wp4780bb2b.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
‘Inventing Hadewijch’
Over de totstandkoming van het huidige Hadewijch-beeld binnen de medioneerlandistiek
Door: Marjolein Gommers
1 Inleiding

Het beeld van Hadewijch in Van Oostroms Stemmen op schrift

Over het leven van Hadewijch is vrijwel niets bekend. Zelfs heel basale gegevens, zoals datum van geboorte en overlijden zijn niet te vinden. Er is – in de tijd dat zij leefde of kort daarna – geen biografie over haar geschreven, noch zijn er contemporaine aantekeningen van anderen over haar bekend. Kortom: het leven van Hadewijch is een mysterie. Toen Hadewijchs teksten in 1838 na eeuwen opnieuw werden ontdekt, hadden onderzoekers moeite om haar en haar werk binnen een historische en een literaire context te plaatsen. Vanaf de negentiende eeuw hebben verschillende onderzoekers zich gebogen over haar werk en haar leven, maar de Hadewijch-receptie kwam pas echt op gang door de edities en talloze publicaties die Jozef van Mierlo vanaf de twintigste eeuw vol overgave aan haar heeft gewijd. Hierna is de Hadewijch-receptie in een stroomversnelling geraakt en steeds meer mensen – zowel academici als niet-academici én vanuit verschillende interessegebieden – zijn over haar gaan lezen en schrijven. In deze masterscriptie ga ik na hoe het huidige beeld van Hadewijch in de medioneerlandistiek tot stand is gekomen.
Als uitgangspunt voor de beschrijving van het huidige beeld van Hadewijch in de medioneerlandistiek ga ik uit van de synthese die Frits van Oostrom in zijn Stemmen op schrift heeft gegeven. Als meest recente ‘officiële literatuurgeschiedenis’ van de Middelnederlandse literatuur tot circa 1300 bezit dit werk namelijk een bepaalde vorm van autoriteit en dient het vaak als startpunt van studenten, wetenschappers en andere belangstellenden voor de bestudering van een bepaalde auteur, tekst, tijdvak, stroming of ander aspect van de Nederlandse literatuurgeschiedenis uit deze periode. Voor velen zal Stemmen op schrift een eerste – of hernieuwde – kennismaking zijn met Hadewijch en haar werk.
Van Oostrom heeft zijn literatuurgeschiedenis duidelijk geschreven binnen één bepaalde traditie, namelijk het cultuurhistorische paradigma: hij plaatst de literaire teksten tegen hun historische, sociale en culturele achtergrond. Dit heeft er toe geleid dat de auteur ernaar heeft gestreefd om Hadewijchs werken in een concrete historische ontstaanssituatie te verankeren. Van Oostrom stelt deze situatie als volgt voor: ‘Dat deze Hadewijch van hoge geboorte was (misschien een telg uit het adellijke huis Breda-Schoten), dat zij rond 1240 schreef, dat zij in de omgeving van Antwerpen leefde en dat zij een begijn was – het is allemaal niet onomstotelijk bewijsbaar en dus ook allemaal al eens betwijfeld. En toch is dat wel degelijk het plausibelste profiel voor Hadewijch.’ Van Oostrom besteedt hierna uitgebreid aandacht aan de verschillende genres teksten die van Hadewijch zijn overgeleverd: Strofische gedichten, Mengeldichten, Visioenen en Brieven. Behalve de puur literair-historische behandeling, laat Van Oostrom zijn lezers ook meedelen in zijn mateloze esthetische bewondering voor het werk van de schrijfster. ‘Hadewijch heeft me geraakt’ is niet voor niets een veel geciteerde uitspraak van deze mediëvist. Hieronder volgt een korte samenvatting van de bladzijden die Van Oostrom in zijn literatuurgeschiedenis aan Hadewijch heeft gewijd. In negen paragrafen bespreekt hij het leven en het werk van Hadewijch. Per paragraaf stip ik de belangrijkste punten aan die hij behandelt.

In de inleidende paragraaf Ic, Hadewijch betoogt Van Oostrom dat geen Middelnederlandse auteur zo vaak de ik-vorm gebruikt en hiermee onomwonden aangeeft dat zij persoonlijke ervaringen en overtuigingen vertolkt. Overigens dient opgemerkt te worden dat de titel van de paragraaf – Ic, Hadewijch – min of meer misleidend is: Hadewijch noemt immers op geen enkele plaats in haar gehele werk haar naam.
In Visioenen: ik ervoer benadrukt Van Oostrom dat visioenen het aangewezen genre waren voor middeleeuwse vrouwelijke mystici. Zij berusten immers niet op enig leergezag ex officio, maar getuigen van ervaringen ex gratia. De Visioenen van Hadewijch getuigen van een compleet opgaan in de liefdesband met Christus. Haar Visioenenboek is het oudste in een Europese taal en behoort naar algemeen oordeel tot de mooiste werken die de Middeleeuwen in dit genre hebben voortgebracht. Volgens Van Oostrom schuilt er iets tegenstrijdigs in een schrijvende mysticus. Werkelijk uitleggen aan buitenstaanders is geen optie, men schreef veelal voor een gelijkgestemd publiek. Van Oostrom probeert de lezer in deze paragraaf langzaam mee te voeren in de sensatie van totale overweldiging naar lichaam en geest die Hadewijch in het zevende visioen beschrijft. Om haar ten volle tot haar recht te laten komen is de passage in ongebruikelijke lengte – inclusief een vertaling van Imme Dros – weergegeven. Daarnaast merkt hij op: ‘Eigenlijk dient men haar met gepaste traagheid zachtjes aan zichzelf voor te lezen (zoals de middeleeuwse leesgewoonte was), of liever nog voorgelezen te krijgen – zoals op www.Literatuurgeschiedenis.nl – door een Zuid-Nederlandse vrouwenstem met veel gevoel voor zulk muzikaal proza.’ De esthetische bewondering voor Hadewijch door Van Oostrom klinkt hier al langzaam door en zal verderop in zijn betoog herhaaldelijk benadrukt worden.
In Strofische gedichten: ik spoor u aan wijst Van Oostrom erop dat Hadewijch met haar mystieke poëzie een genre geschapen heeft waaraan, voor zover bekend, zich nog geen mystica had gewaagd. De Strofische gedichten van Hadewijch waren bestemd om te worden gezongen. De melodieën zijn, zoals meestal in middeleeuwse handschriften, helaas niet bij de tekst bewaard, maar lieten zich door onderzoek herleiden op volkstalige liederen plus hymnen en sequensen zoals die in Hadewychs tijd in de kerk werden gezongen. Het hoofdprogramma van de Strofische gedichten is: hoe groot ook de onvermijdelijke pijnen en tegenwerking, de minne is de enige weg tot heil en zal haar trouwe dienaren belonen. De Strofische gedichten vertonen overeenkomsten met het profane hoofse minnelied, zoals de Natureingang. Mystiek en hoofsheid zoeken allebei vervulling in dit leven via de liefde. Bij deze hoofse mystiek gaat het om een concrete liefdesrelatie tussen man en vrouw. Hadewijch is niet slechts de metaforische bruid van Christus, maar zijn daadwerkelijke geliefde, de fysieke dimensie inbegrepen.
In Brieven: ik ben bij u schrijft Van Oostrom dat de brief een geliefd genre is in de middeleeuwse mystiek. En alweer: ver aan het begin van de volkstalige brieventraditie staat Hadewijch. Dat de brieven van Hadewijch naderhand door de ontvangers zouden zijn gebundeld, lijkt minder waarschijnlijk. Eerder zal de collectie teruggaan op een persoonlijk ‘brievenboek’ van de auteur, die van haar brieven afschriften moet hebben bewaard. Op zeker moment, misschien na Hadewijchs dood, zou het brievenboek als integraal onderdeel van haar geschriften zijn beschouwd, en met de rest zijn geredigeerd ter verdere verspreiding. Veruit de meeste brieven lijken aan dezelfde persoon gericht te zijn, stellig een vrouw, zo te zien levend in een (kleine) gemeenschap van gelijkgestemden. In hun kring(en) waren Hadewijchs brieven waarschijnlijk bestemd om te worden voorgelezen. In haar brieven is Hadewijch – zoals men bij dit genre mag verwachten – het persoonlijkst. Zeer voelbaar is dat zij hier niet in een rechtstreeks gesprek met God is, maar met haar medemensen, correspondenten. Die kan ze overigens niet beter toewensen dan de goddelijke genade dat ze de minne hartgrondig mogen leren kennen.
Van Oostroms esthetische literatuurbenadering komt het beste naar voren in de paragraaf Mystieke kunstenares. Hoewel van Hadewijch geen vita bekend is, gold ze voor sommige middeleeuwers wel degelijk als heilig. Steeds meer literatuurhistorici beschouwen en benaderen haar als een kunstenares. Van Oostrom verwoordt zijn eigen fascinatie en bewondering als volgt: ‘Geen enkele Middelnederlandse schrijver dringt zich zozeer op voor psychologisering als Hadewijch. Op een afstand van zevenhonderdvijftig jaar, met een volstrekt ontoereikend begrip van haar taal en niet de geringste kennis omtrent haar persoon, is zoiets gedoemd te blijven steken in impressionisme of nog pijnlijker failliet. Maar haast onweerstaanbaar komt men uit bij een profiel dat past bij menige artiest (en wetenschapper, en topsporter, kortom iedereen die streeft naar individuele excellentie): gepassioneerd, obsessief, compromisloos, zelfvervuld, ten prooi aan sterke stemmingswisselingen … Dat Hadewijch in permanente spanning lijkt te verkeren, en dikwijls in strijd met de buitenwereld, zou dus amateurpsychologisch kunnen worden herleid op haar kunstenaarsnatuur.’ In de volgende paragraaf behandelt Van Oostrom voor al die spanningen een objectievere reden.
In Hadewijch en de anderen besteedt Van Oostrom aandacht aan de omgeving waarin Hadewijch verkeerde. Hadewijch was stellig dikwijls eenzaam, maar zeker niet alleen. Om te beginnen waren er haar medebegijnen. Haar kringgenoten moeten van aanzienlijke intelligentie en hoog ontwikkelingsniveau zijn geweest, wilden zij Hadewijchs werk verstaan. Misschien waren zij wel mysticae zoals zij, alleen niet met dezelfde drang of gave om hun zielenroerselen op te schrijven. Er laten zich trouwens wel degelijk enige geestverwante teksten in de omgeving van Hadewijch traceren, al zijn de schrijfsters daarvan door hun anonimiteit en andere onbestemdheden lastig te plaatsen in tijd en ruimte ten opzichte van onze (ook al vage) hoofdfiguur. De grootste groepsverbondenheid spreekt uit Hadewijchs Lijst van volmaakten: een soort visioen waarin aan Hadewijch werd geopenbaard welke 107 mensen Christus op volmaakte wijze hebben bemind en hem dus het dichtst zijn genaderd. Hadewijch betoont zich in haar keuzes tegendraads en anti-autoritair. Ook opvallend is de grote plaats die Hadewijch inruimt voor tijdgenoten.
In Repressie en vervolging en in De zaak-H.? situeert Van Oostrom Hadewijch binnen de kerkelijke maatschappij. Niet alleen de vorm, maar ook de inhoud van de begijnse geloofsbeleving kon kerkelijke autoriteiten aanstoot geven. Sommige begijnen werden verdacht van ketterij en daarom vervolgd. In Hadewijchs werk laten zich diverse plaatsen aanwijzen waar zij aan de grens komt van wat toen theologisch acceptabel was. Zo betwijfelde Hadewijch de ‘noodzaak’ van de hel. Het kan Hadewijch in een lastig parket hebben gebracht. Hoofdvraag bij dit alles is niet of Hadewijch een ketter was, maar of zij van zoiets wel eens verdacht of beticht kan zijn geweest – en dat lijkt alleszins denkbaar. Want als Hadewijchs leven in de liefde al zuiver in de leer was, dan toch met scherpe kantjes. Er was maar één fanatieke inquisiteur nodig om haar tenminste onder verdenking te plaatsen. Hoe het Hadewijch is vergaan, weten we niet zeker, tenzij men geen bericht als goed bericht zou willen opvatten.
In de laatste paragraaf Hadewijch en Heilwig gaat Van Oostrom nog wat nader in op de datering van haar leven en werk. De gangbare datering van Hadewijch is omstreeks 1250. Sommigen, zoals Scheepsma, bepleiten echter de datering van Hadewijch naar de veertiende eeuw te verhuizen. In dat geval kan men in de verleiding komen om haar gelijk te stellen met Heilwig Bloemaerts. Deze Heilwig (de voornaam is een variant van Hadewijch) moet een indrukwekkende vrouw zijn geweest, als dochter uit een rijk Brussels patriciërsgeslacht en zowel materiële als spirituele spilfiguur voor een groep begijnen van aanzienlijke komaf. Als superieure leidster zou deze Bloemaerdinne zichzelf centraal hebben gesteld, sprekend en schrijvend vanuit een zilveren zetel. Misschien al wegens haar gedrag, maar bovenal om haar leer was Heilwig omstreden. Ze werd verdacht van ketterij, in het bijzonder wegens een opvatting over mystieke vrijheid. Heilwig is echter nooit daadwerkelijk wegens ketterij veroordeeld. De gelijkstelling van Hadewijch met Heilwig Bloemaerts zou in ieder geval volgens Van Oostrom het ontbreken van nagelaten werk van Heilwig meteen oplossen. Het hoofdprobleem is de datering: Heilwig Bloemaerts overleed in 1335. Van Oostrom lijkt zich wat de onzekerheden op het gebied van de datering betreft, aan te sluiten bij de traditionele opvatting. Vooralsnog zijn de aanwijzingen voor een dertiende-eeuwse Hadewijch volgens hem toch meer solide en op het gebied van de hypothese-Scheepsma toont hij de nodige terughoudendheid. ‘Men haalt zijn koningin nu eenmaal niet zo makkelijk van het schaakbord’ volgens zijn eigen woorden. Toch sluit hij niet uit dat in een toekomstige literatuurgeschiedenis de kaarten anders zullen blijken te liggen.

Beschrijving van het onderzoek

Hoe is Van Oostroms beeld van Hadewijch binnen zijn cultuurhistorische paradigma tot stand gekomen? Op welke veronderstellingen is zijn analyse in Stemmen op schrift gebaseerd en in welk opzicht wijkt zijn visie af van anderen? Om op deze vragen een antwoord te kunnen geven, is het noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de Hadewijch-studie van het prille begin tot nu.
In mijn onderzoek zal ik eerst beschrijven welke werken Hadewijch heeft geschreven. Vervolgens zal ik nagaan welke hypothesen achtereenvolgens tot stand zijn gekomen met betrekking tot de historische situering van Hadewijch. Duidelijk zal worden dat de Hadewijch-studie – tot op de dag van vandaag –  altijd heeft geworsteld met één groot probleem: een biografie van Hadewijch ontbrak. Om de persoon Hadewijch beter te kunnen plaatsen, bleek dat haar werk zelf nauw in het onderzoek moest worden betrokken. Ik zal dan ook uitgebreid stilstaan bij de vraag wat de functie en de intentie van haar werken was, welke bronnen ze gebruikte en welke esthetische waardering haar werken verdienen. Uiteindelijk zal ik aan de hand van deze historische schets van de Hadewijch-studie een verklaring geven voor de totstandkoming van Van Oostroms synthese.
Wat ik in mijn masterscriptie uitdrukkelijk niet wil aanbieden, is een alomvattende studie van Hadewijch en haar werk. Om te voorkomen dat mijn onderzoek te veel zou uitdijen, heb ik mezelf een aantal beperkingen opgelegd. In de eerste plaats beperk ik mij tot de publicaties die in de medioneerlandistiek met betrekking tot Hadewijch zijn verschenen en ik laat dan ook bijdragen die bijvoorbeeld binnen de theologie en de genderstudies tot stand zijn gekomen buiten beschouwing. In de tweede plaats beperk ik mij tot de Nederlandse en Vlaamse publicaties, tenzij buitenlandse publicaties hierop aantoonbaar een fundamentele invloed gehad hebben. Zo bleek het bijvoorbeeld onverantwoord te zijn om een aantal onderzoeksresultaten van de Duitser Kurt Ruh in mijn onderzoek buiten beschouwing te laten. De aldus resterende Hadewijch-studies die binnen mijn onderzoek vallen, zullen ten slotte slechts ter sprake komen in zoverre deze een reële bijdrage leveren aan de beantwoording van de hoofdvraag en de afzonderlijke deelvragen zoals hierboven beschreven. Hierbij ben ik steeds chronologisch te werk gegaan, waardoor steeds een beknopt overzicht van verschillende aspecten van de geschiedenis van het Hadewijch-onderzoek wordt geschetst.

2 Welke werken heeft Hadewijch geschreven?

Strofische gedichten, Mengeldichten, Visioenen en Brieven

Hadewijch liet vier verschillende genres teksten na: Strofische gedichten, Mengeldichten, Visioenen en Brieven. Een autograaf van Hadewijch hebben we niet. Hadewijch zelf schreef op wastafeltjes. De werken van Hadewijch zijn in drie handschriften gezamenlijk overgeleverd: de handschriften Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2879-80 en 2877-78 (hierna aangeduid als respectievelijk handschrift A en B), beide uit Rooklooster afkomstig en het handschrift Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 941 (hierna aangeduid als handschrift C). Bovendien zijn de Strofische gedichten en de Mengeldichten nog in het handschrift Antwerpen, Ruusbroecgenootschap, 3852 bewaard gebleven. Verder komen kleinere delen uit Hadewijchs werk in de volgende handschriften voor: Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2412-13 (gedeelte van de 10e brief) en 3037 (excerpten in de kanttekeningen bij Dboec der passien ons liefs heren ihesu cristi); 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 E 5 (10e brief) en 133 H 21 (excerpten uit verschillende brieven) en Parijs, Bibliothèque Mazarine, 920 (6e en 10e brief). Daarnaast treffen we de Mengeldichten XVII-XXIX, die niet van Hadewijch zijn en in de handschriften B en C zijn overgeleverd, eveneens in handschrift Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 3093-95 aan.
Geen van de handschriften A, B of C is gedateerd. Over de datering van de handschriften bestaat nog steeds discussie. Kwakkel heeft in 1999 een uitgebreid artikel gepubliceerd over de ouderdom en genese van de Hadewijch-handschriften. Hij beschrijft uitgebreid de datering van de handschriften zoals die in de belangrijkste edities en studies zijn terug te vinden. De datering van handschrift A loopt uiteen van 1340-1350 tot circa 1380, de datering van handschrift B van circa 1380 tot 1430-1440 en de datering van handschrift C van 1340-1350 tot het einde van de veertiende eeuw.
In tegenstelling tot de datering kan de verhouding tussen de handschriften A en B wel gemakkelijk vastgesteld worden: B is een kopie van A, maar met aanvulling van de Mengeldichten XVII-XXIX. Handschrift C is onafhankelijk van A, maar staat er toch in enge verwantschap mee. Ondanks allerlei orthografische verschillen, is de taal in alle handschriften zuiver Brabants.

Het Twee-vormich tractaetken en de Mengeldichten XVII-XXIX

In handschrift B en C komen – naast Hadewijchs Strofische gedichten, Mengeldichten, Visioenen en Brieven – het zogenaamde Twee-vormich tractaetken en een tweede reeks Mengeldichten (de nummers XVII-XXIX) voor. Om deze reden zijn deze teksten wel aan Hadewijch toegeschreven. Het ontbreken van deze teksten in de oudste Hadewijch-codex (handschrift A), is voor Kwakkel echter een sterke indicatie dat de teksten niet van Hadewijch zijn, noch uit haar directe omgeving komen.
Vekeman – hoogleraar Nederlands aan de Universiteit van Keulen – heeft in 1996 het Twee-vormich tractaetken opnieuw uitgegeven. Hij heeft de Middelnederlandse tekst voorzien van een parallelvertaling in modern Nederlands en een uitvoerig commentaar. Vekeman wijst erop dat het Twee-vormich tractaetken sinds de tekstuitgave door Van Mierlo in Hadewijchs Mengeldichten (1952) een stiefkind in de medioneerlandistiek is gebleven. In sommige publicaties werd het regelrecht in de prullenmand van de geschiedenis gedeponeerd. In zijn dissertatie over de beeldspraak van Hadewijch meent Reynaert een mystieke amazone aan het werk te zien, die niet eens voor morele chantage van God terugschrikt. Ruh gaat nog een stap verder: met mystiek heeft deze groteske en af en toe pijnlijk arrogante tekst geen uitstaan. Met deze editie streeft Vekeman bewust eerherstel na: ‘Deze mystieke amazone – niets pleit tegen deze formulering – verdient een ereplaats naast Hadewijch, Beatrijs van Nazareth en vele andere vriendinnen en bruiden van God. Niet als getalenteerde prozaschrijfster, maar als begenadigde mystica en zeer wijze vrouw. Haar Tractaetken is een mystieke tekst om U tegen te zeggen. Zonder evenwel overdreven affectief te worden.’ Vekeman onderschrijft de opvatting van Van Mierlo dat het traktaat van groot belang is voor het godsdienstige, mystieke leven.
De Mengeldichten XVII-XXIX, of de gedichten van de ‘pseudo-Hadewijch’, zijn in de Hadewijch-handschriften duidelijk van de andere gedichten gescheiden en ze zijn bovendien afzonderlijk – zonder enig ander werk van Hadewijch dus – opgenomen in een handschrift dat gedateerd wordt rond 1400. De mystiek van deze gedichten is eerder verwant met de latere ontwikkeling van de mystiek, zoals die vooral bij Eckhart tot bloei kwam, dan met die van Hadewijch. Al horen we nog vele gedachten van Hadewijch, de overheersende toon is minder adellijk, minder ‘hoofs’ en veeleer burgerlijk geworden. Onderzoekers denken aan twee verschillende auteurs. De ene zou de gedichten XVII-XXIV hebben geschreven, die gebouwd zijn volgens het rijmschema aabccb. De andere zou de gedichten XXV-XXIX hebben geschreven in vier- of zesregelige strofen op één rijm. Naast de vorm, is ook de inhoud van de beide reeksen verschillend.

De discussie rondom het Twee-vormich tractaetken, de Mengeldichten XVII-XXIX en andere passages uit het werk van Hadewijch waarvan haar auteurschap nogal eens wordt betwist, hangt m.i. sterk samen met de middeleeuwse boekproductie, waarbij teksten als gevolg van kopieer- en compilatiewerkzaamheden zelden werden overgeleverd zoals deze door de oorspronkelijke auteur was opgesteld. Net zoals de meeste teksten, is ook het oeuvre van Hadewijch overgeleverd in verzamelhandschriften: codices die van meet af aan als materiële eenheid bedoeld waren en waarin tenminste twee teksten zijn bijeengebracht. Het is zeer opmerkelijk dat de overlevering van haar werk meteen deze corpusvorm heeft aangenomen. Zoals bij andere verzamelhandschriften kan de collectie natuurlijk ook uit meerdere tekstdragers samengesteld zijn geweest, waarbij niet noodzakelijkerwijs alle teksten van Hadewijch zijn geweest.

3 Wie was Hadewijch en wanneer heeft ze geleefd?

De vroege Hadewijch-studie

De Hadewijch-studie kwam langzaam op gang. De receptie van haar werk begon in 1838. In dat jaar verschenen maar liefst drie publicaties over haar werk door Mone, Snellaert en Willems.
Reynaert heeft aangetoond dat de herontdekking van Hadewijch waarschijnlijk toe te schrijven is aan de Duitse geleerde Mone. In zijn übersicht der niederländischen Volks-literatur älterer Zeit maakt hij melding van de inhoud van de handschriften uit de ‘Bourgondische bibliotheek’ (de handschriften A en B). Beide handschriften zijn afkomstig uit Rooklooster bij Brussel.
Mone heeft verschillende aanwijzingen dat de teksten door een vrouw zijn geschreven. De duidelijkste aanwijzing daarvoor vinden we in het eerste lied: ‘Die Verfasserin nennt sich selbst im ersten Liede ein » ellendech wijf « und klagt, dass sie verfolgt worden sey, dass sie die Minne nicht kenne, und vor ihrem Tode auch nicht kennen werde. Es ist hiernach sehr wahrscheinlich, dass der ganze Inhalt der Hs. von einer einzigen Verfasserin herrührt. Die eingestreuten lateinischen Worte und Verse beweisen nicht für einen Mann, denn auch Nonnen verstanden lateinisch und alle Anspielungen der Hs. vereinigen sich für eine Verfasserin.’ Mone noemt nog twee aanwijzingen die duiden op een vrouw. In het eerste visioen lezen we: ‘Het was in ênen sondage ter octaven van pentecosten, dat men mî onsen here heimelike te mînen bedde brachte, om dat ic gevoelde soe grote trekinge van binnen van mînen geeste’. Tenslotte bevat volgens hem ook de Lijst der Volmaakten een aanwijzing: ‘Ene clusenerse ende heet Maria XXII. Sie was t-ierst nonne verleyse ende mijn vrouwe Nazareth kinde-se wel. […]’ Welke aanwijzingen Mone hierin precies ziet, licht hij echter niet verder toe.
Ook Snellaert maakt in 1838 melding van de Hadewijch-handschriften. Hij is vooral onder de indruk van de mystieke gedichten: ‘Hare liederen toonen eene ware dichteres aen, ofschoon zy wat al te overvloedig met het spelen van woorden en klanken is.’ Ook Snellaert leidt uit het eerste lied af dat deze tekst door een vrouw is geschreven. Vermoedelijk was de schrijfster volgens hem een ‘geestelyke dochter, deels om dezen mystieken vorm, deels om de latynsche regels welke zy hier en daer gebruikt.’ Snellaert betwijfelt echter of alle teksten door één persoon zijn geschreven: ‘Het gedicht dat op de liederen volgt schynt in tegendeel door eenen manspersoon te zijn opgesteld.’ Snellaert verwijst naar de volgende regels:

Dit en segghic niet om dat ic prise,
Maer omme dattic den weg der minnen wise;
Joncfrouwe, oec niet dat ic u wise,
Maer der minnen vriheit prise.

Het gaat Snellaert hier om het feit dat er een ‘joncfrouwe’ wordt aangesproken, maar ik ben zelf van mening dat aan dit enkele woord niet zo veel waarde gehecht moet worden omdat hieruit niet noodzakelijk volgt dat er een man aan het woord is die spreekt.
Willems publiceert in 1838 in zijn Belgisch Museum de tekst inclusief aantekeningen van één van Hadewijchs Strofische gedichten op basis van een afschrift dat Snellaerts had gemaakt. Ook hij gaat ervan uit dat de teksten opgesteld zijn door een non. Willems deelt verder mee dat hij voornemens is later meer gedichten van Hadewijch te publiceren. In 1846 overlijdt hij echter en het afschrift uit Hadewijchs werk dat in zijn bezit was (de door Snellaert gemaakte transcriptie dus) werd verworven door Blommaert. Hij had het voornemen een publicatie van de Strofische gedichten te bezorgen, maar deze is in werkelijkheid nooit verschenen.

Angillis en Van Even

Omstreeks 1852 vatten A.A. Angillis en E. van Even – in overleg met Snellaert – het plan op een editie te bezorgen van Hadewijchs poëzie in hun reeks ‘Werken der Vlaemsche dichteressen uit den voortijd’. In 1853 gaven zij zeven liederen uit, zonder aantekeningen of varianten. Bij deze zeven liederen is het gebleven. In navolging van Snellaert waren zij ervan overtuigd dat Hadewijch een onbekende kloosterlinge uit de dertiende eeuw was.
Angillis heeft een belangrijke bijdrage aan het Hadewijch-onderzoek geleverd: hij is degene die de tot dan toe onbekende vrouw haar naam heeft ‘teruggegeven’. In een overdruk in de Dietsche Warande uit 1857 van Stallaerts uitgave van een oude lijst Dietse boeken uit het Rooklooster stond onder nummer 10 vermeld: ‘Item noch drie boeke van hadewighen die beginnen aldus: God die de clare minne’. En onder nummer 23: ‘Item een boec beghint God die cla[re minne]’. Angillis zag de overeenkomst met de hem bekende handschriften (A en B) die aanvangen met dezelfde woorden. De Latijnse kanttekening ‘haduw incepit’ op f. 12d van handschrift A was nog niet eerder geïnterpreteerd en kon nu hierbij als bevesting dienen. Een andere bevesting trof men aan in 1867, toen handschrift C bekend werd. Dit handschrift bevat verschillende Latijnse opschriften: bij de Visioenen staat ‘visiones haywigis A’, bij de Brieven staat ‘Epistole haywigis’, bij de Strofische Gedichten staat ‘ritmita haywigis’ en bij het Tweevormich tractaetken en de Mengeldichten ten slotte ontbreken opschriften.
Uit correspondentie van Angillis aan Snellaert blijkt dat hij – hoe fascinerend Hadewijchs poëzie ook is – over te weinig kennis en filologische hulpmiddelen beschikte om tot een enigszins accurate interpretatie en situering te komen. Andere tijdgenoten worstelden met hetzelfde probleem: het was allesbehalve een kwestie van ‘moeilijke woorden’, er was gewoonweg nog geen globale visie op de situatie waarin en de wijze waarop Hadewijchs geschriften hadden gefunctioneerd en waaraan men de interpretatie van de teksten had kunnen toetsen.
Reynaert geeft aan dat op de achtergrond andere motieven waarschijnlijk een belangrijke rol hebben gespeeld. De op het Hooglied geïnspireerde traditie van erotische metaforiek had geleid tot het destijds heersende cliché over de ‘bedorvenheid der kloosterlingen’ en maakte het moeilijk om uit te maken of Hadewijch geestelijke of wereldlijke liederen had geschreven. Hierdoor durfde niemand zich te wagen aan een positieve evaluatie van Hadewijchs werk. Het probleem met Hadewijchs teksten was dus niet zozeer van taalkundige, maar eerder van ideologische aard.

Serrure

In 1858 identificeert Serrure de schrijfster Hadewijch met de abdis Hadewijch van het cisterciënzerklooster te Aywiers bij Luik. Tot deze veronderstelling was hij voornamelijk geleid door het feit dat Trithemius in zijn bekende Catalogus Scriptorum Ecclesiasticorum als een werk van Willem van Affligem, die met de nonnen van Aywiers in betrekking heeft gestaan, een Latijnse vertaling vermeldt van visioenen van een non ‘de quadam moniali cisterciensis ordinis qua teutonice multa satis mirabilia scripsit de se ipsa’. Serrure aarzelde niet om aan te nemen dat het een vertaling moest zijn van de visioenen van Hadewijch en dat daarom Hadewijch waarschijnlijk deze abdis van Aywiers zou zijn geweest.

Jonckbloet

Jonckbloet wordt vaak beschouwd als degene die onze literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen heeft vormgegeven. In 1868-1872 verscheen de eerste druk van zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Als eerste behandelde hij hierin de evolutie van de Middelnederlandse letterkunde volgens een wetenschappelijke methode. Het waren vooral de ridderteksten die bij hem in de smaak vielen. Voor zijn behandeling van de mystieke literatuur – en Hadewijch in het bijzonder – raadpleegde hij vooral andere onderzoekers. Jonckbloet sluit zich in zijn plaatsing van Hadewijch geheel bij Serrures identificatie met de abdis van Aywiers aan: ‘Er bestaat dus inderdaad gegrond vermoeden, dat deze liederen van dezelfde Zuster Hadewijch zijn, welke in de eerste helft van de dertiende eeuw leefde en in 1248 stierf.’

Stallaert en Ruelens

In de Brusselse schepenakten eind dertiende en begin veertiende eeuw vond de archivaris ‘der burgerlijke godshuizen en weldadigheid’ Stallaert herhaaldelijk de naam ‘Willem dictus Blomaert’. Hij overleed tussen de jaren 1305 en 1310. Hij had een dochter, genaamd Heilwighe, welke, volgens de gewoonte van die tijd, in de akten voorkomt met haar familienaam in het vrouwelijke geslacht, dus onder de naam ‘Heilwigis dicta Blomardinne’. Dit feit deelde Stallaert mee aan Ruelens, die vanaf 1873 bewaarder was van de handschriften van de Brusselse bibliotheek. Rond 1440 schreef Hendrik Bogaert – die meestal met zijn Latijnse naam Henricus Pomerius wordt aangeduid – De origene of de kroniek van Groenendaal. Pomerius bracht vier jaar in Groenendaal door met Jan Dierikszoon van Schoonhoven, die in 1377 monnik was geworden en dus een tijdgenoot van Ruusbroec was. Op basis van zijn informatie heeft Pomerius Ruusbroecs biografie in zijn geschiedenis van Groenendaal samengesteld, waarin onder meer wordt verhaald hoe hij streed tegen de ketterse ideeën van een vrouw met de naam Bloemardinne. Deze Bloemardinne schijnt een begaafde vrouw te zijn geweest. Zij schreef over mystieke onderwerpen en leerde uit een zilveren zetel. Ruelens kende dit verhaal en voor hem lag de conclusie voor de hand: Hadewijch kon geïdentificeerd worden met Heilwych Bloemardinne. Omstreeks het einde van 1888 heeft Ruelens een verhandeling met de titel ‘Jan van Ruusbroeck en Blommardinne’ opgesteld, maar deze werd door zijn onverwachte overlijden in 1890 pas in 1905 postuum door professor Vercoullie bij zijn uitgave van Hadewijchs proza gedrukt. Ook de Gentse hoogleraar Frédéricq tracht in zijn artikel De Geheimzinnige Ketterin Bloemaerdinne aan te tonen dat deze dichteres geïdentificeerd kon worden met Hadewijch.
Reeds in 1894 reageert Van Even op de – nog niet gepubliceerde, maar reeds in een brief van 20 maart 1871 aan hem geponeerde – stelling dat Hadewijch geïdentificeerd kan worden met Heilwych Blomardinne. Voor hem is Hadewijch een andere vrouw dan Bloemardinne. Ruelens zag weliswaar in Hadewijch en Heilwych dezelfde doopnaam, maar voor Van Even zijn het twee verschillende voornamen: ‘Hadwige en Hedwige is dezelfde. Doch van Heilwige is er geen Hadwige te maken. Nu, uit de door Stallaert ontdekte stukken leert men dat Bloemardinne den voornaam van Heilwige en geenszins dien van Hadwige droeg. De standvastigheid van dezen vorm, in gemelde oorkonden, laat hieromtrent geen den minsten twijfel over.’ Bovendien komt het Van Even voor dat de taal van Hadewijchs gedichten ‘een veel ouder karakter draagt dan degene van het tijdstip van Bloemardinne’. Van Even legt zich neer bij de gedachte dat de persoon Hadewijch voorlopig volkomen in nevelen gehuld blijft: ‘Tot dusverre is van haar geene enkele bijzonderheid ontdekt geworden.’

Ten Brink

In 1897 verscheen de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Jan ten Brink. Ondanks de kritiek van Ruelens en Van Even sloot hij zich, net als zijn directe voorganger Jonckbloet, aan bij Serrure: ‘Hadewijch was priores in het klooster Hawières bij Luik, tot 1248, toen zij stierf.’

Heremans, Ledeganck en Vercoullie

De eerste integrale edities van het werk van Hadewijch kwamen tot stand binnen de Maatschappij der Vlaamse Bibliofilen. Deze eerste edities waren zuiver diplomatisch. In 1875 verschenen de gedichten (de Strofische gedichten en de Mengeldichten) door J.F.J. Heremans en C.J.K. Ledeganck en in 1895 het proza (de Visioenen en de Brieven) door J. Vercoullie. In 1905 volgde ten slotte een uitgave met een inleiding, varianten en errata op de in 1875 en 1895 door de Maatschappij uitgegeven werken van Hadewijch.
Ook Vercoullie legt zich in de inleiding – net als zijn voorganger Van Even – neer bij het feit dat nog niet bekend is wie Hadewijch was. Dit leidt hij niet af uit het feit dat de taal van Hadewijch ouder schijnt dan van het midden van de veertiende eeuw. ‘Immers al wie er zich mede bezig hield, Mone, Willems, Angillis, Serrure, Van Even, namen ze voor dertiende-eeuws Nederlands. Maar ze vergaten dat de taal van godsdienstige en mystieke schriften veelal uit geijkte of overgeleverde archaïsmen bestaat.’ Ook denkt Vercoullie niet aan het feit dat Hadewijch en Heilwich twee verschillende namen zijn: ‘Immers de volksvorm van Hadewijch was toen al wel Haiwijch of Heiwijch, zoals blijkt uit de titels van Visioenen, Epistelen en Rijmen in hs. C; van dan af was de verwarring met Heilwich mogelijk, en misschien was in onze streken Heilwijch niets dan een volksetymologiese vervorming van Heiwijch.’ Vercoullie denkt eerder aan de plaatsen en de omstandigheden waarin de teksten zich voordoen. Volgens Ruusbroecs biograaf Pomerius waren de Bloemardinne-handschriften in Brussel in omloop, maar de overgeleverde Hadewijch-handschriften zijn aangetroffen in het Rooklooster (handschrift A en B) en bij de jezuïten in Antwerpen (handschrift C); de laatsten moeten latere bezitters zijn geweest. Ruusbroec woonde nog acht jaar in Brussel na de dood van Bloemardinne op 23 augustus 1335; pas in 1343 trok hij naar Groenendaal. Vercoullie acht het onwaarschijnlijk dat de werken van de ketterin bewaard zouden zijn gebleven, zeker niet in het klooster waar Ruusbroec een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht. ‘Neen, de werken van een ketterin, niet alleen de kettersche gedeelten, maar ook de meest orthodoxe, zou men vernietigd of ongenaakbaar gemaakt hebben en nooit meer zouden ze door rechtgelovigen voor godvruchtige doeleinden gebruikt geweest zijn.’ Daarmee beweert Vercoullie niet dat de Bloemardinne van Hadewijch een andere dan de Bloemardinne van de schepenakten geweest zou zijn, maar wel dat de niet de Hadewijch van onze handschriften was.

Kalf

In 1906 verscheen het eerste deel van de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Gerrit Kalf. Evenals Jonckbloet en Ten Brink – en daarmee de kritiek van tijdgenoten negerende – sloot hij zich, aan bij Serrure en spreekt hij over ‘Hadewijch, toentertijd abdis van Aywières’.

Te Winkel

In 1908 verscheen het eerste deel van Te Winkels magnum opus, de Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde, maar dat pas na zijn dood in definitieve vorm het licht ziet. De tweede druk verschijnt in de jaren 1922-1927, waarvan het laatste deel werd bezorgd door Te Winkels leerling, P. Leendertz Jr. Geheel in lijn met zijn voorgangers identificeert ook Te Winkel Hadewijch met de abdis van Aywiers: ‘Nu hebben wij reeds gezien, dat Willem van Affligem in een uitvoerig Dietsch gedicht de levensbeschrijving heeft overgebracht, door Thomas van Cantimpré samengesteld van St. Lutgardis, die non was in het Cistercienser klooster van Aywières bij Luik, zoodat wij van hem wel bekendheid met dat klooster mogen veronderstellen. In dat klooster nu was in de eerste helft van de 13de eeuw eene Hadewijch († 1248) abdis geweest, en zeker komt geene andere vrouw van dien naam meer dan zij in aanmerking om als de dichters van den geestelijken liedbundel te worden beschouwd.’

De Vooys

De Vooys publiceerde in 1908 zijn Historische schets van de Nederlandsche letterkunde. Ten opzichte van het werk van Te Winkel is deze synthese veel minder diepgaand en uitgebreid. Aan een situering van Hadewijch waagt De Vooys zich aanvankelijk niet: ‘Van haar persoon weten we niets anders dan wat haar verzen en haar proza ons leeren.’ Later – waarschijnlijk onder invloed van het werk van Van Mierlo – is hij concreter: ‘Volgens overlevering geboren te Antwerpen en van adellijke afkomst. Middelpunt van de begijnenbeweging te Nijvel in Brabant.’ Ze zou geleefd hebben in de periode ‘±1200-±1269’.

Van Mierlo

Het eerste uitgebreide onderzoek naar het leven en het werk van Hadewijch werd verricht door de Vlaamse jezuïet en letterkundige Jozef van Mierlo jr. Volgens hem behoren de werken van Hadewijch tot ‘de schoonste en merkwaardigste uit onze middeleeuwse letterkunde’.  Het werk van Van Mierlo is van onschatbare waarde voor de Hadewijch-studie geweest. Dat Hadewijch tot de literaire canon is doorgedrongen, is vooral aan hem te danken. Deze Vlaamse jezuïet heeft niet alleen haar werk op een voortreffelijke manier uitgegeven en er vele tientallen studies aan gewijd, maar ook heeft hij als eerste op de literaire kwaliteit van deze teksten gewezen. Zo heeft hij de basis gelegd voor de hoge waardering die Hadewijchs werk tegenwoordig geniet, ook buiten het Nederlandse taalgebied.
Volgens Van Mierlo liet de correctheid van de tekst van de beschikbare uitgaven van Hadewijch nogal te wensen over. Vooral die van het proza, door Vercoullie, was volgens hem zeer slecht. ‘Men gaat soms denken, als men zijn tekst vergelijkt met de handschriften, dat de man al niet beter bekend was met de grondbeginselen der paleographie als met die van de theologie.’ Voor de Hadewijch-studie achtte Van Mierlo een nieuwe uitgave van haar werken een hoofdvereiste. In de periode 1908-1912 verscheen Van Mierlo’s eerste reeks kritische edities van het werk van Hadewijch en in de periode 1924-1952 de tweede reeks, dit keer met toevoeging van een uitvoerig commentaar. De edities van Van Mierlo geven de lezing van handschrift C, omdat dit er fraaier en verzorgder uitzag dan A. De edities van Van Mierlo functioneren vandaag de dag nog steeds als standaarduitgaven van haar werk.
Reeds in zijn eerste editie van Hadewijchs werk belooft Van Mierlo na bezorging van haar overige werk te komen met een overkoepelde studie over de schrijfster, haar werken en haar plaats binnen de mystiek. Hoewel hij op dat moment nog weinig over haar weet, acht hij het uitgesloten dat Hadewijch verband houdt met Hadewijch van Aywiers en de Bloemardinne. In 1908 stuurt Van Mierlo zijn eerste detailstudie over Hadewijch naar het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort. De studie verscheen met de titel: ‘Was Hadewijch de ketterin Blomardinne?’ Eerst ontkent Van Mierlo de identificatie van Hadewijch met de abdis van Aywiers en vervolgens die met de ketterin Bloemardinne.
Van Mierlo meent Serrures en Te Winkels identificatie van Hadewijch met de abdis van Aywiers eenvoudig te kunnen ontkrachten. Aywiers was immers een Waals klooster waar niets dan Waals gesproken werd en een abdis zal geen gedichten schrijven, waarvan haar toehoorders geen woord konden begrijpen.
Van Mierlo erkent dat er tussen Hadewijch en Bloemardinne overeenkomsten zijn: de gelijkenis van hun namen, beiden schreven over mystieke onderwerpen, beiden spreken voortdurend over de ‘minne’, beiden traden op als spiritueel leidster van een groep begijnen en beiden werden door anderen vereerd. De naam van de beweging ‘De nieuwe geest’ waarvan Bloemardinne deel uitmaakte komt overeen met de vele nuwe’s in Hadewijchs werk. Ook het ontbreken van nagelaten werk van Heilwig zou met deze identificatie meteen zijn opgelost, evenals het probleem van het ontbreken van een biografie van Hadewijch. Van Mierlo verwijst de identificatie van Hadewijch met Bloemardinne echter naar het rijk der fabelen. Systematisch probeert hij ieder punt in de bewijsvoering van zijn tegenstanders te ontkrachten. Zijn belangrijkste argumenten zijn dat de naam Hadewijch in de dertiende een viertiende eeuw zeer verspreid was en – bovenal – dat in het werk van Hadewijch geen enkel spoor van ketterij te ontdekken valt. Integendeel: voor Van Mierlo is er geen verhevener vrouw dan Hadewijch: ‘Niet alleen bevat de leer van Had. niets wat eigenlijk kettersch mag genoemd worden; maar de beginselen van haar ascetisme behooren tot de verhevenste die de katholieke Kerk heeft gekend. Voor haar komt alles hier op neer: om tot de zuivere en volmaakte Liefde te geraken, moet de mensch zich zelven geheel verloochenen en zich ontdoen van al het aardsche. Hij moet de deugden beoefenen, niet om de zoetheid van de godsvrucht, maar alleen uit liefde tot den gekruisigden Godmensch, dien we niet slechts moeten volgen om loon, zooals Simon van Cyrenen, maar met wien we dienen te sterven aan ’t Kruis. In alles zullen we ons geheel overgeven aan den wil van God, hem dienen in alle nederigheid, zonder ons ooit over het goede dat we mochten verrichten, hoe groot het ook weze, te verheffen, wel overtuigd dat God in de hoogte is van Zijn » gebruken « en wij in de laagte van ons » gebreken «. Daarom moeten we willen door God behandeld worden in alles volgens Zijn welbehagen; voor Hem lijden, en in alles, zelfs in dit lijden, enkel en alleen zijn Allerheiligsten Wil betrachten. Niet op passieve wijze, maar geheel actief, zoodat we om zoo te zeggen als een kamp met God aangaan, en Hem dwingen ons door Zijne Liefde te overwinnen. Overigens, zeer dikwijls wijst Had. er op, dat we God moeten dienen in alle gehoorzaamheid aan de heilige Kerk.’
De bewondering van Van Mierlo voor Hadewijch is grenzeloos en hij maakt dan ook veel werk van het benadrukken van haar rechtzinnigheid, maar naar mijn mening verliest Van Mierlo hierdoor zijn eigen objectiviteit uit het oog: door zijn vooringenomen opvattingen over Hadewijch kon hij geen enkele kritiek op haar verdragen. In haar werk laten zich wel degelijk diverse plaatsen aanwijzen waar zij aan de grens komt van wat destijds theologisch acceptabel was. Zo betwijfelde Hadewijch de ‘noodzaak’ van de hel. In het zevende visioen ziet Hadewijch Gods gelaat. De zogenaamde Visio beatifica was echter een zeer omstreden kwestie in de dertiende-eeuwse theologie. In het achtste visioen maakt Hadewijch met zo veel woorden aanspraak op een dieper goddelijk inzicht dan de theologen. Hadewijch ziet vijf wegen die allen leiden naar de top van een berg, dit is de hoogste minnebeleving. Maar niet elke weg brengt de mens even vlug tot het verheven doel. De ene is directer dan de andere. Eén weg overtreft al de andere: de vijfde weg. Wie deze weg volgt, geraakt dichter bij God dan wie ook. Het is de taak van haar gids, een theoloog, om haar in te wijden in vier van de vijf wegen. Echter niet in de hoogste, daarin schiet de gids te kort. Dit alles kan Hadewijch in een lastig parket hebben gebracht. Er was maar één fanatieke inquisiteur voor nodig om haar tenminste onder verdenking van ketterij te plaatsen. Er zijn in ieder geval genoeg aanwijzingen dat begijnen regelmatig beschuldigd werden ketterse ideeën aan te hangen. Die kritiek hoeft geen realiteitswaarde te hebben gehad. Begijnen waren alleen al verdacht, omdat ze geen deel uitmaakten van controleerbare maatschappelijke verbanden. In de veertiende eeuw werd die weerstand nog versterkt door economische factoren. Begijnen leefden van het werk van hun handen, zoals spinnen en weven. Omdat ze genoegen namen met minimale inkomsten, waren ze geduchte concurrentes van de gilden, die een grotere winstmarge moesten hanteren.
Een ander probleem in de identificatie van Hadewijch met Bloemardinne was volgens Van Mierlo de datering. In 1921 publiceerde Van Mierlo een studie waarin hij betoogt dat de literaire activiteit van Hadewijch omstreeks het midden van de dertiende eeuw moet worden gesitueerd. Zijn datering is gebaseerd op passages uit de Visioenen en in het bijzonder de Lijst der Volmaakten.
In het dertiende visioen schouwt Hadewijch rechtstreeks in het aanschijn van God. Hadewijch ziet in dit visioen onder andere de 107 mensen die in alle aspecten van de drieledige minnebeleving tot volmaaktheid zijn volgroeid: 29 daarvan zijn al in de hemel, 73 zijn op het moment dat Hadewijch schrijft in leven (waarvan 56 volwassenen en 17 kinderen en baby’s) en 5 moeten er nog geboren worden:

Ende die met allen III desen wesenen volwassen sijn ende selen van dien die nu godlec sijn, diere en sijn nu in den hemel maer XXIX, ende hier en leeftere mer LVI  ende diere es nu gheboren in de wieghe XI ende VI loepter achter straten spelen, ende V salre noch gheboren werden, ende nemmeer en saller in allen drien volwassen sijn. Die somme es hondert ende VII.

De Lijst der Volmaakten geeft een zeer concrete opsomming van de personen die de hemel (zullen) bevolken. De lijst begint chronologisch bij de grootste intimi uit de directe kring van Christus, zoals Maria, Johannes de Doper, Johannes de Evangelist, Maria Magdalena, Petrus en Jacobus. De volmaakten zijn geografisch verspreid van Palestina tot Parijs en chronologisch vanaf het vroegste christendom tot Hadewijchs eigen tijd. En om precies te zijn zelfs nog verder, want – zoals ik hiervoor al heb aangegeven – er moeten nog 5 volmaakten geboren worden. Hadewijchs selectie blinkt uit door exclusiviteit: sommigen onder de volmaakten zijn uit geen enkele andere bron bekend, zoals ene Geremina, een onbekende woestijnvader Constans en de bekeerde jodin Sara. De keuze van de volmaakten heeft een tegendraads en anti-autoritair karakter: de lijst bevat buiten de mysticus Gregorius geen enkele paus en behalve Augustinus geen enkele kardinaal of bisschop. Het zijn vooral verstoten geestelijken en onbekende gelovigen die Hadewijch een plaatsje heeft gegeven. Ten slotte is de ruimte die zij inruimt voor tijdgenoten opvallend. Haar lijst is globaal chronologisch geordend en begint met 21 volmaakten van vóór Hadewijchs tijd. Vervolgens komen 8 overleden tijdgenoten en daarna maar liefst 73 volmaakten (56 volwassenen en 17 kinderen) die nog in leven zijn.
De 29 overleden volmaakten zijn chronologisch geordend naar sterfdatum en ze zijn genummerd. Nummer 29 is de meest recent overleden tijdgenote van Hadewijch. Het betreft een begijn die door de inquisitie vanwege haar oprechte liefde ter dood werd gebracht: Ene beghine die meester Robbeert doedde om hare gherechte minne. Van Mierlo maakt het aannemelijk dat meester Robbeert geïdentificeerd moet worden met de dominicaan Robert le Petit, alias ‘le Bougre’, die in 1236 en 1239 als pauselijk inquisiteur een tweehonderdzestigtal ketters uit het noorden van Frankrijk en uit de Nederlanden ter dood liet brengen. Aangezien Hadewijch de geëxecuteerde begijn als laatste in een reeks gestorven tijdgenoten vermeldt, lijkt het Van Mierlo waarschijnlijk dat haar Lijst der Volmaakten kort na het optreden van Robert le Petit tot stand kwam. Direct na de vermelding van meester Robbeert vernemen we van Hadewijch dat zij enkele eremieten kent die bij de muur van Jeruzalem wonen. Jeruzalem is in 1244 echter opnieuw in de handen van de Saracenen gevallen. De conclusie van Van Mierlo is dan ook dat Hadewijch haar Lijst der Volmaakten voor 1244 opstelde en na 1236. Haar literaire activiteit in het algemeen kunnen we dan ook omstreeks het midden van de dertiende eeuw situeren. Een gegeven dat deze datering ondersteunt is heer henric van breda, die eveneens in de Lijst der Volmaakten wordt genoemd. In 1921 kwam Van Mierlo – steunend op gegevens die hem verstrekt waren door G.C.A. Juten – tot de slotsom dat met dit personage alleen Hendrik IV kan zijn bedoeld, die van 1246 tot 1256 heer van Breda was. De Visioenen zouden dus geredigeerd moeten zijn tussen 1246 en 1256, al kunnen de afzonderlijke daarin verhaalde gebeurtenissen eerder hebben plaatsgevonden. De datering van Hadewijch omstreeks 1250 door Van Mierlo is vanzelfsprekend onverenigbaar met de identificatie van Bloemardinne, die bijna een eeuw later in 1335 overleed.

Behalve de historische plaatsing, heeft Van Mierlo ook veel aandacht besteed aan de vraag binnen welk milieu Hadewijch haar werk geschreven heeft. Volgens Van Mierlo blijkt uit de geschriften van Hadewijch dat zij een begijn was en bovendien leidster van een groep. Met name haar Visioenen en Brieven bevatten bijzonderheden waaruit Van Mierlo een en ander afleidt omtrent Hadewijchs uitwendige levensomstandigheden.
Het is belangrijk om te benadrukken dat Van Mierlo Hadewijch als eerste uitdrukkelijk in verband brengt met de begijnenbewegingen uit de dertiende eeuw. Zoals later bij de bespreking van de functie en intentie van Hadewijchs Brieven zal blijken, maakte Hadewijch deel uit van een genootschap dat door haar bemiddeling tot stand was gekomen en waartoe zij anderen had uitgenodigd om zich op de dienst van de Minne toe te leggen. Van Mierlo denkt hier onmiddellijk aan een vrij godsdienstig genootschap, ‘een genootschap van beghinae disciplinatae, zooals er in de dertiende eeuw, vooral in de eerste helft, zeer vele waren in talrijke plaatsen van ons land. De vrouwen uit de godsdienstige beweging der XIIe en XIIIe eeuw waren allengs gaan samenwonen in vergaderingen van tien, twintig, soms meer, om elkander te steunen en aan te moedigen in hun godsdienstige idealen en om de werken van barmhartigheid te beoefenen. In het begin der XIIIe eeuw hadden zij daar zelfs de kerkelijke goedkeuring toe gekregen. Dat waren de eerste curtes beghinarum: de eigenlijke begijnhoven. Tegen het midden der eeuw werden de beginae uit de verschillende genootschappen van een stad of plaats nog verder bijeengebracht in een grootere groepeering, die de grootere begijnhoven, de begijnenparochiën, werden.’ Belangrijk is de zin die Van Mierlo hierop laat volgen: ‘Zulk een klein genootschap had Hadewijch ook gesticht […]’ De associatie van Hadewijch met een begijn is door Van Mierlo opgeworpen en tot op de dag van vandaag niet meer uit de beeldvorming verdwenen.
Volgens Van Mierlo was Hadewijch in ieder geval geen kloosternon: ‘In den tijd der visioenen verbleef zij bij een kerk waar het kerkelijk officie werd gehouden: zij is tegenwoordig bij het morgenofficie (7,2; 9,1) dus bij een kloosterkerk of een collegiale Kerk. Dit officie werd gehouden in den dageraad; de metten hadden drie nocturnen, elk met drie lessen (vis. 9). De communie kan haar te haren bedde gebracht worden (1,3). Maar om naar de kerk te gaan moet zij ‘buiten onder de menschen’ komen (1,5), wat moeilijk kan gezegd van een in een klooster verblijvende zuster, die slechts uit hare cel naar de kerk hoefde te gaan. Op een Sinxendag ‘zong men metten in de kerk en ik was daar’ (7,1). Zij woonde dus het officie bij uit vrije beweging (anders diende: en ik was daar, niet bijzonder vermeld). Zij woonde niet in een klooster, dan ware ‘in de Kerk’ overbodig. […] In den tijd der vis. verbleef HAD. dus buiten een klooster, bij een kerk waar ’t officie werd gehouden, afzonderlijk of in een vrije genootschap, in een woning die zij verlaten mocht om uit te gaan.’
Van Mierlo ziet in Hadewijch een leidster: ‘Al vroeg heeft zij anderen in de Liefde geleid (1,392). Daarin heeft ze toen reeds grooten ijver aan den dag gelegd (1,394-397). Hare gezellinnen vormen met haar een soort gezelschap, wat haar toelaat te spreken van donse (5:16;57). Zij is bereid de genieting van hare volmaaktheid in de zaligheid nog uit te stellen om hare gezellinnen te leiden (1:391; 8:104; 13:243). Ook heeft zij verre betrekkingen (1:176;179;182;186;218;220).’
De kans is groot dat Hadewijch werd vervolgd: ‘Aan het slot van vele visioenen worden haar vervolgingen en verdrukkingen beloofd (1:396; 6:99; 8:124; 10:65; 13:242). Zij zal vreemd worden en versmaad onder de menschen: allen zullen haar verlaten; niemand zal nog met haar willen dolen in haren nood; zij zal niet meer weten waar een verblijfplaats te zoeken (1:298 vlg., toch dient dit niet alles letterlijk opgevat: meer symbolisch, als uitleving door haar van Jesus’ leven). Zij zal versmaad worden en niemand welna zal haar sparen (8:53). Ook heeft zij onmenschelijk veel onder de menschen geleden (10:63 vlg.). De wereld zal haar nauwelijks laten leven (13:248). God heeft haar steeds veel lijden beloofd (14:37). Daarom verwondert zij er zich over dat zij niet meer te lijden heeft en dat de menschen haar ontzien (14:33 vlg.).’

Van Mierlo acht het ook zeker dat Hadewijch tot een adellijke familie behoorde. Het voornaamste argument voor hem is haar verkeer met adellijken, zoals die uit haar Lijst der Volmaakten blijkt. ‘Om Hendrik van Breda naar Sassen te zenden, moet zij zelf uit den adel hebben gestamd.’ Uit Hadewijchs verhouding tot Hendrik van Breda leidt Van Mierlo verder af ‘dat haar adel bij den zijnen niet ten achter stond. En zo worden wij er toe gebracht naar haar te zoeken in een der groote familiën uit dien tijd.’ Van Mierlo denkt hierbij in de eerste plaats aan het huis van Diest, waarvan de heren in ieder geval in de dertiende eeuw – en misschien zelfs vroeger – burggraven van Antwerpen waren.
Het enige dat de overlevering ons over Hadewijch meer dan de naam heeft nagelaten, is ‘Beata Hadewigis de Antverpia’. Deze aantekening gaat niet zo ver terug als de dertiende eeuw. Zij komt voor op het schutblad van handschrift C en is van een zeventiende-eeuwse hand. De aantekening werd echter overgenomen uit een catalogus van handschriften in de Belgische bibliotheken, die omtrent 1587 te St. Maartensdal bij Leuven bewaard werd en die deze bijzonderheid vermoedelijk had uit een ander handschrift van Hadewijch, dat destijds berustte in het Karthuizerklooster te Zeelhem. Zeelhem nu behoorde tot de heerlijkheid van Diest. Als men nu verder bedenkt dat de heren van Breda ook heren van Schoten bij Antwerpen waren, dan is het heel goed mogelijk dat Hadewijch binnen de kringen van het huis van Diest en Breda geplaatst kan worden. ‘In alle geval, zoolang niet het tegenovergestelde blijkt, behoudt de bijzonderheid dat Had. van Antwerpen was, hare volle waarde. Zij is het oudste wat we over Had. weten. Niets laat ons totnogtoe aan de werkelijkheid ervan twijfelen.’

Het tijdperk ná Van Mierlo

De meest elementaire elementen uit de visie van Van Mierlo zijn uitgegroeid tot een algemeen aanvaarde hypothese in de twintigste – en voorlopig ook in de eenentwintigste – eeuw. In navolging van Van Mierlo achten onder andere Van der Zeyde, Axters, Knuvelder, Mommaers, De Paepe, Willaert, Fraeters, Hofmann, Faesen en Van Oostrom Hadewijch afkomstig van een adellijke familie uit Antwerpen en plaatsen zij haar in de begijnenbeweging uit de eerste helft van de dertiende eeuw. Toch wordt ook wel algemeen erkend dat Van Mierlo’s conclusies verder onderzoek behoeven. Een aantal van zijn argumenten zijn weliswaar aannemelijk, maar zeker niet definitief. Vooral zijn afleiding van argumenten op basis van de Lijst der Volmaakten wordt vaak als problematisch ervaren. Zo heerst er bijvoorbeeld twijfel of deze lijst wel door Hadewijch is geschreven. Het zou evengoed een latere toevoeging kunnen zijn – iets wat Van Mierlo trouwens zelf ook al toegaf. En ook al zou de lijst door Hadewijch zelf zijn opgesteld, dan nog is het distilleren van veronderstellingen uit een opsomming van voornamen meestal zonder verdere ter zake doende historische informatie erg gewaagd. Vergelijkend onderzoek met andere teksten zou wellicht de datering van Hadewijch in de eerste helft van de dertiende eeuw kunnen ondersteunen.

Boeren

Zoals Van Mierlo al had opgemerkt, bevat de Lijst der volmaakten een aanwijzing dat Hadewijch een relatie met een heer Hendrik van Breda uit Schoten (bij Antwerpen) heeft gehad: Mine, clussenerse die varre dore Sassen lach, daer ic herren Heynrecke van Breda toe seinde. Boeren heeft een grondige reconstructie gemaakt van de genealogie van de middeleeuwse heren van Breda en een afzonderlijke studie naar de connectie van Hadewijch met dit geslacht. Hij maakt duidelijk dat het heel goed mogelijk is dat de Antwerpse Hadewijch in de dertiende eeuw contacten had met de Bredase adel. Destijds waren de heren van Breda immers heren van Schoten, een voornaam landgoed nabij Antwerpen. Zij verbleven zelfs overwegend in Antwerpen en hadden in Breda alleen een logement.
Vóór Boerens onderzoek werd algemeen aangenomen dat Hadewijch verwijst naar heer Hendrik IV van Breda. Zijn regeerperiode duurde van 1246 tot 1255 en daarvóór was hij priester. In die functie was het heel goed mogelijk dat Hadewijch hem naar een kluizenares in Saksen heeft gestuurd. Boeren acht de identificatie van heer henric van Breda met Hendrik IV echter onmogelijk. Hij bracht door diepgravend onderzoek een tweede Hendrik aan het licht, namelijk de oom van Hendrik IV. Deze Hendrik was ook priester. Hij moet een universitaire magisterstudie hebben doorlopen (stellig te Parijs), kort na 1216 werd hij proost van Celles (in het Waalse graafschap Namen, bij Dinant) en later prelaat in het bisdom Utrecht. Boeren benadrukt in de slotbeschouwing van zijn onderzoek dat de afstamming van Hadewijch uit hetzelfde geslacht ‘niet meer dan een gissing [is], die iedere schijn van bewijs mist’.

Reynaert

Aanvankelijk sluit Reynaert zich bij de algemeen aanvaarde hypothese aan: ‘Er is inderdaad m.i. niets wat er zich tegen verzet om de Brabantse mystica nog in de tweede helft van de 13e eeuw te laten leven en werken. Mij lijkt met name dat haar Strofische gedichten aldus, d.w.z. vanuit de sfeer van de laat-13e-eeuwse profane lyriek, beter te begrijpen zouden zijn. Een vergelijkende studie van motieven, thematiek en poëtische techniek zou mij met het oog op de datering meer vertrouwen inboezemen dan historische speculaties omtrent welke ‘volmaakte’ ook. Volmaaktheid is niet van deze wereld.’ In 1994 doet Reynaert echter een voorstel om de datering van Hadewijch te verplaatsen. Reynaert zou Hadewijch graag geplaatst willen zien binnen de tweede bloeiperiode van de hoofse minnemystiek, die in de tweede helft van de dertiende eeuw valt. De eerste bloei van dit literatuurtype vond plaats in de tweede helft van de twaalfde eeuw en telde voornamelijk klerikale auteurs, zoals Richard van St. Victor, die in het Latijn schreven. De tweede bloeiperiode manifesteerde zich in de tweede helft van de dertiende eeuw en kent onder de vrouwelijke auteurs vooral schrijfsters in de volkstaal, waartoe naast bijvoorbeeld Mechtild van Maagdenburg en Margaretha Porete volgens Reynaert ook Hadewijch gerekend zou moeten worden.

Ruh

Vanaf 1960 bekleedde Ruh de leerstoel middeleeuwse Duitse letterkunde aan de universiteit van Würzburg. Ruh verruimde het begrip ‘literatuur’ voor de Middeleeuwen, waardoor bij literatuurwetenschappers teksten in beeld kwamen die voordien enkel tot het onderzoeksveld van theologen of historici behoorden. In de periode 1990-1999 verscheen zijn vierdelige Geschichte der abendländischen Mystik, waarin hij de gehele traditie van de westerse mystiek vanaf de aanvang tot in de zestiende eeuw beschrijft. In zijn onderzoek heeft hij ook de Middelnederlandse letterkunde betrokken. Ruh wijst als rechtvaardiging voor het opnemen van Middelnederlandse teksten op het feit dat in de Middeleeuwen het verschil tussen het Middelnederlands en het Nederduits en Middelfrankisch nauwelijks als taalgrens werd ervaren, en dat er feitelijk geen duidelijke literaire grenzen tussen de taalgebieden bestonden. Ruh had een voorliefde voor twee auteurs van de Middelnederlandse mystieke letterkunde: Ruusbroec en Hadewijch.
Als één van de eersten vraagt Ruh zich af waarom de overlevering van Hadewijch pas vele decennia na haar veronderstelde leefjaren op gang komt, en daarbij bovendien meteen de opmerkelijke corpusvorm aanneemt. Ook stelt hij zich de vraag of het stilzwijgen rond Hadewijch niet een veelbetekenend stilzwijgen is. Is zij doodgezwegen omdat zij met haar betrekkingen tot de begijnen en andere ‘armen van Christus’ haar hoogadellijke familie te schande kon maken? En welke familie komt daarvoor in aanmerking? Volgens Ruh zou haar deftige familie zich hebben gegeneerd voor deze wel erg ver van het traditionele rolmodel afgeweken jonkvrouw, en met de lange machtige arm die herenfamilies in de Middeleeuwen eigen was, heeft de familie verhinderd dat hun zwarte schaap per vita werd verheerlijkt en de familie hierdoor minder positief zou worden afgebeeld. Hier blaast Ruh dus de oude these van P.C. Boeren weer nieuw leven in, namelijk dat er een nauwe band is tussen Hadewijch en heer Hendrik van Breda. Pogingen om ‘heer Hendrik van Breda’ nader te identificeren hebben echter tot nu toe geen overtuigende resultaten opgeleverd.


Faesen

In 2000 promoveerde Faesen op het thema van de begeerte in het werk van Hadewijch. Faesen probeert – zonder navolging – een oude hypothese nieuw leven in te blazen: kan Hadewijch de abdis zijn geweest van een cisterciënzer klooster in het bisdom Luik? Zijn oproep heeft geen navolging gehad.

Scheepsma en Warnar

Scheepsma is weliswaar geen Hadewijch-specialist, maar hij heeft toch een belangrijke bijdrage geleverd aan het Hadewijch-onderzoek, met name bij het heroverwegen van algemeen aanvaarde standpunten. Hij zet zo zijn vraagtekens bij de vooringenomen ideeën van Van Mierlo die nog steeds voor een belangrijk deel de huidige opvattingen over Hadwijch bepalen.
In 2005 publiceerde Scheepsma een studie over de Limburgse sermoenen. De meeste preken uit dit laat dertiende-eeuwse Middelnederlandse handschrift zijn vertalingen van Duitse sermoenen, maar vijf ervan vertonen parallellen met brieven van Hadewijch. De overeenkomsten zijn zeker niet van dien aard dat aan rechtstreekse ontlening gedacht moet worden, maar verwantschap is er toch zeker. Scheepsma vraagt zich af hoe de intertekstuele verbanden tussen de beide oude Middelnederlandse prozaconglomeraten tot stand zijn gekomen. Hij wijst erop dat in beginsel drie verklaringen mogelijk zijn: Hadewijch ontleende aan de Limburgse sermoenen, de Limburgse sermoenen ontleenden aan Hadewijch of Hadewijch en de Limburgse sermoenen ontleenden aan één of meer gemeenschappelijke bronnen. Van Mierlo kent geen twijfel: de onbekende samensteller van de Limburgse sermoenen maakte vanzelfsprekend gebruik van de brieven van Hadewijch. Scheepsma plaatst enkele kanttekeningen bij de heersende opvattingen over de verhouding tussen Hadewijchs brieven en de Limburgse sermoenen. Hij zet vooral zijn vraagtekens bij de datering van Hadewijch in het midden van de dertiende eeuw. Het wordt bijna als een vaststaand gegeven beschouwd dat Hadewijch omstreeks het jaar 1250 werkzaam was, maar volgens Scheepsma is die datering hooguit mager onderbouwd. De spaarzame argumenten daarvoor worden voornamelijk ontleend aan de Lijst der Volmaakten, waarvan de authenticiteit niet geheel onomstreden is. Daarbij is het nog maar de vraag of een tekst die claimt een opsomming te zijn van alle ‘volmaakten’ die in het heden, in het verleden en in de toekomst hebben of zullen bestaan, wel als historische bron kan dienen. De meest concrete aanwijzing op de Lijst der volmaakten is – zoals eerder besproken – de vermelding van Ene beghine die meester Robbeert doedde om hare gherechte minne. Aangezien meester Robbeert in de jaren 1236-1239 in de Nederlanden actief was, biedt deze vermelding slechts een terminus post quem voor de Lijst der volmaakten na omstreeks 1240, en daarmee impliciet voor het literaire optreden van Hadewijch. Maar hoever haar werkzaamheid na deze datum ligt, is nauwelijks nader te bepalen.
Als inhoudelijk argument voor de datering van Hadewijch in het midden van de dertiende eeuw wordt vaak opgegeven dat zij met beide benen in de cultuur van de ridderwereld en de hoofse minne zou staan. Dat zou vooral blijken uit haar Strophische gedichten, die sterk verwant zijn met de poëzie van de Noordfranse trouvères, met name met hun Maria-lyriek. Vanwege deze formele en inhoudelijke verwantschap wil men Hadewijchs optreden situeren rondom het creatieve hoogtepunt van de trouvère-lyriek, dat rond het midden van de dertiende eeuw valt. Maar Volker Mertens heeft laten zien dat er geen dwingende reden is waarom zij op dit gebied als voorloopster en niet als navolgster zou moeten gelden. Hadewijch baseerde zich op Franse voorbeelden en er bestaan geen aanwijzingen dat zij de trouvères heeft beïnvloed. De melodieën waarop zij haar lyriek baseerde, kunnen ook na de grootste bloeitijd van de trouvères nog lang in gebruik zijn geweest. Deze observaties sluiten volgens Scheepsma goed aan bij het voorstel van Reynaert, die Hadewijch liever geplaatst wil zien binnen een tweede bloeiperiode van de hoofse minnemystiek, die in de tweede helft van de dertiende eeuw valt.
Een bijkomend argument voor de hypothese van Scheepsma vormt het betoog van Schalij uit 1943. Schalij toonde aan dat de tweede helft van het 41e Limburgse sermoen enerzijds en de tiende brief van Hadewijch anderzijds een parafrase leveren van een kapittel uit de Explicatio in Cantica canticorum. Wie toen nog staande wilde houden dat Hadewijch de originele auteur van de tiende brief was, moest haar dus niet alleen aanmerken als auteur van Middelnederlandse mystiek, maar ook als vertaalster van Latijnse mystieke theologie. Volgens de bronnen beschikten sommige religieuze vrouwen uit de dertiende eeuw weliswaar over opmerkelijke theologische kennis, maar dat is nog iets anders dan zelfstandig werken uit de Latijnse mystieke theologie vertalen en in omloop brengen. Van Mierlo, voor wie Hadewijch in alle opzichten de grootste was, nam zonder voorbehoud aan dat Hadewijch rechtstreeks uit het Latijn vertaalde. Hij verdedigde de authenticiteit van Hadewijch dermate vinnig dat andere mogelijkheden niet serieus in overweging werden genomen. Volgens Scheepsma is het echter veel waarschijnlijker dat het kapittel uit de Explicatio in Cantica canticorum door een geschoold iemand in het Middelnederlands werd vertaald – bijvoorbeeld iemand die in de zielzorg van mystiek bevlogen vrouwen werkzaam was – en dat deze vertaling, eventueel bewerkt door Hadewijch, in het Brieven-corpus terecht kwam.
Uiteindelijk komt Scheepsma tot de conclusie dat de interactie tussen Hadewijchs brieven en de Limburgse sermoenen het best verklaard kan worden uit het gebruik van dezelfde bronnen. Er moet al op het einde van de dertiende eeuw een zeker corpus van Middelnederlandse prozateksten van mystiek-geestelijke signatuur hebben bestaan, dat zowel door de auteurs van de Limburgse sermoenen als door Hadewijch en haar kring werd benut.
Sinds de Hadewijch-studie door Van Mierlo is de algemeen geaccepteerde opvatting dat Hadewijch omstreeks het midden van de dertiende eeuw optrad als leidsvrouwe van een kleine, elitaire gemeenschap van hooggekwalificeerde begijnen in Brabant. Het oudste corpushandschrift met haar werk stamt echter pas uit het tweede kwart van de veertiende eeuw. Er bestaat dus een gat van zo’n zeventig jaar tussen Hadewijchs veronderstelde literaire werkzaamheid en de overlevering van haar werken.
Tegenover de niet al te overtuigende argumentatie voor een datering van Hadewijch in het midden van de dertiende eeuw, heeft Scheepsma – een beetje provocerend misschien – voorgesteld om een oude theorie in heroverweging te nemen: de identificatie van Hadewijch met de Brusselse Heilwich Bloemarts (1270/1277-1335) en daarmee met de ketterin en begijnenlijdster Bloemaerdinne. De Bloemaerdinne-theorie heeft het belangrijke voordeel dat de figuur van Hadewijch historisch beter plaatsbaar wordt. Bovendien is zo goed te verklaren waarom de Hadewijch-overlevering pas in het tweede kwart van de veertiende eeuw inzet. Scheepsma besluit zijn betoog met de opmerking dat er nog veel onderzoek nodig is om de Bloemaerdinne-hypothese een steviger basis te geven, maar veroorzaakt daarmee wel een breuk met de traditie waarin Van Mierlo de alleenheerschappij leek te hebben.
In 2003 publiceerde Warnar zijn biografie over Ruusbroec. Ongetwijfeld geïnspireerd door het betoog van Scheepsma lijkt Warnar wel wat te voelen voor de Bloemaerdinne-theorie, maar een duidelijk standpunt neemt hij niet in: ‘Een definitief oordeel over de identiteit van Hadewijch en Heilwig Bloemaerts is niet te geven.’ Behalve van Warnar, heeft het betoog van Scheepsma tot nog toe geen nadere steun gekregen, zodat vooralsnog de traditionele opvatting de heersende blijft. In het academisch jaar 2004-2005 gaf professor Willaert (Universiteit Antwerpen) een werkgroep over de hypothese-Scheepsma, waarvan Van Oostrom de voorlopige resultaten heeft mogen inzien. Ze wezen in de richting van de traditionele Hadewijch-datering. Willaert heeft zijn bevindingen echter nog niet officieel gepubliceerd. De datering van Hadewijch is voor Willaert van bijzonder belang. Als specialist op het gebied van de Middelnederlandse lyriek heeft hij zijn theorieën op het gebied van de ontwikkeling van dit genre volledig gebaseerd op een vroege datering van Hadewijch.

Resumé

De Hadewijch-studie is nu bijna 170 jaar oud. Het was in 1838 dat de Duitser Mone – die hoogleraar was in Leuven – zijn tijd dagenlang doorbracht in bibliotheken en archieven op zoek naar Middelnederlandse handschriften en daarbij twee Hadewijch-handschriften aantrof en hiervan in het openbaar melding maakte. In hetzelfde jaar vestigden ook Snellaert en Willems de aandacht op deze beide handschriften. Vanaf het prille begin van de Hadewijch-studie speelde de studie zich hoofdzakelijk op twee gebieden af. Ten eerste richt het onderzoek zich op de identificatie van Hadewijch als historische figuur en ten tweede op het gebied van de filologie: het verzorgen van tekstedities, met of zonder verklarend commentaar, interpreterende noten en glossen.
Het vroege onderzoek naar de identificatie van Hadewijch kwam al snel in een impasse terecht: een biografie ontbrak. Lange tijd was zelfs de naam van onze dichteres onbekend. Om de persoon Hadewijch beter te kunnen plaatsen, bleek dat haar werk zelf in het onderzoek moest worden betrokken: wellicht kon dat meer informatie verschaffen over haar uitwendig leven. Helaas leverde echter ook het primaire werk van Hadewijch slechts spaarzame gegevens op, die dan nog voorzichtig met elkaar moesten worden geconfronteerd. Bijkomend probleem was dat lange tijd onenigheid bestond of we in de teksten van Hadewijch met wereldlijke of religieuze literatuur te maken hadden, wat vooral werd ingegeven door de op sommige plaatsen sterk erotische beeldspraak in met name haar poëzie, maar ook zeker in haar proza. Wie deze uiterlijke vorm niet opvatte als beeldspraak, kon dit soort passages uit haar werk nauwelijks onderscheiden van de wereldlijke minnelyriek, terwijl tegelijkertijd ook de religieuze context in haar werk niet weg was te cijferen. De toenmalige ideologische omstandigheden – de ontkerkelijking was in de negentiende eeuw nog niet ingetreden en de angst voor censuur uit klerikale hoek was derhalve groot – zorgden ervoor dat niemand zich durfde te wagen aan een positieve waardering van haar werk.
De eerste hypothese met daarin een concrete historische situering van Hadewijch is afkomstig van Serrure. In 1858 identificeert hij haar met de abdis Hadewijch van het cisterciënzerklooster te Aywiers bij Luik, welke in de eerste helft van de dertiende eeuw leefde en in 1248 stierf. Rond 1888 stelde Ruelens een nieuwe hypothese op: hij identificeerde Hadewijch met de veertiende-eeuwse Heilwych Bloemardinne, waartegen Jan van Ruusbroec streed vanwege haar ketterse ideeën. Beide hypothesen hebben lange tijd naast elkaar bestaan en aanhangers gehad. Zo sloten Ten Brink, Jonckbloet, Kalf en Te Winkel zich uitdrukkelijk aan bij Serrure. Andere wetenschappers – zoals Van Even, Vercoullie en De Vooys – legden zich neer bij het feit dat nog niet bekend is wie Hadewijch precies was.
De Hadewijch-studie kreeg vanaf het begin van de twintigste eeuw een enorme impuls door de activiteiten van de literatuurhistoricus Jozef van Mierlo. Hij heeft tot tweemaal toe een volledige uitgave van Hadewijchs werk bezorgd en nagenoeg alle problemen in verband met de auteur en haar werk aangesneden. Als katholieke Vlaming – dit in tegenstelling tot zijn voorgangers die veelal protestantse Hollanders waren – rekende Van Mierlo het tot zijn privilege om over het leven en werk van Hadewijch te schrijven en zijn religieuze overtuigingen hebben een duidelijke stempel op de Hadewijch-studie gedrukt. Van Mierlo verzet zich tegen de hypothesen van Serrure en Ruelens en komt tot een geheel nieuw beeld: Hadewijch was een dertiende-eeuwse leidinggevende begijn van hoge adellijke afkomst uit de omgeving van Antwerpen.
Na de werkzaamheden van Van Mierlo zijn er geen nieuwe hypothesen meer tot stand gekomen en het beeld dat hij van Hadewijch heeft geschetst, wordt nog steeds algemeen aanvaard. Scheepsma – en in zijn kielzog ook Warnar – heeft aangedrongen tot het heroverwegen van het algemeen aanvaarde standpunt en de Bloemardinne-hypothese in heroverweging te nemen. Voorlopig heeft deze oproep nog geen verdere navolging gehad.

Eén ding is in het voorgaande duidelijk geworden: rondom de biografische gegevens van Hadewijch bestaat nog veel onzekerheid. Een belangrijke bron die het beeld van Hadewijch sterk beïnvloedt, is natuurlijk de verzameling primaire teksten die van haar is overgeleverd. Hierna geef ik weer wat volgens neerlandici de functie en de intentie van Hadewijchs werken was. Kennis hieromtrent kan de vraag beantwoorden welke doelgroep Hadewijch op het oog had. Achtereenvolgens staan hierna de Visioenen, de Brieven, de Strofische gedichten en de Mengeldichten van Hadewijch centraal.

4 Wat waren de functie en intentie van Hadewijchs werken?

De functie en intentie van Hadewijchs Visioenen

De Visioenen uit Hadewijchs oeuvre roepen tegenwoordig het meeste discussie op. De moderne lezer heeft het vaak moeilijk met bovennatuurlijke verschijnselen, terwijl men daar in de Middeleeuwen meestal anders over dacht. Zo hadden middeleeuwse hagiografen er bijvoorbeeld geen enkele moeite mee om visioenen in de levensbeschrijvingen van mystieke vrouwen in te vlechten. Visioenen waren namelijk het aangewezen genre voor middeleeuwse vrouwelijke mystici. Zoals reeds eerder vermeld, berusten zij immers niet op enig leergezag ex officio, maar getuigen van ervaringen ex gratia. Hadewijch schreef veertien visioenen. Haar visioenen zijn getuigenissen van haar samenzijn en éénwording met God. Maar hoe moeten we de visioenen van Hadewijch lezen?

Van Mierlo was zich erg bewust van de moeilijkheidsgraad van de Visioenen. ‘Wie er vóórstaat, zonder eenige handleiding, kijkt er zich in verloren,’ zei hij. Met zijn editie wil hij het werk toegankelijk maken voor een breed publiek. In de ‘Bijzondere inleiding op de Visioenen’ in zijn editie uit 1924-1925 zet hij zijn visie met betrekking tot de visioenen uitvoerig uiteen. Volgens Van Mierlo zijn de Visioenen het werk van iemand, die op latere leeftijd haar ervaringen uit vroegere jaren heeft opgetekend. Ze zijn niet als geheel opgesteld, maar op verschillende tijdstippen geschreven. Het is mogelijk dat niet alle visioenen behouden werden. Het is zo goed als zeker dat alle visioenen voor één persoon bestemd waren. Deze persoon is iemand geweest die Hadewijchs vertrouwen had en wie zij wenste in alles gehoorzaam te zijn en was niemand anders dan haar biechtvader of zieleleider die er haar dringend om gevraagd had. De visioenen zelf zijn apocalyptische verbeeldingen van een grote mystieke gedachte: de ziel opstijgend langs het volle beleven van Christus’ Mensheid tot de volmaaktst mogelijke Godvormigheid. In tegenstelling tot veel andere denkbeelden van Van Mierlo, heeft zijn opvatting dat Hadewijchs Visioenen bestemd zouden zijn voor haar biechtvader weinig navolging gehad. Alleen Axters deelt zijn standpunt.

Volgens De Paepe waren de Visioenen in één redactie neergeschreven. Dat Hadewijch haar visioenen voor haar biechtvader optekende, lijkt hem om verschillende redenen onwaarschijnlijk. Volgens de aanhef van alle visioenen behoren de gebeurtenissen die erin verhaald worden tot een niet nader te bepalen periode in het verleden. Volgens De Paepe is het duidelijk dat de redactie niet onmiddellijk volgde op de gebeurtenis en ook niet kort daarna. Heeft het dan wel zin om een aantal gebeurtenissen pas jaren later aan een zieleleider mee te delen? En bovendien: indien enerzijds vaststaat dat er tussen gebeurtenis en redactie soms zelfs enkele jaren liggen en anderzijds zou moeten worden aangenomen dat de afzonderlijke visioenen op verschillende tijdstippen werden neergeschreven, hoe moet men dan begrijpen dat Hadewijch aan haar biechtvader nu eens dit en dan weer een ander visioen verhaalt? Daarnaast is er volgens De Paepe nog een ander moeilijk te verklaren punt indien men aanneemt dat Hadewijch voor haar biechtvader schreef. Hoe moeten bijvoorbeeld de volgende regels uit het veertiende visioen verklaard worden, waarin Hadewijch tot de geadresseerde zegt:

Ende dat ic doe sere minde ende ne ghene vre dijns vergheten en conste noch en can, dat ic dier doet ende dijnre onghenaden van minnen soe na te mi gheuoelde in verstormtheiden te gode dat mi te meer was te gode met di, dat swaerde mi te meer; ende om dattu kint waers ende mensche des waest mi te swaerre.

Van Mierlo wil ‘kint’ onmiddellijk verklaren als ‘nog niet tot godvormigheid gekomen’. Dit is op zichzelf wel mogelijk, maar De Paepe wijst er terecht op dat het woord wel in een zeer bepaalde samenhang wordt gebruikt die zegt dat Hadewijch dit ‘kint soe sere minde ende ne ghene vre vergheten en conste noch en can’. Hierover rept Van Mierlo met geen woord. Het is volgens De Paepe volkomen onwaarschijnlijk dat Hadewijchs iets dergelijks zou schrijven aan een biechtvader. Uit haar Brieven echter weten we dat Hadewijch een zeer intieme verhouding onderhield met het ‘lieve kint’ voor wie deze brieven bestemd zijn. In deze verhouding past het bovenstaande uitstekend. Voor De Paepe is het vanzelfsprekend dat Hadewijch haar visioenen optekende ten behoeve van dezelfde mensen die ze met haar brieven trachtte te bereiken. Een ondersteunend argument daarvoor vindt hij in het dertiende visioen, waarin Maria Hadewijch als volgt toespreekt:

Sich wiltuus alsoe voert meer ghebruken alse ic. Soe moestu dinen sueten lichame hier hebben. Maer omme die die du vercoren hebs met di in dit te volwassene die noch niet volwassen en sijn ende te vorst die du alre meest mijns, so wiltuut noch versten.

Hieruit blijkt volgens De Paepe overduidelijk dat Hadewijch enkele mensen, en onder hen dan vooral iemand van wie ze het meest houdt, tot de mystieke beleving wil brengen die zij zelf mag genieten en dit wel samen met haar blijkens ‘met di in dit te volwassene’.

Eind jaren zeventig verschenen kort na elkaar twee nieuwe edities van de Visioenen: in 1979 een editie van Mommaers en in 1980 een editie van Vekeman. Mommaers laat zich in zijn editie niet uit over de functie en intentie; zijn studie is vooral een poging om Hadewijch te lezen en hij besteedt derhalve nagenoeg geen aandacht aan de literair-historische context. Vekeman benadrukt in zijn inleiding vooral de samenhang tussen Hadewijchs persoonlijke ervaring, leidsterschap en schrijverschap. Ook volgens hem behoren de geadresseerden tot haar kleine, extatische kring. ‘Haar visioenen zijn een effectieve krachtbron voor haar leidsterschap: en zij begrijpt dat haar kringgenoten graag al haar visioenen op schrift zouden hebben.’

Voortbouwend op de bevindingen van Vekeman, formuleerde Willaert in 1986 zijn visie op de ontstaanscontext: Hadewijch schreef haar visioenen in één redactie voor een kleine kring van vriendinnen en wel met de bedoeling dat het visioenenboek voor dat publiek als een didactische spiegel zou fungeren. Volgens Willaert heeft Hadewijch de veertien visioenen zorgvuldig gecomponeerd en wel zo dat haar eigen opgang van onvolwassen passionele minnares in het eerste visioen naar volwassen, mystieke bruid van God in het dertiende visioen voor het geïntendeerde publiek duidelijk wordt. Omwille van deze duidelijke opbouw spreekt men ook van het Visioenenboek, in plaats van de Visioenen. De toevoeging ‘boek’ beklemtoont dan dat het niet gaat om een losse verzameling van visionaire ervaringen, maar om een boek waarin die ervaringen door de auteur bewust werden geordend met haar eigen mystieke opgang als rode draad. Uit deze structuur leidt Willaert de functie van de Visioenen af: ‘Het Visioenenboek is dan [...] een didactisch werk: mystiek bewogen lezers, in de eerste plaats Hadewijchs vriendinnen, konden uit het voorbeeld van de schrijfster leren wat God van hen verlangde.’

Reynaert heeft zijn bedenkingen bij Willaerts visie op de Visioenen als didactisch geïntendeerd boek. Reynaert ontkent niet dat de visioenen óók een agogische functie hebben gehad, maar deze biedt volgens hem geen verklaring voor het lyrisch-emotionele aspect van de visioenen. Het resultaat is een zeer complexe beeldspraak. Het ontstaan van de Visioenen stelt hij zich – liever dan als een in opzet agogische onderneming – veeleer als een zeer complex proces voor, waarin subjectief beleefde ‘openbaringen’, rationalisering vanuit het omringend religieus discours en gerichtheid op een bepaald ‘publiek’ als het ware voortdurend tekstvormend op elkaar hebben ingewerkt. De lyrische vlucht die Hadewijch onderneemt om althans iets van het onnoembare van haar extatische ervaring weer te geven, vormt volgens Reynaert evenzeer als het didactische, een essentieel aspect van haar literaire gestalte.

Volgens Warnar zijn de visioenen de geschriften waaraan Hadewijch spiritueel gezag wilde ontlenen. De essentie van de visioenen ligt volgens hem dan ook niet in de pedagogische functie – die wordt slechts actief wanneer de auteur bij zijn publiek al autoriteit geniet –, maar in het legitimeren van autoriteit. Warnar betrekt ook de stijl van de visioenen in zijn argumentatie: die bevat te veel reportage en te weinig reflectie om didactisch goed te kunnen functioneren, en het is pas in de later geschreven en duidelijker geformuleerde brieven dat Hadewijch zich als geestelijk leidster tegenover haar publiek opwerpt. Tenslotte ontbreekt volgens Warnar in de visioenen ook de voorbeeldfunctie die een didactisch werk uit de aard der zaak bezit. De bruid worden van Christus en de gelijke van Maria is zó uitzonderlijk dat het moeilijk wordt aan te nemen dat Hadewijch haar vriendinnen vergelijkbare privileges in het vooruitzicht stelde. Volgens Warnar zou Hadewijch de visioenen dus wel voor haar kringgenoten hebben neergeschreven, maar níet met een didactische bedoeling. Zij wilde met dit boek bij haar publiek, haar vriendinnen dus, haar autoriteit als visionaire en mystica vestigen. Deze laatste hypothese is plausibel. De laatste decennia is namelijk veel onderzoek verricht naar de wijze waarop middeleeuwse auteurs spirituele autoriteit verwierven. Uit dat onderzoek blijkt dat vrouwen – en dan met name vrouwen die geen officieel religieus leven leidden – door middel van visioenen religieuze autoriteit konden verkrijgen. De inzichten die zij via visionaire ervaringen verwierven, werden als ware goddelijke openbaringen erkend zolang ze niet (opvallend) afweken van gecanoniseerde opvattingen.

Hofmann is een Duitse germanist die 1998 de meest recente editie van Hadewijchs Visioenen heeft bezorgd. Zijn visie is te karakteriseren als een synthese van alle eerder besproken visies. Volgens Hofmann is het voor de nog onvolwassen geadresseerden belangrijk te weten dat hun vriendin Hadewijch door God is gesanctioneerd om hen in de eigen mystieke groei te begeleiden tot ook zij haar niveau van godgelijkheid hebben bereikt. Zowel Hadewijch als God gaan ervan uit dat (tenminste enkele onder) de kringgenoten tot de 107 volmaakten kunnen behoren.

In 1999 publiceerde Fraeters een artikel waarin zij de geschiedenis en de stand van zaken met betrekking tot de auteursintentie en de functie van de Visioenen beschrijft. Haar overzicht begint bij Willaert. Van Mierlo slaat ze over. In tegenstelling tot veel van zijn andere denkbeelden, heeft zijn opvatting dat Hadewijchs Visioenen bestemd zouden zijn voor haar biechtvader immers weinig navolging gehad. Fraeters sluit zich vooral aan bij de synthese van Hofmann. Ze plaatst met name kanttekeningen bij de visie van Warnar. Op basis van passages uit het veertiende visioen kan men immers afleiden, dat Hadewijch haar visioenen oorspronkelijk heeft opgeschreven voor één vriendin die zij innig liefhad en met haar visioenenboek steun en leiding wilde geven.

Volgens bijna alle kenners vormt het dertiende visioen het hoogtepunt van Hadewijchs Visioenen en ik zal daarom de inhoud ervan kort weergeven. Hadewijch schouwt in dit visioen rechtstreeks in Gods aanschijn. In het oog van zijn aanschijn ziet zij zijn liefde, waaraan zij helemaal gelijk geworden is. Zij ziet ook degenen die de liefde op een volmaakte wijze hebben beleefd. Maria deelt haar mee dat zij zelf ook volmaakt geworden is, maar omwille van haar vriendinnen gekozen heeft op aarde te blijven om hen naar de volgroeidheid in de liefde te leiden.
Op een zondag voor Pinksteren wordt Hadewijch in de geest opgenomen tot bij God. Ze hoort serafijnen zingen, het hoogste engelenkoor. In het eerste visioen hoorde Hadewijch alleen nog maar het laagste engelenkoor, dat van de troonengelen, zingen. Hadewijch heeft inmiddels dus duidelijk een ontwikkeling doorgemaakt. Nadat één van de serafijnen tot haar heeft gesproken, wordt aan Hadewijch de nieuwe hemel onthuld. Hadewijch ziet het gezicht van God. Dat gezicht heeft zes vleugels. De voorstelling van het goddelijk aanschijn met zes vleugels komt overeen met verschillende bijbelpassages, waaronder Openbaringen 4:8. In deze bijbelpassage wordt de troon van God beschreven. Voor de troon liggen vier wezens. ‘Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant.’
Er is dus sprake van zes vleugels en deze zijn verdeeld over drie vleugelparen. Waarschijnlijk kunnen de drie vleugelparen in verband gebracht worden met de heilige drie-eenheid. De heilige drie-eenheid, drievuldigheid of triniteit is de theologische opvatting in veel takken van het christendom dat God bestaat uit drie heilige personen: de Vader, de Zoon (Jezus Christus) en de Heilige Geest. De terminologie ‘drie-eenheid’ wordt niet letterlijk in de Bijbel gebruikt, noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament, hoewel de formuleringen Vader, Zoon en Heilige Geest er wel in voorkomen. Het dogma luidt dat de God bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest en dat deze drie personen weliswaar zijn te onderscheiden maar niet zijn te scheiden, ofwel God is Eén.
Zegels sluiten de vleugels en het gezicht af. De serafijnen ontsluiten de vleugels: eerst de twee middelste, daarna de bovenste en ten slotte de onderste vleugels. Ieder vleugelpaar symboliseert een aspect van de minnebeleving. Ik zal daar nu niet verder bij stilstaan.
Hadewijch ziet de hemelbewoners die in het verleden, het heden of de toekomst de minne op perfecte wijze (zullen) hebben beleefd en eeuwig het aanschijn van God aanschouwen. Zij ziet dat er 13.472 mensen zijn die in twee aspecten van de drieledige minnebeleving tot volmaaktheid zijn gekomen en 107 mensen die in de drie vormen van minne zijn volgroeid. Zij leert vervolgens van Maria, die van de 107 volmaakten de hoogste rang bekleedt, dat ook zij, Hadewijch, tot deze groep van volmaakten behoort.

De Lijst der Volmaakten wordt vaak opgevat als een aanvulling op het dertiende visioen, omdat het een opsomming is van de 107 volmaakten. Misschien is de lijst zelfs opgesteld op verzoek van één van de geadresseerden die – getroffen door het dertiende visioen – er wat meer over verlangde te weten. Dat zou in ieder geval de laatste regels van de lijst verklaren, waaruit je zou kunnen afleiden dat Hadewijch zich met enige tegenzin tot het opstellen van de lijst zou hebben gezet:

Ic en hadde u ghene stade te segghene van al derre liede levene. Daeromme en wetic wat dat u bescietet, ghi en wist hare leven ende met hoe wonderleken wondere datse te deser volcomenheit comen sijn ende selen comen.

Eén ding lijkt zeker: de lijst is niet goedgekeurd door de kerk: zij zou het nooit goedkeuren dat een door de inquisitie vervolgde begijn tot de ‘volmaakten’ gerekend zou worden. Opvallend is overigens het relatief grote aandeel van tijdgenoten (slechts 29 volmaakten uit voorbije eeuwen tegenover 56 tijdgenoten), onbekenden (veel tijdgenoten worden alleen met hun voornaam aangeduid) en Brabanders (maar liefst 11) in de lijst. Ook opvallend is het ontbreken van een aantal ‘bekende’ heiligen zoals Lutgardis van Tongeren (1182-1246), Maria van Oignies (1167-1213) en Christina de Wonderbare (ca. 1150-1224).
Aan de authenticiteit van de Lijst der Volmaakten is vaak getwijfeld. Ten eerste om de plaats zelf waar die lijst voorkomt: zij behoort namelijk bij het laatste visioen, waarvan zij een uitbreiding is. Een kopiist, of iemand uit de volgelingen van Hadewijch, zou op eigen initiatief zo’n lijst kunnen hebben toegevoegd. En hoe is het te verklaren dat Hadewijch de meest vreemde betrekkingen had met visionairen uit de verste landen? Noch uit haar brieven, noch uit haar poëzie blijken zulke correspondenties. Tenslotte wijst men ook wel op de vele ‘apax legomena’: woorden die niet in de visioenen staan en daarom niet Hadewijchiaans zouden zijn. Maar zoals Van Mierlo er naar mijn mening terecht op wijst, is dit laatste argument van weinig waarde: ‘Men zou even zoo vele andere woorden kunnen aanhalen, die ook niet in de visioenen staan en toch heel goed Hadewychiaansch zijn. […] In elk visioen, wilde men het afzonderlijk beschouwen, zou men een reeks woorden vinden, die elders niet voorkomen.’ Maar eigenlijk doet de hele kwestie er voor Van Mierlo niet zoveel toe: ‘Zelfs indien die lijst niet persoonlijk van Hadewijch stamde, dan zou zij toch niets van haar belang voor onze kennis van Hadewijch verliezen. Is zij niet van haar, dan is zij van een van hare volgelingen, stamt althans nog uit haar tijd en omgeving; indien de tijdsbijzonderheden die men er uit kan afleiden, niet op Hadewijch zouden passen, dan zou daaruit alleen volgen, dat zij nog wat verder moet vooruitgeschoven en wat ouder gemaakt worden; wat ik voor mij niet aanneem.’ De zin die Van Mierlo in zijn tekstuitgave van de Visioenen hierop laat volgen, komt hierna volledig uit de lucht vallen en is m.i. typisch voor deze hartstochtelijke, maar niet altijd even objectieve bewonderaar van de mystica: ‘Daarom; OOK DEZE LIJST VAN VOLMAAKTEN IS WEL VAN HADEWIJCH.’
De functie van de Lijst der Volmaakten is nog steeds raadselachtig. Het is beslist géén officiële lijst van personen die door de katholieke kerk heilig (of zalig) verklaard werden: naast enkele bekende heiligen, zoals Bernardus van Clairvaux, noemt Hadewijch namelijk ook verschillende onbekende tijdgenoten, die zij zich tot voorbeeld stelt, soms tegen de officiële politiek van de kerk in. Ze noemt onder andere een door de inquisitie ter dood veroordeelde begijn.

De functie en intentie van Hadewijchs Brieven

Van Hadewijch zijn 31 Brieven in proza overgeleverd. Sommige brieven zijn onvolledig: zij schijnen deel uit te maken van een oorspronkelijk grotere brief. Verschillende brieven bevatten niets dat op enige onderlinge betrokkenheid tussen schrijfster en geadresseerde wijst – geen groet, geen aanspreking – en moeten dus veeleer als traktaten worden beschouwd. Dat is overigens niet uitzonderlijk: de grens tussen (geestelijke) brief en traktaat is in de Middeleeuwen vaak nog vloeiend. Van Mierlo wijst erop dat het weliswaar vreemd is dat sommige brieven die als uitsluitend verhandelingen aandoen, niet vergezeld zijn van een aanwijzing, die ze als brief zou laten herkennen. Volgens hem is het echter zeer goed mogelijk dat zo’n begeleidend briefje of stukje tekst eenvoudigweg niet in de verzameling werd opgenomen en alleen de verhandeling zelf werd bewaard.  Of dat Hadewijch, onder de indruk van een gedachte of leer, deze eerst voor zichzelf heeft uitgewerkt en ze daarna ter belering aan haar volgelingen heeft gezonden. Het kan ook zijn dat de godgewijden zelf om toelichting hebben gevraagd, of dat Hadewijch, naar aanleiding van een andere plaats in één van haar brieven  er een latere toelichting aan heeft toegevoegd. Ik vind het zelf opvallend dat door vrijwel geen enkele onderzoeker wordt opgemerkt dat de overgeleverde redactie van de brieven – en de samenstelling van de handschriften als geheel – natuurlijk ook heel goed het werk van creatieve kopiisten kan zijn geweest.

Hadewijch wordt over het algemeen geplaatst binnen de begijnenbeweging: vrouwen die buiten het verband van een kloosterorde een godgewijd leven leiden. Onder elkaar vormden zij gemeenschappen en onderling voelden zij zich zeer sterk verbonden. Er heerst algemene overeenstemming over het idee dat de meeste van Hadewijchs brieven gericht waren tot haar zusters, voor wie zij als een geestelijk leidsvrouw optrad. Volgens Van Mierlo zijn deze brieven bestemd voor één en dezelfde jonge godgewijde. Hadewijch groet haar steeds op ongeveer dezelfde wijze (zoals lieve kint, soete herte of soete Minne), voert tegenover haar dezelfde toon van moederlijk gezag en verwijt haar dikwijls dezelfde gebreken (zoals onstandvastigheid, lichtzinnigheid, wuftheid en fierheid). Veel brieven volgen elkaar op en vertonen met elkaar een innig verband. Ook de brieven zonder toespraak laten vaak een jonge geadresseerde vermoeden, zoals brief XVI: ‘Ghi sijt te weec van herten ende te kinsch in al uwen seden’. En ook brief XXIV: ‘[God moge] bekinnen hoe een ionghe herte Minnen ontberen mach’. Maar hoe is te verklaren dat ook in brieven, waarin de geadresseerde als lieve kint wordt toegesproken, veelal het meervoud (‘u’ of ‘ghi’) voorkomt en het enkelvoud (‘di’) slechts bij uitzondering wordt gebruikt? Werd het meervoud misschien ingegeven door het feit, dat de brieven bestemd waren om ook door anderen dan de eigenlijk geadresseerde te worden gelezen?

Opvallend – maar misschien juist inherent aan de tekstsoort – is dat Hadewijch betrekkelijk zelden in haar Brieven spreekt over haar eigen ervaringen, dit in tegenstelling tot haar Visioenen: de meeste brieven bevatten raad en troost voor de anderen. Volgens Van Mierlo biedt het verschil in geadresseerde daarvoor een logische verklaring: de visioenen werden volgens Van Mierlo geschreven voor haar biechtvader, ‘voor iemand dus wien men ook zijn geheime bewegingen blootlegt; de Brieven, bestemd voor jonge godgewijden, die HAD. zelf leidde, moesten sterk en gezond blijven; ’t was er de plaats niet, om veel over intieme en gansch persoonlijke verzuchtingen en bestervingen uit te weiden.’

In vergelijking met de Visioenen, lijkt het mij bij de Brieven eerder gerechtvaardigd om uit de inhoud ervan aanwijzingen over Hadewijchs uitwendige leven af te leiden. Ik acht de kans klein dat de Brieven louter een literaire constructie zijn zonder enige werkelijkheidswaarde, hoewel enig voorbehoud natuurlijk op zijn plaats is. Hieronder geef ik – op basis van eigen onderzoek – dan ook de belangrijkste ‘feiten’ over Hadewijchs uitwendige leven weer die uit haar correspondentie naar voren komen.
Uit brief V is af te leiden dat Hadewijch in een genootschap van jonkvrouwen verkeert dat zich op de dienst van de minne had toegelegd en dat door haar bemiddeling tot stand gekomen schijnt te zijn en waartoe zij anderen had uitgenodigd. Hadewijch beklaagt zich erover, dat sommige huisgenoten het genootschap willen verstoren en Hadewijch zowel binnen als buiten de eigen genootschap de voortzetting van haar werk willen belemmeren: ‘Ay, dat en si v gheen  wonder, al eest mi wee, dattie ghene die wi vercoren hebben met ons in Jubileerne in onse lief, Dat si ons hier beghinnen te stoerne ende te brekene onse gheselscap omme ghesceden te sine, ende nameleec mi Diese met nieman en willen laten.’ Van Mierlo denkt hier onmiddellijk aan een genootschap van begijnen, die in de loop van de twaalfde en dertiende eeuw steeds vaker waren gaan samenwonen om elkaar te steunen en aan te moedigen in hun godsdienstige idealen en om de werken van barmhartigheid te beoefenen. Zo’n genootschap had Hadewijch volgens Van Mierlo ook gesticht, waaruit sommigen haar nu wilden verwijderen. Waarom wordt niet gezegd, al wordt er in latere brieven wel regelmatig naar verwezen. Overigens vermeldt Hadewijch nergens letterlijk dat het een genootschap van begijnen betreft.
Brief XXII is gericht tot de overste van de gemeenschap waartoe ze eertijds heeft behoord: ‘Alsoe selen die andere van v ontsteken, alse ghi dus ghedanich sijt. Dit behoert oec te uwen prelaetscape: dat ghi die droeghe stoppelen ontsteken selt met goeden exemplen Ende met manieren ende met biddene Ende met radene ende met dreighenne. Ende oec suldi uwe broedere berechten met innegher minnen, Ende hulpen hen Minnen, dat si Minnen in gode ende in gherechten werken te gode Ende ter gherechter doghet.’
In brief XXIII wordt een pas verhuisde geadresseerde vermaand verstandig te zijn en op te passen voor zondige praktijken: ‘Sijt vroet nu daer ghi sijt; ghi hebbes wel te doene. Ende bouen alle dinc beuelic v dat ghi u hoedet daer herde wiseleke van sunderlingheiden diere daer herde vele es.’ Het andere genootschap ziet graag dat de geadresseerde haar band met Hadewijch verbreekt: ‘Si souden v gherne van ons trecken met hen. Haren herten es wee om onse sonderlinghe trouwe.’
Uit brief XXV is af te leiden dat Hadewijch eenmaal ten huize van de geadresseerde heeft gewoond. Daar leefde ze waarschijnlijk in een kleine gemeenschap van vrome jonkvrouwen, waaronder Emma, Sara en de geadresseerde. Hadewijch heeft hen samen met een aantal anderen verlaten om ergens anders een nieuwe gemeenschap te stichten. Na haar vertrek blijft Hadewijch haar vroegere gezellinnen brieven sturen. Ze moeten zich samen met ene Margriet gereed maken om met Hadewijch te komen wonen in een nieuw genootschap: ‘Segghet margrieten datsi haer hoede van houerdicheiden. Ende datse vroede ende ane gode va elcs daghes, Ende datse hare trecke ter volmaectheit waert Ende ghereide hare met ons te wonenne daer wi versamenen selen.’

5 De geleerde bronnen van Hadewijch

Uit Hadewijchs werk spreekt een grondige vertrouwdheid met de bijbel, plus kennis van theologie en autoriteiten der mystiek zoals Augustinus, Gregorius, Bernardus en de victorijnen. Aan hen ontleent zij haar geleerde woordenschat en daarbij maakt ze moeiteloos gebruik van latinismen zoals ‘differentie’, ‘diviniteit’ en ‘revelacien’. Hieronder worden – in vogelvlucht en zonder enige compleetheid na te streven – een tweetal geleerde bronnen besproken die Hadewijch – direct dan wel indirect – tot haar beschikking moet hebben gehad: de bijbel en Willem van Saint-Thierry.

Hadewijch en de bijbel

In 1987 heeft Joris Reynaert een artikel geschreven over Hadewijch en de bijbel. Naast dit artikel heeft hij onder andere een boek geschreven over Hadewijchs beeldspraak. Hij geeft daarin ongeveer tachtig plaatsen waar al dan niet rechtstreekse beïnvloeding door de bijbel bij de mystica herkenbaar is. Dit is, gezien de tijd waarin Hadewijch leefde en werkte (midden of tweede helft dertiende eeuw), op zich al niet vanzelfsprekend. Al bestond er blijkbaar binnen de kerk aanvankelijk geen fundamentele afkeer van vertaling van de bijbel in de volkstaal, vanaf de tijd van de Westeuropese ketterijen (met name van de katharen) ging de kerkelijke overheid in de twaalfde en dertiende eeuw een terughoudende, ontmoedigende of zelfs direct censurerende houding aannemen tegenover bijbellectuur door leken. Indien Hadewijch, zoals nu algemeen wordt aangenomen, tot de ontluikende begijnenbeweging heeft behoord, dan was zij in de ogen van de kerkelijke autoriteit niet alleen als leek onbevoegd, maar als vrouw bovendien niet in staat om de bijbel op een verantwoorde wijze te lezen en van commentaar te voorzien.
Reynaert probeert verschillende vragen in zijn artikel over Hadewijch en de bijbel te beantwoorden. Heeft Hadewijch rechtstreeks toegang tot de bijbel gehad? Op welke manier heeft ze geselecteerd, vertaald (hééft ze zelf vertaald?) en becommentarieerd? Met een licht voorbehoud voor de Psalmen, meent Reynaert dat we met vrij grote zekerheid kunnen stellen dat Hadewijch, met uitzondering natuurlijk van wat de liturgie en de stichtende literatuur haar hebben aangereikt, haar schriftcitaten rechtstreeks en uitsluitend uit de Latijnse bijbel heeft geput. Dat zij bij het citeren niet noodzakelijk altijd de bijbeltekst voor zich liggen had, maar uit het hoofd citeerde of parafraseerde, is mogelijk en misschien zelfs waarschijnlijk.
Reynaert wijst in zijn werk onder andere op apocalyptische motieven in Hadewijchs visioenen. Het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalyps of Openbaring van Johannes, bevat openbaringen over het spoedig verwachte einde van de geschiedenis. Deze openbaringen zijn volgens Apocalyps 1:1-3 afkomstig van Christus en worden door een engel, die als tussenpersoon optreedt, meegedeeld aan Johannes. Dit boek behoort tot de apocalyptische literatuur die rond het begin van onze jaartelling een grote bloei beleefde. Eerder had Van Mierlo al over de apocalyptische motieven in Hadewijchs werk gepubliceerd, maar Reynaert zet zo zijn vraagtekens bij de door zijn voorganger opgestelde lijst van overeenkomsten. In de meeste gevallen gaat het om zeer algemene visionaire attributen, verschijningen en dergelijke, waarvan de uiteindelijke oorsprong zonder twijfel in de Apocalyps moet worden gezocht, maar die daarom nog niet tot rechtstreekse invloed van dit geschrift op Hadewijch laten concluderen. Heel veel beelden behoren tot het gewone beeldenarsenaal van de apocalyptisch-visionaire literatuur en iconografie van haar tijd. Als echte toespelingen op de Apocalyps kan Reynaert dan ook slechts het volgende overhouden:
[nog invoegen]

Hoewel het ook hier om vrij gebruikelijke visionaire motieven gaat, lijkt Reynaert de tekstuele overeenkomst in de meeste gevallen toch voldoende om directe bekendheid met het bijbelboek aannemelijk te maken.
Het feit dat Hadewijch haar beelden en ook vele zinswendingen meer dan eens aan de bijbel, en dan vooral aan de Openbaring van Johannes, heeft ontleend, deed voor haar tijdgenoten zeker geen afbreuk aan het gezag en aan de authenticiteit van haar teksten. Het tegendeel is het geval. Niet alleen is het begrijpelijk dat passages uit de bijbel zich tot visionaire beelden konden verdichten bij iemand die zo met dit boek vertrouwd was als Hadewijch, maar bovendien deelde zij, juist door die bijbelse toespelingen, in het prestige van de grote zieners uit de bijbel, vooral dan van de evangelist Johannes, die ook de schrijver was van de Apocalyps. De overeenkomst tussen Johannes en Hadewijch wordt in de aanhef van het vijfde Visioen overigens nadrukkelijk bevestigd:

Ic was in Assumptiedaghe te mettenen in den gheeste opgenomen ene corte wile ende mi worden vertoent die III overste hemele daer men af noemt die III overste inghele, die trone, die cherubinne, die seraphinne. Ende het quam te mi die aer van den IV dieren, die soete Sente Johannes Ewangeliste, ende seide: ‘Com ende sich die dinghe die ic mensche sach. Die hevestu alle ghesien ontploken ende gheheel die ic bi gheliken sach. Die hevestu bekint ende wets welc si sijn.’

Johannes nodigt Hadewijch uit de dingen te zien die hij al eens heeft gezien, en voegt daaraan toe dat zij deze dingen in hun geheel gezien en begrepen heeft, terwijl hij ze enkel als beelden heeft geschouwd.

Dat een aantal motieven in Hadewijchs visioenen door de Apocalyps zijn ingegeven, staat vast. Reynaert heeft echter aangetoond dat Hadewijch niet alleen door de bijbel, maar ook door de contemporaine iconografie is beïnvloed. Een eerste opvallende overeenkomst tussen de hemelvoorstellingen in Hadewijchs visioenen en de apocalyptische iconografie is te vinden in de wijze waarop Hadewijch de majestas Domini (Christus zittend op de troon) weergeeft. In het eerste visioen beschrijft Hadewijch Gods troon als gelijkend op een oogverblindende schijf:

Ende doe seide hi: ‘Kere di omme van mi ende du salt denghenen venden dien du ye ghesocht hebs ende daer du allen erdschen ende allen hemelschen bi afghekeert best.’ Endei c keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre ende witter dan cristal. Daer mocht men dore sien ene grote wijtheit. Ende vore dat cruces ach ic staen enen zetel ghelijc eere sciven ende was claerre ane te siene dan die zonne in haerre claerster macht. Ende onder die scive stonden III colommen. […]

Ook in het twaalfde visioen wordt God gezien zittend op een ronde schijf:

In enen dertiendaghe was ic binnen der messen opghenomen in den geeste ute mi selven. Daer sach ic ene stat, groet ende wijt ende hoghe ende gheciert met volcomenheiden. Ende daer inmidden sat een op enen ronden scive, die alle uren hare selven oppebaerde ende besloet in bedectheiden. Ende die daerop dat boven der sciven, hi was in enen stillen sittene. Ende binnen der sciven draiede hi altoes in onseggheleken lope. Ende die wiel, daer die scive in liep daer hi in drayede, die was soe onghehoerdeleke diep ende soe donker dat enghene eyselecheit daerjeghen gheliken en mach. Ende die scive was binnen in doverste anesien van alrehande sconen ghesteinte ende in dier varuwen van ghepuerden goude. Ende in die donkerste side, daerse soe vreseleke liep, daer wasse ghelijc vreseleken vlammen die hemel ende erden verslinden ende daer alle dinc in vervaert ende in verswolgen wert.

De vier dieren worden in de Apocalyps zelf een aantal keer vermeld. In het hemelvisioen Apocalyps 4:7 ziet Johannes ze voor en rond de troon: Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar.
Ook de identificatie van vier dieren met de vier evangelisten komt zeer regelmatig voor in de iconografie. Hadewijch noemt regelmatig de arend als symbool voor de evangelist Johannes. De weergave van de vier apostelen als vier dieren staat ook wel bekend onder de term ‘tetramorf’ en gaat terug op een visioen van de oudtestamentische profeet Ezechiël (1:4 e.v.) en op de Openbaring van Johannes (4:6 e.v.). Een bekend voorbeeld is een tetramorf uit het Liber floridus, een handschrift uit 1121 afkomstig uit de Sint-Baafsabdij in Gent, geschreven door Lambert van Sint-Omaars.
Volgens Reynaert verschijnen enkele tekstuele motieven die met de voorstelling van de vier dieren samenhangen, bij Hadewijch in een enigszins gewijzigde toepassing ten opzichte van de bijbelteksten. In Apocalyps 4, 6 en 8 lezen we dat de vier dieren ‘vol ogen’ waren van voren en van achter en dat ze allen ‘zes vleugels’ hadden ‘van buiten en van binnen vol ogen’. Hadewijch heeft dit detail bij haar beschrijving van de arend niet overgenomen. Wel duikt het motief in haar visioenen in een heel andere context op: in het negende visioen verschijnt haar in de geest een koningin met een kleed vol ogen:

Ic was in Nativitate Beate Marie te menttenen ende na die III lessen wart mi vertoent in ene geeste een lettel wonders. Mijn herte wart mi beroert tevoren van worden van minnen die men daer las in die Cantiken, daer mi bi ghedachte eens gheheels cussens. Corteleke daerna in dandere nocturne, soes ach ic in den geeste dat quam ene coninginne ghecleedt met enen guldenen clede. Ende dat cleet was al vol oghen. Ende al die oeghen waren alle doresiende alse viereghe vlammen, ende nochtan ghelijc cristalle.

Ook de zes vleugels laat Hadewijch bij haar beschrijving van de arend achterwege. En ook in dit geval duikt het motief in haar visioenen in een heel andere context op: in het dertiende visioen heeft het ‘aanschijn van God’ zes vleugels:

Na dien sanc ende na die stemme wart die nuwe hemel ontdaen. Daer openbaerde dat aenscijn van Gode, daer hi allen heilighen ende menschen int lancste siere ewelecheit ghenoech met sal doen. Dat aenscijn hadde VI vloghele ende die waren alle buten besloten ende binnen vloghense alle uren.
Doe ontdaden buten alle die slote diere vloghele. Ende ic sach waer si vlieghen ende te welken staden.  Die II overste vlieghen in die hoghede daer God die overste cracht der minnen met ghebruket. Die II middelste vlieghen in de wide der volcomenre seden der minnen. Die II nederste vlieghen in die grondelose diepte daer hi alle wesene in verslint. […]

Reynaert wijst erop dat een dergelijke voorstelling van God, voorzover hem bekend, noch in de bijbeltekst, noch in de iconografie voorkomt. In zijn artikel noemt hij nog een aantal andere voorbeelden waarbij haar godsvoorstelling afwijkt van de tekst van de Apocalyps en de iconografie. Maar dat neemt niet weg dat ze, met het oog op de herkenbaarheid en de geloofwaardigheid, een groot aantal aansprekende elementen van de gezaghebbende iconografie doelbewust in haar visioenen heeft verwerkt.

Hadewijch en Willem van Saint-Thierry

Willem van Saint-Thierry heeft na zijn dood een enorme invloed uitgeoefend op de spiritualiteit van orden en religieuze gemeenschappen. Met name zijn Gulden Brief was erg belangrijk en het kreeg de functie van geestelijke handleiding. Drie thema’s staan centraal in het werk van Willem: de triniteit die als grondslag voor heel het geestelijke leven wordt voorgesteld, het exemplarisme dat de diepe werkelijkheid van alle geschapen wezens terugvindt in het Eeuwige Woord als in zijn opperste Oerbeeld en het kenvermogen van de verlichte liefde (‘De liefde zelf is een vorm van kennis’).
Willem van Saint-Thierry was als meest bekende abt van dit klooster ongetwijfeld goed vertrouwd met de ideeën van de kerkvaders. Zijn eigen ideeën waren voor een groot deel gebaseerd op de leer van Bernardus en veel van Willems geschriften zijn dan ook lange tijd onterecht toegeschreven aan de kerkvader. Ook Hadewijch heeft een leer overgenomen die zij als Bernardijns beschouwde, terwijl ze feitelijk terugging op geschriften van Willem van Saint-Thierry. Maar Heeft Hadewijch werkelijk de geschriften van Willem gekend en gewaardeerd? We vinden immers geen enkele uitdrukkelijke vermelding van zijn naam noch enige directe verwijzing naar zijn werken.
Reeds in 1929 vond Van Mierlo in de Brieven van Hadewijch een belangrijk anoniem citaat uit Willems Liber de natura et dignitate amoris. Het kan best dat Hadewijch de naam van de authentieke auteur niet heeft gekend. Maar in elk geval is het duidelijk dat Hadewijch het traktaat zelf, waarin de vier leeftijden van de geestelijke liefde worden beschreven, heeft gekend. Zij heeft het zozeer gewaardeerd dat zij een lange paragraaf van de Latijnse tekst in het Middelnederlands vertaald weergeeft. Deze letterlijke ontlening wordt beschouwd als de voornaamste getuigenis van de stelling dat Willem rechtstreekse invloed op Hadewijch heeft gehad.

Resumé

Hadewijch is in haar leer duidelijk beïnvloed door geleerde bronnen, zoals Willem van Saint-Thierry. Daarnaast staat haar werk vol met schriftcitaten die rechtstreeks afkomstig lijken te zijn uit de Latijnse bijbel. Uit de hierboven beschreven geleerde bronnen van Hadewijch komt het beeld naar voren dat zij een geschoolde, zo al niet geleerde vrouw moet zijn geweest. Dat ze een opleiding heeft genoten, is zo goed als zeker. Het is uitzonderlijk te noemen dat ze als vrouw zo’n grote kennis van het Latijn en de theologie bezat.

6 Welke esthetische waardering verdienen de werken van Hadewijch?

De teksten van Hadewijch zijn niet zomaar in een verzamelhandschrift terecht gekomen en worden niet voor niets sinds 1838 nog steeds bestudeerd. Dit moet het resultaat zijn van een uitzonderlijke waardering van haar teksten door de eeuwen heen. Hieronder geef ik chronologisch weer welke esthetische waardering Hadewijchs teksten vanaf de negentiende tot en met de eenentwintigste eeuw hebben ontvangen. Ik behandel hierbij alleen de officiële literatuurgeschiedenissen die achtereenvolgens vanaf Jonckbloet tot en met Van Oostrom zijn verschenen, omdat zij uit hun aard vaak enige autoriteit bezitten en vaak de eerste of hernieuwde kennismaking van geïnteresseerden vormen.

De grondlegger van de neerlandistiek: Jonckbloet

In de eerste fase van het onderzoek naar het werk van Hadewijch, werden haar werken voornamelijk op ideologische gronden beoordeeld. Het is de verdienste van W.J.A. Jonckbloet geweest dat hij als grondlegger van de neerlandistiek heeft gewezen op de esthetische waarde van de Middelnederlandse literatuur. Hij heeft getracht de beoefening van de (middel)neerlandistiek op een werkelijk professioneel niveau te brengen en daarbij zijn liefde voor zijn object van studie en het streven naar professionele wetenschappelijkheid te verenigen. Zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1889) kwam al eerder ter sprake: in navolging van Serrure sloot Jonkbloet zich hierin aan bij de identificatie van Hadewijch met de abdis van Aywiers. Aanvankelijk brengen Hadewijchs liederen hem in verwarring: ‘De eerste indruk, dien de lezing dezer liederen op mij maakte, was, dat ik mij nauwelijks kon voorstellen, dat iemand, die deze verzameling werkelijk gelezen had, zich nog de minste illusie kon maken omtrent haar quasi mystiek-godsdienstig karakter, daar wij hier ten stelligste met wereldlijke minneliederen te doen hebben. En toch, hoe bedrieglijk was die eerste indruk! Bij dieper studie bleek ontegenzeggelijk, dat wij toch inderdaad wel mystieke verzuchtingen voor ons hebben, maar in zoo wereldschen vorm gegoten, dat het moeite kost zich van haar wezenlijken geest te doordringen. Heeft men zich eenmaal van de bedoeling der dichteres overtuigd, dan vindt men ook onder de meest wereldsche schors de geestelijke liefde tot den hemelschen minnaar.’ Door de ruim tien bladzijden vol met passages uit het werk van Hadewijch, kan de lezer zich een eerste indruk vormen van haar liederen. Jonckbloet vervolgt zijn uiteenzetting: ‘Hoe men ook over den inhoud dezer liederen moge denken, men voelt terstond, dat zij uit het gemoed eener wezenlijke dichteres zijn gestroomd. Innigheid van gevoel ontbreekt hier evenmin als rijkdom van gedachten. De vorm, waarin zij gegoten zijn, laat soms te wenschen over. De uitdrukking kon vaak duidelijker wezen: maar vooreerst is die nevelachtigheid aan de mystiek eigen; en ten anderen gebruikt zij vele ongewone uitdrukkingen, terwijl eindelijk de zeer bedorven lezing van het handschrift de bezwaren nog komt vermeerderen. De moeilijkheden der techniek hebben haar niet afgeschrikt, integendeel: bij voorkeur zoekt zij moeilijke rijmverbindingen en veelvuldige herhaling van denzelfden rijmklank. Over de zuiverheid van haar rhythmus valt niet te oordeelen: zooveel schijnt zeker, dat eene zo begaafde vrouw onmogelijk zóó heeft kunnen schrijven als de tekst zich thans aan ons voordoet.’ Insinueert Jonckbloet hier dat de vormgeving van de teksten van Hadewijch onderworpen zijn geweest aan het werk van een strenge redacteur, alvorens het uiteindelijk in de aan ons overgeleverde corpushandschriften terecht kwam? Of bedoelt hij misschien dat de tekst onzuiver afgeschreven is?

De biografische benadering van Jan ten Brink

Jan ten Brink (1834-1901) studeerde theologie en zoals gebruikelijk voor theologiestudenten in die tijd besteedde hij een aanzienlijk deel van zijn studie aan de bestudering van de Nederlandse taal- en letterkunde. Hoewel hij zijn studie succesvol afrondt, wordt hem langzaam duidelijk dat de theologie zijn roeping niet is en dat zijn hart uitgaat naar de beoefening van de letterkunde. Uiteindelijk wordt hij in 1884 als opvolger van professor W.J.A. Jonckbloet benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Leiden.
In 1897 verscheen Ten Brinks Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Ten Brink was een groot aanhanger van de ‘wetten’ van Taine en de romans van Zola. In navolging van deze voorbeelden probeerde hij literaire werken te verklaren vanuit de invloeden die ras, natuur, bodem, klimaat en tijd op een auteur uitoefenen en dit heeft geleid tot een biografische aanpak. Volgens Ten Brink worden de verschillende verschijningsvormen van de schoonheid beheerst door wetten. ‘Daar deze regelen voor alle menschen gelden, legt het algemeen oordeel der menschheid het zuiverste gewicht in de weegschaal der schoonheid.’ In zijn behandeling van de Nederlandse letterkunde geeft Ten Brink voortdurend waardeoordelen. Het werk van Hadewijch (niet alleen de lyriek, maar nu ook het proza) wordt weliswaar in enkele zinnen door hem besproken, maar zelfs daarin klinken Ten Brinks waardeoordelen door: de mystieke liederen zijn terecht ‘om de teederheid van het daarin geopenbaarde godsdienstig gevoel uitbundig […] geprezen.’ Maar: ‘Als unicum is deze verzameling van vrome verzuchtingen zeer te waarderen, schoon het bij nadere kennismaking telkens blijkt, dat eenvoud, duidelijkheid en samenhang zeer veel te wenschen overlaten.’

De nieuwe literaire esthetica van Gerrit Kalff

Gerrit Kalff (1856-1923) was in 1875 in Leiden begonnen als student in de klassieke letteren, maar specialiseerde zich uiteindelijk toch in het Nederlands. Zijn interesse ging vooral uit naar het Nederlandse lied, getuige ook zijn dissertatie Het lied in de middeleeuwen, waarop hij in 1883 bij Jonckbloet promoveerde.
De belangrijkste reden voor Kalffs publicatie van zijn zevendelige reeks Geschiedenis der Nederlandse letterkunde in de jaren 1906-1912 is volgens de inleiding gelegen in een ‘afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen’. Waarin zijn opvattingen afwijken van zijn voorgangers, zal de lezer zelf uit zijn werk moeten afleiden: ‘Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk voldoende kunnen opmaken.’ Zijn visie op het werk van Hadewijch wijkt in ieder geval duidelijk af van de visie van zijn voorgangers: het werk van Hadewijch is volgens hem zeer waardevol: ‘[…] zeker is, dat wij hier een proza hebben, het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non, of abdis, dankbaar moeten zijn. Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt.’ Kalff sluit echter zijn ogen niet voor passages die soms zwaar op de maag liggen: ‘Wel ons, dat zij “van minne” gezongen heeft, want wij hebben daaraan het bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet dikwijls zullen aantreffen.’ Kalff vindt met name één verwijt aan het adres van Hadewijch onterecht: ‘Eentonig – heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica.’
Willaert heeft een duidelijke verklaring voor de kentering in de Hadewijchwaardering die we bij Kalff aantreffen. Hij ziet een duidelijk verband met de sterke opbloei van de belangstelling voor de Middeleeuwen en de mystiek in het algemeen aan het begin van de twintigste eeuw. ‘‘Met zijn door de beweging van tachtig geïnspireerde kunstzin’ (Marijke Spies) stond Kalff veel positiever tegenover het verschijnsel mystiek dan zijn negentiende-eeuwse voorgangers, die in het verleden vooral - om nogmaals Reynaert te citeren – hun ‘eigen – burgerlijke, “verlichte” – idealen van schoonheid en rede’ opzochten en ‘blind of afwerend [stonden] tegenover alles wat daar ook maar enigszins buiten viel.’’ Ook de lovende woorden waarmee Kalff Hadewijchs poëtische meesterschap beschrijft, verraden duidelijk de invloed van een nieuwe literaire esthetica: ‘[…] dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.’

De wetenschappelijke literatuurgeschiedschrijving door Te Winkel

Jan te Winkel, zoon van een predikant, bracht zijn jeugd door in Bennebroek en Rotterdam. In 1877 promoveerde aan de Groningse universiteit op een studie over de Middelnederlandse dichter Jacob van Maerlant: Maerlants werken, beschouwd als spiegel van de dertiende eeuw. Met deze vernieuwende studie vestigde Te Winkel zijn naam als historisch letterkundige. In de jaren daarna heeft Te Winkel de grondslag gelegd voor de wetenschappelijke literatuurgeschiedschrijving. Zijn werk wordt gekenmerkt door geringe persoonlijke waardeoordelen en een streven naar volledigheid en gedetailleerdheid. Hij zette zich met zijn opvatting van literatuurgeschiedenis af tegen twee tendensen, die zich in het laatste kwart van de negentiende eeuw begonnen af te tekenen en in de eerste helft van de twintigste eeuw verder zouden ontwikkelen. Zelf duidde hij deze tendensen aan als respectievelijk ‘novellistisch’ en ‘critisch-aesthetisch’. De eerste tendens betrof de intuïtieve literatuurbeschouwing, zoals bijvoorbeeld die van Busken Huet en Albert Verwey. De tweede tendens had betrekking op Jonckbloet en zijn navolgers, die geloofden dat er algemene, niet aan tijd en plaats gebonden, esthetische wetten of principes zouden bestaan, die op wetenschappelijke wijze onderzocht konden worden. Tegenover de eerste tendens stelde Te Winkel het wetenschappelijke en tegenover de tweede tendens het historische karakter van zijn opvatting. De geschiedschrijver der letterkunde diende, aldus Te Winkel, wel inlevingsvermogen voor literaire kunst te bezitten, maar moest zich verder beperken tot een onpartijdige, objectieve, exact-feitelijke beschrijving, vergelijking en classificatie van literaire werken, hun verband met tijd en plaats van ontstaan, de verklaring van hun onderlinge samenhang en de ontwikkeling van het een uit het ander. Dit neemt echter niet weg dat Te Winkel in zijn literair-historisch werk toch op sommige plaatsen zijn waardering en afkeer uitspreekt. Werk met verheven ideeën of waaruit veel te leren valt, en vooral in verzen geschreven, geniet zijn voorkeur. Literaire kunst is voor hem bovenal sociaal, en nationaal. Zijn negatieve oordeel betreft dan ook vooral de meer persoonlijk gekleurde literatuur, zoals de middeleeuwse mystiek.
In zijn Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde acht Te Winkel Hadewijchs proza ‘meer uit een godsdienstig, dan uit een letterkundig oogpunt van belang’. Haar liederen geven hem de indruk ‘van groote welluidendheid, maar tevens van onverstaanbaarheid, van mooie klanken zonder veel zin’. Het begrijpen ervan wordt, naast de mystieke inhoud, bemoeilijkt ‘door haar slordigen zinsbouw of worsteling met den strophischen dichtvorm’. ‘Het onderwerp harer liederen is van het begin tot het einde “de minne”, doch geene wereldsche liefde, maar eene geestelijke minne, door haar telkens als eene “hoghe minne” aangeduid’. Te Winkel heeft begrip voor haar verlangen naar liefde, maar dit verlangen neemt volgens hem bij Hadewijch ‘een psychopathisch karakter aan, wanneer dat ideëele als werkelijkheid wordt gevoeld, en uit den aard der zaak moet dat het geval zijn, als het zich vereenzelvigt met het hoogste ideaal, met God, wien de normale mensch met diep ontzag zijne hulde kan bewijzen, maar dien men niet kan trachten te bezitten, ook al geeft men zich geheel aan hem over’. Maar bij dit onbegrip blijft het niet: ‘In den waan, haar doel te hebben bereikt, verkeert deze hysterische liefde alleen bij ziekelijke zenuwoverspanning, die Hadewijch met den naam “orewoet” aanduidt’. Te Winkel acht het kenmerkend voor de gehele mystiek dat met het zelfbewustzijn ook het bewustzijn wordt weggenomen van wat objectief tegenover ons staat, het vermogen om onderscheid te maken tussen droom en werkelijkheid verdwijnt.
Behalve op de inhoud, heeft Te Winkel ook kritiek op de vorm van haar werk. Hij vindt haar liederen vermoeiend ‘door hunne eentonigheid. Het zijn eindeloze variaties op één zelfde thema.’ Met haar woordenschat is het volgens hem slecht gesteld: ‘In de eerste vijf en twintig liederen (nog geen 2000 verzen) komt het woord “minne” niet minder dan 430 maal voor en het woord “nuwe” 95 maal. Blijkbaar heeft zij de neiging tot woordherhaling met andere hysterici gemeen.’ Slechts op één punt toont Te Winkel bewondering voor haar werk, namelijk ‘in den versvorm, waarvan de groote verscheidenheid niet mag ontkend worden. Slechts zeven maal gelijkt de strophenbouw van een gedicht bij haar op een voorafgaand.’
Volgens Willaert komt Te Winkels verwijt met betrekking tot de monotonie van Hadewijchs lyriek niet onverwacht voor degene die ook maar enigszins thuis is in de hoofse minnelyriek van troubadours en trouvères, die – zoals eerder besproken – op Hadewijchs Strofische gedichten een belangrijke invloed heeft uitgeoefend. ‘Ce sont toujours les mêmes situations, les mêmes sentiments, les mêmes images qui reparaissent devant nos yeux’, schreef de grote kenner van de troubadourslyriek Alfred Jeanroy mistroostig in 1934. Dergelijke klachten kunnen we in talloze andere publicaties vóór en na hem aantreffen. Een beter begrip van deze lyriek werd echter mogelijk gemaakt door een programmatisch artikel van de Gentse romanist Robert Guiette uit 1949, met de titel D'une poésie formelle en France au Moyen Age. Daarin formuleerde Guiette de hypothese dat de ware aantrekkingskracht van deze poëzie in de variatie lag, in de wijze waarop met bekend, vooraf gegeven materiaal steeds nieuwe composities werden gemaakt. Het feit dat de ‘boodschap’ voortdurend herhaald werd, was dus geen zwakheid van deze poëzie, maar maakte het een ingewijd, geraffineerd (aristocratisch) publiek integendeel mogelijk te appreciëren hoe de dichter binnen de mogelijkheden die het genre hem bood, een nieuw lied had kunnen creëren.

De esthetische literatuuropvatting van Van Mierlo

Van Mierlo had al vroeg een eigen opvatting over literatuur en de plaats van Hadewijch in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. In de eerste jaren hield hij zich nog niet uitsluitend bezig met de medioneerlandistiek, maar meer met de literaire kritiek in het algemeen: hij debuteerde met een recensie van de bundel De nieuwe geboort van Henriëtte Roland Holst van der Schalk.
In 1906 brengt Van Mierlo zijn esthetische opvattingen duidelijk onder woorden in zijn bijdrage ‘Iets over rhythme en poëzie’ dat in Dietsche Warande en Belfort verscheen: ‘Kunstenaar is hij, die de machtige levensbeweging voor anderen kan vertastbaren, zoodat ook die anderen in zich dit levensrhythme kunnen waarnemen. […] Voor een dichter nu belichaamt zich dit rhytme van het leven in beelden en woordbewegingen van gevoelens (lyriek) en gebeurtenissen (epiek), handelingen (dramatiek) en betoogen zelfs, die wiegen op het rhythme van zijn ziel.’ Van Mierlo wijst de theorieën van de Nieuwe Gids omtrent klank-expressie, beeldspraak, ritme en plastiek af. ‘Een kunstwerk ontleent zijne waarde aan het leven dat er uit spreekt. Dan mag de zoogenaamde maat nog zoo zwak zijn, en de zoogenaamde klank nog zoo schraal; als de polsslag van het leven er in slaat, en men dat mee kan voelen bewegen, zoodat het ook in ons bewust wordt; dan blijft de vereering van de toekomst, met haar eerbied en haar liefde verzekerd. Werken, waarvan de voornaamste verdienste ligt in wat men pleegt de vorm te noemen, zullen, naarmate de uitdrukkingsmiddelen verfijnen en vermenigvuldigen, met de geslachten vergaan. De eenvoudigste woorden-combinatie, de gewoonste uitdrukking kan opeens tot de hoogste kunst verheven worden, als daar plots een ziel in trilt.’
Voor Van Mierlo vormde het werk van Hadewijch het absolute hoogtepunt van onze Nederlandse letterkunde: ‘Ieder woord uit haar pen draagt een droppel van haar leven; iedere zin wijst op het rhytme van haar ziel; ieder beeld groeit uit de volheid harer stemming …’ In hetzelfde jaar beklaagt Van Mierlo zich dan ook in een brief aan zijn mentor, de Leuvense hoogleraar Lodewijk Scharpé (1869-1935) over de manier waarop de literatuurhistorici uit zijn tijd met de middeleeuwse letterkunde omspringen: ‘Juist een paar dagen voor ik uw brief ontving, had ik nog met pater Verest gesproken over de onbegrijpelijke lichtzinnigheid waarmee dr. J. te Winkel, die toch algemeen als een ernstig man wordt geacht, handelt over mystieke werken uit dien tijd (…) of in ’t algemeen over de godsvrucht tot Maria.’

De esthetische literatuuropvatting moet volgens Van Mierlo de basis zijn van de literatuurgeschiedschrijving. In 1923 valt hij de Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde van Ten Winkel hard aan: ‘T.W. noemt zijn geschiedenis: ontwikkelingsgang. Daardoor heeft hij blijkbaar zijn standpunt willen bepalen: wat hij biedt is geen omvattende geschiedenis, maar slechts de opeenvolging der literaire gebeurtenissen; en niet eens de eigenlijke ontwikkeling ervan, maar slechts het verloop, den gang. En inderdaad: wat hij geeft is weinig meer dan juist dat. Naar een uitbeelden van wat gewoonlijk ontwikkeling heet (daargelaten voorloopig wat men daaronder verstaan moet) heeft hij niet gestreefd. De Middeleeuwen vormen voor hem één groot tijdvak: en daarin wordt alles geleidelijk verhandeld per groote genres, in min of meer chronologisch overzicht, elke schrijver en elk werk op zijn beurt. Maar dit is nu toch geen geschiedenis, geen ontwikkeling, geen leven.’
Gebrekkig is Te Winkels behandeling van de mystieke literatuur: ‘[…] blijkbaar interesseeren de mystiek-godsdienstige werken der Middeleeuwen T.W. niet bijzonder, en dit is voor de geschiedenis eener letterkunde die hoofdzakelijk godsdienstig was, als onze kunst der Middeleeuwen, een gebrek dat heel de waarde van zijn arbeid dreigt te ondermijnen. T.W. heeft geen sympathie voor de voornaamste uiting van onze Middeleeuwsche schoonheid.’
Onvergeeflijk is Te Winkels behandeling van Hadewijch: ‘[…] blijkbaar heeft T.W. weinig sympathie voor haar werk. Wat ik alleen wensch in ’t licht te stellen is, dat hij haar niet heeft bestudeerd, dat hij over haar zoveele onjuistheden omtrent als beweringen meedeelt, en dat daarom zijn oordeel, dat alle zakelijkheid mist, van geenerlei tel kan zijn.’ Van Mierlo is tevreden dat Te Winkel zijn overtuiging van de ‘Blomardinne-theorie’ inmiddels heeft opgegeven, maar helaas is hij op een ander dwaalspoor geraakt en identificeert hij Hadewijch opeens met de abdis van Aywiers. Van Mierlo verbaast zich hier in hoge mate over, temeer hij heeft aangetoond dat die cisterciënzerzuster geen andere is geweest dan Beatrix van Nazareth. Van Mierlo verwijt zijn collega gebrek aan objectiviteit: ‘blijkbaar heeft hij van Had. niet zijn studie gemaakt. En geen schrijver, geen dichter vooral geeft zich, zoo men hem niet met sympathie tegemoet komt.’ De mystiek van Hadewijch is volgens Te Winkel niet meer dan geslachtsdrift: ‘Indien T.W. toch het besef had, dat hij, als profaan in die zaken, minder bevoegd is om over zulke schoonheidsopenbaringen een veilige uitspraak te doen, dan zou hij al eenigszins tegen zulke enormiteiten beschermd zijn. En mogen wij niet met recht die elementaire rechtvaardigheid van een geschiedschrijver vergen? Doch wat al andere dwaasheden volgen daar nog verder! ‘Zulke geslachtsdrift, heet het, kan wel een tijdje op het ideëele gericht zijn, maar wordt psychopatisch, zoodra dit ideëele zich gaat vereenzelvigen met het hoogste ideaal, met God, dien een normaal mensch toch niet kan trachten te bezitten.’ Zoo worden de hoogste strevingen van de besten en heiligsten onder de menschen als erotisch en psychopatisch gebrandmerkt! Zulke dwaasheden had T.W. aan anderen kunnen overlaten: zij zijn hem ten volle onwaardig.’

Van Mierlo was niet tevreden over de literatuurgeschiedenissen van zijn voorgangers. In 1928 verschijnt zijn eerste synthese: de Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. ‘Bij dit werk heb ik geen ander doel gehad, dan de geschiedenis onzer letterkunde eens voor te stellen van een katholiek standpunt uit. De Middeleeuwsche letterkunde immers is in hoofdzaak Vlaamsch en katholiek. Toch werd ze voornamelijk tot nog toe door Noord-Nederlanders en niet-katholieken behandeld. Ik ben er van overtuigd, dat de Noord-Nederlandsche geleerden er geen bezwaar in zullen vinden, die geschiedenis ook eens door een Vlaming en een katholiek behandeld te zien. Dat zal hun eigen inzicht slechts verdiepen of verbeteren.’
Van Mierlo’s literatuurgeschiedenissen hebben een nieuwe vorm. Te Winkel verkeerde nog in het stadium van de boedelbeschrijving. Kalff groepeerde en toonde ontwikkelingslijnen aan volgens de zogenaamde standentheorie. Van Mierlo nu heeft de ‘inwendige ontwikkeling’ op het oog: de literatuurgeschiedenis mag zich niet beperken tot een beschrijving van literaire feiten maar moet de groei van de woordkunst, de met de geslachten wisselende geest en vorm behandelen en in het perspectief van de synthese de gegevens groeperen met het oog op de benadering van ‘het volle leven, de geheele objectieve waarheid’. Dus boven de feiten uit, naar hun samenhang, onderlinge verhouding en betekenis.
In plaats van de indeling volgens standen onderscheidt Van Mierlo drie golvingen, dat wil zeggen ontwikkelingsstadia met verschillende kunstopvatting: de feodaal-ridderlijke (twaalfde en dertiende eeuw), de patricisch-burgerlijke (1300 tot ca. 1430) en de kunst van de volksgemeenschap (1430 tot Renaissance). Van Mierlo’s datering van de door hem zo bewonderde Hadewijch bracht hem tot een radicaal nieuwe visie op de evolutie van de Middelnederlandse letterkunde en hij onderscheidde twee grote perioden: enerzijds de twaalfde en dertiende eeuw, anderzijds de periode vanaf de veertiende eeuw.
Van Mierlo achtte de Middelnederlandse letterkunde veel ouder dan tot dan toe door de literair-historici was verondersteld: ‘Als men zegt, dat onze literatuur begint einde twaalfde eeuw, met Van Veldeke, dan is dit slechts in zooverre waar, dat ons geen ouder letterkundig werk is bewaard gebleven. Maar de werken van Hadewijch, hadden al een geheel ander beeld van den groei onzer letterkunde aan de hand kunnen doen. Die zoo volmaakte kunst staat natuurlijk niet alleen, en veronderstelt ook reeds een lange voorbereiding.’ Volgens Van Mierlo kon het schitterende werk van Hadewijch niet plotseling zijn ontstaan: het moest zijn voorbereid. Dat bracht hem tot de overtuiging dat heel wat Middelnederlandse werken gewoonlijk veel te laat gedateerd werden.
Van Mierlo’s vaststelling dat onze literatuur reeds in de eerste helft van de dertiende eeuw haar hoogtepunt had bereikt, bracht hem tot een tweede conclusie, namelijk dat de traditionele hypothese, dat het grootste deel van onze hoofse romans slechts uit slaafse vertalingen uit het Frans zou bestaan, onhoudbaar was. ‘Zeer zeker is onze Middeleeuwsche romanliteratuur vooral, in groote mate, afhankelijk van de Fransche, en onze Middeleeuwsche literatuur in ’t algemeen van vreemde modellen. Maar de onoorspronkelijkheid wordt wel eens te zeer betoond.’ Hij wijst er uitdrukkelijk op ‘dat onze romans ook vrije, zelfstandige bewerkingen kunnen zijn van uit het Fransch, of van elders, bekende en verspreid geraakte motieven en legenden, zonder dat daarom eigenlijk vertaald werd, en zonder dat daarom juist moet aangenomen, dat onze romans eerst na dezen of genen Franschen kon ontstaan zijn.’
De twaalfde en dertiende eeuw beschouwt Van Mierlo als de bloeiperiode, met onder andere Hadewijch, de Beatrijs, de Walewein en de Reinaert. In deze periode heerst een streven naar schoonheid. De veertiendse eeuw is een tijd van verval, waarin de didactiek gaat overheersen: ‘[…] men wil waarheid, niet de diepere levenswaarheid die de scheppende kunstenaar in zijn verbeeldingen zoo machtig openbaren kan, en die het zijn roeping is den menschen kond te doen, maar de oppervlakkige waarheid, van het vele, practische, nuttige weten.’ De didactische literatuur wordt ingeluid door Maerlant, die dus niet langer een hoogtepunt is maar een teruggang.

Frits van Oostrom: ‘Hadewijch heeft me geraakt’

Herman Pleij sloot zijn recensie van Stemmen op schrift af met de woorden: ‘Dit boek is literatuur over literatuur’. Ook Van Oostrom zelf noemt zijn nieuwe literatuurgeschiedenis literaire non-fictie. Dat klinkt misschien niet erg wetenschappelijk, maar de auteur wil dan ook zijn literatuurgeschiedenis toegankelijk en aantrekkelijk maken voor een breed publiek: ‘Ik heb een balans proberen te vinden tussen de ietwat bloedeloze wetenschap van mijn voorgangers en het vertellen van een mooi verhaal. Van het opsommen van feiten gaan oude teksten niet leven. Ik ben met literaire teksten bezig, met kunst, en dat vereist een muzische inslag – het is geen boekhouderswerk. Het wetenschappelijk onderzoek is verwerkt in de annotaties. Die hoeft niemand te lezen, maar ik ben er het meest trots op.’
Soms lijkt Van Oostrom een esthetische literatuuropvatting opvatting aan te hangen waarbij literatuur ‘slechts’ esthetisch genot als doel heeft. Deze visie wordt ondersteund door een uitspraak van Pleij: ‘Literair is wat Van Oostrom mooi vindt en lekker om te lezen. Daarom wordt een bewerker van heiligenlevens afgemaakt: kan niet dichten, brokkenpiloot, broddelaar, brekebeen, stumper. En de minneliederen van hertog Jan I van Brabant, toch licht canoniek met hun geheimzinnige ‘Harba lori fa’ en ‘Ik zag nooit zo roden mond’, doet hij af als ‘hoofse horlepiep’. Toch is het soms moeilijk te verteren dat de Nevelingen, Van den bere Wisselau en vooral de Lundse liederen zo snerend en gekscherend van het podium verwijderd worden. […]’ Over Hadewijch rept Van Oostrom echter met geen kwaad woord. Net zoals Van Mierlo lijkt zijn bewondering voor deze mystica grenzeloos te zijn. Steeds weer benadrukt hij de uitzonderlijke kwaliteiten van haar werk. Beter dan welke analyse of beschrijving dan ook zijn het de vele en relatief lange citaten uit Hadewijchs werk die Van Oostrom opneemt ter illustratie. Van Oostrom besteedt vooral veel aandacht aan het onder de aandacht brengen van haar primaire teksten. De paragraaf waarmee Van Oostrom zijn synthese over Hadewijch afrondt, geeft weer dat voor hem haar werk uiteindelijk belangrijker is dan de precieze historische reconstructie van de auteur: ‘[…] Hadewijch [werpt] ons ten slotte terug na alle omtrekkende bewegingen van het voorafgaande, op de positie waarin Martinus Nijhoff wilde dat wij alle poëzie zouden aanvaarden. Zoals een Perzisch tapijt namelijk: men bewondert het virtuoos geknoopte meesterwerk zoals het er ligt, en zonder zich bovenmatig – en in Hadewijchs geval toch vruchteloos – af te tobben over vragen naar de maker achter al dit moois.’

Resumé

Met betrekking tot de esthetische waardering heeft het werk van Hadewijch altijd hevige reacties opgeroepen. Vrijwel geen enkele onderzoeker staat onverschillig tegenover haar geschriften. In de eerste fase van het onderzoek werd het werk vaak op ideologische gronden afgewezen: de erotische en daarmee wereldse metaforiek verhinderde lange tijd de waardering van het desondanks geestelijke karakter van haar werk. Jonckbloet was de eerste die wees op dit aspect. Ook Ten Brink heeft volop waardering voor de inhoud ofwel het godsdienstige gevoel dat uit Hadewijchs verzameling blijkt. Zowel Jonckbloet als Ten Brink zijn echter van mening dat de vorm van Hadewijchs werk nogal eens te wensen over laat. Waarschijnlijk mede als gevolg van de sterke opbloei van de belangstelling voor de Middeleeuwen en de mystiek in het algemeen, staat Kalff veel positiever tegenover zowel de inhoud als de vorm van Hadewijchs werk en hij verzet zich dan ook fel tegenover het verwijt van eentonigheid. Te Winkel acht Hadewijchs werk vervolgens echter weer uitsluitend uit godsdienstig oogpunt van belang. Haar eindeloze variaties op het verlangen naar ‘de minne’ nemen volgens hem – zoals vaak in de mystiek – psychopathische vormen aan. Van Mierlo zorgt voor eerherstel: voor hem vormt het werk van Hadewijch het absolute hoogtepunt van de Nederlandse letterkunde. Noord-Nederlandse niet-katholieken zoals Te Winkel waren volgens deze Zuid-Nederlandse katholiek niet in staat om de middeleeuwse letterkunde adequaat te behandelen en op de juiste waarde te schatten. Net zoals Van Mierlo is ook Van Oostroms bewondering voor Hadewijch grenzeloos.

7 Conclusie

Met de herontdekking van haar werk in 1838 is het Hadewijch-onderzoek nu ruim 170 jaar oud. Een groot probleem is altijd het ontbreken van een biografie van Hadewijch geweest. Gecombineerd met gevoeligheden op het gebied van de ideologische aard van haar werk, hebben wetenschappers lang geworsteld met de interpretatie van de teksten.
Pas aan het begin van de twintigste eeuw kwam het Hadewijch-onderzoek echt op gang. Vooral de Vlaamse jezuïet en letterkundige Jozef van Mierlo jr. heeft veel navolging gekregen: tot tweemaal toe gaf hij een volledige kritische editie van haar werk uit en daarnaast heeft hij bijna ontelbaar veel artikelen over haar werk gepubliceerd. Door zijn enorme werkzaamheid had hij een enorme kennisvoorsprong op zijn collega’s. Sinds Van Mierlo lijken een aantal gegevens omtrent de historische reconstructie van de auteur binnen de medioneerlandistiek niet meer ter discussie te staan: Hadewijch is hoogstwaarschijnlijk van adellijke afkomst, ze leefde in de eerste helft van de dertiende eeuw in het hertogdom Brabant, ze was goed geschoold en ze was een leidende figuur in een van de vele begijnengemeenschappen van die tijd. Als katholieke Vlaming had Van Mierlo echter niet altijd een neutrale houding, waardoor hij absoluut geen kritiek op Hadewijch en haar werk kon verdragen: beschuldigingen van ketterij en eentonigheid in haar werk riepen bij hem altijd grote woede op.
De onderzoeksresultaten van Jozef van Mierlo zijn verschillende keren ter discussie gesteld. Robert Faesen oppert of Hadewijch niet de abdis kan zijn geweest van een cisterciënzer klooster in het bisdom Luik. In een andere richting wijzen Wybren Scheepsma en Geert Warnar: zij houden een nieuw pleidooi voor de oude these waarbij Hadewijch te identificeren zou zijn als Ruusbroecs tijdgenote Heilwig Bloemaerts, de legendarische en als ketterse omstreden Bloemardinne. Echter de associatie met ketterij die Ruusbroecs vroeg-vijftiende-eeuwse biograaf Henricus Pomerius over deze Heilwig meedeelde, deed Jozef Van Mierlo destijds de hakken in het zand zetten. Voor hem was Hadewijch heilig.
Ondanks bovengenoemde discussie, sluit Frits van Oostrom zich in zijn meest recente literatuurgeschiedenis Stemmen op schrift volledig bij Van Mierlo aan. Niet alleen is ook Van Oostroms esthetische bewondering voor Hadewijch grenzeloos; ook de biografische gegevens neemt hij klakkeloos over. ‘Men haalt zijn koningin nu eenmaal niet zo makkelijk van het schaakbord’ volgens zijn eigen woorden. Toch ben ik van mening dat Van Oostrom in zijn literatuurgeschiedenis de lezer op het verkeerde pad zet: ‘Dat deze Hadewijch van hoge geboorte was (misschien een telg uit het adellijke huis Breda-Schoten), dat zij rond 1240 schreef, dat zij in de omgeving van Antwerpen leefde en dat zij een begijn was – het is allemaal niet onomstotelijk bewijsbaar en dus ook allemaal al eens betwijfeld. En toch is dat wel degelijk het plausibelste profiel voor Hadewijch.’ Wat mij echter na de bestudering van vele publicaties binnen de medioneerlandistiek duidelijk is geworden, is dat er juist onzekerheid over vrijwel alle aspecten omtrent Hadewijchs biografie bestaat. Als we eerlijk zijn, is geen enkel aspect van de door van Mierlo geformuleerde biografische gegevens bewijsbaar. Het gehele biografische onderzoek steunt op hypothesen die als waarheid worden aangenomen, maar die nog lang niet bewezen zijn. Met name op het gebied van de datering van Hadewijch is het bewijs zeer mager en nog niet voldoende overtuigend onderbouwd. Eigenlijk is de enige zekerheid die we hebben, het feit dat er een verzameling teksten is overgeleverd die aan ‘een zekere Hadewijch’ kunnen worden toegeschreven.
Afgaande op de meest recente literatuurgeschiedenis lijkt het biografische onderzoek en daarmee de kritische bevraging van Jozef van Mierlo’s bevindingen en hypothesen omtrent Hadewijch na wat kritische geluiden opnieuw stil te liggen. Dat is jammer. Met een wat meer gedurfde hypothese had Frits van Oostrom jonge onderzoekers misschien een nieuwe impuls kunnen geven om vastgeroeste denkbeelden te toetsen op hun houdbaarheid en eventueel nieuwe feiten en inzichten aan het licht te brengen. Een nieuwe, meer tekstgerichte benadering zou eveneens verrassende resultaten op kunnen leveren. Het Hadewijch-onderzoek uit de twintigste eeuw is immers vrijwel volledig verankerd in het cultuurhistorische paradigma: literatuurhistorici proberen literaire teksten tegen hun historische, sociale en culturele achtergrond te plaatsen. Dit heeft er toe geleid dat onderzoekers er jarenlang naar hebben gestreefd om Hadewijchs werken in een concrete historische ontstaanssituatie te verankeren, waardoor de teksten zelf onderbelicht zijn gebleven. Met name de Brieven en de Mengeldichten van Hadewijch zijn nog nauwelijks bestudeerd.
Vreemd genoeg zijn de weinige biografische gegevens omtrent Hadewijch hoofdzakelijk afgeleid uit haar Visioenen en dan met name uit de Lijst der Volmaakten, waarvan Wybren Scheepsma terecht heeft opgemerkt dat de authenticiteit niet geheel onomstreden is. Mijn mening is dat het veel meer gerechtvaardigd is om biografische elementen uit de (rijm)brieven af te leiden, omdat deze teksten immers een veel directere communicatiesituatie met de geadresseerden impliceren, waardoor de teksten wellicht minder zijn gestileerd. Daarnaast ben ik een sterke aanhanger van het idee dat de Visioenen voor Hadewijch vooral waren bedoeld om autoriteit te vestigen, wat tot gevolgd heeft gehad dat Hadewijch in haar Visioenen zoveel mogelijk gangbare en wijdverbreid geaccepteerde beelden heeft gebruikt om haar superioriteit en haar macht te ondersteunen. Hierdoor is de grens tussen persoonlijke ervaring en didactisch hulpmiddel nauwelijks te trekken, laat staan de grens tussen biografische gegevens en fictie.
Het is nu wachten op een nieuwe generatie onderzoekers die zich durft los te worstelen van oude denkbeelden en oude onderzoeksparadigma’s en met een frisse, onbevooroordeelde blik de middeleeuwse mystica tegemoet durft te treden.

Bibliografie

ANBEEK 1989 – T. Anbeek: ‘Knuvelder. De pilaarheilige’. In: Literatuur 6 (1989), p. 358-360.
AXTERS 1950 – S. Axters: Geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden. I. De vroomheid tot rond het jaar 1300. Antwerpen: De Sikkel, 1950.
AXTERS 1964 – S. Axters: ‘Hadewijch als voorloopster van de zalige Jan van Ruusbroec’. In: A. Ampe (red.): Dr. L. Reypens-album: opstellen aangeboden aan Prof. Dr. L. Reypens S.J. ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag op 26 februari 1964. Antwerpen: Ruusbroec-genootschap, 1964, p. 57-74.
BAERE 1986 – G. de Baere: ‘Verlangde Hadewijch naar visioenen?’. In: In: G. van Eemeren e.a. (red.): ’t Ondersoeck leert: studies over middeleeuwse en 17de-eeuwse literatuur ter nagedachtenis van prof. dr. L. Rens. Leuven: Acco, 1986, p. 55-64.
BAERE 1993 – G. de Baere: ‘De Mengeldichten of Hadewijch met een janusgezicht’. In: Millennium 7 (1993), p. 40-51.
BERG 1989 – W. van den Berg: ‘Over het vaderschap van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving’. In: Literatuur 6 (1989), p. 320-324.
BLADEL & SPAAPEN 1954 – F. van Bladel & B. Spaapen (ed.): Hadewijch. Brieven: oorspronkelijke tekst en Nieuw-Nederlandse overzetting. Tielt Den Haag: Lannoo, 1954.
BOEREN 1962 – P.C. Boeren: Hadewijch en heer Hendrik van Breda. Leiden: Brill, 1962.
BORCHGRAVE 2001 – C. de Borchgrave: Eerst Vlaanderen voor Christus. De pionierstijd van het Ruusbroecgenootschap. Averbode: Maklu, 2001.
BORK 1989 – G.J. van Bork: ‘Ten Brink. Idealist of positivist?’. In: Literatuur 6 (1989), p. 329-332.
BOSCH 1974 – J. Bosch: ‘Vale milies: de structuur van Hadewijch’s bundel ‘Strofische Gedichten’’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 90 (1974), p. 161-182.
BOUMAN 1923 – A.C. Bouman: ‘Die litterarische Stellung der Dichterin Hadewijch’. In: Neophilologus 8 (1923), p. 270-279.
BRANDSMA 1926 – T. Brandsma: ‘Wanneer schreef Hadewijch hare visioenen?’. In: Studia Catholica 2 (1926), p. 238-256.
BRINK 1897 – J. ten Brink: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Amsterdam: Elsevier, 1897.
BRINKMAN 1991 – H. Brinkman: ‘Een stroeve Hadewijch’. In: Literatuur 8 (1991), p. 198-200.
COLLEDGE 1982 – E. Colledge: ‘J. Reynaert. De beeldspraak van Hadewijch’. In: Speculum 57 (1982), p. 420-422.
DELFT 2006 – D. van Delft: De toppen van het kunnen. Nederlandse wetenschappers over hun drijfveren en werk. Amsterdam: Bert Bakker, 2006.
DESCHAMPS 1972 – J. Deschamps: ‘Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken’. Leiden: Brill, 1972.
DIJK 2004 – A. van Dijk: ‘Marie van der Zeyde en Hadewijch, geschiedenis van een dissertatie’. In: Schriftuur 2004, afl. 4, p. 12-39.
ELSLANDER 1977 – A. Elslander [e.a.]: ‘De beeldspraak van Hadewijch (Joris Reynaert)’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 2 (1977), p. 193-201.
ETTY 2006 – E. Etty: ‘Balans tussen bloedeloze wetenschap en mooi verhaal’. In: NRC Handelsblad 23 februari 2006.
EVEN 1894 – E. van Even: ‘Bloemardinne. De Brusselsche ketterin, gestorven in 1335, en hare volgelingen in de 15e eeuw’. In: In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1894, p. 357-390.
FAESEN 2000 – R. Faesen: Begeerte in het werk van Hadewijch. Leuven: Peeters, 2000.
FAESEN 2003 – R. Faesen: Lichaam in lichaam, ziel in ziel: Christusbeleving bij Hadewijch en haar tijdgenoten. Baarn: Ten Have, 2003.
FAESEN 2004 – R. Faesen: ‘Was Hadewijch a beguine or a cistercian? An annotated hypothesis’. In: Citeaux 55 (2004), p. 47-64.
FENS 1989 – K. Fens: ‘Asselbergs. De schrijver’. In: Literatuur 6 (1989), p. 354- 357.
FRAETERS 1994 – V. Fraters: ‘Hadewijch’. In: K. Aercke: Women writing in Dutch. New York: Garland, 1994, p. 15-60.
FRAETERS 1999 – V. Fraeters: ‘Visioenen als literaire mystagogie: stand van zaken en nieuwe inzichten over intentie en functie van Hadewijchs Visioenen’. In: Ons geestelijk erf 73 (1999), afl. 2-3, p. 111-130.
FRAETERS 2000 – V. Fraeters: ‘Das Buch der Visionen. Hadewijch/G. Hofmann’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 116 (2000), p. 73-75.
FRéDéRICQ 1896 – P. Frédéricq: ‘De Geheimzinnige Ketterin Bloemaerdinne’. In: Verslagen en Mededeelingen der koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeling Letterkunde 1896, p. 77-98.
FRINGS & SCHIEB 1947 – T. Frings & G. Schieb: ‘Heinrich von Veldeke. Die Lieder’. In: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 69 (1947), p. 1-284.
GELDERBLOM & MUSSCHOOT 2001 – A.J. Gelderblom & A.M. Musschoot: ‘Veranderingen in een bedding van continuïteit: de literatuurgeschiedenis in een nieuw jasje’. In: Perspectieven voor de internationale neerlandistiek in de 21e eeuw. Woubrugge: Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, 2001, p. 151-168.
GRIJP 1992 – L.P. Grijp: ‘De zingende Hadewijch. Op zoek naar de melodieën van haar Strofische Gedichten’. In: F. Willaert e.a.: Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen. Amsterdam: Prometheus, 1992, p. 72-92 en 340-343.
GRIJP 2001 – L.P. Grijp: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press-Salomé, 2001.
GRIJP 2002 – L.P. Grijp: Van Hadewijch tot Hazes. Amsterdam: Meertens Instituut, 2002.
GROOTES 1989 – E.K. Grootes: ‘Van Es. Voorvechter van de stilistiek’. In: Literatuur 6 (1989), p. 350-353.
GUMBERT 1987 – J.P. Gumbert: ‘De datering van het Haagse handschrift van de Limburgse Sermoenen’. In: E. Cockx-Indestege & F. Hendrickx (red.): Miscellanea Neerlandica. Opstellen voor dr. Jan Deschamps ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Leuven: Peeters, 1987, deel I, p. 167-181.
GRUNDMANN 1977 – H. Grundmann: Religiöse Bewegungen im Mittelalter. Untersuchungen über die geschichtlichen Zusammenhänge zwischen der Ketzerei, den Bettelorden und der religiösen Frauenbewegung im 12. und 13. Jahrhundert und über die geschichtlichen Grundlagen der deutschen Mystik. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1977.
HOFMANN 1998 – G. Hofmann (ed.): Hadewijch. Das Buch der Visionen. Stuttgart-Bad Cannstatt: Frommann-Holzboog, 1998. 2 dln.
HOGENELST & SCHEEPSMA 2003 – D. Hogenelst & W. Scheepsma: ‘Kurt Ruh (1914-2002): meester van de Middelnederlandse mystiek’. In: W. van Anrooij e.a. (red.): Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Amsterdam: Amsterdam University Press/Salomé, 2003, p. 235-252.
JAHAE 2000 – R. Jahae: Sich begnügen mit dem Ungenügen: zur mystischen Erfahrung Hadewijchs. Leuven: Peeters, 2000. Miscellanea neerlandica 21.
JONCKBLOET 1889 – W.J.A. Jonckbloet: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 2: De Middeleeuwen (2). Groningen: Wolters, 1889.
KALFF 1906 – G. Kalff: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 1. Groningen: Wolters, 1906.
KWAKKEL 1999 – F. Kwakkel: ‘Ouderdom en genese van de veertiende-eeuwse Hadewijch-handschriften’. In: Queeste 6 (1999), p. 23-40.
LISSENS 1959 – R.F. Lissens: ‘Jozef van Mierlo en de literatuurgeschiedenis’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1959, p. 149-166.
LIE 2001 – O.S.H. Lie: ‘Middelnederlandse literatuur vanuit genderperspectief. Een verkenning’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 117 (2001), p. 246-267.
LUGER 1989 – B. Luger: ‘G. Kalff. Bloem en vrucht’. In Literatuur 6 (1989), p. 337-340.
MACGINN 1998 – B. MacGinn: The flowering of mysticism: men and women in the new mysticism. New York: Crossroad, 1998.
MERTENS 1993 – Th. Mertens [e.a.]: Boeken voor de eeuwigheid: Middelnederlands geestelijk proza. Amsterdam: Prometheus, 1993.
MERTENS 1994A – Th. Mertens: ‘Kurt Ruh als onderzoeker van de Middelnederlandse letterkunde’. In: Nieuw Letterkundig Magazijn 12 (1994), p. 4-7.
MERTENS 1994BRichtlijnen voor de uitgave van Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Geredigeerd onder verantwoordelijkheid van de projectcommissie Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden door Th. Mertens. Hilversum: Verloren, 1994.
MIERLO 1903 – J. van Mierlo: ‘Henriette Roland Holst, De Nieuwe Geboort’. In: Dietsche Warande en Belfort 4 (1903), tweede halfjaar, p. 189-193.
MIERLO 1906 – J. van Mierlo: ‘Iets over rhythme en poëzie’. In: Dietsche Warande en Belfort 7 (1906), tweede halfjaar, p. 131-157.
MIERLO 1908A – J. van Mierlo (ed.): Hadewijch. Proza. Leuven: Keurboekerij, 1908. 2 dln. Leuvense Tekstuitgaven 41, 42 en 3.
MIERLO 1908B – J. van Mierlo: ‘Was Hadewijch de Ketterin Blomardinne?’. In: Dietsche Warande en Belfort 9 (1908), tweede halfjaar, p. 267-286.
MIERLO 1910 – J. van Mierlo: Hadewijch. Strophische gedichten. Leuven: Keurboekerij, 1910. Leuvense Tekstuitgaven 41_6.
MIERLO 1912 – J. van Mierlo (ed.): Hadewijch. Mengeldichten. Leuven: Vlaamsche drukkerij, 1912. Studiën en Tekstuitgaven 2.
MIERLO 1921A – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 1. Wanneer heeft Hadewijch geleefd?’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 135-140.
MIERLO 1921B – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 2. Hadewijch heeft nog vóór de veertiende eeuw geschreven’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 140-144.
MIERLO 1921C – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 3. Argumenten uit den Tekst zelf van Hadewijch. De Lijst der Volmaakten’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 144-148.
MIERLO 1921D – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 4. Kan Hadewijch nog in de twaalfde eeuw geschreven hebben?’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 148-150.
MIERLO 1921E – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 5. Meester Robbaert’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 151-153.
MIERLO 1921F – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 6. Heer Hendrik van Breda’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 309-327.
MIERLO 1921G – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 7. De geestelijke Atmosfeer van de Lijst der Volmaakten’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 441-456.
MIERLO 1921H – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 8. Wie was Hadewijch?’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 456-462.
MIERLO 1921I – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis van onze Middeleeuwsche Letterkunde. 9. Slot’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), eerste halfjaar, p. 462-465.
MIERLO 1921J – J. van Mierlo: ‘Uit de Geschiedenis onzer Middeleeuwsche Letterkunde. Hadewijch’. In: Dietsche Warande en Belfort 21 (1921), tweede halfjaar, p. 480-496 en 622-635.
MIERLO 1921K – J. van Mierlo: ‘Hadewijch en de Ketterin Blommardinne’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 40 (1921), p. 45-64.
MIERLO 1922 – J. van Mierlo: ‘Uit de geschiedenis onzer Middeleeuwsche letterkunde. Hadewijch (vervolg en slot)’. In Dietsche Warande en Belfort 22 (1922), eerste halfjaar, p. 84-94.
MIERLO 1923 – J. van Mierlo: ‘Over den ‘Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde’ door dr. J. te Winkel’. In: Tijdschrift voor taal en letteren 11 (1923), p. 145-182.
MIERLO 1924 – J. van Mierlo: ‘Was Hadewijch de gelukzalige Bloemardinne?’. In: Dietsche Warande en Belfort 24 (1924), p. 52-67 en 106-115.
MIERLO 1924-1925 – J. van Mierlo (ed.): Hadewijch. Visioenen. Leuven: De Vlaamsche Boekenhalle, 1924-1925. 2 dln. Leuvense studieën en tekstuitgaven 10 en 11.
MIERLO 1925 – J. van Mierlo: ‘Hadewijch, een gelukzalige Bloemardinne ?’. In: Dietsche Warande en Belfort 25 (1925), p. 28-49.
MIERLO 1927A – J. van Mierlo: ‘Hadewijchiana I. Kan Hadewijch in verband gebracht worden met de Bloemardinne door den Voornaam Heilwych?’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1927, p. 195-209.
MIERLO 1927B – J. van Mierlo: ‘Hadewijchiana II. Over de vrouwelijke Geslachtsnamen op –inne met het oog op een mogelijke Vereenzelviging met Heilwych Blomardinne’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1927, p. 210-225.
MIERLO 1927C – J. van Mierlo: ‘Hadewijchiana III. Over de Ketterin Bloemardinne’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1927, p. 425-442.
MIERLO 1927D – J. van Mierlo: ‘Beata Hadewigis de Antverpia’. In: Dietsche Warande en Belfort 27 (1927), p. 787-798 en 833-843.
MIERLO 1928 – J. van Mierlo: Geschiedenis van Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. Antwerpen: Standaard, 1928.
MIERLO 1929 – J. van Mierlo : ‘Hadewijch en Wilhelm van St.-Thierry’. In: Ons geestelijk erf 3 (1929), p. 45-59.
MIERLO 1931A – J. van Mierlo: De Poëzie van Hadewijch. Antwerpen: Standaard, 1931.
MIERLO 1931B – J. van Mierlo: ‘De Poëzie van Hadewijch’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1931, p. 285-439.
MIERLO 1932 – J. van Mierlo: ‘De 10e Brief van Hadewijch en het 41e der Limburgsche Sermoenen. Invloed van Hadewijch op de Limburgse Sermoenen’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1932, p. 373-387.
MIERLO 1933A – J. van Mierlo: ‘Adelwip’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1933, p. 581-598.
MIERLO 1933B – J. van Mierlo: ‘Naschrift bij de Bloemardinne-Episode. Adelwip – Hadewijch’. In: Ons geestelijk erf 7 (1933), p. 341.
MIERLO 1934A – J. van Mierlo: ‘Over Hadewijch. Naar aanleiding van een Dissertatie’. Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1934, p. 141-183.
MIERLO 1934B – J. van Mierlo: ‘De Adelwip-Uittreksels’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1934, p. 537-555.
MIERLO 1936 – J. van Mierlo: ‘Eenige moeilijke Plaatsen in de Strophische Gedichten van Hadewijch’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1936, p. 315-338.
MIERLO 1937 – J. van Mierlo: ‘De Wording van Hadewijch’s Kunst’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1937, p. 391-421.
MIERLO 1939 – J. van Mierlo: Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Deel 1. De letterkunde van de Middeleeuwen tot omstreeks 1300. ’s-Hertogenbosch: Malmberg, 1939.
MIERLO 1940 – J. van Mierlo: Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Deel 2. De Middelnederlandsche letterkunde van omstreeks 1300 tot de Renaissance. ’s-Hertogenbosch: Malmberg, 1940.
MIERLO 1941 – J. van Mierlo: ‘De ‘Minne’ in de Strophische Gedichten van Hadewijch’. In: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie 1941, p. 687-705.
MIERLO 1942 – J. van Mierlo (ed.): Hadewijch. Strophische Gedichten. Antwerpen: Standaard, 1942. 2 dln. Leuvense Studiën en Tekstuitgaven.
MIERLO 1943 – J. van Mierlo: ‘Hadewijchiana. De Latijnsche Verzen van het 45e der Strophische Gedichten’. In: Ons Geestelijk Erf 17 (1943), p. 179-184.
MIERLO 1945 – J. van Mierlo: ‘Hadewijch als schrijfster van den 10n brief’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 63 (1945), p. 226-245.
MIERLO 1946 – J. van Mierlo: Beknopte geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. Antwerpen: Standaard, 1946.
MIERLO 1947 – J. van Mierlo (ed.): Hadewijch. Brieven. Antwerpen: Standaard, 1947. 2 dl. Leuvense Studiën en Tekstuitgaven.
MIERLO 1952 – J. van Mierlo (ed.): Hadewijch. Mengeldichten. Antwerpen: Standaard, 1952.
MILHAVEN 1993 – J.G. Milhaven: Hadewijch and Her Sisters: Other Ways of Loving and Knowing. Albany: State University of New York Press, 1993.
MILTENBURG 1991 – A.P.J. Miltenburg: Naar de gesteldheid dier tyden. Middeleeuwen en mediëvistiek in Nederland in de negentiende eeuw. Vier studies. Hilversum: Verloren, 1991.
MOMMAERS 1979 – P. Mommaers (ed.): De visioenen van Hadewijch. Nijmegen: Gottmer, 1979.
MOMMAERS 1986 – P. Mommaers: ‘Het visioen bij de mystica Hadewijch’. In: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop: Visioenen. Utrecht: Hes, 1986, p. 193-204.
MOMMAERS 1989 – P. Mommaers: Hadewijch: schrijfster, begijn, mystica. Averbode: Altiora, 1989. Cahiers voor levensverdieping 54.
MOMMAERS 1990 – P. Mommaers (ed.): De brieven van Hadewijch. Averbode: Altiora, 1990.
MOMMAERS 2003 – P. Mommaers: Hadewijch: schrijfster, begijn, mystica. Leuven: Peeters, 2003.
MOMMAERS 2004 – P. Mommaers: Hadewijch: writer, beguine, love mystic. Dudley, Mass.: Peeters, 2004.
MONE 1838 – F.J. Mone: Übersicht der niederländischen Volks-Literatur älterer Zeit. Tübingen: Ludwig Friedrich Fues, 1838.
MURK JANSEN 1991 – S. Murk Jansen: The measure of mystic thought. A study of Hadewijch’s Mengeldichten. Göppingen: Kümmerle, 1991.
NIJLAND-VERWEY 1956 – M. Neijland-Verwey: Keuze uit het proza van zijn hoogleraarstijd (1925-1935). Albert Verwey. Zwolle: Tjeenk Willink, 1956.
OOSTROM 1984 – F. van Oostrom: ‘Hadewijch: eenzaam maar niet alleen’. In: Literatuur 1 (1984), p. 348-349.
OOSTROM 1989 – F. van Oostrom: ‘Jonckbloet. De grondlegger’. In: Literatuur 6 (1989), p. 325-328.
OOSTROM 2002 – F. van Oostrom: ‘Breda, Heer Hendrik van, en Hadewijch’. In: Hoofdstation, instituut voor ontdekking en toepassing van schoonheid (red.): Over helden, schurken en Hadewijch : het geheugen van een stad. Breda: P pers, 2002, p. 10-18.
OOSTROM 2006 – F. van Oostrom: Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Amsterdam: Bert Bakker, 2006.
PAEPE 1967 – N. de Paepe: Hadewijch strofische gedichten: een studie van de minne in het kader der 12e en 13e eeuwse mystiek en profane minnelyriek. Gent: Secretariaat van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1967. Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde XIe reeks. Leonard Willemsfonds 2.
PAEPE 1968 – N. de Paepe: Grondige studie van een Middelnederlandse auteur: Hadewijch, Strofische gedichten. 2 dln. Gent: Story-Scientia, 1968.
PAEPE 1983 – N. de Paepe (ed.): Hadewijch. Strofische gedichten. Leiden: Martinus Nijhoff, 1983.
PAEPE 1984 – N. de Paepe: ‘Hadewijchs vijfde visioen en de Apokalyps: dood is niet dood’. In: K. Porteman (red.): Uut goeder jonsten: studies aangeboden aan prof. dr. L. Roose naar aanleiding van zijn emeritaat. Leuven: Acco, 1984, p. 13-21.
PETERS 1988 – U. Peters: Religiöse Erfahrung als literarisches Faktum. Zur Vorgeschichte und Genese frauenmystischer Texte des 13. und 14. Jahrhunderts. Tübingen: Niemeyer, 1989.
PLEIJ 1989 – H. Pleij: ‘De Vooys. Letterkundige in deeltijd’. In: Literatuur 6 (1989), p. 341-344.
PLEIJ 2006 – H. Pleij: ‘Sublieme aanstellerij’. In: Vrij Nederland 11 maart 2006, p. 62-63.
REYNAERT 1975 – J. Reynaert: ‘Attributieproblemen in verband met de Brieven van Hadewijch’. In: Ons geestelijk erf 49 (1975), p. 225-247.
REYNAERT 1980 – J. Reynaert: ‘Over Hadewijch naar aanleiding van drie recente publikaties’. In: Ons geestelijk erf 54 (1980), p. 280-292.
REYNAERT 1981A – J. Reynaert: De beeldspraak van Hadewijch. Tielt Bussum: Lannoo, 1981. Studiën en tekstuitgaven van Ons geestelijk erf 21.
REYNAERT 1981B – J. Reynaert: ‘Ruusbroec en Hadewijch’. In: Ons geestelijk erf 55 (1981), p. 193-233.
REYNAERT 1982 – J. Reynaert: ‘Hadewijchs ‘hoghe geslachte’’. In: J. Janssens: Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij. De Nederlanden van de 12e tot de 15e eeuw: handelingen van het wetenschappelijk colloquium te Brussel 21-24 oktober 1981. Brussel: [s.n.], 1982, p. 156-173.
REYNAERT 1987 – J. Reynaert: ‘Hadewijch en de Bijbel’. In: E. Cockx-Indestege en F. Hendrickx (red.): Miscellanea Neerlandica. Opstellen voor dr. Jan Deschamps ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Leuven: Peeters, 1987, dl. II, p. 41-55.
REYNAERT 1988 – J. Reynaert: ‘F.A. Snellaert en de receptie van Hadewijch in de 19de eeuw’. In: A. Bolckmans [e.a.] (red.): Huldenummer Prof. Dr. Ada Deprez aangeboden bij haar zestigste verjaardag. Gent: Seminarie voor Duitse taalkunde, 1988, p. 157-180.
REYNAERT 1994 – J. Reynaert: ‘Hadewijch: mystic poetry and courtly love’. In: Medieval Dutch literature in its European context. Cambridge: Cambridge University Press, 1994, p. 208-225.
REYNAERT 1997 – J. Reynaert: ‘Een nieuwe editie van Hadewijchs visioenen’. In: Queeste 4 (1997), p. 79-83.
REYNAERT 2003 – J. Reynaert: ‘Hadewychs hemelvisioenen en de contemporaine iconografie’. In: M. van Vaeck (red.): De steen van Alciato: literatuur en visuele cultuur in de Nederlanden. Leuven: Peeters, 2003, p. 351-372.
REYPENS & MIERLO 1926 – L. Reypens & J. Van Mierlo (ed.): Beatrijs van Nazareth. Seven manieren van minne. Leuven: De Vlaamsche Boekenhalle, 1926.
ROEMANS 1939 – R. Roemans [e.a.]: Huldegarve E.P. Prof. Dr J. van Mierlo, S.J. Turnhout: Vereeniging van Kempische schrijvers, 1939.
ROEMANS 1956 – R. Roemans: Bibliografie van Prof. Dr. J. van Mierlo. Gent: Erasmus, 1956.
RUH 1977 – K. Ruh: ‘Beginenmystik. Hadewijch, Mechthild von Magdeburg, Marguerite Porete’. In: Zeitschrift für Deutsches Alterthum und Deutsche Litteratur 106 (1977), p. 265-277.
RUH 1993 – K. Ruh: Geschichte der abendländischen Mystik. 2. Frauenmystik und Franziskanische Mystik der Frühzeit. München: Beck, 1993.
SCHALIJ 1943A – J.M. Schalij: ‘Richard van St. Victor en Hadewijchs 10de brief’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 62 (1943), p. 219-228.
SCHALIJ 1943B – J.M. Schalij: ‘Bernardus’ ‘De diligendo deo’ de grondslag voor het 41ste Limburgse sermoen’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 62 (1943), p. 256-269.
SCHEEPSMA 2000 – W. Scheepsma: ‘Hadewijch und die ‘Limburgse sermoenen’: Überlegungen zu Datierung, Identität und Authentizität’. In: W. Haug [e.a.] (red.): Deutsche Mystik im abenländischen Zusammenhang: neu erschlossene Texte, neue methodische Ansätze, neu theoretische Konzepte: Kolloquium Kloster Fischingen 1998. Tübingen: Niemeyer, 2000.
SCHEEPSMA 2005 – W. Scheepsma: De Limburgse sermoenen (ca. 1300). De oudste preken in het Nederlands. Amsterdam: Bert Bakker, 2005. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 26.
SCHEPERS 2004 – K. Schepers: ‘Kurt Ruh’. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2002-2003. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde: Leiden, 2004, p. 154-160.
SERRURE 1858 – C.P. Serrure: ‘De klooster-zuster Hadewig. Dichteres der XLV liederen uit de XIIIe eeuw’. In: C.P. Serrure: Vaderlandsch museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis. Tweede deel. Gent: C. Annoot-Braeckman, 1858, p. 136-145.
SNELLAERT 1838 – F.A. Snellaert: Verhandeling over de Nederlandse dichtkunst in België, sedert hare eerste opkomst tot aen de dood van Albert en Isabella. Brussel: Hayez, 1838.
SNELLEN 1907 – J. Snellen (ed.): Liederen van Hadewijch: naar de drie bekende hss. Amsterdam: Versluys, 1907.
SPIES 1989 – M. Spies: ‘Te Winkel. Literatuurgeschiedenis als wetenschap’. In: Literatuur 6 (1989), p. 333-336.
STASSAERT 2002 – L. Stassaert (hert.): Minne is wonderzoet in al haar stormen. Een keuze uit de Mengeldichten en Strofische Gedichten van Hadewijch. Leuven: Uitgeverij P, 2002.
TERSTEEG 1993 – J. Tersteeg: ‘Met Hadewijch in de zevende hemel. Bijdrage tot een interpretatie van het vierde visioen’. In: H. van Dijk e.a. (red.): In de zevende hemel: opstellen voor P.E.L. Verkuyl over literatuur en kosmos. Groningen: Passage, 1993, p. 137-146.
TODOROFF 2002 – B. Todoroff: Laat heb ik je liefgehad. Christelijke mystiek van Jezus tot nu. Leuven: Davidsfonds, 2002.
VEKEMAN 1980 – H.W.J. Vekeman (ed.): Het visioenenboek van Hadewijch: uitgegeven naar handschrift 941 van de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Gent. Nijmegen: Dekker & Van de Vegt, 1980.
VEKEMAN 1996 – H.W.J. Vekeman: Eerherstel voor een mystieke amazone. Het Twee-vormich Tractaetken. Middelnederlandse tekst met hertaling en commentaar. Kampen: Kok, 1996.
VEKEMAN 2005 – H. Vekeman (ed.): Hadewijch. Het boek der liederen. Budel: Damon, 2005. 2 dln.
VERCOULLIE 1875 – J. Vercoullie (ed.): Werken van zuster Hadewijch I: Gedichten. Gent: Annoot-Braeckman, 1895. 2 dln. Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen 4e reeks, nr. 2.
VERCOULLIE 1895 – J. Vercoullie (ed.): Werken van zuster Hadewijch II: Proza, naar de drie bekende handschriften. Gent: Annoot-Braeckman, 1895. Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen 4e reeks, nr. 11.
VERCOULLIE 1905 – J. Vercoullie (ed.): Werken van Zuster Hadewijch III: Inleiding, varianten, errata. Gent: Annoot-Braeckman, 1905. Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen 4e reeks, nr. 14.
VERDEYEN 1977 – P. Verdeyen: ‘De invloed van Willem van Saint-Thierry op Hadewijch en Ruusbroec’. In: Ons geestelijk erf 51 (1977), p. 3-19.
VERDEYEN 1982 – P. Verdeyen: ‘Over de auteur van Mengeldichten 17 tot 24’. In: J. Janssens: Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij. De Nederlanden van de 12e tot de 15e eeuw: handelingen van het wetenschappelijk colloquium te Brussel 21-24 oktober 1981. Brussel: [s.n.], 1982, p. 146-155.
VERWEY 1922 – A. Verwey (vert.): De vizioenen van Hadewych. Antwerpen: De Sikkel, 1922.
VERWEY 1934 – A. Verwey: ‘Hadewijch-studie’. In: De nieuwe taalgids 28 (1934), p. 223-228.
VOOYS 1908 – C.G.N. de Vooys: Historische schets van de Nederlandsche letterkunde. Groningen: Wolters, 1908.
VOOYS & STUIVELING 1953 – C.G.N. de Vooys & G. Stuiveling: Historische schets van de Nederlandsche letterkunde. Groningen: Wolters, 1953.
VOOYS & STUIVELING 1958 – C.G.N. de Vooys & G. Stuiveling: Schets van de Nederlandse letterkunde. Groningen: Wolters, 1958.
WARNAR 1998 – G. Warnar: ‘Visioenen/Hadewijch’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 114 (1998), p. 182-185.
WARNAR 2002 – G. Warnar: ‘Ruh over Ruusbroec, of: een germanist op Ons Geestelijk Erf’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 118 (2002), p. 357-361.
WARNAR 2003A – G. Warnar: Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2003.
WARNAR 2003B – G. Warnar: ‘Van Mierlo (1878-1958) en de anderen: de studie van de geestelijke letterkunde tussen 1900-1950’. In: W. van Anrooij [e.a.] (red.): Der vaderen boek: beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde: studies voor Frits van Oostrom ter gelegenheid van diens vijftigste verjaardag. Amsterdam: Amsterdam University Press/Salomé, 2003, p. 179-193.
WARNAR 2004 – G. Warnar: ‘Begeerte in het werk van Hadewijch/Rob Faesen’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 129 (2004), p. 170-171.
WILLAERT 1980 – F. Willaert: ‘Is Hadewijch de auteur van de XVIIIe brief?’. In: Ons geestelijk erf 54 (1980), p. 26-38.
WILLAERT 1984 – F. Willaert: De poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten. Utrecht: H&S, 1984.
WILLAERT 1986 – F. Willaert: ‘Hadewijch und ihr Kreis in den ‘Visionen’’. In: K. Ruh (red.): Abendländische Mystik im Mittelalter. Symposion Kloster Engelberg 1984. Stuttgart: Metzler, 1986, p. 368-387 en 469-470.
WILLAERT 1987 – F. Willaert: ‘Hadewijch en Maria Magdalena’. In: E. Cockx-Indestege & F. Hendrickx (red.): Miscellanea Neerlandica. Opstellen voor dr. Jan Deschamps ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Leuven: Peeters, 1987, deel II, p. 57-69.
WILLAERT 1989 – F. Willaert: ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’. In: Literatuur 6 (1989), p. 345-349.
WILLAERT 1992 – F. Willaert e.a.: Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen. Amsterdam: Prometheus, 1992.
WILLAERT 1993 – F. Willaert: ‘Registraliteit en intertextualiteit in Hadewijchs Eerste Stofische Gedicht’. In: L. Herman (red.): Veertien listen voor de literatuur. Huldeboek aangeboden aan Prof. Dr. Clem Neutjens. Kapellen: Pelckmans, 1993, p. 165-190.
WILLAERT 1995 – F. Willaert: ‘Van luisterlied tot danslied. De hoofse lyriek in het Middelnederlands tot omstreeks 1300’. In: F. van Oostrom (red.): Grote lijnen. Syntheses over Middelnederlandse letterkunde. Amsterdam: Prometheus, 1995, p. 65081 en 183-193.
WILLAERT 1996 – F. Willaert (ed.): Hadewijch. Visioenen. Vert. door Imme Dros, met een inl. en een teksted. door Frank Willaert. Amsterdam: Bakker, 1996.
WILLAERT 2001 – F. Willaert: ‘Hadewijch en Augustinus’. In: Literatuur 18 (2001), p. 299-305.
WILLAERT 2003 – F. Willaert: ‘Pelgrims naar het land van de minne. Mystagogie en memoria bij Hadewijch van Brabant’, In: P. de Wilde e.a. (red.): Op reis met memoria. Hilversum: Verloren, 2004.
WILLEMS 1838 – J.F. Willems: ‘Geestelyk minnelied uit de XIIIe eeuw’. In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands 2 (1838), p. 305-307.
WINKEL 1922 – J. te Winkel: De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 1: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd (1). Haarlem: De erven F. Bohn, 1922.
ZEYDE 1934 – M.H. van der Zeyde: Hadewijch. Een studie over de mens en de schrijfster. Groningen: Wolters, 1934.
ZEYDE 1936 – M.H. van der Zeyde (ed.): Hadewijch. Brieven: in de oorspronkelijke tekst en in Nieuw-Nederlandse overzetting. Antwerpen: Sikkel, 1936.

 
Hieronder staat mijn masterscriptie Oudere Letterkunde die ik heb geschreven voor de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar 2007-2008. De noten - inclusief literatuurverwijzingen - zijn weggevallen. Wie interesse heeft in een exemplaar met noten en literatuurverwijzingen kan een e-mail sturen naar marjoleingommers@home.nl