoriteitsspreuken
Ook erg opvallend in verzameling nummer 148 is een reeks van 65 spreuken (spreuk
nummer 160-
7 Dubbele of (bijna) identieke versregels
Verschillende versregels komen tweemaal voor, soms verspreid over beide spreukenverzamelingen. Een enkele keer zijn zelfs twee of vier versregels achter elkaar identiek. In sommige gevallen zal dit erop duiden dat er sprake is van een vaste formule die met grote regelmaat gehanteerd wordt in dit genre (zoals ‘Dats dicke gheseit’ in 108:74 en 108:166). In andere gevallen zal sprake zijn van een (deel van een) spreuk die in twee verschillende bronnen is overgeleverd en als gevolg van compilatiewerkzaamheden nu in één handschrift terecht is gekomen (zoals spreuk 108:6 en 108:76).
|
108:166 |
Vroude comt gherne |
|
108:220 |
Heren cnapen |
|
|
Al seit ment tscherne� |
|
|
Vrouwen papen |
|
|
Na groot droefheit |
|
|
Staen alle na tgoet |
|
|
Ende groot rampspoet |
|
|
Ende comen gherene |
|
|
Na groten moet |
|
|
Al seitment tscherne |
|
|
Dats dicke gheseit |
|
|
Waer ment men doet |
|
|
|
|
|
|
|
108:6 |
In trouwen willic volstaen |
|
108:76 |
In trouwen soe willic volstaen |
|
|
Al soudt mi ane mijn leuen gaen |
|
|
Al soudt mu ane mijn leuen gaen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:29 |
Niemen sijn vriende en weet |
|
148:155 |
Niemen sine vrienden en weet |
|
|
Alse sijn dinc ten besten steet |
|
|
Alse hem sijn dinc ten besten geet |
|
|
Maer de vriende worden becant |
|
|
Maer de vriende werden becant |
|
|
Alst hem ten quaetsten gheet in hant |
|
|
Alst hem qualec geet in hant |
|
|
Gheet mi wel soe hebbic vriende |
|
|
|
|
|
Maer lettel alst mi steet onsiende |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
108:74 |
Verholen minne |
|
108:166 |
Vroude comt gherne |
|
|
Na dat ic kinne |
|
|
Al seit ment tscherne |
|
|
Die waerheit |
|
|
Na groot droefheit |
|
|
Beter ware |
|
|
Ende groot rampspoet |
|
|
Dan openbare |
|
|
Na groten moet |
|
|
Dats dicke gheseit |
|
|
Dats dicke gheseit |
|
|
Die anxt ende ghestadecheit mint |
|
|
|
|
|
Hem es trouwe ende doecht bekint |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:13 |
Wetti hoe de werelt staet |
|
148:137 |
Tfi v clappers scaemt v der wraken |
|
|
Doet mi goet ic doe v quaet |
|
|
Die ghi doet met achter spraken |
|
|
Doet mi ere ic doe v lachter |
|
|
Wetti waer mede de werelt omme gaet |
|
|
Trect mi vore ic sette v achter |
|
|
Doet mi goet ic doe v quaet |
|
|
|
|
|
Doet mi ere ic doe v lachter |
|
|
|
|
|
Set mi vore ic sette v achter |
|
|
|
|
|
|
|
108:157 |
Eens mans mesval |
|
108:166 |
Vroude comt gherne |
|
|
Es dicke al gheval |
|
|
Al seit ment tscherne |
|
|
Ere stadt te male |
|
|
Na groet droefheit |
|
|
Ende groet rampspoet |
|
|
Ende groet rampspoet |
|
|
Es meneghen goet |
|
|
Na groeten moet |
|
|
Ende lonet wale |
|
|
Dats dicke gheseit |
|
|
|
|
|
|
|
108:124 |
Ic wille altoes met trouwen dienen |
|
148:118 |
Die meneghe sprect hine weet wat |
|
|
Ic hope het sal noch lonen jemen |
|
|
Besaghe hi hem seluen hi sweghe bat |
|
|
|
|
|
Ach dat ic dat moet ontgelden |
|
|
|
|
|
Dat trouwe loenet alsoe selden |
|
|
|
|
|
Nochtan willic met trouwen dienen |
|
|
|
|
|
Ic hope het sal noch loenen iemen |
|
|
|
|
|
|
|
148:70 |
Een sot nemt eens sots sanc |
|
148:82 |
Soe wat manne den sot leert |
|
|
Vore der vedelen gheclanc |
|
|
Sine sanc hi niet en verkeert |
|
|
Ende wat men den sotten leert |
|
|
Des sots sancs en es niets weert |
|
|
Sinen sanc hi niet en verkeert |
|
|
Want hi te beteren niet en gheert |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:28 |
Elc sie vore hem dat radic wel |
|
148:40 |
Ic wil mi des vermeten wel |
|
|
Want ware hem dauontuere fel |
|
|
Waren wi dat wi wesen souden |
|
|
Ende hem tgheluc niet en dient |
|
|
Aise ons god maecte ende niet el |
|
|
Hine sal behouden ghenen vrient |
|
|
Wi souden hebben dat wi wouden |
|
|
Maer die wilt proeuen sijn vriende al |
|
|
Want ons seit aristoteles |
|
|
Hi leerse kinnen int dongheval |
|
|
Dat alle dinc van recht begheren |
|
|
Want int tgheluc vint men menegen vrient |
|
|
Dat in hem meest goet es |
|
|
Die inder noet niet en dient |
|
|
Ende al aercheit van hem weren |
|
|
Nv laet ons emmer den ghenen ontsien |
|
|
Die wilt mach hem in doghden gheneren |
|
|
Daer niet sonder en mach ghescien |
|
|
|
|
|
Waren wi dat wi wesen souden |
|
|
|
|
|
Wi souden hebben dat wi wouden |
|
|
|
8 Vaste formules
Hierboven hebben we al gezien dat dubbele versregels kunnen duiden op vaste formules in spreuken. Veel vaste formules bestaan echter uit slechts enkele woorden aan het begin van een zin. Het zijn vaak weinig zeggende woorden waarmee een niet nader bepaalde persoon of algemene situatie wordt aangeduid:
Al waert/ware/was (108:111 en 148:11,36,38,45,139)
Als(e) men (108:42,123,230 en 148:39,158,185,216)
Alsoe langhe (148:5,92,222,225)
Beter es/ware (108:74,162 en 148:161,162,224)
Daer men (108:53,161,171 en 148:56,186,189,191,220)
Daer om(me) (108:120,133,174,208 en 148:7)
Dat men (108:88,97 en 148:10,27,182,185,192,199)
Dicke/dicwile (108:24,90,146,167,187,207,208,210,212,221,222 en 148:80,105)
Es dicke (108:157,178,211)
Hets dic(ke) (108:148,156,180 en 148:189)
Die meneghe (108:18,19,232 en 148:118)
Die wel (108:86,202 en 148:159,174,184,194,203)
Een here (148:198,200,201,209)
Een(s) man(s) (108:40,157,187,205,208,221 en 148:86,139,183)
Een(s) mensche(n) (108:211 en 148:157,223)
Een(s) wijf(s) (108:170,188,207)
9 Opsommingen
Een veel gebruikte formule in spreuken is een opsomming van een aantal zaken:
108:33 Scalcheit ende smeken sijn twee dinghen
Die doghet ende scamelheit tonder bringhen
108:52 Twee dinghen sijn die ic niet en gare
Een jonc wijf ende enen spoerware
Men moeter dicke tsnach om waken
Ocht men verliesse met clenen saken
108:87 Ontfermech gherechtech wettech ende milde
Die dese drie ponte wel hielde
Alle die werelt souden minnen
Ende hi souder hemelrike Ane winnen
108:164 Ontfermecheit
Ende edelheit
Dit sijn twee saken
Die van naturen
Tallen vren
Daer doghet es smaken
108:167 Spelen ende wel singhen
Dese twee bringhen
Dicke tsmenschen herte
In groter minnen saen
Dier si niet ontgaen
En moghen sonder smerte
108:233 Nonnen minne beghinen tonghe
Morwe eyere kind er jonghe
Dese viere sekerlike
Besciten meneghen op eertrike
148:18 Nijt vrese minne ende miede
Dese IIII dinghen doen dat die liede
Dat recht vonnesse verkeren
Daer si hen seluen met onteren
148:24 Die ene stat wilt regeren
Selen deze XI poente anteren
Eendrachtech sijn met trouwen
Ghemeine orbore anscouwen
Haer vriheit niet laten breken
Dicke om ghemeine orbore spreken
De stat beuelen den vroeden
Tghemene ghelt nauwe hoeden
Ende keren ter meester baten
Te vriende houden de omme saten
Trecht houden ghelike
Alsoe wel den armen als den rike
Vaste houden haer statuten
Die quade altoes worpen vte
Ghetrouwe sijn haren here
Dits der ouder wiser lere
Ende waer een ghebrecht van desen
Daer soe steet die stat in vresen
148:50 Vier dinghen sijn op ertrike
Die leuen herde wonderlike
Dat salmander dat spise geene
En nvt sonder dat vier allene
Ende dat water de harinc
De stoor de locht geen ander dinc
Ende bider erden leeft die mol
Die hi nuttet in sijn hol
Dus soe leuen dese IIII
Na ene wonderlijc maniere
148:172 Int hoeren leit wijsheit groet
Int verstaen leit vele eren
Onthouden es wijsheit ghenoet
Wel vertrecken prijst men sere
Die meester es van desen IIII
Heuet die gracie gods ontfaen
Tusschen den vrecken enten gieren
Siet ment selden effen staen
148:192 Placencius
Ghierecheit heuet haer beroemt
Trouwe ende ere es af ghestroemt
Scaemte ende ere mede
Dese IIII es wel leede
Dat men den mensche mach verdraghen
Weder si recht of onrecht jaghen
Seder men recht met onrecht dwanc
Verloes wijsheit haren ganc
148:194 Anaxgorax
Doghet ende ere sijn twee namen
Die billic wel horen te samen
Qualic mach iement ere ontfaen
Hine moet hebben doget ghedaen
Ere maect den man wel stout
Die wel meint ende dat wel hout
Die es emmer louens weert
Wel den ghenen die wel begheert
Menech mensche in sonden sneeft
Di sonder daet boese wille heeft
148:220 Marcolf
Een mach soe wel ghebeteren niet
De sonden als dat mense vliet
Die iet beg ent moet beseffen
Waer hem dende af sal heffen
Hets groet sotheit dat men mint
Daer men scade af ghewint
Minne ende haet sijn twee saken
Die dicke recht onrecht maken
In 2002 heeft Van Anrooij aandacht besteed aan het geledingssysteem van de ‘poenten’ in de Middelnederlandse letterkunde. De aankondiging om een bepaalde zaak in een aantal punten te behandelen stelt de toehoorder of de lezer in staat gelijk aan het begin vast te stellen wat hem of haar te wachten staat. Door numerieke signaalwoorden te kiezen, kan de structuur van het betoog dus worden verduidelijkt. Een getalsmatige afsluiting kan daartegenover dienst doen als recapitulatie.
Het didactische middel om in ‘punten’ te werken raakte in de veertiende eeuw populair
onder sprookspekers. In de tijd van Boendale waren die in opkomst en na 1350 beginnen
ze furore te maken. Dini Hogenelst, die het Middelnederlandse sprokenmateriaal in
zijn geheel heeft onderzocht, spreekt in dit verband zelf van ‘een passie voor poenten’
van de zijde van de sprekers. Een goed voorbeeld van het hier besproken verschijnsel
is een zelfstandig overgeleverde sproke uit het handschrift-
10 ‘Opeenvolgende paren’
Binnen de spreukenverzamelingen komen veel ‘opeenvolgende paren’ voor: in de eerste spreuk wordt een begrip genoemd, dat in de volgende spreuk wordt herhaald. Het is heel goed mogelijk dat iemand naar aanleiding van de eerste spreuk een tweede spreuk heeft gecomponeerd of zich een soortgelijke spreuk heeft herinnerd en samen heeft opgetekend. Dit zou betekenen dat ook deze spreuken telkens als cluster in de spreukenverzameling terecht zijn gekomen. Alleen in tekst nummer 108 heb ik opeenvolgende paren aangetroffen:
108:6 In trouwen willic volstaen
Al soudt mi ane mijn leuen gaen
108:7 Die in trouwen wilt volstaen
Hi moet seker te nieute gaen
108:10 Ay hoe lettel men ontsiet
Valsche herten die anders niet
Peinsen dan si moghen ont eren
Beide vrouwen ende heren
108:11 Die quaet peinsen sijn ons bi
Hoet v ic hoede mi
108:66 Goeden dienst en bleef noit onvergouden
Den ghenen die hem ghestadech houden
108:67 Die hem moet wachten telker vren
Hem wert sijn leuen sere te suren
108:104 Ach here god hoe wel hi dade
Die den scemelen gaue eer hi bade
108:105 Die scemel es en bidden moet
Dicke verwandelt hem sijn bloet
108:106 Ocht mi god wilt beraden
Diet niet en cost wat macht hem scaden
108:107 Die god wilt beraden
Hi en comt te vroch no te spade
In de volgende voorbeelden is zelfs sprake van twee opeenvolgende paren direct achter elkaar:
108:12 Goede hoede in alder stont
Stopt den wroeghers haren mont
108:13 Daer goede hoede es daer es goet vrede
Te nauwe hoede en gheet niet mede
108:14 Te nauwe hoede heeft ghedaen
Den meneghen wt sire eren gaen
108:63 Trouwe es ghecroent in mi
Woudsi mi met trouwen staen bi
108:64 Met trouwen te dienen in ghere niet el
Ic hope het sal mi lonen wel
108:65 Het ware onrecht si en lonet mi
Die ghene dien ic eyghen si
Op een ‘hoger’ niveau is in het handschrift-
Sarah Westphal wijst in haar artikel verschillende keren op het feit dat de betekenis van korte items binnen een verzamelhandschrift als Van Hulthem sterk beïnvloed wordt door de andere items. De verschillende items dienen dan ook niet op zichzelf gelezen en geanalyseerd te worden, maar in relatie tot de andere items. Ook een groot deel van de spreuken moet naar mijn mening niet op zichzelf, maar in samenhang met de direct opvolgende spreuken – en misschien zelfs in samenhang met de spreukenverzamelingen als geheel – gelezen worden.
11 Het vertelperspectief
Aparte aandacht verdient het vertelperspectief. Dit is een term uit de romananalyse
voor het punt van waarneming waaruit een tekst of tekstgedeelte blijkt te worden
verteld. Uitgaande van de belangrijkste verteller(s) spreekt men van verschillende
verteltypen: de auctoriale vertelwijze, de personale vertelwijze, de ik-
In de spreuken van het handschrift-
Om na te gaan welke spreuken een ik-
Ic (inclusief alle enclitische vormen: achtic, alsict, bederuic, benic, biddic, canic, comic, constic, dragic, gaic, haddic, hebbic,hebbics, hebbix, houdic, kinnic, laic, latic, lenic, leuic, minnic, mochtic, moedic, moetic, nemic, ontseggic, prisic, radic, riepic, salic, seggic, seidic, soudic, steruic, swigic, vindic, voeric, vondic, vruchtic, waric, wasic, weetic, wetic, willic, willicx, woudic)
108:[1,2,3],6,8,11,15,[17,18],[20,21],23,31,35,38,[43,44,45],47,49,52,[54,55,56],62,[64,65],68,[71,72],74,76,81,[84,85,86],[89,90],94,96,100,[108,109,110,111,112],[115,116],[118,119,120,121],[123,124],129,131,133,137,139,155,
177,191,216,226 (64)
148:2,4,[6,7],[12,13],21,26,[28,29,30],37,[40,41],47,52,[54,55,56,57,58],61,65,71,81,83,[91,92],98,100,103,[117,
118],[123,124],128,131,133,137,140,[142,143],152,163,168,[175,176],180,182,190,195,[197,198,199],203,207,209,
[217,218] (59)
Mi
108:1,3,6,11,[15,16,17,18],20,31,[43,44,45,46],[48,49],[54,55,56],59,[63,64,65],71,76,78,[80,81,82],[84,85,86],[93,
94],106,111,[115,116,117,118],121,123,129,131,133,[137,138,139],155,226,232 (51)
148:4,6,[12,13],29,40,47,[53,54],56,62,68,81,91,103,114,126,131,[137,138],143,152,[174,175],180,186,203,205,
[208,209],217 (31)
Samengevat levert dit het volgende resultaat op:
|
Spreuken |
Totaal aantal spreuken |
Aantal spreuken met een ik- |
In % |
|
108:1- |
234 |
77 |
33% |
|
148:1- |
225 |
59 |
36% |
|
Aabccb- |
84 |
4 |
5% |
|
Freidankspreuken |
81 |
23 |
28% |
|
Ababcdcdd- |
12 |
3 |
25% |
|
Autoriteitsspreuken |
65 |
14 |
25% |
Het meest opvallend zijn de aabccb-
VI Overkoepelende thema
Op basis van de frequentielijsten heb ik hieronder twee lijsten opgesteld die aangeven welke inhoudswoorden het meest frequent in beide spreukenverzamelingen voorkomen. Cursief weergegeven staan de begrippen die slechts in één van beide verzamelingen zeer frequent (> 10) voorkomen.
Verzameling nummer 108:
Herte, herten, therte (42)
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint (35)
Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe (28)
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren (24)
Man (18)
Lief, lieflec, lieflijc (17)
God, gode, gods (16)
Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic (16)
Smerte, smerten (15)
Vrouwe, vrouwen (14)
Wijf, wijfs, wiue (14)
Leet (13)
Verdriet, verdrieten (12)
Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap (12)
Dinc, dingen, dinghen (10)
Waer, waerheit (10)
Verzameling nummer 148:
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren (45)
Man (33)
Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic (31)
God, gode, gods (30)
Waer, waerheit (27)
Here, heren (24)
Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap (24)
Mens, mensch, mensche, menschelike, menschen, mense (21)
Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe (19)
Niemen (19)
Dinc, dingen, dinghen (18)
Recht, rechte, rechter (18)
Scade, scaden, scaemt, scaemte, scamen, scande, scanden (17)
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint (16)
Vroe, vroede, vroeden, vroet, vroetscap, vroetscapen (16)
Rade, raden, radic, raet (15)
Sonde, sondeghe, sonden (14)
Werelt (14)
Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste (14)
Dode, doden, doot (12)
Herte, herten, therte (12)
Rijc, rijchede, rijcheit, rijcs, rijcste, riken, riket (12)
Sot, sotheit, sots, sotte, sottelijc, sotten (11)
Mate, maten (10)
Het is niet eenvoudig om uit deze frequentie-
Ik zal dieper ingaan op het begrip ‘eer’. Zonder eer vaart niemand wel, en ook het omgekeerde geldt: wie het voor de wind gaat, verwerft eer. In hun verheerlijking van eer zijn beide spreukenverzamelingen, elk op hun eigen wijze, met het traditionele, aristocratische waardenpatroon verbonden. Echter: de factoren die belangrijk zijn voor het verwerven en in stand houden van eer, zijn in beide teksten verschillend.
In verzameling nummer 108 staat vaak de relatie tussen twee gelijken centraal en in dat geval meestal twee geliefden of twee vrienden. In de relatie tussen geliefden zijn minne en monogamie erg belangrijk. In de relatie tussen vrienden is eer te behalen door zowel in goede als in slechte tijden trouw aan elkaar te zijn. Ontrouw zorgt ervoor dat het hart pijn doet. Centraal in deze spreukenverzameling staan de innerlijke waarden. Afgunst, leedvermaak, onbetrouwbaarheid, valsheid, verdorvenheid en verraad worden afgewezen. Bescheidenheid, het bewaren van geheimen, dankbaarheid, mildheid, nederigheid, standvastigheid, vrijgevigheid en zelfkennis worden aangeprezen.
De spreuken in deze verzameling hebben soms een ‘volks’ karakter: soms zijn personen uit het gewone volk tot onderwerp gekozen. Een voorbeeld:
108:51 Die een pert heeft dat qualijc gheet
Ende een wijf die achter wt sleet
Ende op elken tee II exteroghen
Die man die leeft selden sonder doghen
In verzameling nummer 108 komen regelmatig vrouwen voor. In deze spreuken wordt vaak een algemene wijsheid (tegenwoordig zouden we zeggen: een vooroordeel) over vrouwen gegeven, waarmee de man zijn voordeel kan doen. Een gewaarschuwd man telt immers voor twee:
108:39 Aen vrouwen zeer en leghet gheen macht
Die oghen wenen therte lacht
Al dat si in seuen jaren mint
Dats binnen derde daghe al wint
In één spreuk komt zelfs duidelijk een vrouw aan het woord:
108:111 Ic wille mi seluen staen bi
Ende van allen menschen keren mi
Ende ic wille hem doen wt minen sinne
Al was hi daer ghewortelt jnne
Dats mire herten alte swaer
Een dach dunct mi VII jaer
In verzameling nummer 148 staat meestal niet de relatie tussen twee gelijken centraal, maar de relatie tussen een ondergeschikte en zijn heer of meester. Ontrouw zorgt niet zozeer voor pijn in het hart of zielensmart, maar eerder voor schaamte en schande tegenover de buitenwereld. Het is beter om de buitenwereld niets van je leed te laten merken:
148:223 Aristoteles
Een mensche die wel can verdraghen
Sijn leet verborghen sonder claghen
Ende toene in hem een goet ghebare
Oft gheen liden in hem en ware
Die dit wel ghedoen can
Leeft in eren eest wijf of man
Uit de analyse met behulp van de elektronische database blijkt dat het begrip ‘eer’ verhoudingsgewijs zeer frequent voorkomt binnen één van de deelverzamelingen, namelijk de autoriteitsspreuken:
|
Reeks |
Totaal aantal spreuken |
Aantal spreuken waarin het begrip eer voorkomt |
In % |
|
108:1- |
234 |
24 |
10% |
|
148:1- |
225 |
45 |
20% |
|
Aabccb- |
84 |
15 |
18% |
|
Freidankspreuken |
81 |
5 |
6% |
|
Ababcdcdd- |
12 |
2 |
17% |
|
Autoriteitsspreuken |
65 |
27 |
42% |
Deze resultaten zijn niet verwonderlijk. Veel van de autoriteiten die uitspraken in de mond gelegd worden, zijn grote schrijvers. In de Middeleeuwen is voor veel schrijvers eer het hoogste doel op aarde. Eer is de term voor wat wij een goede reputatie zouden kunnen noemen. Het gaat hier om het aanzien dat men in zijn omgeving heeft en op de wijze waarop men dit aanzien zelf beleeft. Van Oostrom schrijft in zijn Woord van eer uitgebreid over de cultus met betrekking tot de preoccupatie van dit aanzien in de Middeleeuwen.
Echte trouw komt weinig voor en daar moet een heer dus niet op rekenen:
148:121 Wachten die hem te wachte heeft
Men vint in niemen trouwe die leeft
Sspel van vrouwen ende heerscaps helde
Mach men verdriuen al met gelde
148:143 Ay mi ay mi wats mi ghesciet
Ic soeke trouwe in vinder niet
Die mint dat hem sal laten
Hi legger ane sen te maten
Toch hoeft dat geen belemmering te zijn om zelf wel trouw te zijn:
148:118 Die meneghe sprect hine weet wat
Besaghe hi hem seluen hi sweghe bat
Ach dat ic dat moet ontgelden
Dat trouwe loenet alsoe selden
Nochtan willic met trouwen dienen
Ic hope het sal noch loenen iemen
De spreuken bevatten regelmatig aanwijzingen welke eigenschappen en daden onontbeerlijk zijn voor een goed bestuur. De volgende spreuk is daar wel het meest duidelijke voorbeeld van:
148:24 Die ene stat wilt regeren
Selen deze XI poente anteren
Eendrachtech sijn met trouwen
Ghemeine orbore anscouwen
Haer vriheit niet laten breken
Dicke om ghemeine orbore spreken
De stat beuelen den vroeden
Tghemene ghelt nauwe hoeden
Ende keren ter meester baten
Te vriende houden de omme saten
Trecht houden ghelike
Alsoe wel den armen als den rike
Vaste houden haer statuten
Die quade altoes worpen vte
Ghetrouwe sijn haren here
Dits der ouder wiser lere
Ende waer een ghebrecht van desen
Daer soe steet die stat in vresen
In tekst nummer 148 lijken de vrouwen vrijwel volledig afwezig te zijn, het betreft hier duidelijk een mannenaangelegenheid.
In de culturele antropologie maakt men vaak onderscheid tussen de begrippen ‘schaamtecultuur’
en ‘schuldcultuur’. Het gaat hier om een begrippenpaar dat dient om culturen te typeren,
uitgaande van de vraag wat in een samenleving het meest te vermijden valt: een innerlijk
besef van eigen schuld, dan wel de publieke schaamte of schande. In een schaamtecultuur
wordt grote waarde gehecht aan eer, aanzien en reputatie en het (vermeende) oordeel
van anderen is in hoge mate bepalend voor het handelen van het individu. In een schuldcultuur
wordt grote waarde gehecht aan het persoonlijke normen-
De Middeleeuwen zouden een overwegende schandecultuur zijn; het eerbegrip zou zich in de loop der eeuwen ‘verinnerlijken’, parallel daarmee maakte de schandecultuur langzamerhand plaats voor een schuldcultuur.
Toepassing van de termen schaamte-
VII Conclusie
Het handschrift-
Ik heb het begrip ‘spreuk’ als volgt gedefinieerd: een uiting die de moeite waard is om te onthouden, waarin een les van levenswijsheid zit van maximaal twintig verzen. Dit genre past uitstekend binnen de moralistische en didactische literatuuropvatting van de Middeleeuwen.
Uit de analyse van het onderzoeksmateriaal met behulp van een electronische database
blijkt dat de spreukenverzamelingen grotere en kleinere clusters bevatten. Tot de
grotere clusters behoren de qua vorm identieke aabccb-
Behalve duidelijke vormelijke of thematische overeenkomsten tussen losse spreuken, is het belangrijkste onderzoeksresultaat misschien nog wel het feit dat er vaak sprake lijkt te zijn van een ‘doorgecomponeerd geheel’: veel spreuken staan niet op zichzelf en zijn duidelijk gelijktijdig gecomponeerd en later als eenheid schriftelijk vastgelegd. De losse spreuken dienen dan ook niet op zichzelf, maar in samenhang met de direct opvolgende spreuken – en misschien zelfs in samenhang met de spreukenverzamelingen als geheel – gelezen te worden.
De spreuken willen het publiek duidelijk iets leren. Er is sprake van een veelheid aan recepten. De centrale thema’s in beide spreukenverzamelingen zijn eer, trouw en vriendschap. De spreukenverzamelingen zijn elk op hun eigen wijze met het traditionele, aristocratische waardenpatroon verbonden. De verzamelingen vertonen echter een belangrijk verschil: de factoren die belangrijk zijn voor het verwerven en in stand houden van eer, zijn in beide teksten verschillend. Terwijl in de eerste verzameling innerlijke waarden centraal staan, legt de tweede verzameling sterk de nadruk op uiterlijke waarden. Ik heb de eerste verzameling verbonden met een schuldcultuur, waarin een innerlijk besef van goed en kwaad de drijfveer vormt van het menselijk handelen. De tweede verzameling heb ik verbonden met een schaamtecultuur, waarin het oordeel van anderen het handelen bepaalt en waarin publieke schande tot elke prijs vermeden dient te worden.
Bibliografie
Gedrukte werken
ANROOIJ 1986 – W. van Anrooij: ‘Bijdrage tot een geografische situering van het handschrift-
ANROOIJ 1990 – W. van Anrooij: Spiegel van ridderschap. Heraut Gelre en zijn ereredes. Amsterdam: Prometheus, 1990.
ANROOIJ 1993 – W. van Anrooij: ’29 september 1399: In Brussel vinden twee mirakelen
plaats, die kort daarop in het handschrift-
ANROOIJ 1997-
ANROOIJ 1997-
ANROOIJ 1997-
ANROOIJ 1997-
ANROOIJ 1997-
ANROOIJ 2000 – W. van Anrooij: ‘Jan van Boendale en de Antwerpse School’. In: Nederlandse
Letterkunde 5 (2000), afl. 1, p. 86-
ANROOIJ 2002 – W. van Anrooij: ‘Poenten in de Middelnederlandse letterkunde. Een
geledingssysteem in het zakelijke en discursieve betoog’. In: W. van Anrooij e.a.:
Al t’Antwerpen in die stad. Jan van Boendale en de literaire cultuur van zijn tijd.
Amsterdam: Prometheus, 2002, p. 65-
ANROOIJ 2007 – W. van Anrooij: ‘Literarische Kleinformen im Spiegel mittelniederländischer Sammelhandschriften’. [Ter perse.]
ANROOIJ & BUUREN 1991 – W. van Anrooij & A.M.J. van Buuren: ‘’s Levens felheid in
één band: het handschrift-
ANROOIJ & HOGENELST 1991 – W. van Anrooij en D. Hogenelst: ‘Pleidooi voor tekstedities
van verzamelhandschriften’. In: Dokumentaal 20 (1991), afl. 2, p. 69-
ANROOIJ & MERTENS 1992 – W. van Anrooij en Th. Mertens: ‘Een cort jolijt. Middelnederlandse
spreukstrofen met het rijmschema aabbccb’. In: F. Willaert e.a.: Een zoet akkoord.
Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen. Amsterdam: Prometheus, 1992, p. 219-
BERGH 1846-
BEZZENBERGER 1962 – H.E. Bezzenberger: Fridankes Bescheidenheit. Aalen: Otto Zeller, 1962.
BIEMANS 1989 – J. Biemans: ‘Willem de Vreese en de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta.
Over een Vlaamse geleerde en zijn levenswerk’. In: Literatuur 6 (1989), afl. 2, p.
93-
BISSCHOP & VERWIJS 1981 – W. Bisschop & E. Verwijs: Gedichten van Willem van Hildegaersberch. Utrecht: HES Publishers, 1981.
BRAEKMAN 1969 – W.L. Braekman (ed.): ‘Middelnederlandse didactische gedichten en
rijmspreuken’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie
voor Taal-
BRINKMAN 1995 – H. Brinkman: ‘Alder wysheit fondament. Profane ethiek in enige verzamelingen
Middelnederlandse rijmspreuken’. In: J. Reynaert e.a.: Wat is wijsheid? Lekenethiek
in de Middelnederlandse letterkunde. Amsterdam: Prometheus, 1995, p. 230-
BRINKMAN 1998 – H. Brinkman: ‘Het Comburgse handschrift en de Gentse boekproductie
omstreeks 1400’. In: Queeste 5 (1998), afl. 2, p. 98-
BRINKMAN 2000 – H. Brinkman: ‘Het wonder van Molenbeek. De herkomst van de tekstverzameling
in het handschrift-
BRINKMAN & SCHENKEL 1999 – H. Brinkman en J. Schenkel (red.): Het handschirft-
BUYLE 1995 – M. Buyle: ‘Een puzzel op de schouw en draken op de muren. Merkwaardige
muurschilderingen uit de late 14de eeuw in een Brugs woonhuis’. In: Monumenten en
Landschappen 14 (1995), p. 6-
DESCHAMPS 1972 – J. Deschamps: ‘Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken’. Leiden: Brill, 1972.
DESCHAMPS 1996 – J. Deschamps: ‘Een mislukte reeks facsimele-
DIJK 1985 – H.van Dijk: ‘Als ons die astrominen lesen. Over het abel spel Vanden
Winter ende Vanden Somer.’ In: A.M.J. van Buuren, H. van Dijk, O.S.H. Lie [e.a.]
(red.): Tussentijds. Bundel studies aangeboden aan W.P. Gerritsen ter gelegenheid
van zijn vijftigste verjaardag. Utrecht: HES, 1985, p. 56-
DIJK 1992 – H. van Dijk (red.): Klein kapitaal uit het handschrift-
DIJK 1996 – H. van Dijk: ‘De reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden.
Een toespraak bij het verschijnen van het eerste deel’. In Gerard Sonnemans (red.):
Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober
1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 93-
DIJK 1998 – H. van Dijk: ‘Verzamelhandschriften en literatuurgeschiedschrijving:
verslag van een forumdiscussie’. In: Queeste 5 (1998), afl. 2, p. 189-
GERRITSEN 1998 – W.P. Gerritsen: ‘Het verzamelhandschrift in de litteratuurgeschiedenis’.
In: Queeste 5 (1998), afl. 2, p. 182-
GORP 1998 – H. van Gorp [e.a.] (red.): Lexicon van literaire termen. Groningen: Martinus Nijhoff, 1998.
GOVERS 1994 – M.J. Govers (red.): Het Geraardsbergse handschrift. Hs. Brussel, Koninklijke
Bibliotheek Albert I, 837-
GRIMM 1834 – W. Grimm: Göttingen in der Dieterichschen Buchhandlung, 1834.
GUMBERT 2004 – J.P. Gumbert: Codicologische eenheden – opzet voor een terminologie. Amsterdam: KNAW, 2004.
HOGENELST 1997 – D. Hogenelst: Sproken en sprekers. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam: Prometheus, 1997. 2 dln. NLCM 16.
JANSEN-
JANSSENS 2000 – J. Janssens: ‘Een kwarteeuw Middelneerlandistiek: weifelen tussen
algemene literatuurwetenschap en cultuurgeschiedenis. Een subjectieve geschiedenis’.
In: M. de Clercq, D. de Vin, J. Janssens [e.a.] (red.): Verzoenende veelzijdigheid.
Huldealbum opgedragen aan prof. dr. H. van Gorp. Brussel: Katholieke Universiteit
Brussel, 2000, p. 109-
JUNGMAN & VOORBIJ 1999 – M.E.M. Jungman en J.B. Voorbij: Repertorium van teksten
in het handschrift-
KIENHORST 1996 – H. Kienhorst: ‘Middelnederlandse verzamelhandschriften als codicologisch
object’. In: Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden.
Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 39-
KIENHORST 2005 – H. Kienhorst: ‘Hoe moet zo’n boek genoemd worden? Een vernieuwde
kijk op Middelnederlandse verzamelhandschriften als codicologisch object’. In: Belgisch
tijdschrift voor filologie en geschiedenis 83 (2005), p. 785-
KLEIN 1995 – J.W. Klein: ‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden,
soorten, functies’. In: Queeste 2 (1995), afl. 1, p. 1-
KWAKKEL 2002 – F. Kwakkel: Die dietsche boeke die ons toebehoren. De kartuizers van
Herne en de productie van Middelnederlandse handschriften in de regio Brussel (1350-
LäMMERT 1970 – E. Lämmert: Reimsprecherkunst im Spätmittelalter. Eine Untersuchung der Teichnerreden. Stuttgart: Metzler, 1970.
LULOFS 2001 – Van den vos Reynaerde. Editie F. Lulofs. Hilversum: Verloren, 2001.
MERTENS 1994 – Richtlijnen voor de uitgave van Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Geredigeerd onder verantwoordelijkheid van de projectcommissie Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden door Th. Mertens. Hilversum: Verloren, 1994.
OOSTERMAN 2001 – J. Oosterman: ‘Mooie boeken en gemiste kansen’. In: Queeste 8 (2001),
afl. 2, p. 192-
OOSTROM 1987 – F. van Oostrom: Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400. Amsterdam: Meulenhoff, 1987.
OOSTROM 1992 – F. van Oostrom: ‘Achtergronden van een nieuwe vorm: de kleinschalige
epiek van Willem van Hildegaersberch’. In: F. van Oostrom (red.): Aanvaard dit werk.
Over Middelnederlandse auteurs en hun publiek. Amsterdam: Prometheus, 1992, p. 99-
PLEIJ 1984 – H. Pleij: Het literaire leven in de middeleeuwen. Culemborg: Educaboek, 1984.
REYNAERT 2002 – J. Reynaert: ‘Boendale of ‘Antwerpse School’? Over het auteurschap
van Melibeus en Dietsche doctrinale’. In: W. van Anrooij e.a.: Al t’Antwerpen in
die stad. Jan van Boendale en de literaire cultuur van zijn tijd. Amsterdam: Prometheus,
2002, p. 127-
SCHENKEL 1997 – J. Schenkel: ‘Het handschrift-
SCHRöDER 1997 – C. Schröder: ‘Het ‘Rijksmuseum’ van de Middelnederlandse letteren:
teksteditie handschrift-
SERRURE 1858 – C.P. Serrure (ed.): ‘Kleine gedichten en prozastukken uit de dertiende
en veertiende eeuw’. In: Vaderlandsch museum 2 (1858), p. 146-
SONNEMANS 1996 – G. Sonnemans: ‘What’s in a name? : het belang van opschriften in
verzamelhandschriften’. In: Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften
uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996,
p. 61-
SPIEWOK 1996 – W. Spiewok: Freidanks Bescheidenheit. Greifswald: Reineke, 1996.
SURINGAR 1886 – W.H.D. Suringar (ed.): Middelnederlandsche rijmspreuken uit een oud Brusselsch handschrift van de Koninklijke Bibliotheek als vertaalde verzen van Freidanks Bescheidenheit. Leiden: Brill, 1886.
VERDAM 1883 – J. Verdam: ‘Over twee spreukenverzamelingen uit het Hulthemsche handschrift’.
In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal-
VERDAM 1892 – J. Verdam: ‘Kleine Middelnederlandsche overblijfselen’. In: Tijdschrift
voor Nederlandsche taal-
VERDAM 1893 – J. Verdam: ‘Eene onuitgegeven spreukenverzameling’. In: Tijdschrift
voor Nederlandsche taal-
WACKERS 1996 – P. Wackers: ‘Het belang van de studie van verzamelhandschriften’.
In: Gerard Sonnemans (red.): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden.
Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum: Verloren, 1996, p. 22-
WESTPHAL 1999 – S. Westphal: ‘The Van Hulthem Ms and the compilation of medieval
German books’. In: R. Jansen-
WILLAERT 2004 – F. Willaert: Medieval memory: image and text. Turnhout: Brepols, 2004.
WILLEMS 1837 – J.F. Willems (ed.): ‘Van alderhande sprokene, clein notabel verskine’.
In: Belgisch museum 1 (1837), p. 99-
WILLEMS 1842 – J.F. Willems (ed.): ‘Oude rijmspreuken en priamelen’. In: Belgisch
museum 6 (1842), p. 184-
Digitale bronnen
HEINZLE 1998 – J. Heinzle [e.a.]: Marburger Repertorium der Freidank-
Bijlage 1 Elektronische database
Bijgevoegd is een cd-
Aantal versregels en rijmschema.xls
In dit bestand staat per deelverzameling het aantal versregels en het rijmschema per spreuk aangegeven.
Frequenties Freidankspreuken.xls
Frequenties verzameling nummer 108.xls
Frequenties verzameling nummer 148.xls
Frequenties totaal
Deze bestanden zijn allen op dezelfde wijze opgebouwd:
· Blad1 bevat de tekst van alle spreuken.
· Op blad2 is de tekst gespitst in losse woorden.
· Op blad3 staan alle losse woorden onder elkaar.
· Blad4 bevat een draaitabel van alle losse woorden: van ieder los woord staat op alfabetische volgorde de frequentie aangegeven.
· Blad5 bevat hetzelfde overzicht als blad4, maar op een andere wijze geordend: de losse woorden met de hoogste frequentie staan bovenaan en de woorden met de laagste frequentie onderaan.
Geanalyseerde woordgroepen.xls
Dit bestand bevat alle woordgroepen die ik met behulp van de elektronische database heb geanalyseerd. De selecties zijn gemaakt aan de hand van de frequentieoverzichten.
Identieke versregels.xls
In dit bestand staan alle versregels uit beide verzamelingen alfabetisch geordend. Dit bestand is gebruikt om na te gaan welke identieke versregels/spreuken de verzamelingen bevatten.
Vertelperspectief.xls
In dit bestand is aangegeven welke spreuken een ik-
Bijlage 2 Geanalyseerde woordgroepen
Hieronder staat een samenvattend overzicht van woordgroepen die ik met behulp van de elektronische database heb geanalyseerd. Na het nummer van de spreukenverzameling staan de spreuken vermeld waarin de betreffende woorden voorkomen en afsluitend staat tussen ronde haken het totaal aantal spreuken met treffers vermeld. Vierkante haken geven reeksen van opeenvolgende spreuken aan.
Anxt, anxte
108:75,182,189,199 (4)
148:42,52 (2)
Armen, armer, armoede, ermoede, ermoeden
108:140,229 (2)
148:24,44,129,163,177,200,217,221 (8)
Auenture, auontuere, auontueren, auonturen, dauontuere, dauontueren
108:47,59,115 (3)
148:5,10,28,34,183,214 (8)
Bedrieget, bedrieghen, bedroghen
108:geen
148:14,25,56,109,210,219 (6)
Begheert, beghere, begheren, beghert
108:98,158 (2)
148:40,49,85,87,117,169,174,194,222 (9)
Bidde, bidden, biddic, bidt
108:94,105,123,139,179 (5)
148:102,177 (2)
Blide, blidelec, blidelike, blider, bliscap, blisscap
108:28,31,34,54,78,[121,122],163 (8)
148:6,[9,10],12,27,162,178,197 (8)
Claecht, claghe, claghen, claghet
108:15,79,89,152,174 (5)
148:61,154,158,223 (4)
Coninc
108:geen
148:169,179,191,205 (4)
Cracht, crachte, crachtecheit
108:77,97,173,206,212 (5)
148:41,88,161,221 (4)
Daghe, daghelijcs
108:39 (1)
148:10,42,63,98,176,183 (6)
Danc, dancke, dancken, danct
108:28,43 (2)
148:9,33,157.162,173,185 (6)
Dinc, dingen, dinghen
108:27,[33,34],52,97,130,148,206,208,210 (10)
148:6,18,[21,22],29,36,40,47,[50,51],54,63,125,132,155,210,212,225 (18)
Dobbel, dobbelsteene, dobbelstenen
108:130 (1)
148:44,224 (2)
Dode, doden, doot
108:100,135,138,149,180,186,199,211 (8)
148:5,34,41,46,52,92,[94,95,96],157,183,221 (12)
Draecht, draghe, draghen, draghet, dragic
108:4,79,89,113,153 (5)
148:117,133,165,169,191,196 (6)
Dranc, drincken, drinct, dronckenheit, dronckenscap, dronken, drunckenheit, drunckenscap, drunken, drunkenscap
108:135 (1)
148:16,43,44,46,73,90,135,177,222 (9)
Duuel, duuels
108:40,128 (2)
148:22,52,61,72,103,134 (6)
Edel, edele, edelheit
108:42,164 (2)
148:20,35,96,100,158,208 (6)
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren
108:10,14,47,50,77,104,141,143,149,154,157,[160,161],169,174,179,183,190,198,208,214,216,227,229 (24)
148:1,4,13,14,18,23,27,31,37,41,68,96,137,145,[149,150,151],157,161,163,[165,166,167,168],[171,172,173],176,
184,189, [191,192],194,197,199,[202,203],206,209,[211,212,213,214],217,223 (45)
Gheluc, ghelucke
108:21,114,174 (3)
148:32,107 (2)
Ghi
108:27,83,112,117,125,132 (6)
148:1,8,27,100,124,127,137,158,178,181,196,199,202,225 (14)
Ghierecheit, ghiereghe, ghiereger, giereghe
108:geen
148:19,151,174,192,201,219 (6)
God, gode, gods
108:96,[100,101],104,[106,107],122,151,153,174,189,192,200,214,218,222 (16)
148:11,16,21,33,36,38,40,42,45,56,[59,60],65,102,108,116,123,144,148,160,169,[172,173],177,180,[184,185],193,
197,211 (30)
Haestecheden, haestecheit, haesten
108:geen
148:146,186,189,201,211 (5)
Hemel, hemelrike, hemelschen
108:87,100 (2)
148:2,34,36 (3)
Herte, herten, therte
108:4,10,15,19,30,39,60,[78,79],82,88,90,93,96,[110,111],113,[117,118,119,120],123,129,131,137,156,163,165,167,175,179,181,187,[200,201],[203,204],209,[211,212],215,222 (42)
148:2,10,43,57,59,124,142,161,[166,167],[199,200] (12)
Hope, hopen
108:59,64,81,84,121,124,191 (7)
148:118,[174,175] (3)
Houe, houerdech, houesch, houescheit
108:[117,118] (2)
148:9,96,147,224 (4)
Ic (inclusief alle enclitische vormen: achtic, alsict, bederuic, benic, biddic, canic, comic, constic, dragic, gaic, haddic, hebbic,hebbics, hebbix, houdic, kinnic, laic, latic, lenic, leuic, minnic, mochtic, moedic, moetic, nemic, ontseggic, prisic, radic, riepic, salic, seggic, seidic, soudic, steruic, swigic, vindic, voeric, vondic, vruchtic, waric, wasic, weetic, wetic, willic, willicx, woudic)
108:[1,2,3],6,8,11,15,[17,18],[20,21],23,31,35,38,[43,44,45],47,49,52,[54,55,56],62,[64,65],68,[71,72],74,76,81,[84,85,86],[89,90],94,96,100,[108,109,110,111],112,[115,116],[118,119,120,121],[123,124],129,131,133,137,139,155,
177,191,216,226 (64)
148:2,4,[6,7],[12,13],21,26,[28,29,30],37,[40,41],47,52,[54,55,56,57,58],61,65,71,81,83,[91,92],98,100,103,[117,
118],[123,124],128,131,133,137,140,[142,143],152,163,168,[175,176],180,182,190,195,[197,198,199],203,207,209,[217,218] (59)
Kind, kindekijn, kinder
108:233 (1)
148:[90,91] (2)
Leet
108:1,2,[17,18],86,144,155,[172,173],[178,179],194,198 (13)
148:26,109,179,223 (4)
Licht, lichte, lichten
108:47,195 (2)
148:14,39,111,179,181,219 (6)
Lief, lieflec, lieflijc
108:2,22,24,45,62,[81,82],86,[93,94],112,[116,117,118],[120,121],173 (17)
148:27,83,208 (3)
Lieghen, loghen, loghene, loghenechtech, loghenen
108:40,88,198,227 (4)
148:11,22,25,53,[55,56],109,178,210 (9)
Macht, machte
108:39,106 (2)
148:6,35,51,166,196 (5)
Man
108:40,51,136,143,[161,162],170,[184,185],[187,188],190,197,[206,207,208],215,221 (18)
148:1,4,16,[20,21],25,30,33,35,37,42,53,[56,57],65,84,86,93,102,109,[138,139],151,158,169,174,183,194,[199,200],203,215,223 (33)
Mate, maten
108:geen
148:43,143,167,171,186,191,196,[213,214],222 (10)
Meester, meesters
108:geen
148:24,54,98,172,176 (5)
Men
108:5,10,17,28,42,[52,53],58,73,88,92,97,109,123,132,161,171,178,180,219,224,230,234 (23)
148:2,6,[8,9,10],14,17,[26,27,28],[30,31],34,39,45,47,53,56,70,74,84,89,119,121,136,142,154,157,158,[160,161,162,163,164],167,170,172,[174,175,176,177,178,179,180],[182,183],[185,186],[188,189,190,191,192],199,[203,204],
206,[209,210],[212,213],216,220,222 (64)
Mens, mensch, mensche, menschelike, menschen, mense
108:4,111,139,211 (4)
148:3,34,43,48,53,60,88,98,112,157,[179,180],185,192,194,197,201,205,215,220,223 (21)
Mi
108:1,3,6,11,[15,16,17,18],20,31,[43,44,45,46],[48,49],[54,55,56],59,[63,64,65],71,76,78,[80,81,82],[84,85,86],[93,
94],106,111,[115,116,117,118],121,123,129,131,133,[137,138,139],155,226,232 (51)
148:4,6,[12,13],29,40,47,[53,54],56,62,68,81,91,103,114,126,131,[137,138],143,152,[174,175],180,186,203,205,
[208,209],217 (31)
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint
108:4,15,17,23,[37,38,39],61,70,[74,75],80,82,87,[92,93],98,[113,114],117,146,165,[167,168,169,170,171,172,173],182,187,[208,209,210],233 (35)
148:[6,7],15,18,39,44,59,143,151,160,198,201,[219,220],222,225 (16)
Niemen
108:50,172,174,178,234 (5)
148:29,34,48,66,68,85,89,100,102,105,109,121,132,142,149,155,180,215,217 (19)
Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic
108:11,26,44,51,61,68,102,128,[145,146],152,177,194,208,217,227 (16)
148:9,13,17,[24,25],29,45,47,54,86,132,135,137,141,155,165,168,177,181,186,[190,191],[193,194,195],200,204,
211,214,224 (31)
Rade, raden, radic, raet
108:9,32,69,97,[145,146],151,169,196 (9)
148:2,28,39,60,72,98,101,124,171,179,187,[200,201],207,213 (15)
Ramp, rampoet, rampspoet
108:153,157,159,166,177 (5)
148:119 (1)
Recht, rechte, rechter
108:73,177,234 (3)
148:8,18,20,27,33,40,74,100,112,158,161,165,173,177,192,196,206,220 (18)
Rijc, rijchede, rijcheit, rijcs, rijcste, riken, riket
108:40 (1)
148:33,35,38,42,48,68,74,96,163,179,205,221 (12)
Roue, rouwe, rouwen
108:120,145,159,181,198,203,205,212 (8)
148:15,42,147,178,208 (5)
Scalc, scalchede, scalcken, scalken
108:69 (1)
148:20,22,39,163,190,200 (6)
Scande, scanden
108:50,144,214,216 (4)
148:43,73,157,171,183 (5)
Scoen, scoenheden, scoenheit, scone, sconen
108:114,116,131,136,143,223 (6)
148:41,132,138,170,225 (5)
Selden
108:15,51,78,134,224 (5)
148:6,22,46,57,61,63,71,[73,74],[76,77],83,118,172 (14)
Smerte, smerten
108:78,113,120,129,156,163,167,175,187,[200,201],209,211,215,222 (15)
148:200 (1)
Sonde, sondeghe, sonden
108:142,[194,195],214 (4)
148:3,21,45,60,[72,73],85,89,[107,108],180,194,220,224 (14)
Sot, sotheit, sots, sotte, sottelijc, sotten
108:geen
148:[31,32],70,73,82,119,168,199,210,213,220 (11)
Sterf, sterft, steruen, steruet, steruic, storuen
108:23,100,142,196 (4)
148:10,42,46,[92,93],105,157 (7)
V
108:3,11,23,34,83,86,91,[93,94,95,96],100,112,116,[118,119],122,[128,129],132,139 (21)
148:1,5,13,27,30,81,100,124,126,137,145,150,158,173,177,179,[180,181],187,189,[196,197,198,199],[208,209],225 (27)
Venijn, venine
108:26,61,190 (3)
148:43,218 (2)
Verdriet, verdrieten
108:15,31,38,53,78,80,86,159,163,176,181,199 (12)
148:146 (1)
Verraden, verrader, verraderen, verraders, verraet
108:56,224 (2)
148:39,55,83,[165,166] (5)
Viande, vianden, viant, viants, viantscap
108:26 (1)
148:1,25,27,177,182 (5)
Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap
108:3,[25,26],56,95,109,123,125,131,154,186,218 (12)
148:1,5,14,24,[28,29],47,94,130,142,[152,153,154,155],158,166,174,177,182,187,196,[201,202],212 (24)
Vroe, vroede, vroeden, vroet, vroetscap, vroetscapen
108:32,216 (2)
148:6,24,39,[119,120],151,158,[160,161],176,[185,186],203,[211,212],215 (16)
Vrome, vromen, vromt
108:34,160,204 (3)
148:105,187,208,214 (4)
Vrouwe, vrouwen
108:4,[9,10],39,50,77,96,126,130,145,169,195,205,220 (14)
148:16,44,121,133,[138,139],225 (7)
Waer, waerheit
108:4,74,88,129,149,161,178,[197,198],220 (10)
148:4,10,20,24,26,37,45,48,55,58,88,91,[104,105],119,124,137,158,[176,177,178],188,[198,199],[209,210],220 (27)
Werelt
108:50,87,136 (3)
148:[10,11],13,[33,34],36,54,66,89,106,137,167,197,205 (14)
Wijf, wijfs, wiue
108:8,52,[127,128],134,143,147,170,[187,188],190,193,197,207 (14)
148:139,184,213,223 (4)
Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste
108:[68,69],140,170,[183,184,185] (7)
148:31,33,66,68,96,166,172,[191,192],199,204,[210,211,212] (14)
Wonder, wonderlijc, wonderlike
108:98,159,181 (3)
148:50,111,205 (3)
Ziele, zielen
108:147 (1)
148:2,14,97,160 (4)
Bijlage 3 Clusters op basis van inhoudelijke en vormkenmerken
Hieronder staan alle door mij geïdentificeerde clusters – op basis van een gelijk aantal versregels, gelijke rijmschema’s en/of inhoudelijke kenmerken – opgenomen in een samenvattend overzicht. Spreuken die tot een grotere, overkoepelende verzameling behoren, zijn gearceerd.
|
Cluster |
Inhoud |
Vorm |
|
108:4- |
Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe |
Gepaard rijm |
|
108:6- |
Opeenvolgend paar |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:10- |
Opeenvolgend paar |
Gepaard rijm |
|
108:12- |
Opeenvolgende paren |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:35- |
Doorlopende tekst |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:37- |
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint |
|
|
108:63- |
Opeenvolgende paren |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:66- |
Opeenvolgend paar |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:70- |
Betrout, betrouwen, ghetrouwe, ghetrouwen, trouwe, trouwen, onghetrouwe, ontrouwe |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:104- |
Opeenvolgend paar |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:104,106- |
God, gode, gods |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:106- |
Opeenvolgend paar |
2 versregels, |
|
rijmschema aa | ||
|
108:110- |
Herte, herten, therte |
6 versregels |
|
108:116- |
Lief, lieflec, lieflijc |
|
|
108:117- |
Herte, herten, therte |
|
|
108:142- |
|
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:165,167- |
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:183- |
Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:184- |
Man |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:187- |
Wijf, wijfs, wiue |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:200- |
Herte, herten, therte |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:206- |
Man |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:208- |
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
108:209,211- |
Herte, herten, therte |
6 versregels, |
|
rijmschema aabccb | ||
|
148:9- |
Blide, blidelec, blidelike, blider, bliscap, blisscap |
Gepaard rijm |
|
148:10- |
Werelt |
Gepaard rijm |
|
148:24- |
Here, heren |
Gepaard rijm |
|
148:33- |
Doorlopende tekst |
9 versregels, |
|
rijmschema ababcdcdd | ||
|
148:33- |
Werelt |
9 versregels, |
|
rijmschema ababcdcdd | ||
|
148:45- |
Freidankspreuken |
|
|
148:53,55- |
Lieghen, loghen, loghene, loghenechtech, loghenen |
Gepaard rijm |
|
148:73- |
Selden |
Gepaard rijm |
|
148:74- |
Allerlei diersoorten |
Gepaard rijm |
|
148:94- |
Dode, doden, doot |
4 versregels, |
|
rijmschema aabb | ||
|
148:149- |
Freidankspreuken |
|
|
148:149- |
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren |
4 versregels, |
|
rijmschema aabb | ||
|
148:152- |
Vriende, vrienden, vrienscap, vrient, vrientscap, vriescap |
Gepaard rijm |
|
148:160- |
Autoriteitsspreuken |
|
|
148:161,163,165- |
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren |
Gepaard rijm |
|
148:171- |
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren |
8 versregels, |
|
rijmschema aabbccdd | ||
|
148:176- |
Waer, waerheit |
Gepaard rijm |
|
148:189,191- |
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren |
Gepaard rijm |
|
148:190- |
Quade, quaden, quader, quadere, quaeheit, quaet, quaetsten, qualec, qualic, qualiic |
Gepaard rijm |
|
148:197- |
Here, heren |
Gepaard rijm |
|
148:207- |
Here, heren |
Gepaard rijm |
|
148:209,211- |
Eer, eert, ere, eren, onnere, onteert, onteren, tonneren |
Gepaard rijm |
|
148:210- |
Wijs, wijsdom, wijsheit, wijst, wijste |
Gepaard rijm |
|
148:219- |
Minne, minnekijn, minnen, minners, minnic, mint |
8 versregels, |
|
rijmschema aabbccdd |
Bijlage 4 Freidankspreuken
In onderstaand schema staan links de Freidankspreuken in het handschrift-
|
|
|
|
|
|
|
Handschrift- |
|
Freidankes Bescheidenheit | ||
|
|
|
|
|
|
|
148:2 |
Alse dwater jeghen berghe gaet |
|
35:12- |
S� wazzer hin ze berge g�t, |
|
|
Mach der zielen werden raet |
|
|
�s� mac des s�nders werden r�t: |
|
|
Ic meine soe dat vlieten moghe |
|
|
�ich mein, soz fliuzet tougen |
|
|
Vander herten tote in doeghe |
|
|
�vom herzen zuo den ougen; |
|
|
Dat water en loept soe sachte niet |
|
|
�diz wazzer h�t vil l�sen fluz, |
|
|
Men hoert tot inden hemel die vliet |
|
|
�und hoert got durch der himele duz. |
|
|
|
|
|
|
|
148:3 |
Vier grote loene daelmoesen heeft |
|
39:10- |
Vier gr�ze loene almuosen h�t: |
|
|
Si verblijdt dien mense gheeft |
|
|
�als fr� der ist, der ez enpf�t, |
|
|
Hi es blide diese mach gheuen |
|
|
�als vil s�n ist, des man d� g�t, |
|
|
Si verbluscht die sonde ende linghet leuen |
|
|
�als durft s�n ist in hungers z�t. |
|
|
Soe wiese gheuet onstelike |
|
|
�swerz g�t mit guotem willen dar, |
|
|
Hi heeft dese IIII sekerlike |
|
|
�dem werdent die vier loene gar. |
|
|
|
|
|
|
|
148:19 |
Die giereghe en die vrecke mede |
|
132:26- |
Vilkarc unde Samkarc |
|
|
Souden deilen ene maerct tere stede |
|
|
�solten teilen dr� marc: |
|
|
Die ghiereghe woude hebben dbeste deel |
|
133:1- |
�Vilkarc wolte 'z bezzer h�n, |
|
|
Die vrecke weder seit gheheel |
|
|
�Samkarc wolte ez niht l�n; |
|
|
Al noch soe eest onbescheeden |
|
|
�der str�t ist ungescheiden |
|
|
Die strijt tusschen hem beden |
|
|
�under'n kargen beiden. |
|
|
|
|
|
|
|
148:20 |
Soe waer dat een jonc man |
|
51:23- |
Swer dem alter und der jugent |
|
|
Sijn recht behout daers doghet an |
|
|
�ir reht behaltet, daz ist tugent. |
|
|
Es hi eighen ofte vri |
|
54:8- |
Er s� eigen oder fr�, |
|
|
In dien dat hi niet scalc en zi |
|
|
�der von geburt niht edel s�, |
|
|
Sine doghdelike saken |
|
|
�der sol sich edel machen |
|
|
Selen hem emmer edel maken |
|
|
�mit tugentl�chen sachen. |
|
|
|
|
|
|
|
148:21 |
Twee dinghen god niet doen en mach |
|
39:2- |
Got zwei dinc niht getuon mac, |
|
|
Die ic wale doe alden dach |
|
|
�die tuon ich wol, daz ist m�n slac: |
|
|
Ic ga wel tenen betren man |
|
|
�ich vinde m�nen tiurren hie; |
|
|
Ic sondeghe des god niet en can |
|
|
�ich s�nde; daz entete er nie. |
|
|
|
|
|
|
|
148:22 |
Visscheren weueren tolnaren mede |
|
75:5a- |
Vischaere unde vergen, |
|
|
Connen wel meneghe scalchede |
|
|
�zolnaere unde schergen |
|
|
Ende menegher ande dinc |
|
|
�die kunnen manegen boesen list, |
|
|
De oit de duuel wel ontfinc |
|
|
�der dem tiuvel liep ist. |
|
|
Ende lieghen bescheedelike |
|
|
|
|
|
Nochtan werden si selden rike |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:26 |
Seidic de waerheit talder tijt |
|
74:23- |
Seit ich die w�rheit z' aller z�t, |
|
|
Soe vondic meneghen weder strijt |
|
|
�s� funde ich manegen widerstr�t; |
|
|
Dies moetic dicke om legghen |
|
|
dar umbe muoz ich dicke dagen: |
|
|
Men mach te vele de waerheit segghen |
|
|
�man mac ze vil der w�rheit sagen. |
|
|
Ende seidic al dat ic weet |
|
|
seit ich allez, daz ich weiz, |
|
|
Soe wiste de vremde al mijn leet |
|
75:01:00 |
�s� m�este ich b�wen fremden kreiz. |
|
|
|
|
|
|
|
148:29 |
Niemen sijn vriende en weet |
|
96:9- |
Niemen weiz, w� er friunde h�t, |
|
|
Aise sijn dinc ten besten steet |
|
|
�wan s�z an l�p und �re g�t: |
|
|
Maer de vriende worden becant |
|
|
�d� wirt der rehte friunt erkant, |
|
|
Alst hem ten quaetsten gheet in hant |
|
|
�der valsche friunt wenkt ze hant. |
|
|
Gheet mi wel soe hebbic vriende |
|
|
|
|
|
Maer lettel alst mi steet onsiende |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:45 |
Lisemuschs seit al oppenbaer |
|
40:5- |
Ob s�nd niht s�nde waere, |
|
|
Al waert dat sonde geen sonde en waer |
|
|
�si solt doch s�n unmaere |
|
|
Ende god gheen sonde en wraken |
|
|
�durch vil manege unreinekeit, |
|
|
Ende niemet quaet van sonden en sprake |
|
|
�die man von der s�nde seit. |
|
|
Nochtan soude men scuwen sonde |
|
|
|
|
|
Want si comt vte soe quaden gronde |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:46 |
Het drincken si C hen seluen doot |
|
94:25:00 |
Ez trinkent t�sent � den t�t, |
|
|
Die niet en storuen van dorste groet |
|
95:01:00 |
�� einer st�rbe in durstes n�t. |
|
|
Want wie vele sonder dorst drinct |
|
177:17- |
Dem t�de maneger winket, |
|
|
Die doot hi te hem wert winct |
|
|
�der �ne durst trinket. |
|
|
Dronckenheit es selden goet |
|
94:1- |
Trunkenheit ist selten guot, |
|
|
Want si den wisen dolen doet |
|
|
�si tobet und velschet w�sen muot; |
|
|
Ende si es roeuerse der zinnen |
|
|
si ist ein roup der tugende gar, |
|
|
Ende bode der doot wildijt bekinnen |
|
|
�si ist t�des bilde; nemt es war. |
|
|
|
|
|
|
|
148:47 |
Alse mi die quade wel ontfaen |
|
90:21- |
Swann ich der boesen hulde h�n, |
|
|
Soe hebbic emmer iet mesdaen |
|
|
�so h�n ich etewaz misset�n. |
|
|
Hets beter der quader haet |
|
90:19- |
Noch bezzer ist der boesen haz |
|
|
Dan haer vriescap wel verstaet |
|
|
�dan ir friuntschaft; merket daz. |
|
|
Men sal metten goede wandelen |
|
90:23- |
Man sol h�n mit den besten pflicht, |
|
|
Ende metten quaden geen dinc handelen |
|
|
�die boesen hoeren unde volgen niht. |
|
|
|
|
|
|
|
148:48 |
Waren alle der lieden zinnen ghelijc |
|
43:22- |
Waer aller liute sin gel�ch, |
|
|
Sone ware niemen aerm no rijc |
|
|
�son waere nieman arm noch r�ch. |
|
|
Ende wie dat riket ane sijn goet |
|
56:11- |
Swer r�chet an dem guote, |
|
|
Hi wert aerm in sinen moet |
|
|
�der armet an dem muote. |
|
|
Aise een aerm mensche waer rijc |
|
41:8- |
S� swache liute werdent r�ch, |
|
|
Sone es niement soe onverdrachelijc |
|
|
�sost niht s� unvertregel�ch. |
|
|
|
|
|
|
|
148:49 |
Hoe sere dat wi sijn an sorghen |
|
58:23- |
Mich gr�ezent iemer sorgen |
|
|
Wi gheren emmer enen morghen |
|
|
�zum �rsten an dem morgen. |
|
|
Om den morghen roepen sere |
|
|
�Den morgen sorget mennegl�ch, |
|
|
Ende als wine hebben sijn wi here |
|
59:1- |
�so ist der �bent fr�uden r�ch. |
|
|
Maer die hebben mochten dat hi begheert |
|
|
�hete ein �bent, des er gert, |
|
|
Het ware M morghen weert |
|
|
�er waere t�sent morgen wert. |
|
|
|
|
|
|
|
148:50 |
Vier dinghen sijn op ertrike |
|
109:14- |
Ez sint vier gotes geschaft, |
|
|
Die leuen herde wonderlike |
|
|
�der leben diu sint wunderhaft: |
|
|
Dat salmander dat spise geene |
|
|
�salamandr� sp�set sich |
|
|
En nvt sonder dat vier allene |
|
|
�mit fiure, daz ist wunderlich; |
|
|
Ende dat water de harinc |
|
|
�gam�l��n des luftes lebt, |
|
|
De stoor de locht geen ander dinc |
|
|
�der herinc wazzers, sw� er swebt; |
|
|
Ende bider erden leeft die mol |
|
|
�der scher sich niht wan erden nert; |
|
|
Die hi nuttet in sijn hol |
|
|
�sus ist den viern ir nar beschert. |
|
|
Dus soe leuen dese IIII |
|
|
|
|
|
Na ene wonderlijc maniere |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:51 |
Drie dinghen sijn dat wet wel |
|
|
|
|
|
Die ons sijn altoes te fel |
|
|
|
|
|
Die vlieghende vloie ende sduuels nijt |
|
146:1- |
Fliegen, floehe, des tiuvels n�t, |
|
|
Dese ligghen op ons taltder tijt |
|
|
�die m�ent die liute z' aller z�t. |
|
|
Dits een nijt die niet en begheuet |
|
|
|
|
|
Van selker macht alse elc heuet |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
148:52 |
Dat ic den duuel entie doot |
|
67:9- |
Daz ich den tiuvel und den t�t |
|
|
Ontsien moet des hebbic noet |
|
|
�muoz f�rchten, deist ein gr�ziu n�t: |
|
|
Die ic nochtan noit en sach |
|
|
�und ich ir dewederz nie gesach, |
|
|
Nochtan vruchtic haren slach |
|
|
�und f�rhte doch ir ungemach; |
|
|
Van hem beiden moetic anxt ontfaen |
|
|
�ich muoz ir beider angest h�n |
|
|
Nochtan en weetic niet hoe sijn ghedaen |
|
|
�und enweiz doch, wie si sint get�n. |
|
|
|
|
|
|
|
148:53 |
Meneeh mensche hout inden moet |
|
171:3- |
Ein ieglich man ze schirme h�t |
|
|
Dat hi an loghene clein mesdoet |
|
|
�l�ge f�r s�ne misset�t. |
|
|
Die scilt mach onlanghe hulpen mi |
|
171:7- |
Der schilt wert deheine frist, |
|
|
Die van loghenen ghemaect zi |
|
|
�der von l�ge gemachet ist. |
|
|
Want menech mach mi herkinnen |
|
106:12- |
Maneger waent erkennen mich, |
|
|
Die hem seluen niet en kint binnen |
|
|
�der selbe nie erkande sich; |
|
|
Bekinde hem seluen elc man |
|
|
erkande sich ein ieglich man, |
|
|
Hi soude te men lieghen dan |
|
|
�er l�ge ein andren selten an. |
|
|
|
|
|
|
|
148:54 |
Ic doe mi seluen leets meer |
|
113:18- |
Ich tuon mir selbe leides m� |
|
|
Dan al de werelt dats mi zeer |
|
|
�dan al diu werlt; daz tuot mir w�. |
|
|
Mochtic mijn selfs meester zijn |
|
113:12- |
M�ht ich m�n selbes meister s�n, |
|
|
Soe haddic saen den wille mijn |
|
|
�s� hete ich gar den willen m�n. |
|
|
Mochtic mi seluen af trecken |
|
|
M�ht ich mir selbe widersagen, |
|
|
Van dinghen die mi bevlecken |
|
|
�s� m�este ich m�nen v�ent tragen. |
|
|
Soe dat ic rede ofte gingen |
|
|
m�ht ich mir selbe ane gesigen, |
|
|
Mine volghede gheen quade dingen |
|
|
�s� het ich m�n n�t gar �berstigen. |
|
|
|
|
|
|
|
148:55 |
Vondic enen yseren hoet |
|
170:14- |
Funde ich veile ein �senhuot, |
|
|
Die jeghen loghene waer goet |
|
|
�der f�r l�ge waere guot, |
|
|
Ende enen scilt jeghen scelden |
|
|
�und einen schilt f�r schelten, |
|
|
Dese woudic herde diere ghelden |
|
|
�den wolte ich tiure gelten. |
|
|
Ende een borch jeghen verraet |
|
170:26- |
und f�r arger liute unkust |
|
|
Ic soudse hueren dat verstaet |
|
|
�ein widerschiezend armbrust, |
|
|
| |||