Inleiding
Met de onderzoekingen naar het genre als geheel is het nog steeds pover gesteld. Oorzaken:
1. Het gebrek aan een bruikbare definitie: wat is een ‘sproke’ precies?
2. De caleidoscopische gevarieerdheid over het genre als geheel
3. De onoverzichtelijke wijze waarop de meeste teksten zijn uitgegeven
Tweeledige doelstelling van dit proefschrift:
1. Het ontwerpen van een genrebeschrijving
2. Het bijeenbrengen van tekstmateriaal (primaire en secundaire literatuur)
Hoofdstuk 1 Het begrip sproke
Het begrip sproke in de vroege neerlandistiek
De aloude indeling ‘epiek-lyriek-dramatiek’ heeft de literatuurgeschiedschrijvers duidelijk parten gespeeld bij hun behandeling van de sproken.
Als er iets uit het voorafgaande duidelijk is geworden, dan is het wel de ongrijpbaarheid van het begrip ‘sproke’. Het meeste perspectief bood nog de benadering van Hoffmann von Fallersleben, die als enige uit de begintijd van de medioneerlandistiek een verband trachtte te leggen tussen de wijze waarop de sproke gerecipieerd werd en het middeleeuws spraakgebruik. De betekenis van het woord sproke in de Middeleeuwen was naar zijn mening immers: ‘jedes Gedicht welches gesprochen, vorgetragen wird’.
Het begrip sproke in Middelnederlandse teksten
‘Sproke’ heeft in het Middelnederlands verschillende betekenissen. Betekenissen volgens het MNW:
1. Hetgeen iemand zegt, zijn taal of woorden
2. Gezegde, uiting, uitspraak
3. Verhaal, vertelling, gedicht
Welke teksten werden in de Middeleeuwen als sproke beschouwd? Heeft de term als een genrebenaming gefunctioneerd? Ter beantwoording wordt een overzicht gegeven van plaatsen waar het woord sproke in de literaire betekenis in het Middelnederlands voorkomt. O.a. handschrift-Van Hulthem, Comburgse handschrift, Hollandse grafelijkheidsrekeningen, Haagse en Brusselse handschrift
Hoofdstuk 2 De definitie van de sproke
Bij naam bekende sprekers en hun sproken
Willem van Hildegaersberch komt tussen 1380 en 1408 als spreker voor in de rekeningen van het Hollandse en Gelderse hof, in die van de abdij van Egmond en in de stadsrekeningen van Middelburg en Utrecht. Van geen enkele spreker is een zo groot oeuvre bekend als van hem. Van de 120 overgeleverde teksten zijn er 40 voorzien van een Verfassersignatur: een ondertekening in de derde persoon enkelvoud, waaruit men afleidt dat Hildegaersberch de auteur van deze teksten was. Daartussen vindt men geen enkele keer de naam van een andere dichter. Dat maakt het aannemelijk dat hij ook deze niet-ondertekende gedichten schreef. Dat hij behalve de auteur ook de enige voordrager van zijn sproken was, is daarmee overigens niet gezegd.
De spreker van wie we na Hildegaersberch het meeste werk kennen is Augustijnken.
Heraut Gelre vervaarde twaalf ereredes, een teksttype dat beschouwd kan worden als een subtype van de sproke.
Andere sprekers: Jan Dille, meester Pieter van Breda, Dirc Mathijszoon, Boudewijn van der Lore, Jan van Mechelen.
Willem van Hildegaersberch neemt een bijzondere plaats in te midden van de sprekers, omdat hij (voor zover bekend) uitsluitend korte teksten vervaardigd heeft. Dat is niet bij alle sprekers het geval. Niet alle teksten van een auteur die bekend is als spreker, kunnen daarom als sproken worden beschouwd.
Definitie van de sproke: een verzameling van zelfstandig overgeleverde, korte, Middelnederlandse, meestal paarsgewijs rijmende, niet-lyrische teksten, die geschikt zijn om door een spreker te worden voorgedragen.
In deze definitie bevinden zich zes kenmerken die geoperationaliseerd zouden moeten worden om hanteerbaar te zijn voor de samenstelling van een tekstcorpus:
1. Wanneer beschouwen we een tekst als ‘zelfstandig overgeleverd’?
2. Hoeveel verzen telt een ‘korte’ tekst?
3. Wat betekent ‘Middelnederlands’ en wanneer gaat Middelnederlands over in Middelnederduits respectievelijk Middelhoogduits?
4. Wat betekent ‘meestal paarsgewijs rijmend en niet-lyrisch’?
5. Wat maakt een tekst tot sprekerstekst?
6. Wat maakt een tekst tot voordrachtstekst?
Deze werkdefinitie van de sproke heeft het karakter van een hypothese. De elementen 1 t/m 4 van de definitie zijn redelijk objectief toetsbaar aan elke individuele tekst. De elementen 5 en 6 daarentegen zijn dat in mindere mate.
De meeste teksten bevatten geen directe aanwijzingen met betrekking tot de wijze waarop ze gerecipieerd zouden kunnen worden.
De sproke als zelfstandig overgeleverde tekst
In tal van langere teksten of coherente verzamelingen treft men korte verhalen of uiteenzettingen aan, die op zich als een afzonderlijke eenheid zouden kunnen worden beschouwd. Toch zijn deze teksten opgenomen in het kader van een groter werk met een overkoepelende titel; het heeft een samenhangende structuur en is als geheel geconcipieerd. Slechts wanneer dergelijke stukken ook zelfstandig zijn overgeleverd, worden ze als sproken beschouwd.
[…] Deze overweging is de reden dat een verzameling (genummerde) gedichten van Hildegaersberch wel als een hoeveelheid zelfstandige sproken beschouwd wordt, en werken die onderverdeeld zijn in capita, die in principe eveneens zelfstandig zouden kunnen functioneren, niet. In beide gevallen zijn de teksten doorlopend genummerd, zodat men strikt genomen louter op grond van de overlevering niet kan vaststellen wat de status van de stukken is: hoofdstukken of zelfstandige teksten. Dat de gedichten van Hildegaersberch als zelfstandige teksten moeten worden beschouwd, blijkt uit het feit dat de volgorde van de gedichten volstrekt willekeurig is, en dat hij in verschillende teksten zijn naam noemt.
[…] Soms suggereren opschriften dus dat er verbanden tussen teksten bestaan, die er bij nader inzien niet zijn. En eveneens zijn er tekstparen die weliswaar een eigen opschrift hebben, maar die niet los van elkaar kunnen functioneren. Een nieuw opschrift functioneert in zo’n geval eigenlijk als een indicatie dat er op dit punt een natuurlijke cesuur in de tekst valt, zodat de voordracht onderbroken zou kunnen worden.
Het blijkt dat niet elke tekst die voorzien is van een eigen opschrift altijd als ‘zelfstandig overgeleverde tekst’ kan worden beschouwd. Deze kan onderdeel zijn van een groter geheel; soms moeten de opschriften dan worden opgevat als subtitels. Daarnaast zijn er tekstparen waarvan de teksten wel ieder een eigen opschrift hebben, maar die toch bij elkaar horen. In laatste instantie zal tekstinterpretatie in deze gevallen de doorslag moeten geven.
De sproke als korte tekst
Hoeveel verzen kan een tekst minimaal en maximaal bevatten om als sproke beschouwd te worden? Alvorens ons over te geven aan verzentellerij, moet eerst worden opgemerkt dat de grenzen natuurlijk nimmer zo scherp te stellen zijn als hier om praktische redenen noodzakelijk is. Ook wil ik erop wijzen dat beroepssprekers natuurlijk ook langere teksten voorgedragen kunnen hebben.
De sproke zoals die in deze studie gedefinieerd wordt, onderscheidt zich formeel soms door niets dan zijn verzental van andere typen voordrachtsteksten. Toch is er reden om aan te nemen dat de sproke als relatief korte tekst een teksttype vertegenwoordigt dat ook in de Middeleeuwen als zodanig beschouwd is. Hiervoor bleek immers dat wanneer een sprekersnaam uit de historische bronnen kon worden gekoppeld aan (een) bewaard gebleven sproke(n), het (op enkele uitzonderingen na) om korte teksten ging.
Het lijkt verantwoord de maximale lengte van de sproke op 700 verzen te stellen: geen enkele tekst binnen een coherente verzameling van korte epiek blijkt boven die lengte uit te komen. En ook een tekst met een lengte van meer dan 600 verzen bleek al tot de uitzonderingen te behoren.
Het lijkt zinvol om, bij gebrek aan ondubbelzinniger aanwijzingen met betrekking tot de minimale sprokelengte, bij het samenstellen van het corpus uit te gaan van de laagst vaststelbare grens, die in het handschrift-Van Hulthem op iets boven de 20 verzen ligt.
De sproke als Middelnederlandse tekst
‘Middelnederlands’ is een verzamelnaam voor de dialecten die werden gesproken en geschreven in het huidige Nederlandse taalgebied in de periode van ongeveer 1170 tot 1500. Literatuurhistorici die zich in de Middeleeuwen gespecialiseerd hebben, zijn echter gewend om (in ieder geval de eerste helft van) de zestiende eeuw nog tot hun werkterrein te rekenen. Dit gebruik wordt hier gevolgd. Teksten overgeleverd in zestiende-eeuwse handschriften zullen nog tot het onderzoeksterrein worden gerekend.
De Middelnederlandse dialecten die onder de verzamelnaam ‘Middelnederlands’ resorteren zijn Vlaams, Brabants, Hollands, Limburgs en oostelijk Middelnederlands. Teksten die in de eerste vier dialecten zijn opgetekend, kunnen vrij gemakkelijk herkend worden als Middelnederlands. Maar het trekken van de grens tussen enerzijds het oostelijk Middelnederlands – noordoostelijk Middelnederlands en Gelders(-Kleefs) – en anderzijds het Middelhoogduits en Middelnederduits, is vaak lastiger.
Met name voor de volkstalige teksten die in het Nederrijngebied tot stand gekomen zijn, is het erkend problematisch uit te maken waar deze toe moeten worden gerekend. De wens om deze indeling te maken is trouwens op zichzelf anachronistisch. Het is hier niet de plaats om dieper in te gaan op deze problematiek, noch om de oorzaken te beschrijven achter het op zichzelf intrigerende verschijnsel van de Mischsprache, ook wel aangeduid als ‘Duitse kleuring’. Wel is hier van belang te constateren dat er teksten zijn waarvan niet zonder meer uit te maken valt of ze thuishoren in een repertorium dat de Middelnederlandse sproken beoogt te verzamelen. Vervolgens moeten we een gedragslijn zien te ontwikkelen met betrekking tot de vraag welke Mischsprache-sproken in een repertorium van Middelnederlandse sproken moeten worden opgenomen.
Men zou het probleem kunnen oplossen door dan maar alle teksten die een mengeling van Duits en Nederlands vertonen en/of die in het Nederrijngebied ontstaan zijn, op te nemen. Deze oplossing lijkt aantrekkelijker dan ze is. Om te beginnen zijn niet van alle teksten solide typeringen voorhanden, en bovendien zijn deze niet altijd eenduidig.
[…] Het naast elkaar voorkomen van verschillende dialecten in de hier genoemde handschriften wijst in ieder geval op het bestaan van intensieve culturele betrekkingen in het desbetreffende gebied. Ook het verschijnsel van de Mischsprache (meertaligheid binnen één tekst) wordt wel in verband gebracht met de culturele eenheid van de gebieden aan de Nederrijn.
[…] Een aanwijzing voor die culturele uitwisseling vindt men in de overlevering van teksten. Zo bevat het Haags liederenhandschrift zuiver Duitse teksten, en omgekeerd kent het Berlijnse handschrift mgf 922 zuiver Nederlandse teksten.
[…] Binnen deze culturele uitwisseling zijn geen eenzijdige afhankelijkheidsrelaties aan te wijzen.
Recipiënten van Middelnederlandse teksten hebben dus eveneens teksten in verwante dialecten beluisterd. Bepaalde publiekskringen in de Nederlanden begrepen zelfs teksten in het Middelhoogduits. De vele optredens van sprekers van Duitse herkomst die opgetekend zijn in de rekeningen van het grafelijk hof van Holland, spreken in dit opzicht boekdelen.
We stellen vast dat het probleem van de verhouding Duits-Nederlands zich binnen het genre van de sproken vrijwel uitsluitend voordoet bij de minne- en ereredes.
Handschriften die tot stand zijn gekomen in het Nederrijngebied, die Mischsprache-teksten bevatten of teksten bevatten die mogelijk teruggaan op een Middelnederlandse bron, worden slechts beperkt gerepertorieerd. Alleen die teksten die voldoen aan de in deze studie genoemde criteria voor de sproke en die niet door Brandis en Fischer gerepertorieerd zijn, worden opgenomen, en dan nog alleen als er van deze teksten verondersteld wordt dat ze teruggaan op Middelnederlandse bronnen.
De sproke als gesproken (niet-gezongen) tekst
Sproken zijn gemaakt om gedeclameerd te worden, en niet om te worden gezongen. Een bepaald type sproken echter, de minneredes, zijn dikwijls overgeleverd in een liederencontext. Wanneer die liederen niet vergezeld gaan van muzieknotatie of van een andere vorm van wijsaanduiding, weet men niet altijd zeker of een tekst bedoeld was om gezongen of gezegd te worden.
Hoe kan men nu de teksten die bedoeld waren om op gesproken toon voorgedragen te worden, de ‘echte sproken’, onderscheiden van de liederen? In het algemeen gaat men ervan uit dat paarsgewijs rijmende gedichten bestemd waren voor de gesproken voordracht en strofische gedichten voor de zang. Het behoeft nauwelijks betoog dat dit principe door talloze Middelnederlandse liederen gelegitimeerd wordt: vrijwel alle teksten waarvan men zeker weet dat het liederen zijn (bijvoorbeeld door het opschrift, door begeleidende muzieknotatie en/of doordat ze zijn overgeleverd in een liedbundel), hebben een strofisch rijmschema.
De sproke als sprekerstekst
Wanneer we de sproke definiëren als een teksttype dat door (beroeps)sprekers ten gehore is gebracht, maken we gebruik van een sociologisch criterium, waardoor literatuuruitingen die met andere ontstaans- en receptievormen verbonden zijn, worden uitgesloten. Daarmee hoort ook rederijkersliteratuur per definitie niet tot de sproken. Het begrip ‘rederijkersliteratuur’ immers relateert deze literatuur concreet aan ‘als gilden of broederschappen ingerichte dicht- en toneelgezelschappen, de zogenaamde ‘guldens’, ‘scholen’ of ‘camers vander rhetoryken’’ die in de vijftiende en zestiende eeuw furore maakten. Voor zover bekend maakten beroepssprekers van dit soort gezelschappen geen deel uit.
De sproke als voordrachtstekst
De sproke is in onze definitie een tekst die gekenmerkt wordt door zijn orale karakter: een sproke is bedoeld om te worden voorgedragen door een spreker en beluisterd door zijn publiek. Teksten die gemaakt zijn om individueel te worden gelezen, zijn geen sproken. Om vast te stellen met welk doel een tekst gemaakt is, zouden we dus moeten weten welke receptievorm(en) de auteur bij het concipiëren van zijn tekst voor ogen stond. Vanzelfsprekend kan een tekst in tweede instantie op een andere wijze gefunctioneerd hebben. Primair voor de voordracht bestemde teksten kunnen later immers ook gelezen, en in eerste instantie voor de lectuur bestemde gedichten kunnen ook beluisterd zijn.
Waaraan kan men zien of een tekst bedoeld is om te worden voorgedragen of om te worden gelezen?
Wij kunnen slechts nagaan in hoeverre in de teksten formules voorkomen die typerend zijn voor voordrachtsliteratuur, terzijdes die de betrokkenheid suggereren van een reciterend verteller en een luisterend publiek.
Een klassieker onder de veronderstelde voordrachtsfrasen is de aansporing nu hoert. Horen hoeft echter niet alleen te refereren aan het opnemen van gesproken informatie, maar kan ook de receptie van geschreven informatie betekenen.
Overtuigender indicaties dat een tekst als voordrachtstekst bedoeld is, zijn tekstplaatsen waarin het publiek gevraagd wordt om te zwijgen of plaatsen die anderszins blijk geven van direct contact tussen de voordrager en zijn publiek (zoals het speculeren op een beloning).
Directe aansprekingen lijken op het eerste gezicht ook kenmerkend voor de voordrachtstekst, maar ze vormen geen werkelijk onderscheidend criterium. Het is immers ook denkbaar dat een tekst die bestemd was om gelezen te worden, zich met Ghi heren tot de geïntendeerde lezers richt.
Nauwelijks van belang als voordrachtscriterium zijn uitingen waarin de vertelinstantie het eigen handelen benoemt. Men zou hoogstens kunnen vermoeden dat wanneer dergelijke frasen vaak in een tekst voorkomen, dit een aanwijzing is voor een behoefte aan direct contact met het publiek – iets wat men eerder van en spreker zou verwachten dan van een auteur van een leestekst.
Eén van de meest overtuigende aanwijzingen dat we met een voordrachtstekst te maken hebben, is het gebruik van het werkwoord ‘zwijgen’. Een spreker kan van zichzelf zeggen dat hij er het zwijgen toe doet. Ook wanneer het publiek gevraagd wordt te zwijgen, wijst dat op een concrete voordrachtssituatie.
Hoofdstuk 3 Overlevering
Auteurs en sprekers
Meestal zal de auteur van een sproke ook degene zijn geweest die deze sproke voor het eerst voordroeg, maar de tekst kan al heel snel daarna in handen geraakt zijn van andere sprekers, al dan niet met medeweten van de auteur. Deze stap markeert een eerste fase in het overleveringsproces van de sproke.
Normaal gesproken zal een spreker die een door iemand anders geschreven sproke voordroeg, niet de naam van de auteur vermeld hebben. Zo kon hij de sproke laten doorgaan voor een door hemzelf gemaakte tekst. Dat kan de waardering (en dus de beloning) immers alleen maar ten goede komen.
We nemen aan dat de meeste sprekers zowel eigen als andermans werk hebben voorgedragen. En waarschijnlijk veranderden zij hun teksten in overeenstemming met het publiek en de situatie van dat moment.
Schriftelijke en mondelinge overlevering
De meeste sproken zullen nadat ze door hun auteur op schrift gesteld zijn, vroeger of later wel in handen van derden geraakt zijn. Maar er zijn waarschijnlijk ook sproken geweest die het stadium van een schriftelijke fixatie nimmer bereikten, omdat deze in het hoofd van de ‘auteur’ ontstonden, door deze zelfde auteur voorgedragen werden, en nooit opgeschreven werden. Ook kunnen er sprekers zijn geweest die sproken ten gehore brachten die zij door anderen hadden horen voordragen, eveneens zonder tussenkomst van het schrift. Dat sprekers hun vak konden uitoefenen zonder gebruik te maken van het schrift, wordt in ieder geval bevestigd door het bestaan van blinde sprekers. Gegevens over hoe groot het aandeel van de mondelinge verbreiding is geweest in vergelijking met de schriftelijke, en hoe sprekers daarbij te werk gingen, ontbreken volledig.
Wanneer een sproke meervoudig is overgeleverd zou men de verschillende redacties/versies met elkaar kunnen vergelijken om na te gaan of de verschillen iets zeggen over de weg waarlangs de tekst is overgeleverd. Wanneer tekstparen grotere verschillen vertonen, kan dat twee oorzaken hebben: ofwel we hebben te maken met een (bewuste) bewerking, ofwel met een ‘versleten versie’, dat wil zeggen: een versie die door het overleveringsproces ingrijpend veranderd is. In het eerste geval moeten we aannemen dat de bewerker een geschreven exemplaar tot zijn beschikking had.
Voorbeelden van bewerkingen van Middelnederlandse sproken zijn zeldzaam. Het is trouwens ook niet altijd uit te maken of er sprake is van een (bewuste) bewerking of van een versleten versie.
Tussen twee schriftelijke redacties/versies kunnen één of meer mondelinge versies liggen. Wanneer een spreker een sproke zonder hulp van een geschreven voorbeeld wilde memoriseren, dan had hij daar onvermijdelijk de hulp bij nodig van iemand die de tekst uit het hoofd kende. Deze gang van zaken zou kunnen verklaren waarom er tekstparen bestaan die weliswaar grotendeels identiek zijn, maar waarin toch ook verschillen voorkomen die niet verklaard kunnen worden uit kopiistenfouten of –varianten en waarin evenmin sprake lijkt van een bewerking.
Een analyse van de varianten van meervoudig overgeleverde teksten zou gegevens kunnen opleveren met betrekking tot de vraag hoe sproken verspreid zijn: via het schrift, via het geheugen, of door een combinatie van beide. Ook zou zo’n onderzoek meer licht kunnen werpen op eventuele bewerkingstendensen en daarmee te verbinden veranderende publiekskringen of sprekersintenties.
In het merendeel van de Middelnederlandse sproken die in meer dan één handschrift zijn overgeleverd, staan geen passages die wijzen op mondelinge stadia in de overlevering. Dat zou betekenen dat de meeste sproken áls ze eenmaal op schrift terecht gekomen zijn, verder schriftelijk overgeleverd worden. Het is niet uitgesloten dat men door tekstversies te vergelijken hypotheses zou kunnen formuleren die betrekking hebben op het karakter van de gehele codex.
Wie schreven sproken op?
De eersten die in aanmerking komen om sproken genoteerd te hebben zijn natuurlijk de sprekers zelf. Blinde sprekers daargelaten, zullen de meeste sprekers er belang bij hebben gehad om hun repertoire op schrift te hebben. Het repertoire kon zowel bestaan uit eigen werk, als uit sproken van anderen. Wanneer een auteur een verzameling aanlegt van uitsluitend eigen werk, kunnen we spreken van een auteursverzameling. Zo’n auteursverzameling kan tevens functioneren als repertoirehandschrift. Maar ook anderen kunnen het werk van één auteur verzamelen en in een handschrift bijeenbrengen, en ook deze collectie kan (voor iemand anders dan de auteur) weer als repertoirehandschrift functioneren. Het enige bekende voorbeeld van een auteursverzameling die door de auteur zelf is samengesteld en die mogelijk gefunctioneerd heeft als repertoirehandschrift, is het literaire voorwerk in het Wapenboek Gelre.
Behalve de sprekers zelf hadden ook de heren voor wie ze optraden soms belangstelling voor een uitgeschreven tekst. Zo blijkt uit een drietal rekeningposten dat sprekers soms hun teksten overhandigden. Deze teksten werden, naar men mag aannemen, speciaal voor deze gelegenheid geschreven en dat maakt het begrijpelijk waarom ze ook werden overhandigd. Bij sproken waarin meer algemene onderwerpen aan de orde kwamen, zullen de voordragers minder geneigd zijn geweest om na de voordracht een exemplaar van hun tekst aan te bieden.
Niet alleen sprekers zelf en degenen voor wie ze optraden moeten over opgeschreven sproken beschikt hebben. Er is nog een derde categorie personen die daar belang bij heeft gehad: degenen die een schrijfbedrijf exploiteerden. Het bestaan van kleine, particuliere schrijfbedrijven waarin een (of twee) kopiisten teksten kopieerden met commerciële doeleinden, wordt steeds aannemelijker. Het Brusselse handschrift-Van Hulthem wordt regelmatig genoemd als een handschrift dat in zo’n bedrijf gebruikt zou kunnen zijn.
Tekstdragers van sproken
Verreweg de grootste hoeveelheid sproken is ons bekend uit (grote) verzamelhandschriften. Toch is deze vorm van overlevering waarschijnlijk allerminst representatief voor het proces van verschriftelijking dat sproken hebben doorgemaakt. Aan de optekening van een sproke in een verzamelhandschrift zullen vrijwel altijd een of meer schriftelijke fasen voorafgegaan zijn. De sproken die het brachten tot optekening in een verzamelhandschrift vormen waarschijnlijk slechts het topje van de sproken-ijsberg. Er is zelfs reden te veronderstellen dat het verzamelhandschrift, waaruit wij de meeste sproken kennen, niet de meest gebruikelijke overleveringsvorm is geweest, maar dat het alleen betere kansen heeft gehad in het overleveringsproces.
Het beginpunt van de schriftelijke overlevering van een sproke is vrijwel altijd de autograaf van de sprokendichter. Zo’n sproke zal in eerste instantie door de auteur op een afzonderlijk vel genoteerd zijn.
In een artikel in het tijdschrift Queeste heeft J.W. Klein betoogd dat het handschrift met daarin één tekst zo’n algemeen verschijnsel is geweest in de Middeleeuwen – ‘misschien wel het meest voorkomende codicologische type’ – dat het een eigen naam zou moeten krijgen. Hij stelt de term ‘enkeltekst-handschrift’ voor.
Klein stelt voor om zo’n boekje met één tekst een libellus te noemen.
Klein neemt aan dat men teksten die te kort waren om in een libellus op te nemen, op rollen schreef. Genres als gebeden, rijmspreuken, lyriek en sproken maken daarom een goede kans in eerste instantie op een rol genoteerd te zijn. Juist versteksten die op rollen werden geschreven, werden bovendien vaak achter elkaar door ‘als proza’ opgeschreven, omdat daardoor de schrijfruimte anderhalf keer zo groot wordt.
Het aantal overgeleverde rollen met Middelnederlandse tekst is zeer gering. Er zijn er drie met berijmde gebeden bekend en er is er één met minnespreuken. Ook bestaat er één rol waarop een sproke geschreven staat.
Er bestaan enkele aanwijzingen dat sproken ook op losse bladen genoteerd werden. Er zijn (resten van) twee bladen met sproken overgeleverd.
Een volgend type tekstdrager waarop sproken genoteerd werden, is het kleine één-koloms-handschrift.
Enkeltekst-handschriften met sproken (dat wil zeggen: handschriften waarin niet meer dan één sproke genoteerd staat) zijn niet overgeleverd. De hierboven geciteerde rekeningposten waaruit blijkt dat sprekers soms hun teksten overhandigen aan de heer voor wie ze deze voorgedragen hebben, zou als een indirecte aanwijzing voor het bestaan van enkeltekst-handschriften kunnen worden opgevat. Uit deze vermeldingen is niet op te maken of het hier gaat om sproken genoteerd in een klein handschrift (van minimaal drie dubbelbladen) of om sproken op een blad of een rol.
De verzamelhandschriften vormen de laatste fase in de overleveringsketen. Voor het hedendaags onderzoek zijn ze weliswaar essentieel, maar in de bloeitijd van de sproken was het belang ervan voor de overlevering van teksten waarschijnlijk veel kleiner dan dat van de teksten op rollen, losse bladen en in kleine verzamelbrochures.
Middelnederlandse sproken komen verreweg het meeste voor in grote verzamelhandschriften die bestaan uit een verzameling van (uitsluitend of voornamelijk) korte teksten. Maar er zijn ook verzamelhandschriften die zijn aangelegd met het doel er een of meer grote teksten in op te nemen en waar de overgebleven ruimte werd benut om één of meer sproke(n) vast te leggen.
Tekstdragers met sproken en hun functie
Het is aantrekkelijk om het type tekstdrager waarop een sproke is overgeleverd in verband te brengen met de mogelijke functie van de tekst in deze bron. Zo kan men veronderstellen dat een tekst die is genoteerd op een rol, op een los blad of in een klein handschrift, gebruikt is bij de voordracht. Het is mogelijk dat sproken in verzamelhandschriften zijn opgetekend met de bedoeling individueel gelezen te worden. Maar verzamelhandschriften kunnen ook gefunctioneerd hebben als leggers in schrijfbedrijven. En voor de (oorspronkelijk los van elkaar bestaande) delen van het Comburgse handschrift wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat deze konden worden uitgeleend voor de voordracht of voor voorleessessies.
Schriftelijke verbreiding
Meervoudig overgeleverde sproken kunnen ons een indruk geven van de mate waarin deze sproken schriftelijk verbreid zijn.
Uit de meervoudig overgeleverde sproken blijkt dus dat er behalve een mondelinge, ook een vrij levendige schriftelijke sprokentraditie bestaan heeft.
Ook het feit dat er sproken zijn waarvan de tekst overeenkomt met passages uit langere teksten, wijst op het bestaan van een schriftelijke traditie. In al deze gevallen is het aannemelijk dat de langere tekst ouder is dan de sproke; de sproke-tekst is hieraan dus waarschijnlijk ontleend.
Men kan zich afvragen waarom bepaalde sproken vaker opgetekend zijn dan andere. Het is opvallend dat onder de meermaals overgeleverde sproken een relatief hoog percentage teksten van ‘top-auteurs’ vertegenwoordigd is. Zegt dit iets over de kwaliteit die men bij deze auteurs herkende, of beschikten zij, anders dan de meesten van hun collega’s, alleen maar over uitgeschreven exemplaren van hun teksten om die aan belangstellenden te overhandigen of te verkopen?
Hoofdstuk 4 Inhoud
De sproke als belerende tekst
De sproke komt tot bloei in een periode die door velen gezien wordt als een tijdperk van culturele crisis. Hildegaersberch wil dan ook niets liever dan zijn publiek een uitweg bieden uit deze malaise. Hij heeft een scherp oog voor wat er in deze tijd van een dichter verlangd wordt: eerst en vooral een moreel baken in de duisternis te zijn. Dit blijkt uit de inhoud van zijn sproken, waarin vrijwel altijd serieuze onderwerpen behandeld worden, en met name uit de epilogen, die dikwijls expliciete raadplegingen bevatten.
De sproken die niet van Hildegaersberchs hand zijn, zijn meestal minder somber tentoongezet, maar ook daarin wordt mening advies ten beste gegeven. Het geven van dergelijke zelfbewuste raadgevingen is voor de spreker zelf niet minder van belang dan voor de gewaardeerde toehoorder. Hij kan zich daardoor immers de rol aanmeten van autoriteit, hetgeen hem in zijn moeizame strijd om erkenning en waardering goed van pas zal zijn gekomen. Nu wordt weliswaar alle middeleeuwse literatuur gekenmerkt door het feit dat zij primair agogisch van aard is, maar in de sproken is dat veel nadrukkelijker het geval dan in bijvoorbeeld roman of lied.
De traktaatstijl: een passie voor ‘poenten’
Veel sproken lijken in formeel opzicht rekenschap af te leggen van de dwingende behoefte greep te houden op een steeds onoverzichtelijker wordende wereld. De wijze waarop veel beschouwende sproken gestructureerd zijn, maakt dat de toehoorder de leerinhoud gemakkelijk in zich op kan nemen. Het behandelde thema wordt nogal eens opgedeeld in categorieën, dikwijls poenten genoemd, hetgeen soms in de titel al wordt aangekondigd.
Dezelfde behoefte tot ordening manifesteert zich in de ‘lettergedichten’.
De traktaatstijl kan, in ieder geval ten dele, verklaard worden uit het orale karakter van de sproke. Deze stijl is er immers op gericht de luisteraar in staat te stellen de inhoud van de sproke zo goed mogelijk in het geheugen vast te houden. Door van te voren aan te kondigen uit hoeveel onderdelen de nu volgende sproke zal bestaan, weet de luisteraar wat hem te wachten staat en zijn de voorwaarden om het vertelde vast te houden optimaal.
Sproken als exempelen
De balans tussen ‘nuttig’ en ‘aangenaam’ slaat in de meeste sproken sterk naar het eerste door. Meestal wordt er geen verhaal verteld, maar geeft men een beschouwing ten beste. Toch zijn er ook nog heel wat verhalende sproken. Het gaat daarbij niet zozeer om de aardigheid van het verhaal, maar vooral om er een waardevolle les mee te demonstreren. Anekdotische teksten waarin zo’n levensles gedemonstreerd wordt, worden dan ook nogal eens bispel of exempel genoemd: een verhaal met een moraliserende strekking.
In sommige van de verhalende sproken is een tendens aanwezig naar een indeling volgens het schema proloog-kern-slot. Ook dat maakt duidelijk waar het inhoudelijk zwaartepunt ligt: op de moraal waarmee de tekst besluit.
In de meeste sproken vindt men deze opbouw niet zo expliciet verwoord als hier het geval is, maar toch worden heel wat verhalende sproken op deze manier gestructureerd (dat geldt ook voor de ereredes). De dichter valt meestal niet meteen met de deur in huis, maar verkondigt aan het begin nogal eens een algemene waarheid, die hij aan de hand van het navolgende belooft te zullen adstrueren.
Vermakelijke sproken
Dat de verwoording van een of andere les als kenmerkend voor de sproke werd gezien, lijkt indirect ook te worden bevestigd door een subtype van de sproke: de boerde. De moraal in de boerden wordt als een problematische kwestie beschouwd. Lodder stelde vast dat minstens twaalf van de negentien door Kruyskamp als boerden beschouwde teksten een moraal hebben. De aard van die moraal is echter nogal verschillend. Soms is deze volstrekt serieus op te vatten, maar in andere gevallen lijkt er sprake van een moraal die geen moraal is: de moraal wordt in het verhaal gerelativeerd of opgeheven, zodat het verhaal in het geheel geen exemplarische of didactische geldigheid heeft. In dat geval fungeert de boerde blijkbaar als louter amusement.
Bij nadere beschouwing lijkt er in sommige boerden echter niet zozeer sprake van een opheffing of relativering van de moraal in kwestie, maar eerder van een moraal die er met de haren bijgesleept is.
De proloog en epiloog staan bij het publiek traditioneel bekend als de aangewezen plaatsen voor moraliserende en brave uitspraken.
Het lijkt er op dat de traditie van het genre bepaalde dat er toch iets van een moraal moest worden toegevoegd, waar de spreker dan (al dan niet met een knipoog) aan voldeed.
Niet alleen de boerden hebben een amuserende functie, ook de minneraadsels horen thuis op het repertoire van de spreker die zijn publiek wil vermaken. Sommige teksten leveren bovendien ook de oplossing. De bedoeling was ongetwijfeld dat de spreker de ‘oplossing’ pas ten gehore zou brengen, nadat het publiek de vraag uitgebreid had bediscussieerd. In deze raadselgedichten wordt het publiek dus expliciet uitgenodigd om deel te nemen aan het spel.
Ook de ereredes hebben een raadselelement in zich. De dadenbeschrijving lijkt ingericht op een langzame, gefaseerde onthulling van de identiteit door wél de daden te beschrijven, maar de identiteit van de bedoelde ridder (nog) niet prijs te geven. In de ereredes van voor 1340-1350 ontbrak de dadenbeschrijving en vormde de wapenbeschrijving de sleutel tot de identiteit van de geprezene.
Stofverwerving
Hoe kwamen sprokenauteurs aan hun stof? In enkele sproken wordt daar, zij het ook zeer terloops, wel iets over gezegd. Er is reden om het vertellers-ik niet altijd op voorhand te geloven, want deze kan er belang bij hebben om de feiten hieromtrent te verzwijgen of te verdraaien. Wanneer de verteller bijvoorbeeld zegt een anekdote laatstelijk te hebben horen vertellen, kan dat waar zijn, maar hij kan het ook zeggen omdat dat zijn verhaal iets meer cachet verleent of omdat het past bij het soort sproke dat hij op dat moment wil voordragen. Op die manier kan de verteller zichzelf presenteren als de rondreizende avonturier die van alles hoort, ziet en meemaakt. Voor een ander type sproken, vooral de meer belerende, kan het te prefereren zijn om te doen alsof men de tekst – liefst in het Latijn – gelezen heeft. Dat kan het vertelde in de ogen van de middeleeuwer autoriteit verschaffen en het geloofwaardiger maken.
Maar waarom zouden de mededelingen over de wijze van stofverwerving in de sproken niet ook een kern van waarheid bevatten? Kennelijk waren ze voor het publiek geloofwaardig, anders zouden de auteurs ze niet in hun teksten hebben opgenomen. Laten we eens nagaan wat er in de teksten zelf over gezegd wordt. De stof voor de sproke blijkt op verschillende wijzen verworven te kunnen worden: de verteller geeft aan iets gehoord te hebben, hij zegt iets gelezen te hebben of hij beweert dat hij iets in een droom heeft meegemaakt.
Er heeft blijkbaar een levendige mondelinge uitwisseling van sproken- en boerdenstof plaatsgevonden tussen Frankrijk, Duitsland, Italië, Engeland en de Nederlanden. Sprekers hoorden verhalen vertellen en zullen de stof daarvan dikwijls zelf tot nieuwe sproken hebben omgesmeed; een enkele keer blijken ze de beschikking hebben gehad over een tekst op schrift.
Een andere aanwijzing voor het bestaan van een mondelinge verteltraditie waaraan sprokenauteurs hun stof ontlenen, is het voorkomen van verschillende bewerkingen van identieke verhaalstof.
In de gevallen waarin in een sproke melding wordt gemaakt van een schriftelijke bron, is er alle aanleiding om aan te nemen dat de dichter wat dat betreft de waarheid spreekt. Meestal kan men de inhoud van deze sproken inderdaad aantreffen in andere middeleeuwse teksten. Bovendien gaat het in veel gevallen om teksten waarvan bekend is dat ze in de Middeleeuwen reeds een tamelijk ruime verspreiding hebben gekend.
In het algemeen kunnen we veronderstellen dat veel profane verhalende sproken gebaseerd zijn op stof die afkomstig is uit het orale circuit, en dat voor mirakelsproken en beschouwende sproken af en toe gebruik gemaakt werd van een schriftelijke bron.
Dat voor de anekdotische korte epiek in het algemeen nauwelijks schriftelijke bronnen zijn aan te wijzen en voor de meer beschouwende sproken vaker, zou verklaard kunnen worden vanuit de aard van het episch materiaal. Anekdotes maakten veel meer deel uit van een mondelinge cultuur van vermakelijke en sterke verhalen en ze zijn (althans in hoofdlijnen) veel gemakkelijker te onthouden dan verhandelingen die meer beschouwend van aard zijn.
De auteur kan zijn stof opdoen in het mondelinge circuit of deze uit zijn lectuur putten. De uitspraken over deze beide wijzen van stofverwerving zijn in principe serieus te nemen. Dat geldt waarschijnlijk in mindere mate voor een derde type beweringen over de herkomst van de vertelde gebeurtenissen in de sproke. Het komt regelmatig voor dat de verteller verslag doet van hetgeen hem in een droom of visioen is overkomen. Vooral in minne- en ereredes en minnesproken treedt nogal eens een verteller op die een beschrijving geeft van een ontmoeting met een (al dan niet allegorisch) personage – heel vaak een vrouw – die hem allerlei wetenswaardigs openbaart. Het is de taak van de ik-verteller weer te geven wat hij heeft geleerd van het personage dat hij (in een droom of visioen, of in werkelijkheid) tegenkwam.
Typologie van de sproke
De eerste serieuze poging tot indeling van de korte epiek werd voor het Duits ondernomen door Fischer. Een centrale plaats in zijn systeem wordt ingenomen door de fundamentele tweedeling in Reden en Erzählungen. Het eerste type is discursief en wordt dus gekenmerkt door het overheersen van de uiteenzetting en redenering, waarin gedachten op logische wijze aan elkaar geknoopt worden. Het tweede type is verhalend van aard: er wordt verslag gedaan van een voorval.
Een bezwaar tegen dit systeem is dat veel teksten geen zuivere belichaming van één van beide type vormen. In gevallen als deze kan men proberen vast te stellen waar het zwaarste accent ligt: op de verhandeling of op de vertelling. De sproke kan dienovereenkomstig als ‘betogend’ of als ‘verhalend’ worden opgevat.
De beide hoofdcategorieën (verhandeling en vertelling) worden door Fischer nog nader onderverdeeld in wereldlijke en geestelijke subcategorieën.
Binnen de overlevering van de Middelnederlandse sproken lijkt van een bewustzijn van subgenres onder de sproken nauwelijks sprake. In die handschriften waarin verschillende sprokentypes vertegenwoordigd zijn, komen verhalende en betogende teksten door elkaar voor; en ook van een onderscheid tussen geestelijke en wereldlijke teksten is weinig te merken. Wel is het zo dat in de handschriften soms een bepaalde voorkeur voor een bepaald type sproke aan de dag gelegd wordt.
Om tot genrebewustzijn binnen de Middelnederlandse overlevering te kunnen besluiten zou men binnen één handschrift duidelijk afzonderlijke groepen moeten kunnen onderscheiden, maar dit soort handschriften zijn er niet in ons taalgebied. Dat hoeft echter niet in te houden dat men zich in de Middeleeuwen niet bewust was van verschillen tussen de sproken; het betekent alleen maar dat men er bij de samenstelling van de handschriften geen rekening mee gehouden heeft, om wat voor reden dan ook. Enkele van de Duitse Kleinepik-Sammlungen tonen echter voldoende aan dat een zeker genre-bewustzijn binnen de korte epiek wel degelijk bestond. De criteria waarnaar werd onderscheiden, hebben betrekking op het verschil tussen wereldlijke en geestelijke teksten en dat tussen verhalende en betogende teksten.
Aangezien deze onderscheidingscriteria niet alleen (tot op zekere hoogte) historisch verantwoord zijn, maar ook praktisch uitvoerbaar, wordt het in het sprokenrepertorium gepresenteerde tekstverhaal getypeerd volgens deze criteria. Daarbij krijgt de dichotomie ‘wereldlijk-geestelijk’ de prioriteit boven ‘verhalend-betogend’.
Ruim twee derde van de sproken (circa 250) bevat wereldlijke lering, dat wil zeggen lering op het gebied van de profane lekenethiek. De rest van de sproken (circa 110) is eerder geestelijk van aard.
Hoofdstuk 5 De sprekers
Sprekers in de bronnen
Het aantal passages in literaire bronnen dat betrekking heeft op sprekers is uitermate schaars. Wel bevatten de rekeningen van hoven en steden een beperkte hoeveelheid interessante (en niet zelden amusante) gegevens. Maar ook op basis van de vermeldingen in de rekeningen kan men zich nauwelijks een beeld vormen van de werkzaamheid van de sprekers. Men kan er meestal niet meer uit afleiden dan welke sprekers waar en wanneer hebben opgetreden en wat ze daarvoor ontvangen hebben. De hoogte van de beloning kan iets zeggen over de waardering die men voor het optreden had, maar minstens zo vaak lijkt deze vooral de status van de (eventuele) heer bij wie de spreker behoorde, te weerspiegelen. Wel zou men op basis van rekeningen conclusies kunnen trekken over hoe vaak er aan een hof naar sprekers werd geluisterd.
Vroege sprekers en sproken
De rondtrekkende sprekers staan in de traditie van de minstreels of speellieden, die al vanaf de vroegste tijden langs ’s heren wegen trokken om overal waar ze maar welkom waren hun kunsten te vertonen.
In Middelnederlandse teksten die dateren uit de dertiende eeuw wordt het woord ‘spreker’ in de betekenis van ‘iemand die gedichten voordraagt’ nog nergens gebruikt. Pas in de jaren veertig van de veertiende eeuw treffen we in rekeningen uit de Nederlanden de eerste sprekers aan.
Uit het voorgaande kunnen we afleiden dat er vanaf het eind van de dertiende eeuw al sproken gemaakt werden. Bovendien blijkt dat veel van de oudste sproken sterk historisch getint zijn en gericht waren op een adellijk publiek.
Rondtrekkende voordrachtskunstenaars zijn er, voor zover valt na te gaan, altijd geweest. Het moment waarop zij niet langer uitsluitend langere teksten (ridderromans en heiligenlevens) ten beste gaven, maar ook korter werk gingen voordragen, ligt vermoedelijk ergens aan het einde van de dertiende eeuw, omdat dan de eerste sproken worden gemaakt. De specialisatie tot spreker van sproken (sprookspreker) lijkt zich pas halverwege de veertiende eeuw te voltrekken. Voordat deze zijn beslag kreeg, wordt aan de rondtrekkende entertainer gerefereerd met de algemene term ‘minstreel’.
In laat-veertiende-eeuwse rekeningen worden met het begrip ‘minstreel’ nog vrijwel uitsluitend instrumentalisten aangeduid, en in de vijftiende eeuw komt het woord helemaal niet meer voor.
Sociale positie
Sprekers, voor wie het voordragen van teksten een voorname bron van inkomsten was, konden alleen de kost verdienen wanneer zij rondtrokken. Fulltime dichters met een vaste woonplaats waren er (voor zover we weten) hier te lande niet in de Middeleeuwen. Voor auteurs die op een vaste plaats woonden en werkten, was literair schrijven een neventaak naast het dagelijks werk waarmee zij in hun levensonderhoud voorzagen. Degenen die van hun dichtkunst moesten leven, leidden een zwervend bestaan. Sprekers werden pas betaald ná de voordracht en ze konden het zich dus niet permitteren om in alle rust een werk van enkele duizenden verzen te schrijven. In de tijd die het schrijven in beslag nam, moesten ze immers ook leven, en dus maakten ze korte teksten, die op verschillende plaatsen ten gelde gemaakt konden worden.
Een geliefd middel voor rondtrekkende entertainers om enige bestaanszekerheid te verwerven was het ‘instrument’: een aanbevelingsbrief van een hooggeplaatste waarin deze de brenger van de brief aanbeval in de gunsten van degenen aan wie de brief gericht was. Dat de exacte formulering van zulke brieven is opgetekend in formuleboeken vormt een belangrijke aanwijzing voor de grote mate waarin hiervan gebruik werd gemaakt. De antwoordformules, inhoudend dat men het verzoek had ingewilligd, zijn eveneens bewaard gebleven in de formuleboeken.
Vergelijkbaar met de functie van het ‘instrument’ is de gewoonte om penningen of schildjes bij zich te dragen met het wapen van een heer met wie de drager een zekere band had.
Willem van Hildegaersberch had zeer nauwe betrekkingen met het Hollandse gravenhof.
Welke voorrechten kan een spreker ontlenen aan het ‘behoren bij’ een heer? Het belangrijkste voordeel lijkt gelegen in het feit dat zo’n spreker meereist in diens gevolg en daardoor in de gelegenheid is elders beloningen op te strijken.
De bijzondere relatie van een spreker met zijn heer kon ook worden uitgedrukt in een nieuwjaarsgift.
Een dienstverband als dat van Willem en Bertelmees betekende niet dat de beide dichters permanent aanwezig waren aan de zijde van hun beschermheer. Integendeel: het is het waarschijnlijkst dat zij steeds maar tijdelijk onderdak bij hun mecenas hebben gevonden, en na verloop van tijd weer de baan opgestuurd werden. Zo bezien behoren de sprekers tot de categorie van personen die een los-vast dienstverband met hun heer hadden en zich slechts op gezette tijden aan het hof vertoonden. Wanneer de sprekers zich opmaakten om te vertrekken naar een volgend adres, was het overigens wel gebruikelijk dat ze wat geld meekregen voor onderweg.
Een dienstverband heeft ook nadelen voor de spreker. Hij is niet vrij, wat in sprekerstermen mogelijk ook betekent: hij mag niet zeggen wat hij wil en moet zijn heer naar de mond praten.
Neventaken
Het beroep van de heraut bracht met zich mee dat deze over verbale kwaliteiten beschikte. Herauten konden daarom, naast hun hoofdtaak, ook gedichten maken en voordragen. Wanneer ze dat deden, kunnen ze als ‘spreker’ in de boeken terecht zijn gekomen.
Willem van Hildegaersberch is de enige bij naam bekende Middelnederlandse sprookspreker van wie wordt aangenomen dat hij volledig afhankelijk was van de inkomsten die het spreken hem opleverden. Van de andere sprekers van naam weten we te weinig om te kunnen uitmaken of ze van het voordragen van sproken konden leven.
Sprekers die voortdurend op reis waren, konden natuurlijk alleen taken vervullen die zich met zo’n wisselvallig bestaan lieten combineren. Maar misschien moet men wel eerder zeggen: zij die omwille van beroep of studie veel op reis waren, konden met het voordragen van sproken (en het verzorgen van andere vormen van entertainment) wellicht wat bijverdienen. Helaas beschikken we nauwelijks over biografische gegevens over met naam bekende sprekers, zodat hierover weinig concreets valt op te merken. Wel is er in het algemeen iets te zeggen over groepen die door hun levenswijze in de gelegenheid waren als rondzwervend spreker op te treden.
Klerikale sprekers
De (nog) niet gevestigde clerici, die als zwervende studenten rondtrokken langs de universiteiten van Europa, waren wel in het bijzonder geëquipeerd voor literaire bezigheden. Hun opleiding verschafte hun de vertrouwdheid met literatuur, hun zwervend bestaan leverde hun waarschijnlijk tal van anekdotes op. Wellicht mogen we Augustijnken als een Middelnederlandse vertegenwoordiger van deze klasse der clerici vagi zien.
Met name de sproken waarvan de stof aan Latijnse bronnen ontleend is, komen ervoor in aanmerking te worden toegeschreven aan de rondtrekkende clerici.
Adellijke sprekers
Evenals de rondzwervende clerici waren ook edelen vaak onderweg. Zij reisden dikwijls naar andere hoven, met diplomatieke bedoelingen of om deel te nemen aan toernooien en hoffeesten. Wie zich bij zulke gelegenheden wilde doen kennen als iemand die wist hoe het hoorde, kon dat doen door tijdens feestelijke bijeenkomsten een of meer hoofse liederen voor te dragen. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat in de Hollandse grafelijkheidsrekeningen (uit de periode 1370-1417) betrekkelijk weinig professionele zangers beloond zijn, want, waar het publiek optreedt als entertainer van zichzelf gaat dit uiteraard niet gepaard met een financiële transactie. Betalingen aan muzikanten, sprekers en herauten daarentegen komen veel vaker voor. Men is daarom geneigd aan te nemen dat er in de decennia rond 1400 sprake was van een zekere taakverdeling in de voordracht van literaire genres aan het hof. De adel zou dan het leeuwendeel van de hoofse lyriek voor zijn rekening genomen hebben en het voordragen van sproken was het terrein van de beroepssprekers.
Toch mogen we niet uitsluiten dat adellijke amateurs behalve liederen ook (af en toe) sproken voorgedragen hebben.
Het sprokentype dat het meest in aanmerking komt om door de adellijke amateur te zijn gedicht en voorgedragen, is de minnerede, die thematisch nauw aansluit bij de minnelyriek.
De sproken die mogelijk met adellijke (amateur- of beroeps)sprekers in verband gebracht kunnen worden, zijn thematisch nauw verwant: het zijn alle minne- en ereredes. Heraut-sprekers, die niet noodzakelijk van adellijke komaf zijn, hebben zich overigens op dezelfde thema’s toegelegd.
‘Met dichtenei c mi cleine genere’
De concrete aanleiding tot het vervaardigen van een sproke behoeft niet altijd door economische overwegingen te zijn ingegeven. Maar we krijgen maar hoogst zelden inzicht in de redenen die iemand ertoe bewoog een sproke te dichten. Zelfs al lijkt de formulering in een bepaalde sproke te suggereren dat deze niet (of althans niet primair) omwille van de beloning is gemaakt, dan is daarmee nog niet gezegd dat de spreker deze ook daadwerkelijk van de hand zou wijzen.
Hoofdstuk 6 Publiek en functie
Sprekers bij de adel
Dat sprekers regelmatig optraden aan adellijke hoven blijkt ondubbelzinnig uit de vele sprekersoptredens die vermeld worden in bewaard gebleven hofrekeningen. De vroegste vermeldingen van (als zodanig aangeduide) sprekers die optreden voor de adel dateren uit 1342-1343.
In de laatste decennia van de veertiende eeuw is het een komen en gaan van sprekers aan de hoven; de sproke is nog nooit zo populair geweest. In de vijftiende eeuw treden sprekers nog steeds voor edelen op, zij het in (veel) mindere mate dan daarvoor.
Als we op de bronnen afgaan, was de spreker die het meeste succes oogstte bij de adel Willem van Hildegaersberch. Uit zijn sproken komt ook duidelijk naar voren tot wie hij zich in de eerste plaats wenste te richten. Hij spreekt zijn adellijke toehoorders direct aan (meestal met Ghi heren), geeft expliciete raad over hoe te regeren, bevestigt de adel in de haar toevertrouwde taak op aarde, waarschuwt voor de gevolgen van wanbeleid en slechte adviseurs, maar moraliseert ook in algemene zin.
Ook de ereredes van heraut Gelre zijn zozeer verbonden met een ridderlijke levensbeschouwing dat ze alleen voor de elite echt interessant geweest kunnen zijn. Een niet-adellijk publiek zal nauwelijks belang gehad hebben bij de wapenbeschrijvingen en daden van voor hen grotendeels onbekende ridders.
Ook minneredes moeten vooral door de adel geapprecieerd zijn. Wanneer we aannemen dat sprekers regelmatig voordroegen in besloten kring, wordt het ook begrijpelijk waarom iemand als Hildegaersberch in zijn sproken nogal eens scherpe kritiek kon uitoefenen. Dat zou minder gewenst zijn wanneer daar tal van belangrijke gasten uit binnen- en buitenland bij aanwezig waren. Toch zijn er aanwijzingen dat sprekers ook bij feesten van meer representatieve aard optraden. Het zullen waarschijnlijk wel de minder kritische sproken geweest zijn die bij zulke feesten voorgedragen werden.
Een in alle opzichten bevredigende verklaring voor de terugloop van de sprekers aan de hoven na 1420-1430 is bij de huidige stand van onderzoek nog niet te geven. Vermoedelijk heeft het feit dat de Nederlanden in de tweede kwart van de vijftiende eeuw onder Bourgondische invloed kwamen te verkeren, daar het nodige toe bijgedragen. In de eerste plaats doordat de politieke bourgondisering leidde tot een verfransing van de literaire cultuur van de bestuurlijke elite. Maar de hegemonie van de Bourgondiërs leidde ook tot een vermindering van het aantal hoven waar sprekers hadden kunnen optreden; door de Bourgondische unificatiepolitiek waren ze eenvoudig opgeslokt. En waarschijnlijk heeft de komst van de Bourgondiërs ook bewerkstelligd dat de literaire belangstelling zich sterker ging richten naar hun smaak en gewoonten. De Bourgondische hertogen en hertoginnen verleenden niet zelden omvangrijke letterkundige opdrachten aan de (Franstalige) dichters in hun omgeving. Hun interesse ging vooral uit naar kronieken en naar onderwerpen uit de klassieke oudheid. Het ad hoc karakter van een incidenteel optreden van een rondzwervende sprookspreker paste, zo lijkt het, veel minder in hun literaire opvattingen.
Sprekers in de stad
Ook voor de magistraat van steden hebben er sprekers opgetreden, al zijn de vermeldingen van hun optredens in de stadsrekeningen heel wat minder overvloedig dan in die van de hoven.
Wanneer een spreker voor een optreden betaald wordt door de stedelijke overheid, is dat nogal eens naar aanleiding van een processie, een vorstenbezoek of een militaire onderneming. In enkele gevallen kunnen we vaststellen dat de dichters die door de stad beloond werden ter gelegenheid van een vorstelijke visite, in het kielzog van de desbetreffende vorst waren meegereisd.
Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat nogal wat sprekersoptredens in de stad te maken hebben met de betrekkingen tussen adel en burgerij. Zowel heren als steden maken gebruik van de diensten van de spreker om de mening van de andere partij te beïnvloeden.
Sprekers bij de geestelijkheid
Behalve voor de adel en voor verschillende stedelijke groeperingen traden sprekers ook in kloosters op, maar concrete aanwijzingen daarvoor zijn uiterst dun gezaaid.
Ook de geestelijkheid in de stad werd door de sprekers bezocht.
In het Egmondse klooster is handschrift Den Haag, KB, 75 H 57 teruggevonden. Het handschrift kwam tussen 1430 en 1450 tot stand, en het bevat een achttal sproken. Het feit dat een dergelijk handschrift in een klooster bewaard is gebleven, lijkt in ieder geval op connecties tussen sprekers en kloosters te wijzen.
Sprekers ‘in alle ghelagen’
Concrete aanwijzingen voor voordrachten op minder elitaire locaties zijn uitermate schaars, en dat is geenszins verwonderlijk – in kroegen en op marktpleinen hield men er nu eenmaal geen rekeningen op na zoals hoven en stadsbesturen dat plachten te doen. De indicaties voor sprekersoptredens op meer triviale locaties, het gasthuis, de herberg of op straat, zijn dan ook voornamelijk afkomstig uit de teksten zelf.
Ongetwijfeld schatte een ervaren spreker die in een taveerne optrad zijn publiek goed in en kon hij putten uit een veelzijdig repertoire om zijn toehoorders zo adequaat mogelijk te bedienen. Het repertoire dat in de kroeg ten gehore werd gebracht zal minder specifiek op de elite zijn toegesneden dan de teksten waarmee een spreker speciaal naar hof of klooster kwam.
De aanwijzingen dat sprekers ook in kroegen en herbergen optraden zijn veel schaarser dan die voor hun aanwezigheid aan de hoven en bij de stedelijke toplaag. Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat sproken daar ook minder vaak te beluisteren waren. Ook het feit dat het merendeel van de overgeleverde sproken gemakkelijker met een elitepubliek in verband kan worden gebracht, kan onze blik vertroebelen. De sproken van Hildegaersberch en Augustijnken, Gelres ereredes en de sproken uit het Haagse liederenhandschrift dragen onmiskenbaar een elitair stempel en hebben tamelijk hoge literaire pretenties. Dat deze teksten bewaard zijn gebleven is vermoedelijk te danken aan de bijzondere waarde die men eraan toekende en aan de literaire belangstelling van enkele individuen uit de hogere kringen.
Het valt te verwachten dat de sproken waarin de belerende of opiniërende functie prevaleert boven het vermaakskarakter eerder opgetekend en bewaard zullen zijn dan teksten die voornamelijk dienden om een feestelijke maaltijd of ander gezellig samenzijn op te luisteren. Het is zelfs de vraag of dit laatste type teksten wel zo dikwijls genoteerd is. Indien deze teksten al aan het papier of perkament werden toevertrouwd, dan zullen ze vooral in de repertoirehandschriften van de spreker te vinden zijn. En dit type handschriften (eenvoudig uitgevoerd, zonder illustraties) had nu juist in het overleveringsproces de slechtste kansen.
Sprekers en rederijkers
Wanneer landsheren een bezoek brachten aan een stad die onder hun bestuur viel, dan waren de kosten die met het ceremonieel vertoon gepaard gingen voor rekening van de stedelijke overheid. De vorstelijke bezoeken (in die tijd ‘blijde inkomsten’ genoemd) vonden plaats naar aanleiding van bijzondere gebeurtenissen, zoals geboortes, huwelijken, het aantreden van een vorst of een politiek succes, en bij jaarlijkse kalenderfeesten zoals bij de meiviering en de vastenavond. Maar ook zonder speciale aanleiding bezochten de heren de stad. Er heerste onderling grote concurrentie tussen de steden wie zich het beste wist te presenteren.
Wanneer er op literair terrein iets ondernomen moest worden ter opluistering van zo’n bezoek, maakte de stad tot in de eerste helft van de vijftiende eeuw gebruik van sprekers. Maar vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw moeten de sprekers plaats gaan maken voor de rederijkers, die dan de honneurs op het gebied van de stedelijke representatie gaan waarnemen.
Het lijkt erop dat de steeds machtiger wordende steden de literaire aspecten van de stedelijke representatie in eigen hand gaan nemen door deze toe te vertrouwen aan de rederijkers. Deze stedelijke ingezetenen konden de belangen van de stad beter behartigen dat de toevallig passerende spreker, die nooit zo goed op de hoogte kon zijn van lokale problemen en gevoeligheden. Het moment waarop de rederijkerskamers ontstonden, in de tweede helft van de vijftiende eeuw, lijkt vrij goed aan te sluiten op de afname van vermeldingen van sprekersoptredens in de stadsrekeningen.
Nu de sprekers door toedoen van de rederijkers min of meer gediskwalificeerd zijn als literaire hulpkrachten bij de stedelijke representatie, blijft hun binnen de stad als arbeidsterrein niet veel anders over dan de kroeg, de herberg en het marktplein. De sprookspreker verwordt tot ‘straatdichter’, een kwalificatie die evenzeer zijn nieuwe arbeidsterrein typeert als zijn nieuwe lagere status markeert. Men behoeft er niet van op te kijken dat het juist de rederijkers zijn die de spreker in diskrediet proberen te brengen.