wpfcf6599d.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
Hieronder staat een samenvatting van het boek Handgeschreven wereld van Dini Hogenelst en Frits van Oostrom. Ik heb deze samenvatting gemaakt en gebruikt ten behoeve van het derdejaars mondeling tentamen Middeleeuwse literatuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar 2006-2007.
Dini Hogenelst & Frits van Oostrom - Handgeschreven wereld
Hoofdstuk 1 Wat bewaard bleef en wat verloren ging

Snippers en scherven

De onderzoeker van de middeleeuwen – die begrensd worden door de jaartallen 500 en 1500 – beschikt over een aangename hoeveelheid bronnen: schaars genoeg om uitdagend te zijn, en toch ook weer in voldoende mate aanwezig om een samenhangende reconstructie van het gedachtenleven mogelijk te maken.

In de eerste zes à zeven eeuwen na 500 is nog nauwelijks sprake van Nederlandse literatuur, althans niet in geschreven vorm. Uit het begin van de twaalfde eeuw resteren ons slechts enkele ‘scherven’. Men is al blij met een enkel Nederlands zinnetje, in het eerste kwart van de twaalfde eeuw bijgekrabbeld achter in een handschrift met een Oudengelse tekst. Het gaat om een paar regels die misschien deel hebben uitgemaakt van een liefdesliedje dat vermoedelijk uit de elfde eeuw stamt, maar misschien nog wel ouder is:

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu?
[= Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten wij nu?]

Waarschijnlijk zijn deze woorden geschreven voor een Vlaamse monnik die in een Engels klooster verbleef. Op de laatste bladzijde van het handschrift probeerde hij zijn net aangescherpte pen uit, voor hij met het ‘echte’ schrijfwerk begon.

Pas tegen het einde van de twaalfde eeuw presenteert zich de eerste bij naam bekende dichter, Hendrik van Veldeke. Veldeke heeft een ridderroman over de Trojaanse held Aeneas geschreven (de Eneïde), een heiligenleven over Sint-Servaas (de Servaes-legende) en zo’n dertig liefdesliedjes. Helaas kennen we dit werk niet uit handschriften uit het einde van de twaalfde eeuw (de tijd waarin Veldeke leefde), maar uit (soms veel) latere afschriften.

Veldekes Servaes-legende, een beschrijving van het leven van de beschermheilige van Maastricht, is de oudste literaire tekst in het Nederlands die volledig bewaard is gebleven, zij het in een handschrift uit de vijftiende eeuw. Van de Servaes-handschriften die uit eerdere eeuwen dateren, zijn slechts resten bewaard gebleven. Zo is er omstreeks 1220 een handschrift gemaakt met het verhaal van Servaas, maar daarvan zijn nog maar een paar fragmenten over.

Rond 1220 is er ook een afschrift gemaakt van de Eneïde, Veldekes andere verhalende werk. Dit handschrift is wél in zijn geheel bewaard gebleven; het werd echter geschreven buiten onze huidige landsgrenzen.

In de middeleeuwen was het Maasland (dat nu deel uitmaakt van Nederland en Duitsland) één cultuurgebied en Veldekes werk werd in dat hele gebied gelezen en beluisterd. Vandaar dat het zowel in het Middelnederlands als in het Middelhoogduits bewaard is gebleven. In welke taal Veldeke zelf ooit geschreven heeft, is niet goed meer vast te stellen – waarschijnlijk was het een Maaslands dialect.

Het is opmerkelijk dat het weinige dat uit de tijd rond 1200 bewaard is gebleven voornamelijk uit het gebied van Maas en Nederrijn afkomstig is. Het betreft hier uitsluitend resten van ridderromans.

Slipper(tje)s

Het beroemde verhaal van Tristan en Isolde is in verschillende Europese talen bekend geweest. Van een vertaling in het Middelnederlands zijn nog maar 158 versregels over, genoteerd in een sterk oostelijk gekleurd dialect. Ze staan op twee stroken perkament, die ontdekt werden in een zestiende-eeuwse boekband. Al is er vrijwel niets van het verhaal over, toch moet de geschiedenis van dit beroemde liefdespaar ook in onze streken talloze malen verteld zijn, en moeten er handschriften gecirculeerd hebben waaruit hun geschiedenis werd voorgelezen. In verschillende Middelnederlandse teksten wordt namelijk naar het verhaal verwezen. Ook werden de twee gelieven afgebeeld op allerlei voorwerpen, zoals spiegeldoosjes en slippers.

Een andere aanwijzing daarvoor is het feit dat de naam ‘Tristan’ (meestal geschreven als ‘Tristram’) tussen 1350 en 1450 vaak voorkwam in Vlaamse, Hollandse en Zeeuwse steden.

Luisteren en lezen

Tot het einde van de middeleeuwen werden boeken altijd met de hand geschreven. Een kopiist die zich aan zijn schrijftafel zette om een tekst over te schrijven, wist vrijwel altijd precies voor wie hij dat zou doen en hoe het boek gebruikt zou worden. Zolang boeken op deze ambachtelijke wijze gemaakt werden, was elk boek verschillend en daardoor uniek. Dat veranderde toen de boekdrukkunst in het midden van de vijftiende eeuw in Duitsland werd uitgevonden en men boeken in grotere hoeveelheden tegelijk kon gaan produceren. In veel opzichten verschilden gedrukte boeken nauwelijks van de handschriften uit die tijd. Men gaf veelal dezelfde teksten uit en men gebruikte dezelfde talen: Latijn, Nederlands en (in de zuidelijke Nederlanden) ook het Frans. De lay-out, de lettertypen en de versiering bleven eveneens in grote trekken gelijk. Gedrukte boeken verschilden slechts in zoverre van geschreven boeken dat zij tot stand kwamen via een gemechaniseerd produktieproces dat het drukken van oplagen van tientallen tot honderden exemplaren mogelijk maakte.

De uitvinding van de boekdrukkunst kwam op het juiste moment. Of misschien kunnen we beter zeggen dat het geen toeval is dat de boekdrukkunst juist tóen is uitgevonden. Nooit eerder was er zo’n behoefte aan boeken geweest; de kopiisten konden de vraag nauwelijks aan. De drukpers bood uitkomst. Enkele tientallen jaren kwamen handschriften en drukken naast elkaar voor. Maar na 1480 liep de produktie van handschriften sterk terug en uiteindelijk, rond 1500, maakte de boekdrukkunst het vervaardigen van handschriften vrijwel overbodig.

Literatuur bestaat niet bij de gratie van het geschreven of gedrukte woord alleen. Vooral in de twaalfde en dertiende eeuw was het luisteren naar voordragers de gewone manier om kennis te nemen van literatuur. Het voor zichzelf lezen van literaire teksten, dat voor ons zo gewoon is, was in de middeleeuwen tamelijk uitzonderlijk. In de loop van de veertiende en vijftiende eeuw kwam daarin geleidelijk verandering. Steeds meer burgers in de steden leerden lezen en schrijven, en ook onder de adel nam de geletterdheid toe. Toch werden er in die tijd nog vaak teksten voorgedragen in gezelschap. Ook al was men misschien wel in staat om zelf te lezen, niet iedereen beschikte over boeken. Bovendien bleef het gezamenlijk luisteren naar een geoefende voordrachtskunstenaar ook in de late middeleeuwen zijn charme behouden.

De literatuur in de middeleeuwen omvatte heel wat meer dan datgene wat opgeschreven werd. Wie een lied ten gehore bracht of meedeed aan de opvoering van een toneelstuk, kende zijn tekst van buiten. Deze tekstsoorten werden alleen bij wijze van uitzondering opgeschreven. Daarom zijn er maar weinig Middelnederlandse toneelstukken overgeleverd.

Voorgoed verloren?

Niemand weet hoeveel er verloren is gegaan van onze middeleeuwse literatuur. Al met al lijkt het nogal mee te vallen met het verlies aan Middelnederlandse teksten. Men vindt de laatste jaren eigenlijk nooit meer een handschrift met een volkomen onbekende tekst. Wanneer er (een fragment van) een handschrift met Middelnederlandse tekst wordt gevonden, kan de daarop geschreven tekst vrijwel altijd worden geïdentificeerd. Doorgaans blijkt het (een gedeelte van) een tekst te bevatten die ons reeds uit een ander handschrift bekend was. En zelfs wanneer dat niet het geval is, is de tekst ons vaak nog wel bekend uit een gedrukte Middelnederlandse prozabewerking, of er bestaat een tekst in een andere taal waaraan een Middelnederlandse bron ten grondslag heeft gelegen.

‘Vergeef me dat ik zo onleesbaar schrijf’

Het zijn niet alleen de bewaard gebleven (fragmenten van) handschriften waaraan wij kunnen zien welke boeken er in de middeleeuwen geweest zijn. Andere belangrijke bronnen van kennis daarover zijn vermeldingen in historische documenten die betrekking hebben op de aanschaf of het bezit van boeken. Dit soort notities kan men aantreffen in de administratie van hoven en kloosters en in inventarisatielijsten, testamenten en boekenlijstjes van personen en instellingen. Aan de hand van zulke lijstjes kan men vaststellen welke boeken een edele, een rijke burger of een klooster in bezit had. Opnieuw blijkt dan dat veel van de daarop voorkomende teksten bekend zijn. Soms kunnen wij met behulp van de beschrijvingen op zo’n lijst bewaard gebleven handschriften identificeren. Een enkele keer kan men de vermeldingen combineren met gegevens uit andere bronnen, en daardoor is het mogelijk zich een beeld te vormen van de boeken die iemand in bezit gehad moet hebben.

Het aantal Middelnederlandse literaire teksten

‘Literatuur’ is in de middeleeuwen niet hetzelfde als wat daar tegenwoordig onder verstaan wordt. Onder literatuur in de middeleeuwen verstaat men alle taaluitingen die geen zuiver praktisch doel dienen, zoals een oorkonde of een recept.

Aanvankelijk was vrijwel alle berijmde literatuur in het Middelnederlands verhalend van aard. Maar aan het einde van de dertiende eeuw introduceerde Jacob van Maerlant het leerzame vertoog in de literatuur, en enkele decennia later ging Boendale voort op de door Maerlant ingeslagen weg. Wij kunnen nauwelijks ten volle beseffen wat een enorme vernieuwing de introductie van de beschouwing in de Middelnederlandse literatuur moet zijn geweest. We zien de eerste schrijvers ervan dan ook geweldig hun best doen om hun vertogen te larderen met pakkende verhalen, om niet al te rigoreus af te wijken van wat het publiek gewend was. Het is dan ook nauwelijks relevant onderscheid te maken tussen fictie en non-fictie in de Middelnederlandse literatuur.

Het vervaardigen van boeken

Een boek werd toen vrijwel altijd gemaakt voor een specifieke opdrachtgever. Men begon niet aan het arbeidsintensieve karwei als men niet zeker was van een afnemer. Perkament was kostbaar. Alleen al om die reden moest het risico vermeden worden dat men met een handschrift bleef zitten.

Wie in de middeleeuwen een boek wilde bezitten, moest over de tijd en de vaardigheid beschikken om dat zelf te kunnen schrijven. Zo niet, dan moest men rijk genoeg zijn om het te kunnen laten schrijven. Met name edelen of personen die tot de hogere kringen van de burgerij behoorden, hadden daartoe de mogelijkheid. Eenvoudige mensen die meerdere boeken bezaten, waren tot ver in de middeleeuwen zeer uitzonderlijk.

Er ging heel wat vooraf voor iemand zich de trotse bezitter van een boek kon noemen: er moest een voorbeeldexemplaar (‘legger’) gevonden worden waarnaar de kopiist kon werken en er moest een kopiist gevonden worden die het werk vakkundig en voor een acceptabele prijs kon overschrijven. Vervolgens diende men met de kopiist te overleggen hoe het boek eruit moest zien: in welk lettertype moest de tekst geschreven worden, hoe groot mochten de marges zijn, hoeveel kolommen kwamen er op een bladzijde, hoeveel ruimte was er voor initialen, zouden die ook versierd moeten worden, kwamen er miniaturen in het boek, waar zouden die geplaatst worden, wie zou de decoratie en illustratie voor zijn rekening nemen, en – niet de minst belangrijke van al deze vragen – voor welke prijs zou het karwei worden uitgevoerd?

In de meeste gevallen moest de opdrachtgever voor een voorbeeldexemplaar van de tekst zorgen. Als hij daarover niet zelf beschikte, leende hij het. Het kon ook voorkomen dat iemand een boek liet overschrijven voor iemand anders, bijvoorbeeld bij wijze van geschenk. In dat geval had de gever wellicht zelf al een exemplaar van de tekst. Mooie boeken waren geliefde relatiegeschenken onder de zeer welgestelden.

Boekenbezitters

De opdrachtgever van een boek kon een welgesteld persoon zijn, maar ook een instelling, zoals een stadsbestuur, een kerk of een klooster. Kloosters waren van oudsher centra van kennis, waar de geletterdheid hoog was en teksten een fundamentele rol speelden in het dagelijks leven. Dat gold ook voor de colleges van kanunniken die tot de kapittelkerken in de steden behoorden. In kloosters en kapittelkerken waren teksten onmisbaar tijdens kerkdiensten, bij het koorgebed, en bij het voorlezen tijdens de maaltijden. Bijna altijd ging het om teksten in het Latijn, de officiële taal van de Kerk van Rome, en de taal der wetenschap in heel Rome. Ook de kloosterbibliotheken bestonden voor een belangrijk deel uit Latijnse werken: bijbels en bijbelcommentaren, gebedenboeken, misboeken, encyclopedieën en werken van klassieke auteurs als Ovidius en Vergilius. Uit deze opsomming blijkt wel dat men boeken niet alleen gebruikte bij de liturgie, maar ook voor de studie. Veel van deze boeken werden in de eigen schrijfateliers gemaakt. Het kopiëren van teksten werd bij veel orden voorgeschreven door de kloosterregel. Men wist meestal goed welke teksten er in andere kloosters aanwezig waren, en door onderlinge uitwisseling raakten deze ruim verspreid.

Rijk verluchte, duur uitgevoerde boeken werden in kloosters nauwelijks aangetroffen. Vooral de in de late middeleeuwen gestichte kloosterorden beschouwden rijke boekverluchting als een uiting van verwerpelijke ijdelheid. Onder de boeken die in de kloosters voor eigen gebruik geschreven werden, overheersten de eenvoudige handschriften. Als een kloosterbibliotheek wel mooi verluchte handschriften bezat, waren deze vaak door schenking verworven of het waren koorbijbels, die op het altaar van de kerk lagen als tastbaar symbool van Gods woord.

Boeken voor adel en burgerij

In de kloosters werden boeken primair verworven of gemaakt om de tekst, maar elders was dat niet de enige reden om een boek te laten maken. Bij de meeste wereldlijke boekenbezitters speelde ook het uiterlijk van het handschrift een rol. De werkelijk kostbare boeken waren vooral te vinden bij wereldlijke boekenverzamelaars. Edelen, rijke kanunniken en gefortuneerde burgers lieten de boeken maken die nu de grootste schatten vormen van belangrijke boekencollecties overal ter wereld.

Een mantel met tweeduizend gouden letters

De mooist verluchte handschriften uit de veertiende en vijftiende eeuw waren de gebeden- en getijdenboeken voor de adel en de rijke burgerij. De indrukwekkende pracht van deze handschriften heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen dat ze bewaard zijn gebleven. Waarschijnlijk ging men aan de inhoud na verloop van tijd steeds minder waarde hechten, mede doordat deze door het verouderde taalgebruik steeds onbegrijpelijker werd.

Al hebben devotionele overwegingen zeker een rol gespeeld bij het prachtige versieren van gebeden- en getijdenboeken, de belangrijkste reden was veelal het meer triviale verlangen iets moois en duurs te bezitten. Vooral adellijke dames bezaten vaak de mooiste exemplaren.

Een armenbijbel is een boek waarin de bijbelse geschiedenis voornamelijk met behulp van illustraties wordt verteld en waarin de hoeveelheid begeleidende tekst zeer gering is. De benaming ‘armenbijbel’ moet dan ook eerder geestelijk dan materieel worden verstaan; armenbijbels richtten zich op een publiek van relatief ongeschoolden, op ‘armen van geest’ dus.

Een pot mosterd voor wie het boek terugbrengt

In de late middeleeuwen was het bezit van boeken niet langer voorbehouden aan kloosterlingen en edelen. Boeken kwamen ook binnen het bereik van burgers. Niet eens alleen de zeer gefortuneerden onder hen, die zich door status en levensstijl nauwelijks van de adel onderscheidden, maar ook meer ‘gewone’ burgers konden nu boeken kopen.

Boeken waren een kostbaar bezit en de eigenaar was er zuinig op. Niet voor niets wordt vaak in een boek vermeld dat degene die een verloren geraakt boek terugbrengt, beloond zal worden. Het kan ook minder vriendelijk. In sommige boeken wordt de banvloek uitgesproken over degene die het boek in handen krijgt en het ten onrechte houdt.

Het vernietigen van boeken

De handschriften die, in meer of minder maagdelijke staat, de eeuwen overleefd hebben, zijn meestal niet toevallig bewaard gebleven. Men behield alleen dat wat men, om wat voor reden dan ook, de moeite waard vond. De bewaard gebleven handschriften bieden vermoedelijk geen representatief beeld van wat er ooit geweest is. Goed verzorgde en mooi geïllustreerde boeken hadden de beste overlevingskansen. De schitterende plaatjes, dikwijls voorzien van bladgoud, blijven immers tot de verbeelding spreken, zelfs voor wie geen letter van de tekst begrijpt of er geen zier om geeft. Handschriften met louter tekst raakten veel sneller uit de gratie. En veel van de oudste wereldlijke literatuur was nu juist opgeschreven in eenvoudige handschriften. Daarvan is dan ook heel wat verloren gegaan.

Een andere reden voor het afdanken van boeken was dat de taal voortdurend veranderde, waardoor het taalgebruik van middeleeuwse boeken om later eeuwen sterk verouderd aandeed of helemaal niet meer begrepen werd. Ook konden in de loop der tijd de opvattingen zo veranderen, dat de inhoud van bepaalde teksten als achterhaald of zelfs verwerpelijk werden beschouwd. Na de reformatie, die in de loop van de zestiende eeuw haar beslag kreeg, werden soms hele bibliotheken afgedankt, onder andere omdat de veelal roomse inhoud van de boeken geen genade kon vinden in de ogen van de hervormden. Toch bleven er heel wat ‘katholieke boeken’ bewaard, omdat ze gedurende de godsdienstige woelingen zorgvuldig werden weggestopt. Gebeden- en getijdenboeken werden in de familie gehouden tot de kust weer veilig was. En ook in de eeuwen daarna werden ze gekoesterd, omdat ze vaak uitvoerige familie-aantekeningen bevatten, met gegevens over geboorte, huwelijk en overlijden. Ook boeken met lokale historische kronieken bleven van waarde; de geschiedenis van een stad of streek was soms uitsluitend opgetekend in dat ene handschrift.

Waarschijnlijk liepen perkamenten handschriften minder risico om te worden weggegooid dan papieren handschriften. Toch gingen ook talloze perkamenten boeken verloren. Het waardevolle materiaal kon goed worden benut voor andere doeleinden. Zo eindigden veel perkamenten handschriften in de potten van de lijmkoker. Een andere belangrijke gebruiker van afgedankt perkament was de boekbinder. Hij verstevigde er de banden van zijn boeken mee. Op deze manier belandden veel handschriften in stukken gesneden in laatmiddeleeuwse of zestiende-eeuwse boekbanden. Pas eeuwen later, toen deze banden stuk gingen en men ze ging restaureren, werden de perkamentresten ontdekt, waardoor kostbare tekstfragmenten aan het licht kwamen. Tegenwoordig kijkt men bij de restauratie van oude handschriften vol spanning uit naar de schatten die de boekband misschien zal prijsgeven.

Water, vuur en verwaarlozing

Handschriften hebben de beste overlevingskansen als ze zich bevinden binnen de muren van bibliotheken, onder de hoede van handschriftenconservatoren met hart voor de hun toevertrouwde schatten. Toch zijn ze ook daar niet altijd veilig. Bibliotheken kunnen, al dan niet als gevolg van oorlogsgeweld, in brand vliegen, of geteisterd worden door overstromingen.

Natuurrampen en oorlogen zijn niet de enige vijanden van ons middeleeuwse handschriftenbezit. Boeken hebben ook veel te lijden van de nalatigheid en onzorgvuldigheid van beheerders en gebruikers.

In hun gedrevenheid om te kunnen lezen wat er in de handschriften stond, hebben ook geleerden de nodige schade aangericht. Berucht zijn de gevolgen van het werken met reagens, een chemische stof die op slecht leesbare plaatsen wordt aangebracht. Deze doet de inkt even oplichten, maar daarna is de plaats voorgoed bedorven. Menige vieze bruine of blauwe vlek in een handschrift is het resultaat van deze misplaatste filologenijver. Tegenwoordig maakt men meestal gebruik van de heel wat manuscriptvriendelijker ultraviolet-lamp of van infrarood-opnamen.

Het voortbestaan van boeken

Er mogen dan heel wat handschriften onherstelbaar beschadigd zijn of zelfs helemaal verloren zijn gegaan, het ging gelukkig ook vaak goed. Handschriften van adellijke personen bleven door vererving vaak lange tijd veilig in het bezit van de familie. Uiteindelijk kwam zo’n adellijke bibliotheek dikwijls terecht in een van de grote bibliotheken.

De meeste handschriften met Middelnederlands werden bewaard in de bibliotheken van kloosters. Met het opheffen van de kloosters kwam ook het voortbestaan van hun bibliotheken in gevaar. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werden in de noordelijke Nederlanden al tal van kloosters opgeheven; in de zuidelijke Nederlanden was het kloosterlijk boekenbezit nog veilig tot aan de Franse Revolutie. Met het teloorgaan van de kloosters kwam de bibliotheek in het bezit van particuliere verzamelaars of werd ze geconfisqeerd door de overheid.

In de zeventiende en achttiende eeuw werd er weinig belang gehecht aan Middelnederlandse letterkunde. Slechts een enkeling bekommerde zich om handschriften met teksten in het Middelnederlands, voornamelijk vanuit een taalkundige of historische interesse. Toch is het dankzij die interesse dat mening manuscript dat anders misschien verloren zou zijn gegaan, de eeuwen overleefd heeft.

Wanneer de bezitter van een belangrijke handschriftenverzameling overleed en diens erfgenamen geen moeite deden om de collectie bijeen te houden, kwam deze onherroepelijk onder de hamer. En ook degene die een of meer handschriften uit de nalatenschap opkocht, zou ooit overlijden. Handschriften wisselden dus steeds van eigenaar. Uiteindelijk zijn de meeste handschriften in de negentiende en twintigste eeuw aangekocht door grote bibliotheken. Een doodenkel handschrift bevindt zich nog in particulier bezit.

Diaspora der handschriften

Het is de danken aan geleerden als De Vreese, die de halve wereld hebben afgereisd op zoek naar handschriften, dat deze ‘buitenlandse handschriften’ stukje bij beetje weer boven water zijn gekomen.

Hoe zijn al die handschriften overal en nergens terechtgekomen? Het spreekt vanzelf dat iedere grotere of kleinere collectie zijn eigen geschiedenis heeft, en iedere geschiedenis is weer anders. Handschriften die zich nu in buitenlandse bibliotheken bevinden, zijn daar vaak terechtgekomen omdat ze door vreemdelingen gekocht zijn.

Maar het kon ook minder fatsoenlijk. Veel boeken die zich in Franse bibliotheken bevinden, zijn tijdens de eerste Franse inval uit de zuidelijke Nederlanden meegenomen als oorlogsbuit.

De handschriften die binnen onze grenzen zijn gebleven, zijn vaak van de ene bezitter op de andere overgegaan.

Hoofdstuk 2 De schrijvers

Anonieme dichters

Er zijn maar weinig Middelnederlandse literaire teksten waarvan we met zekerheid weten wie ze geschreven heeft. De meeste werken zijn anoniem. Dat geldt met name voor het genre dat voor menigeen het beeld van de middeleeuwse literatuur zal bepalen: de ridderepiek. Van de ruim zeventig bekende Middelnederlandse ridderverhalen zijn er slechts tien waarvan de naam van de schrijver bekend is, en meestal ook niet meer dan dat. Vaak ontbreken historische en biografische gegevens.

Dat er maar zo weinig schrijvers van ridderverhalen bij naam bekend zijn, heeft vooral te maken met de gebrekkige wijze waarop de verhalen zijn overgeleverd. Van de 72 romans zijn er maar twaalf in een compleet handschrift bewaard gebleven; van de rest hebben we alleen fragmenten. Het is geen toeval dat juist van volledig overgeleverde ridderromans de auteurs het vaakst bekend zijn. De meest geëigende plaatsen voor een auteur om zich te introduceren zijn de proloog en de epiloog; wanneer deze niet bewaard zijn gebleven, kennen we meestal ook de naam van de auteur niet.

Dichter bij de gratie Gods

Het ontbreken van prologen en epilogen is niet de enige reden waarom we zo weinig namen van schrijvers van Middelnederlandse ridderromans kennen. Van andere tekstsoorten zijn de proloog en de epiloog vaak wel overgeleverd, en toch kennen we ook van die werken niet altijd de auteur. Heel vaak vond hij het niet nodig om zijn naam in het werk te vermelden, want hij verrichtte zijn schrijfwerk niet ter meerdere eer en glorie van zichzelf, maar ten dienste van anderen.

Middeleeuwse dichters waren zo bescheiden, omdat zij zichzelf niet beschouwden als autonome scheppers van een kunstwerk, maar veeleer als intermediair. Het was hun taak kennis door te geven aan anderen. Alle kennis was afkomstig van God, en dus riepen auteurs Zijn hulp in bij het op schrift stellen van die kennis. Maar ook dichters van onderhoudende literatuur zoals de ridderromans, wisten zich afhankelijk van de goddelijke genade.

In tal van prologen vinden we een gebed waarin de auteur vraagt of God hem in zijn creatieve arbeid wil bijstaan.

Niet zelden gaat de bede om bijstand vergezeld van het verzoek om het werk ook te mogen afmaken. De bede om het werk te mogen voltooien mag op het eerste gezicht wat overdreven lijken, maar dat is het beslist niet. Het is opvallend hoeveel Middelnederlandse literaire werken voorgoed onvoltooid zijn gebleven, of pas later – door een andere auteur – konden worden afgemaakt.

De schrijver heeft schoolgegaan

Lezen en schrijven waren vaardigheden die lang niet iedereen in de middeleeuwen beheerste.

Vanaf de vroege middeleeuwen was de Kerk het belangrijkste centrum van cultuur en intellectuele activiteit. Als internationaal instituut bediende zij zich van een internationale taal, het Latijn. Toekomstige geestelijken moesten dus Latijn leren, en kerkelijke instellingen zorgden voor de opleiding. Aanvankelijk was het onderwijs vooral in handen van de kloosters; kinderen die voorbestemd waren voor het kloosterleven, traden in en werden binnen het klooster geschoold. Vanaf de twaalfde eeuw werden ook kapittelscholen gesticht; deze behoorden bij de (dom)kerken in grotere steden. Het onderwijs was nu niet langer voorbehouden aan diegenen die monnik wilden worden, maar werd ook meer en meer toegankelijk voor hen die zich als klerk in de wereld wilden vestigen.

Het groeiend aantal leerlingen maakte dat het onderwijssysteem zich steeds verder uitbreidde. Jongens in de leeftijd tot ongeveer acht jaar kregen een elementaire basisopleiding, waarbij ze leerden zingen en hun eerste schrijfoefeningen maakten. Daarna gingen ze tot ongeveer hun vijftiende jaar naar de Latijnse (kapittel)school. Hier werden de basisvaardigheden uitgebreid, waarbij de beheersing van de Latijnse taal vooropstond.

Na de Latijnse school bestond voor de meest veelbelovende leerlingen nog de mogelijkheid om door te stromen naar de universiteit, maar deze stap hebben niet veel Middelnederlandse auteurs gemaakt. Wie de universiteit doorlopen had, schreef daarna nog maar hoogst zelden Middelnederlands.

Een abt draagt voor uit eigen werk

Enkele auteurs waren academisch gevormd, maar schreven toch in het Middelnederlands. Zowel Dirc van Delft, de hofkapelaan van Albrecht van Beieren, als Willem van Affligem, de abt van het benedictijner klooster van Sint-Truiden, schreven niet voor de wereld van de wetenschap, maar voor leken die het Latijn niet beheersten.

De Bijbelvertaler van 1360

Toen de man die in de literatuurgeschiedenis bekend staat als ‘de Bijbelvertaler van 1360’ aan de vertaling van de Latijnse bijbel (de Vulgaat) begon, nam hij een groot risico. Volgens de Kerk was het uitleggen van de Heilige Schrift voorbehouden aan geestelijken. Bovendien was er altijd de angst voor ketterij wanneer leken zich met de interpretatie van de bijbel bezighielden.

Wie was deze hardwerkende en taalvaardige idealist? We weten helaas maar weinig over hem. Men is het er wel over eens dat de Bijbelvertaler in Vlaanderen geboren is en dat hij monnik was. Het eerste op grond van zijn taalgebruik, het laatste omdat hij ergens schrijft: enen man van onser ordenen [= een man van onze (eigen) orde]. We nemen aan dat die orde die van de kartuizers was, en dat de Bijbelvertaler leefde in het kartuizerklooster te Herne. De veronderstelling dat de Bijbelvertaler een kloosterling was, werpt een bijzonder licht op zijn kritiek op de wereldlijke geestelijkheid. Hij voelde zich blijkbaar zeer betrokken bij de zielzorg en maande de wereldlijke geestelijkheid om die taak met meer toewijding uit te voeren. Met lede ogen moest hij aanzien hoe slecht sommigen zich kweten van hun taak. Men krijgt de indruk dat zijn vingers jeukten om het zelf beter te doen. Toch hoorde het bijstaan van deze gelovigen niet tot de primaire taken van de kloosterling. Maar door zijn vertaalarbeid leverde hij vanuit de beslotenheid van zijn kartuize toch een bijdrage aan de religieuze opvoeding van de leek.

De bijbelvertaling droeg hij op aan zijn vriend Jan Taye. Jan behoorde tot een invloedrijk patriciërsgeslacht, dat een voorname rol speelde in het stadsbestuur van Brussel en vertegenwoordigd was in de schepenbank.

De gravin, de koster, de klerk en hun Servaes-legende

Wie een vertaling wilde hebben van een Latijns werk, moest zich wenden tot iemand die die taal beheerste en toegang had tot de wereld der kennis. Dat was in principe alleen weggelegd voor een geschoolde minderheid die opgeleid was voor een geestelijk ambt (monnik, priester, koster, kapelaan), of voor een wereldlijke ambtelijke functie (klerk, griffier of secretaris). De meesten schreven uitsluitend stukken die zij voor de uitoefening van hun dagtaak moesten schrijven en lieten het daarbij. Slechts enkelen gebruikten hun schrijfvaardigheid en intellectuele bagage ook om ‘literatuur’ te schrijven. Het schrijven van literaire teksten was dus geen echt beroep, zelfs nauwelijks een broodwinning. Literair schrijven deed men er zo’n beetje bij. Vaak begon men een boek te schrijven omdat iemand daar om gevraagd had. In sommige teksten staat vermeld ter ere van wie de dichter zijn werk maakte, en soms zien wij het hem in beleefde bewoordingen aan de opdrachtgever aanbieden.

Hendrik van Veldeke laat aan het einde van zijn Servaes-legende weten dat hij zijn gedicht gemaakt heeft ter ere van de heilige hoofdpersoon zelf, maar dat hij zich met des te meer genoegen aan het werk heeft gezet omdat ‘de gravin van Loon, de edele Agnes’ hem erom vroeg. Hendrik heeft dus zijn best gedaan om de zuivere waarheid van het Latijnse verhaal over Sint-Servaas nauwkeurig en zonder fouten in het Diets over te zetten.

Als koster van de kapittelkerk had Hessel de kerkschatten onder zijn hoede. Daartoe behoorde ook het boekenbezit. Het ligt voor de hand dat het Servaas-kapittel een exemplaar van de Latijnse tekst met het leven van zijn patroonheilige bezat. Koster Hessel heeft dit wellicht aan Hendrik van Veldeke ter beschikking gesteld, misschien mede op initiatief van gravin Agnes van Loon. Mogelijk heeft hij zelfs enig toezicht op Hendriks vertaalarbeid gehouden.

Over de maatschappelijke positie van een auteur als Hendrik van Veldeke hebben we minder zekerheid. We weten dat hij in Veldeke is geboren; zoals veel Middelnederlandse schrijvers dankt hij zijn toenaam aan zijn geboorteplaats. Veldeke lag iets ten noordwesten van het huidige Hasselt, in België. In de twaalfde eeuw maakte Veldeke deel uit van het graafschap Loon. In de Servaes-legende spreekt Veldeke de gravin van het graafschap aan als ‘mijn vrouwe’; daaruit kan men afleiden dat hij tot haar dienstmannen heeft behoord.

Veldeke geeft er in zijn werk blijk van dat hij een goede opleiding heeft genoten. Hij kende niet alleen goed Latijn, hij was ook op de hoogte van de cultuur aan de adellijke hoven. Wellicht bekleedde Hendrik een kerkelijk ambt aan het Loonse hof, bijvoorbeeld koster, kapelaan of biechtvader.

De drijfveren van de dichter

Veel middeleeuwse dichters zullen geschreven hebben omdat zij daar de artistieke drang toe voelden en er plezier aan beleefden. In dat opzicht verschillen zij minder van hedendaagse auteurs dan soms wordt aangenomen. Sommigen maken liefdesgedichten om daarmee het hart van hun geliefde te winnen. Anderen dichten om naam te maken en er zijn er ook die dichten om er voordeel uit te putten.

De meesten hadden heus wel een publiek op het oog, al was het soms maar een publiek van één persoon.

Vader van alle Dietse dichters

Jan van Boendale noemt Maerlant bewonderend de vader der Dietsche dichtren algader. En niet ten onriechte. Maerlant heeft – zeker naar toenmalige begrippen – een zeer groot oeuvre bij elkaar geschreven. Maar meer nog dan voor de kwantiteit, verdient Maerlant waardering voor de kwaliteit van zijn werk: hij ontsloot kennisgebieden die tot dan toe voor leken ontoegankelijk waren gebleven. Vóór Maerlant vermeide de aristocratie zich in de ridderepiek. Deze verhalen waren vooral bedoeld om te amuseren; ze toverden de toehoorder een fictieve ideaalwereld voor die weinig te maken had met het dagelijkse leven. In de twaalfde en dertiende eeuw raakte de adel er echter steeds meer van overtuigd dat men praktische kennis nodig had om met gezag te kunnen regeren. Daar voorzagen de ridderromans niet in.

Maerlant schreef zijn boeken in eerste instantie voor de adel, al wordt in menig schoolboek nog altijd anders beweerd. De werken van Maerlant waarin een opdrachtgever genoemd wordt, zijn niet aan burgers opgedragen, maar aan (Hollands-Zeeuwse) edelen. De voornaamste oorzaak voor het verkeerde Maerlant-beeld uit de schoolboeken is de visie op de dichter als verkondiger van nutscap ende waer [= nut en waarheid]. Op zichzelf is dat niet onjuist; Maerlant voerde deze zaken inderdaad hoog in zijn vaandel. Men zag echter over het hoofd dat degenen die Maerlant daarbij als recipiënten op het oog had, edelen en geen burgers waren. Burgers namen pas in tweede instantie kennis van Maerlants ‘volwasseneneducatie’.

De gegevens over het leven van deze dertiende-eeuwse literaire vernieuwer zijn zoals gewoonlijk schaars. Jacob werd omstreeks 1230 geboren in Vlaanderen, in de streek rond Brugge. Over zijn ouderlijk milieu weten we niets; wel staat vast dat de dichter een zeer gedegen, klassiek-geestelijke opleiding heeft genoten. Naar wordt aangenomen heeft hij schoolgegaan in Brugge, bij de gerenommeerde kapittelschool van Sint-Donaas. Hier zou hij dan zijn opgeleid tot geestelijke met lagere wijdingen, want we vinden Jacob rond 1261 terug als koster, in het plaatsje Maerlant (bij Den Briel) op het eiland Voorne. Wat hem precies vanuit Brugge naar het Noorden lokte (of dwong), weten we niet. Maar het is niet onwaarschijnlijk dat Jacob het kosterschap door de heer van Voorne kreeg aangeboden.

Dat kostersambt omvatte meer dan de zorg voor kerkgebouw en inventaris. Ook op Maerlants schriftelijke vaardigheden werd een beroep gedaan. Gedurende zijn verblijf op het eiland verrichtte hij waarschijnlijk enig ambtelijk schrijfwerk voor de heren van Voorne, en hij schreef er minstens vier literaire werken. Het is niet uitgesloten dat Maerlant naast deze werkzaamheden als onderwijzer actief was. Hoewel hier niets te bewijzen valt, ziet men Jacob van Maerlant graag als de leermeester van de jonge Floris V, de toekomstige graaf van Holland en Zeeland, die met zijn tante en voogdes, Aleide van Avesnes, op de Zeeuwse eilanden verbleef. Hoe het ook zij, Maerlant is niet op Voorne gebleven. Hij keerde in de jaren zeventig van de dertiende eeuw terug naar zijn Vlaamse geboortegrond. In de havenplaats Damme schreef hij nog een viertal grote literaire werken, voor hij – niet lang na 1296 – overleed.

Maerlants oeuvre

Maerlant schreef zijn eerste literaire werk rond 1258. Hij vertaalde toen het leven van de legendarische Alexander de Grote uit het Latijn. Aan de basis van Maerlants Alexanders geesten ligt de twaalfde-eeuwse schooltekst van Walter van Châtillon, de Alexandreïs. Maerlant zette dit gekunstelde Latijn om in toegankelijk Middelnederlands en vulde Walters tekst aan met episodes uit andere Latijnse verhalen over Alexander de Grote. Walter portretteerde de grote wereldveroveraar vooral als leider en legeraanvoerder, terwijl Maerlant de aandacht vestigde op de wonderbaarlijke en avontuurlijke gebeurtenissen uit Alexanders leven.

Alexanders geesten vond blijkbaar een gunstig onthaal op Voorne, want kort nadat Maerlant het geschreven had, werd hij aangesteld als koster in het Voornse dorp Maerlant. Daar vertaalde hij een drietal werken uit het Oudfrans: de Graal-Merlijn, de Torec en de Historie van Troyen.

Door ervaring wijs geworden, waagt Maerlant zich daarna niet meer aan het vertalen van Oudfranse teksten. Liever maakt hij gebruik van Latijnse werken, die naar zijn mening garant staan voor ‘wetenschappelijke waarheid’. Hij schrijft achtereenvolgens de Heimelijkheid der heimelijkheden (een vorstenspiegel), Der naturen bloeme (een natuurencyclopedie), de Scolastica of Rijmbijbel (de bijbelse geschiedenis tot en met de verwoesting van Jeruzalem, in de eerste eeuw na christus), Sinte Franciscus leven (de levensbeschrijving van Franciscus van Assisi) en de Spiegel historiael (een wereldgeschiedenis). Hoewel we de namen van zijn opdrachtgevers niet altijd kennen, lijken al Maerlants grote werken in opdracht tot stand te zijn gekomen. Zijn meest ambitieuze werk, de Spiegel historiael (geschreven tussen 1282 en 1288) droeg hij op aan Floris V.

Waarheid en een beetje afgunst

Jacob van Maerlant wilde zijn publiek laten zien hoe de wereld in elkaar stak, kennis verspreiden, tot dan toe onbekende geschiedenis presenteren en vooral: de waarheid vertellen. In de loop der tijd kwam de dichter steeds meer tot de conclusie dat Franstalige dichters daar nogal eens een loopje mee namen.

Hoewel Maerlants streven naar de waarheid oprecht is, klinkt in zijn harde oordeel over de ‘leugendichters’ ook een zekere afgunst door. Blijkbaar waren hun verhalen goed bekend bij het publiek en luisterde men er graag naar. Voelde de serieuze Maerlant zich enigszins bedreigd door het aangename, luchtige vermaak dat de menestrele [= minstreels] brachten, en probeerde hij door op hen af te geven zijn eigen positie te verstevigen? Dergelijke geluiden horen we vaker van Middelnederlandse dichters die er een hoge opvatting van het dichterschap op na houden. Een halve eeuw na Maerlant doet ook Jan van Boendale een duit in het zakje.

Wie dichten mogen en wie niet

Tussen 1325 en 1330 schreef de Antwerpse stadsklerk de Lekenspiegel. In dit moraliserende leerboek voor leken konden Boendales tijdgenoten alle kennis vinden die zij nodig hadden.

Met clergie – een term die Boendale aan Maerlant ontleent – wordt kennis en wijsheid bedoeld. Deze clergie ligt opgeslagen in Latijnse boeken; alleen clerici en intellectuelen, die Latijn kennen, hebben toegang tot deze schatkamers van geleerdheid.
Hoe dichters dichten sullen ende wat si hantieren sullen [= Hoe dichters moeten dichten en wat ze daarbij in acht moeten nemen] gaat niet zozeer over de vraag hoe dichters moeten dichten, als wel over wie er mogen dichten. Het is merkwaardig, aldus Boendale, dat leken over allerlei onderwerpen gedichten willen schrijven, alsof ze klerken waren. Volgens Boendale moet eenieder die zich dichter wil noemen aan drie voorwaarden voldoen: hij moet gramarijn zijn, hij moet warachtich [= oprecht] zijn, en hij moet zich eersaem van levene betonen. De eerste eis is in de praktijk de belangrijkste. Immers, een gramarijn is iemand die grammatica heeft geleerd, wat in het middeleeuwse onderwijssysteem gelijk staat aan iemand die Latijn kent en dus clerc is. En kennis van het Latijn is precies wat de leek ontbeert. Leken die het Latijn niet beheersen, ontbreekt het aan de kennis die een oprecht, zuiver oordeel mogelijk maakt. De derde eis, die van de eerzaamheid, heeft voornamelijk betrekking op een heel andere categorie dichters dan die der ‘waarachtige grammarijnen’: de rondreizende minstrelen en sprooksprekers. Sinds de vroege middeleeuwen gold dit soort vermaakskunstenaars in zekere mate als eerloos. Deze eerloosheid hing gedeeltelijk samen met het feit dat zij een reizend leven leidden, maar in feite was hun dubieuze reputatie geworteld in de opvatting dat zij zichzelf prostitueerden. Zij gaven hun eer op voor geld of goederen, die zij met hun optredenverdienden.

De dieperliggende reden achter Boendales veto op het ‘onbevoegd’ uitoefenen van het dichterschap ligt vermoedelijk in de concurrentie die Boendale van de lekedichters ondervond.

Meekijken over de schouder van de dichter

Een auteur die een Latijnse tekst omzette in de volkstaal, kon niet klakkeloos vertalen. Hij moest er rekening meer houden dat zijn publiek allerlei ‘geleerde’ dingen niet zonder meer zou begrijpen. Wat voor een geschoold iemand duidelijk was, kon voor de leek een raadsel zijn, omdat hij niet over de noodzakelijke achtergrondkennis beschikte. De vertaler moest zijn voorbeeldtekst steeds aanpassen, dat wil zeggen: laten aansluiten bij de reeds bestaande kennis van zijn publiek. Dat betekende keuzes maken.

Het program van de bewerker

Achter de veranderingen die een Middelnederlandse vertaler aanbrengt ten opzichte van zijn voorbeeldtekst, gaat vrijwel altijd een bedoeling schuil. Het kan zijn dat de auteur de tekst alleen maar begrijpelijk wil maken door iets uit de leggen of aan de passen aan de belevingswereld van zijn publiek. Maar hij kan ook iets aan zijn brontekst toevoegen om zijn publiek iets te leren.

De persoon van de dichter krijgt kleur: Dirc Potter

Door de werken van onze Middelnederlandse dichters te vergelijken met de Oudfranse of Latijnse originelen, kunnen we iets te weten komen over de vraag wat zij met hun werk beoogden. Zijn de beweegredenen van sommige auteurs zo nog enigszins te achterhalen, over hun persoon en leven weten we doorgaans vrijwel niets. Vooral de auteurs uit de periode tot aan het einde van de veertiende eeuw blijven dikwijls vage schimmen. Over dichters uit de tijd daarna zijn we soms wat beter geïnformeerd. Dat komt omdat gegevens over hen af en toe opduiken in historische kronieken, rekeningposten en archiefstukken.

Literair schrijven lijkt de ambitieuze Potter vooral voor zijn plezier te hebben gedaan. Dat geldt vooral voor zijn eersteling. Der minnen loep [= De loop der liefde], waarin de ongeoorloofde liefde, de goede liefde, de dwaze liefde en de geoorloofde liefde worden besproken; aan elke soort liefde wordt een apart ‘boek’ (dat wil zeggen: hoofdstuk) gewijd. Vele jaren later lijkt de schrijver zich enigszins van zijn lichtvoetig debuut te willen distantiëren. Vervolgens schrijft hij twee werken van veel serieuzere aard: de Blome der doechden en Mellibeus. De Mellibeus werd door Potter vrij letterlijk uit het Frans vertaald; de Blome daarentegen vertoont weliswaar duidelijke verwantschap met een Italiaans werk, maar hier lijkt de schrijver toch een heel eigen koers te varen. Potter besteedt in de Blome veel aandacht aan de tegenstelling tussen deugd en zonde en hij plaatst de ethiek nadrukkelijk in een religieus perspectief.

Het is typerend voor Potter dat veel van zijn exemplarische verhalen eindigen met een stijging in maatschappelijke status. Doordat we relatief veel weten van Potters levensloop krijgen zijn teksten er een dimensie bij. Potters ambitieuze levenshouding komt immers op frappante wijze naar voren in zijn literaire werk.

Willem van Hildegaersberch

Sprooksprekers zoals Willem leefden van het gesproken woord en traden tegen betaling op als dichter en voordrachtskunstenaar. Ze droegen korte, rijmende gedichten voor, die overal over konden gaan. Het repertoire werd afgestemd op de situatie.

Uit het oeuvre van Willem van Hildegaersberch blijkt dat hij vooral een geëngageerd dichter was. De ongeveer honderdtwintig sproken van zijn hand zijn vrijwel allemaal serieus van toon en belerend van aard; soms laat hij zelfs een uitgesproken kritisch geluid horen. Willem legt met name de bestuurlijke elite en de rechterlijke macht het vuur na aan de schenen.

Willem van Hildegaersberch was niet de eerste de beste rijmelaar, maar een dichter van aanzien. Dat blijkt ook uit zijn titel; in de rekeningen van het grafelijk hof wordt hij ‘meester Willem van Hildegaersberch’ genoemd. Anders dan de meestertitel van Dirc van Delft duidt die van Willem niet op een universitaire graad. Willems opleiding bleef beperkt tot de elementaire schrijfschool; de Latijnse school heeft hij, zeer tot zijn spijt, niet bezocht, want hij zegt het te betreuren geen Latijn te kennen.

Willem van Hildegaersberch werd niet alleen aan het hof gewaardeerd, hij trad ook op voor het stadsbestuur van enkele steden, en in 1389 droeg hij een sproke voor in het benedictijner klooster van Egmond. Hij is de enige Middelnederlandse dichter van wie vaststaat dat zijn werk aan het hof, in de stad en in het klooster heeft gefunctioneerd. Dat is typerend voor de figuur van de sprookspreker, die door zijn ongebondenheid nergens echt thuishoorde, maar daardoor tegelijkertijd ook overal thuis was. ‘Gewone’ auteurs waren veel sterker verbonden met de omgeving waarin ze leefden. Naarmate men die omgeving beter kent,  begrijpt men hun werk ook beter.

In de volgende hoofdstukken zal de Middelnederlandse literatuur belicht worden vanuit het perspectief van de kring waarin zij ontstaan is.

Hoofdstuk 3 Literatuur in vrome kringen

Leken en beroepsgelovigen

In de middeleeuwen was iedereen gelovig, dat wil zeggen: overtuigd van het bestaan van God. Binnen de Kerk, waar iedereen bij hoorde, werden drie typen gelovigen onderscheiden: leken, wereldlijke geestelijken en religieuzen. Leken waren mensen die in de wereld leefden en van de geestelijkheid afhankelijk waren voor de bediening van de sacramenten en onderricht in de geloofsleer. Wereldlijke (of: seculiere) geestelijken hadden een kerkelijke wijding ontvangen; zij waren opgeleid om de leken zielzorg te verlenen en ze te onderwijzen in de beginselen van het geloof. Religieuzen daarentegen trokken zich terug uit de wereld, om in kloosters te leven. Zij legden de drie kloostergeloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af en verplichtten zich ertoe te leven volgens een bepaalde kloosterregel.

Sinds het begin van het christendom waren er mensen die vonden dat heel het leven in dienst van God moest staan. Zij trokken zich terug in de woestijn en vulden hun dagen met bidden en werken. In de praktijk leidde dit eenzame leven tot ongeregelde toestanden en daarom ontstonden er organisaties van ‘beroepsgelovigen’, de kloosterorden. Benedictus van Nursia († 547) was een van de eersten die pleitte voor een goede organisatie en eenheid van het kloosterleven. Hij ontwierp een aantal voorschriften die het mogelijk maakten in verschillende kloosters dezelfde leefwijze in acht te nemen. De Regel van Benedictus was eeuwenlang de leidraad voor veel kloosters in West-Europa. De orde der benedictijnen beheerste het monastieke leven tot in de twaalfde eeuw.

Het leven in kloosterverband eiste veel van de monniken. Vanaf het moment dat ze intraden kwam hun leven geheel in dienst van God te staan.

Binnen de oude, eerbiedwaardige orde van de benedictijnen beschouwde men het klooster als de woonplaats van God op aarde, en Zijn domicilie kon niet rijk, machtig en prachtig genoeg zijn. Ook in de boeken die in benedictijner kloosters bewaard werden, kwam die rijkdom tot uitdrukking. Zo bezat de abdij van Egmond, het oudste benedictijner klooster in de noordelijke Nederlanden, een kostbaar Latijns boek: een schitterend verlucht evangelarium. Dit handschrift, waarin alle vier de evangeliën waren samengebracht, werd in de tiende eeuw gemaakt, vermoedelijk in Gent. De Egmondse abdij werd gesticht met materiële steun van Dirk II, die van 939 tot 988 graaf van Holland was. Door de benedictijnen het kostbare boek te schenken gaf hij uitdrukking aan zijn verbondenheid met het nieuwe klooster. Op twee miniaturen in het boek is te zien hoe graaf Dirk en zijn gemalin Hildegard het evangelarium aanbieden aan de abdij van Egmond.

In de loop van de twaalfde eeuw begonnen sommigen anders tegen kloosterlijk bezit aan te kijken. Men vond dat de dikwijls puissante rijkdom in de benedictijner kloosters niet in overeenstemming was met het religieuze ideaal van Jezus en zijn apostelen, die immers zeer arm waren. Als reactie ontstonden er nieuwe orden: die van de cisterciënzers en de norbertijnen in de twaalfde, en de bedelorden van franciscanen en dominicanen in de dertiende eeuw. Het kloosterleven werd nog steeds beschouwd als de hoogste vorm van christelijk leven, maar de opvattingen over de ideale vorm daarvan waren aan verandering onderhevig. Steeds weer leidde een hernieuwd religieus elan in combinatie met het herontdekken van oude christelijke waarden tot het stichten van nieuwe kloosterorden. Dit proces verliep meestal volgens hetzelfde patroon: vanuit idealisme en religieuze bevlogenheid ontstond een nieuwe orde, maar wanneer deze eenmaal tot bloei gekomen was, begonnen de idealen vaak te verwateren en werden de aanvankelijk strenge religieuze normen steeds meer naar beneden bijgesteld. De orde kwam vervolgens bloot te staan aan kritiek, wat weer leidde tot nieuwe bewegingen, die op hun beurt trachtten het volmaakte religieuze leven te realiseren.

Het ontstaan van nieuwe orden was niet de enige verandering in het geestelijk leven van de middeleeuwen. Ook de traditionele ordening van leken, wereldgeestelijken en religieuzen kwam ter discussie te staan. Vanaf de twaalfde eeuw ontstonden er gemeenschappen van leken die geïnspireerd werden door een gezamenlijk ideaal van religieus leven, maar die geen kloosterregel volgden of een gelofte aflegden. Hun armoede beschouwden zij niet als een ongemak, maar als een deugd. Was Christus niet ook in armoede gestorven? Deze ongebonden gemeenschappen van leken werden door de kerkelijke organisatie vaak met argwaan benaderd, omdat ze niet in het traditionele kader pasten.

Veel Middelnederlandse geestelijke literatuur is ontstaan binnen deze kringen van devote leken. Het Latijn was van oudsher de voertaal van het kerkelijk gezag. De volkstaal werd meer en meer het medium voor hen die het Latijn niet beheersten en toch kennis wilden nemen van religieuze literatuur. In de praktijk waren dat vooral vrouwen en mannelijke leken. Zij namen trouwens ook zelf regelmatig de pen ter hand om verslag te doen van hun religieuze ervaringen. Ook sommige mannelijke geestelijken schreven religieuze teksten in de volkstaal, omdat zij vonden dat de goddelijke waarheid voor iedereen verstaanbaar moest zijn, vooral voor degenen die Latijn niet machtig waren. Maar de traditionele kerkelijke autoriteiten stonden het monopolie op de uitleg van geloofszaken niet graag af en traden het gebruik van de volkstaal voor religieuze zaken met reserve tegemoet. Het gebruik van de volkstaal voor zaken die het geestelijk leven betroffen, zou de hele middeleeuwen door min of meer verdacht blijven.

In de Nederlanden vormden de begijnen de eerste lekenbeweging van betekenis. Begijnen waren vrome vrouwen die veelal in kleine groepen samenleefden, in zelfopgelegde kuisheid, maar dan zonder een gelofte af te leggen en zonder een regel die hen aan de officiële kerkelijke organisatie bond. De mannelijke pendant van deze beweging werd gevormd door de begarden. De belangrijkste literaire vertegenwoordigster van de begijnen in het Middelnederlandse taalgebied was de dichteres Hadewijch.

In de veertiende eeuw ontstond er rond de Brusselse priester Jan van Ruusbroec een religieuze leefgemeenschap in Groenendaal, bij Brussel: geen zuivere lekenbeweging – Ruusbroec en de zijnen waren immers wereldgeestelijken – maar een religieus levende gemeenschap die zich niet wilde aansluiten bij een bestaande kloosterorde. De Groenendaalse gemeenschap groeide uit tot een centrum van mystieke literatuur. De stichter van de gemeenschap was sterk gekant tegen de hang naar luxe en comfort, die hij in veel kerken en kloosters waarnam.

In de tweede helft van de veertiende eeuw leidde een streven naar religieuze vernieuwing tot de invloedrijke beweging van de Moderne Devotie, die zijn zwaartepunt had in de noordelijke Nederlanden. De grote voortrekker was Geert Grote (1340-1384). Hij bepleitte een terugkeer naar de principes van de vroege christenen, die wel in gemeenschap leefden maar geen kloosterorganisatie kenden. De ideeën van Ruusbroec waren van grote invloed op de spiritualiteit van de moderne devoten, zij het dat Grote en zijn volgelingen meer heil zagen in de dagelijkse oefening in deugdzaamheid, ascese en zelfbeheersing dan in het zoeken van de mystieke godservaring zoals Ruusbroec deed.

Latijn en volkstaal in de literatuur

Geestelijke literatuur in het Middelnederlands was in principe bestemd voor diegenen die het Latijn niet, of niet genoeg, beheersten. Het Latijn was en bleef de taal van de Kerk.

Veel religieuze vrouwen waren van adellijke komaf. Vaak hadden ze lezen en schrijven geleerd aan de hand van het Latijnse psalmboek. Ze moesten wat Latijn kennen om in het klooster de vaste liturgische gebeden en gezangen te kunnen lezen en zingen. Toch was hun kennis meestal niet goed genoeg om zich in deze taal ook te kunnen uitdrukken. Dat verklaart waarom juist in de kringen van vrome vrouwen relatief vroeg teksten in de volkstaal geschreven werden. Zowel de cisterciënzer non Beatrijs van Nazareth als de begijn Hadewijch schreven al in de dertiende eeuw teksten in het Middelnederlands. Pas in de loop van de veertiende eeuw kozen ook mannelijke geestelijke auteurs voor de volkstaal, maar dit gebeurde vooral in hervormingsgezinde gemeenschappen en niet in de traditionele mannenkloosters.

Vrouwenmystiek

Voor vrouwen was een carrière binnen de Kerk ondenkbaar. Wanneer zij desondanks grote religieuze behoeften en talenten hadden, waren zij genoodzaakt andere wegen te zoeken om daar gehoor aan te geven. Zulke vrouwen zochten soms hun toevlucht in de alles verterende, liefdevolle overgave aan God: de mystiek. Mystieke vrouwen hechtten meer waarde aan de affectieve religieuze beleving dan aan de vaak intellectuele benadering van de theologie. Enkelen onder hen, zoals de dertiende-eeuwse Brabantse mystica Hadewijch, stelden hun mystieke ervaringen op schrift.

Kort gezegd komt het erop neer dat een mystica tracht één te worden met God door een toestand van volkomen innerlijke overgave na te streven, waardoor in de geest de ruimte ontstaat waarin God kan binnentreden. Kán binnentreden, want de mystieke eenwording met God is uiteindelijk altijd een kwestie van genade, een geschenk van God. Met een hoofd vol boekenwijsheid is het moeilijker om de staat van leegheid te bereiken die een noodzakelijke voorwaarde is voor de mystieke extase. Daarom hebben de eenvoudigen van geest het in dit opzicht gemakkelijker dan de geleerden.

Literatuur door vrouwen: Beatrijs van Nazareth

Over het leven van de begijn Hadewijch weten we vrijwel niets, maar van de non Beatrijs van Nazareth (1200-1268) bestaat een uitvoerige levensbeschrijving. Zij schreef haar eigen levensverhaal in het Diets, maar deze tekst is helaas verloren gegaan. Een geestelijke heeft echter van haar verhaal een bewerking in het Latijn gemaakt, en deze is wel bewaard gebleven. Deze Vita Beatricis is, voor zover bekend, de eerste Middelnederlandse tekst die in het Latijn vertaald is.

Een van de laatste hoofdstukken van de Vita Beatricis is het enige hoofdstuk dat niet alleen in het Latijn, maar ook in het oorspronkelijke Middelnederlands van Beatrijs bewaard is. Zij noemt het Van seven manieren van heileger minnen. Het traktaat bevat de kern van haar mystieke leer. Beatrijs onderscheidt daarbij zeven vormen van mystieke ervaring.

De fysieke kwellingen die het gevolg zijn van de mystieke opgang, zijn Beatrijs niet genoeg. Ze heeft een sterke drang haar lichaam nog meer te doen lijden. Hoewel ze niet sterk van gestel is, pijnigt ze haar lichaam op een afschuwelijke manier. Toch ervaart Beatrijs dit alles niet als een kwelling. Haar zelfkastijding is voor haar een uiting van haar intense verlangen naar volledige eenwording met God. De natuurlijke verlangens van het lichaam staan deze geestelijke vereniging hinderlijk in de weg. Het lichaam hunkert naar aardse geneugten en leidt de mens daardoor gemakkelijk af van het hogere. Sommige mystici nemen daarom extreme, in onze ogen haast onvoorstelbare maatregelen tegen deze verleidingen.

Begijnen

Zolang de mystieke ervaring werd gezocht binnen de veilige muren van een klooster, hadden religieuze vrouwen niet heel veel te duchten van de kerkelijke overheden.

Veel meer weerstand bestond er tegen de begijnen. Zij traden buiten de bestaande orde van de Kerk, door zich niet aan een kloosterregel te willen binden en geen eeuwigdurende gelofte af te leggen. Maar ook negeerden ze de orde van de wereld, door niet te trouwen.

Begijnen werden vaak van ketterij beschuldigd en vervolgd.

Begijnen beschouwden zichzelf dan wel als Gods uitverkoren dienstmeisjes, maar buiten hun eigen kring ondervonden zij veel kritiek. Ze werden ervan beschuldigd ketterse ideeën aan te hangen en een losbandig seksueel leven te leiden. Die kritiek hoeft geen realiteitswaarde te hebben gehad. Begijnen waren alleen al verdacht, omdat ze geen deel uitmaakten van controleerbare maatschappelijke verbanden. In de veertiende eeuw werd die weerstand nog versterkt door economische factoren. Begijnen leefden van het werk van hun handen, zoals spinnen en weven. Omdat ze genoegen namen met minimale inkomsten, waren ze geduchte concurrentes van de gilden, die een grotere winstmarge moesten hanteren.

Hadewijch

Het is niet bekend of Hadewijch, die haar werk omstreeks 1240 heeft geschreven, gevaar liep door haar levenswijze als begijn. Voor zover we kunnen nagaan hield ze er geen expliciet ketterse ideeën op na, maar waarschijnlijk werd haar optreden als religieus leidster van een groep vrouwen door de Kerk wel met argusogen bekeken.

Hadewijch is de enige begijn van wie Middelnederlandse teksten over haar religieuze ervaringen bewaard zijn gebleven. In haar geschriften presenteert zij zich als geestelijk leidster van een groep vrouwelijke geestverwanten. Zij wijst hen met haar teksten de weg naar de ware minne.

Literatuur voor vrouwen

Wanneer een auteur een publiek van religieuze vrouwen (of leken) wilde bereiken dat groter was dan de enkeling die het Latijn beheerste, was de volkstaal het aangewezen medium.

Broeder Geraert vertaalde het leven van Christina de Wonderbare (1150-1224) en Lutgart van Tongeren (1182-1246). Hij baseerde zich voor zijn vertalingen op de Latijnse tekst van een dominicaner monnik, Thomas van Cantimpré.

Het leven van Lutgart

Wat op Broeder Geraert diepe indruk maakte, werd door literatuurgeschiedschrijver Te Winkel afgedaan als ‘eene merkwaardige stijfhoofdigheid’. Over smaak valt niet te twisten, maar hier lijkt Te Winkel toch al te zeer zijn eigen (protestantse) oordeel toe te passen op de middeleeuwse heiligenverering. De middeleeuwse gelovige interpreteerde het leven van Christina, en dat van vele andere bewonderde heilige vrouwen, als bewogen door de goddelijke genade, en geenszins als hysterie.

Ruusbroec en zijn kring

Hadewijch stond in hoog aanzien bij mannelijke geestelijken, met name in de kring rond de grote mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381). Dankzij de grote bewondering die men daar voor de Brabantse mystica koesterde, is haar werk bewaard gebleven. Twee van de drie handschriften die haar volledige oeuvre bevatten, komen uit het bezit van het Rooklooster, dat nauwe betrekkingen onderhield met Ruusbroecs proosdij.

Beiden gelden als internationale grootheden op het gebied van de mystieke literatuur. Maar Ruusbroecs werken ontstonden in een ander milieu en vanuit een andere intentie dan het oeuvre van Hadewijch.

Ruusbroec werd op zijn vijfentwintigste gewijd tot kapelaan van de Goedelekerk, een functie die hij tot zijn vijftigste zou blijven vervullen. In 1343 – hij was toen vijftig jaar – verliet Ruusbroec Brussel. Met enkele getrouwen vestigde hij zich in de kluizenaarswoning Groenendaal, gelegen in het Zoniënwoud, enkele kilometers ten zuiden van Brussel. Het was aanvankelijk niet de bedoeling om een nieuw klooster te stichten, maar omdat zo’n vrije gemeenschap nogal omstreden was, traden Ruusbroec en de zijnen in 1350 toe tot de orde van de reguliere kanunniken van Sint-Augustinus. Groenendaal werd een proosdij (een soort klooster).

Ruusbroec inspireerde ook mensen buiten zijn directe omgeving, onder wie de grondlegger van de Moderne Devotie, Geert Grote. Deze zocht Ruusbroec zelf op in Groenendaal en correspondeerde ook met de Brabantse mysticus.

Ruusbroecs teksten op schrift

30 april 1435 was een zwarte dag voor Groenendaal: een rampzalige bibliotheek- en archiefbrand vernietigde bijna alle boeken die zich in de priorij bevonden. Alleen enkele belangrijke verzamelhandschriften met werken van Ruusbroec, Jan van Leeuwen en Jan van Schoonhoven bleven voor het vuur gespaard, omdat ze zich in een speciale kast bevonden.

Volgens de voorstelling op de miniatuur zijn Ruusbroecs werken niet tot stand gekomen aan de schrijftafel van een geleerde die niets begint zonder zijn boeken. Ze zijn het resultaat van bewust gezochte stilte en afzondering.

Geert Grote: de grondlegger van de Moderne Devotie

Zowel Geert Grote als Ruusbroec hadden grote invloed op het geestelijk leven in de Nederlanden. Ruusbroec was betrokken bij de stichting van de priorij van Groenendaal. Geert Grote werd de grondlegger van een hervormingsbeweging die, enkele tientallen jaren na zijn dood in 1384, de Moderne Devotie werd genoemd. De beide mannen hadden nogal verschillende karakters en (misschien mede daardoor) een totaal andere visie op het religieuze leven. Jan van Ruusbroec was een optimistische, wijze mysticus die een absoluut godsvertrouwen bezat, en dat ook uitstraalde naar anderen. God was voor hem een bron van vreugde. Geert Grote daarentegen was een pessimistische, rationeel ingestelde bekeerling die onvermoeibaar opriep tot inkeer, vanuit het besef dat boete en versterving de enige weg waren naar het eeuwige heil.

De grote ommekeer in Geert Grotes leven kwam in 1374. In dat jaar werd hij getroffen door een ernstige ziekte, waardoor zijn leefwijze totaal veranderde. Hij trok zich gedurende een vijftal jaren (van 1375 tot 1380) terug in de kartuize van Monnikhuizen bij Arnhem om zich op zijn leven te bezinnen. Nadat hij de kartuize in 1380 had verlaten, trok Geert Grote predikend van stad tot stad. In zijn felle preken richtte hij zich tegen alle vormen van kerkelijk en zedelijk verval. In 1383 kreeg hij een preekverbod opgelegd. Meester Geert liet zich niet uit het veld slaan en nam de pen ter hand om zijn hervormingsideeën schriftelijk te gaan uitdragen. Hij stelde een getijdenboek samen en vertaalde dat vanuit het Latijn in het Middelnederlands ten behoeve van vrome leken.

Florens Radewijns (1350-1400) bracht in Deventer een groepje van geestelijken en leken bijeen, dat zich gegrepen wist door het ideaal van meester Geert. Zo ontstond de eerste gemeenschap van broeders van het gemene (dat wil zeggen: gemeenschappelijke) leven; de broeders leefden samen in één huis, zonder zich door kloostergeloften te binden. Onder Radewijns leiding ontstonden er in diverse steden nieuwe broederschappen.

De broeders en zusters van het gemene leven

Geert Grote ontwierp statuten voor het Meester-Geertshuis. Twee voorwaarden weken fundamenteel af van die bij de begijnen: er was voor het Meester-Geertshuis geen intrede-som vereist en men zou uitsluitend op persoonlijke kwaliteiten en religieuze inzet beoordeeld worden. Om ledigheid en gebedel te voorkomen zouden de zusters, net als de begijnen, leven van het werk van hun handen. De vrouwengemeenschap had als doel om, net als de eerste christenen, sober en eenvoudig te leven en te werken, God in voortdurend gebed te eren en dienstbaar te zijn, zowel aan de zusters die het huis deelden als aan stadsgenoten.

Op het initiatief van de priester Johannes Brinckerinck (1359-1419) werd besloten dat de vrouwen voortaan in gemeenschap van goederen zouden leven. Zo ontstond naast een beweging van broeders nu ook een beweging van zusters van het gemene leven.

Boek en tekst bij de moderne devoten

Het overschrijven van boeken was voor de broeders van het gemene leven hét middel om in hun levensonderhoud te voorzien. Al schrijvende raakten ze vervuld van de devote inhoud van de geschriften die ze kopieerden.

Het rapiarium

Om altijd goede meditatiestof bij de hand te hebben verzamelden de moderne devoten spreuken, citaten en uittreksels. Vaak werden losse aantekeningen geschreven op restjes papier of perkament; ook leien en wastafeltjes werden daarvoor gebruikt. Zo ontstond een persoonlijke selectie van vruchtbare passages en teksten die als geestelijk notitieboekje functioneerde: het rapiarium.

Het beroemdste boek dat de Moderne Devotie heeft voortgebracht, De imitatione Christi [= Over de navolging van Christus] van de Windesheimse kanunnik Thomas van Kempen (1379/80-1471), gaat waarschijnlijk terug op een rapiarium.

Schrijvende vrouwen en de Moderne Devotie

Ruw geschat telde de Moderne Devotie driemaal zoveel vrouwelijke als mannelijke aanhangers. Toch zijn er onder deze devote vrouwen gemiddeld veel minder auteurs dan onder hun mannelijke geestverwanten. Aan de andere kant is hun bijdrage aan de Middelnederlandse letterkunde relatief groot, want alle vrouwelijke auteurs uit deze kring schreven in de volkstaal. Mannelijke devoten daarentegen schreven alleen in de volkstaal als hun werken voor religieuze vrouwen of leken bestemd waren.

In de vrouwenhuizen van de Moderne Devoten werden ook biografieën van overleden zusters geschreven. De levensbeschrijvingen of viten hadden de bedoeling een goed voorbeeld te verschaffen aan de achterblijvende zusters.
Enkele namen van vrouwelijke auteurs:
Bertha Jacobs, beter bekend als Suster Bertken (†1514)
Jacomijne Costers (†1503)
Alijt Bake (1415-1455)

Zingen in je hart

Liederen waren een bijzondere voedingsbron voor de meditatie van devote zusters. Bijna alle bekende handschriften met Middelnederlandse geestelijke liederen uit de late middeleeuwen zijn afkomstig uit vrouwengemeenschappen van de Moderne Devotie. Toch is het niet zo dat men er daar lustig op los zong. Waartoe dienden dan die liedbundels? Waarschijnlijk waren ze vooral bedoeld als bronnen van meditatiestof voor de zusters; de liederen werden als het ware inwendig gezongen. Dankzij de melodie zijn liederen gemakkelijk te onthouden, en ze kunnen op elk gewenst moment worden opgeroepen.

Vroomheid buiten de kloostermuren

Verreweg de meeste gelovigen bleven in de wereld. Deze mensen werden geacht aan hun christenplicht voldaan te hebben wanneer zij hun naaste liefhadden, de tien geboden in acht namen en regelmatig biechtten en boete deden. Er waren echter ook leken die zochten naar een leefwijze die verder ging dan deze elementaire vorm van spiritualiteit. Daarvoor riepen zij dikwijls de hulp in van een kloosterling, die hen als geestelijk leidsman met raad en daad kon bijstaan. In de regel verliepen deze contacten mondeling; daarover weten we dus vrijwel niets. Een enkele keer werd er geestelijke bijstand geboden in de vorm van een brief of traktaat.

Hoofdstuk 4 Literatuur voor ridders en vorsten

De adel ontdekt de literatuur

Het adellijke publiek had eigen idealen en interesses, en het spreekt vanzelf dat deze terug te vinden zijn in de literatuur die voor edelen geschreven werd. Dat is heel duidelijk in het genre van de vorstenspiegels: teksten waarin aan een vorst wordt uitgelegd hoe hij dient te regeren. De Heimelijkheid der heimelijkheden, rond 1266 geschreven, naar men aanneemt door Jacob van Maerlant, is zo’n vorstenspiegel. De tekst wordt gepresenteerd in de vorm van een brief van de grote Griekse wijsgeer Aristoteles, die tal van wijze raadgevingen verschaft aan zijn pupil Alexander de Grote.

Dat dergelijke teksten aan het einder van de dertiende eeuw ontstonden, is het gevolg van een toenemende ‘intellectualisering’ van de adel. De vechtende klasse begon in te zien dat het voor de consolidatie van haar superieure positie noodzakelijk was zich toegang te verschaffen tot de wereld der kennis. De aangewezen personen om die wereld te ontsluiten waren geschoolde geestelijken, de clerken. Hun voornaamste taak was te zorgen voor de administratie en de ondersteuning van de rechtspraak, maar zij vonden aan het hof tevens de mogelijkheid om literatuur te schrijven. Op deze wijze ontstonden allerlei teksten waarin de adel niet alleen lering, maar ook vermaak vond. Zodoende groeiden sommige middeleeuwse hoven uit tot plaatsen waar literatuur een belangrijke rol speelde.

Literatuur aan het Hollandse hof

Het Hollandse hof was slechts een van de dele hoven in die tijd. Het begrip ‘hof’ verwijst naar de groep mensen die zich rond de vorst verzameld had.

De liefde als gezelschapsspel

De hofelite wilde zich onderscheiden van de rest van de wereld en beschouwde hoofsheid als het aangewezen middel daarvoor. Wie hoofs wil zijn, zorgt ervoor dat hij altijd vriendelijk, discreet en voorkomend is, kortom: dat hij de ander met respect bejegent. Hij beschikt bovendien over goede manieren en is in staat een verfijnde conversatie te voeren. Iemand die deze kwaliteiten bezit, herkent men onmiddellijk aan zijn of haar mooie uiterlijk.
Een hoofse levensstijl betekende dat men zich omringde met schoonheid en luxe. Maar bovenal was het belangrijk dat hij of zij beminde. En wie onverhoopt niet wérkelijk liefhad, deed maar alsof. Voor de hoofse zelfontplooiing was verder belangrijk dat men optrad als dichter en zanger van liefdespoëzie, deelnam aan de dans, een subtiele hoofse conversatie kon voeren en leden van het andere geslacht galante attenties bezorgde (brieven, kleine cadeautjes).

Bij de verschillende vormen van hoofs vermaak waren fictie en werkelijkheid zodanig verstrengeld dat nooit precies duidelijk was waar de particuliere, ‘echte’ emotie ophield en het collectieve rollenspel begon.

Een bijzonder intrigerend onderdeel van de hoofde spelcultuur bestond uit het bespreken van liefdesdilemma’s.

Dichter te paard

Het maken en vertolken van liefdesgedichten behoorde tot de culturele omgangsvormen aan een middeleeuws hof. Wie dichtte of zong gaf daarmee te kennen dat hij of zij liefhad. Aanvankelijk was het voldoende als men bestaand, door professionele dichters gemaakt repertoire vertolkte, maar vanaf het einde van de dertiende eeuw ging men steeds meer verlangen dat de edelman een beroep deed op de eigen creativiteit.

De Brabantse hertog Jan, die regeerde van 1267 tot 1294, is een van de zeer weinige dichtende edelen uit onze streken wiens werk bewaard is gebleven. Hij gebruikte een taal die meer op Middelhoogduits dan op Middelnederlands leek. Stak Jan zijn liederen met opzet in dat Duitse taalkleed? Wellicht wilde hij met zijn lyriek juist in de streek tussen Maas en Rijn succes hebben. Waarom wilde Jan juist in deze streek bekend worden met zijn liefdespoëzie? Mogelijk werd zijn taalkeuze ingegeven door politieke overwegingen. De hertog probeerde zijn macht uit te breiden in het gebied ten oosten van Brabant, de streek tussen Maas en Rijn. Hij meende dat hij daar als hertog van Lotharingen recht op had. Hij poogde dat doel allereerst te verwezenlijken door zijn aanwezigheid in de streek, die in 1288 uitmondde in de slag bij Woeringen, waarbij hij het hertogdom Limburg veroverde.

Het is veelzeggend voor de populariteit van Jans liederen dat ze bewaard zijn gebleven in het beroemde Manesse-handschrift, waarin ook de liederen van Hendrik van Veldeke en nog 138 andere, Duitse dichters van liefdeslyriek bewaard zijn gebleven.

Ridderverhalen

De meeste Arturromans die hier geschreven werden, zijn niet direct aan de fantasie van onze eigen auteurs ontsproten, maar werden vertaald naar Oudfranse voorbeelden. Dit geldt echter niet voor de Walewein, een Arturroman van Nederlandse origine. De Walewein bevat dan ook een typisch Middelnederlandse karaktertrek. Alleen bij ons is Walewein de meeste hoofse en dappere Arturrider; overal elders is het Lancelot die de meeste bewondering oost.

Het is typerend voor de Arturroman dat het verhaal steevast begint en eindigt aan Arturs hof. Aan dit hof heerst doorgaans pais en vree. De koning heeft een aantal dappere en bovenal hoofse, beschaafde ridders om zich heen die hem trouw dienen. Artur bevoordeelt de ene ridder niet boven de andere; hij brengt dit tot uitdrukking door hen aan een Ronde Tafel te zetten. Het verhaal wordt vaak in gang gezet door een wonderbaarlijke gebeurtenis waarna een ridder een queeste [= zoektocht] of avontuur onderneemt. Binnen het rijk van Artur heerst vrede, maar zodra de ridders de grenzen van het rijk overschrijden, worden ze geconfronteerd met de boze buitenwereld. De Tafelridder tracht recht, geloof en beschaving te vestigen buiten Arturs rijk.

Paardetrouw

Middeleeuwse edelen werden niet alleen geboeid door Artur en zijn hof, ook de verhalen over koning Karel de Grote en zijn paladijnen waren populair. Bij het verhaal van de Vier Heemskinderen.

Mechanisch bewegende beelden

Rond 1250-1260 vertaalde Diederic van Assenede het verhaal van Floire et Blancheflor.

Jan Swerts schildert Diederic van Assenede

We weten dat Diederic van Assenede als klerk verbonden was aan het Vlaamse gravenhof, en het ligt dus voor de hand aan te nemen dat hij voor de leden van dit hof het Oudfranse verhaal in Dietse verzen omzette. Margaretha van Constantinopel werd echter opgevoed aan het hof van haar moeder Marie van Champagne in Parijs. Het lijkt daarom weinig waarschijnlijk dat deze Frans opgevoede dames luisterden naar literatuur in het Diets. We moeten voor de Floire et Blancheflor misschien eerder denken aan een publiek van lagere edelen, die soms tweetalig waren en soms alleen Vlaams spraken.

Holland boven

Er bestond een direct middel om de eigen dynastie omhoog te steken: de geschiedschrijving. Een historisch overzicht van het wel en wee van een vorstengeslacht bood immers de mogelijkheid om de dappere daden van de voorouders van de landsheer breed uit te meten. Een voorbeeld daarvan is de Rijmkroniek van Holland van Melis Stoke.

Vroege Vlaamse literatuur

Voor ons begrip van de Middelnederlandse literatuur is het van groot belang om te weten wanneer en in welke omgeving de teksten tot stand zijn gekomen. Dat is lang niet altijd goed uit te maken. De literatuur uit het graafschap Vlaanderen is in dat opzicht extra lastig. In de dertiende eeuw al bloeide de Middelnederlandse literatuur hier rijker dan in andere streken: de Renout van Montalbaen, de Walewein, de Floris ende Blancefloer, de Ferguut en de Reinaert zijn alle in Vlaanderen tot stand gekomen. Voor welk publiek deze teksten precies gemaakt werden, is nog altijd een open vraag. Oudfranse ridderromans worden traditioneel bij de Franse adel gesitueerd. Dienovereenkomstig zouden de Middelnederlandse pendanten voor een even elitair Vlaams publiek bedoeld kunnen zijn, ware het niet dat de Vlaamse adel in hoge mate Franstalig was. Het Vlaamse hof ondersteunde vele literaire kunstenaars, maar dat waren uitsluitend Franstalige dichters, onder wie de vermaarde Chrétien de Troyes.

Wanneer de Vlaamse graaf en zijn directe entourage niet in aanmerking komen als primair publiek voor de Middelnederlandse romanliteratuur, voor wie zouden al die verhalen dan wél geschreven kunnen zijn? Wellicht moeten we het publiek iets lager op de feodale ladder zoeken: bij de plattelandsadel in het Nederlandstalige deel van Vlaanderen. Of hadden de dertiende-eeuwse burgers van Vlaanderens rijke handelssteden (Gent, Brugge, Ieper) misschien belangstelling voor Middelnederlandse literatuur?

In de kern is de Reinaert natuurlijk het verhaal van een hof dat ten onder gaat aan de doortrapte listen van een van zijn vazallen, maar meer nog aan de corruptheid van het eigen stelsel. Horen we hierin een echo van de opvattingen van Gentse patriciërs, die belang hadden bij het opruimen van het feodale systeem, zodat het opkomend kapitalisme een kans kon krijgen? En die listige vos, was dat geen prachtig identificatiemodel voor de burger die het, net als Reinaert, van zijn slimheid en opportunisme moest hebben om vooruit te komen in de wereld? Dat is nog maar de vraag. Het gebruik van list is een traditioneel element in de dierenepiek en het sluit daarom niet automatisch de adel als primaire publiekskring uit. En wat meer is: Nobels feodale hof mag dan op jammerlijke wijze ten onder gaan, dat neemt niet weg dat deze ondergang door de auteur wel degelijk kan worden betreurd. Wellicht heeft hij zijn verhaal eerder als waarschuwing bedoeld dan als propaganda voor een ander maatschappelijk, meer ‘burgerlijk’ systeem.

Hoofdstuk 5 Literatuur in de stad

Listige tantes en lelijke taarten

Een middeleeuwse stad van enige omvang bezat verschillende lokaliteiten waar sprekers konden optreden: de raadskamer van de stadsmagistratuur, de binnen of bij de stad gelegen kloosters, de huizen van welvarende patriciërs of wereldgeestelijken, en de kamers waar gilden, schutterijen en broederschappen hun bijeenkomsten hielden.

De zuidelijke Nederlanden

Het Gruuthuse-handschrift is omstreeks 1400 in Brugge gemaakt. Het boek bestaat uit drie afzonderlijke gedeelten die later zijn samengevoegd: het eerste deel bevat zeven berijmde gebeden, het tweede deel is een liedboek met een kleine honderdvijftig liederen en het derde deel telt zestien gedichten.

Tegen het einde van de veertiende eeuw ontstonden steeds meer van zulke gezelschappen. Edelen, plaatselijke en buitenlandse kooplieden, en andere aanzienlijke inwoners van de stad verenigden zich in gilden en broederschappen. Soms was hun voornaamste bezigheid het organiseren van toernooien, maar meestal legde men zich er op toe missen te houden voor gestorven leden en uitdrukking te geven aan de diepe religieuze gezindheid die het genootschap bezielde. Toch was het tonen van vroomheid niet de enige reden waarom men een gilde of broederschap oprichtte: ook het ‘gezellige’ aspect van het samenzijn met gelijkgestemden werd gecultiveerd.

Het gilde van de Droge Boom

Een gezelschap dat het religieuze met het aangename verenigde was het gilde van Onze-Lieve-Vrouwe van de Droge Boom in Brugge. De naam refereert aan de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.

Jan van Hulst

Een van de meer actieve leden van het gilde van de Droge Boom was vermoedelijk Jan van Hulst. Hij is de dichter van enkele gedichten uit het Gruuthuse-handschrift.

De Gruuthuse-dichters: rederijkers avant la lettre?

Jan van Hulst speelde blijkbaar graag met rijmklanken, strofevormen en acrostichons. In dat opzicht zou men hem een rederijker kunnen noemen, net als zijn late stadgenoot Anthonis de Roovere (ca. 1430-1482). De Roovere was ruim een halve eeuw later in Brugge actief als literator, en hij staat ‘officieel’ te boek als de vroegste rederijker. Ook de andere Gruuthuse-dichters hadden, net als Jan van Hulst, plezier in het spelen met rijm, refrein en strofenbouw.

Er is nog een andere reden om Jan van Hulst en de andere Gruuthuse-dichters als vroege rederijkers te betitelen. Het is niet alleen kenmerkend voor de rederijkers dat zij knutselen met de dichtvorm, maar ook dat zij de dichtkunst in gezelschap beoefenen.

Jan van Hulst en het Gruuthuse-handschrift

Hoofse liederen werden voorgedragen aan het hof, rederijkersrefreinen in de kamers in de steden. Maar waar en hoe functioneerden de liederen en gedichten uit het Gruuthuse-handschrift? De plaats van handeling was ongetwijfeld Brugge, want in de teksten wordt de welvarende Vlaamse handelsstad regelmatig genoemd, terwijl verwijzingen naar andere steden nauwelijks voorkomen. Het ligt voor de hand dat het handschrift functioneerde in een gezelschap. De combinatie van religiositeit (gebeden en Mariaverering) en vrolijkheid (cultiveren van vriendschap, zingen en drinken) wijst in de richting van een gilde of broederschap.

Het Gruuthuse-handschrift maakte deel uit van de bibliotheek van de Brugse patriciër Lodewijk van Gruuthuse.

Er waren onmiskenbaar betrekkingen tussen de familie Gruuthuse en Jan van Hulst, de oprichter van de oudste Brugse rederijkerskamer.

Zou het mede aan Van Hulsts bemoeienis te danken zijn dat het Gruuthuse-handschrift tot stand kwam? Het karakter van het handschrift zou in ieder geval wel heel goed passen in een gezelschap als dat van de Droge Boom: elitair, welgesteld, saamhorig, devoot en vooral: kunstminnend als het was.

Boekproduktie in Brugge

Niet voor niets ontstond een elitair en welgesteld gezelschap als dat van de Droge Boom nu juist in Brugge. Brugge behoorde tot de meest kosmopolitische steden van het laatmiddeleeuwse Europa. Tegen het einde van de veertiende eeuw was bijna alles wat in Europa of in het Nabije Oosten gemaakt werd in Brugge te koop. Er waren zoveel kleermakers, schoenmakers en andere vervaardigers van luxe-artikelen dat zij gewerkt moeten hebben voor een veel wijdere klantenkring dan alleen de autochtone Brugse bevolking. Ook op artistiek gebied, met name in de muziek, de schilderkunst en de vervaardiging van mooi versierde handschriften, heeft de handelsstad aan het Zwin een internationale uitstraling gehad. In dit opzicht was Brugge uniek; geen enkele andere Zuid- of Noordnederlandse stad uit die tijd kon in haar schaduw staan.

De aanwezigheid van een rijke klandizie van welvarende burgers en vreemde kooplieden betekende een belangrijke impuls voor de Brugse handschriftenproduktie. Toch werden waarschijnlijk niet alle in Brugge gekochte boeken door commerciële handschriftenmakers geleverd. Ook kloosters produceerden handgeschreven boeken met de bedoeling ze te verkopen.

In de steden in de noordelijke Nederlanden waren het vooral de broeders van het gemene leven die boeken voor leken maakten.

In het zuiden was de infrastructuur voor stedelijke boekproduktie hoog ontwikkeld. Zo hoog zelfs dat men weinig geneigd was over te schakelen op een nieuwe, veelbelovende produktiemethode: de boekdrukkunst. Dat gebeurde wel in de noordelijke Nederlanden, waar de nieuwe techniek in de tweede helft van de vijftiende eeuw op ruime schaal werd toegepast. In het zuiden, en vooral in Brugge, deed de wet van de remmende voorsprong zich duidelijk gelden.

Goris de librariër

In een stad als Brugge, waar de internationale handel zo’n belangrijke bron van welvaart was, was het van groot belang dat men over de kennis en de vaardigheden beschikte om commercie mogelijk te maken. De meeste parochies hadden een eigen school. Maar er waren ook schoolmeesters die niet aan een parochieschool verbonden waren en die op eigen houtje, tegen betaling, les gaven in lezen, schrijven, rekenen en vreemde talen. Een boekje dat daarbij goede diensten kan hebben bewezen is het Bouc van den ambachten of, in het Frans, het Livre des mestiers. Het bevat dialogen in twee talen waaruit men naar believen Frans of Nederlands kon leren.

Het Bouc van den Ambachten werd rond 1370 samengesteld door een onbekende schoolmeester uit Brugge. Hij vulde blijkbaar een gat in de markt, want na tien jaar verscheen er een Duits-Franse navolging van het werkje en aan het einde van de vijftiende eeuw een Engels-Franse. Ook in de zestiende eeuw werd het nog steeds, zij het in een nieuwe bewerking, veelvuldig gebruikt.

Ook worden er in het Bouc van den ambachten korte uiteenzettingen gegeven over de beroepen die men in een stad als Brugge uitoefent. Een van de ten tonele gevoerde neringdoenden is Goris de librariër. Zijn beroep behelst alle activiteiten die te maken hebben met het vervaardigen en verkopen van boeken.

Het handschrift-Van Hulthem

Als vermoedelijke ontstaanstijd van deze codex geldt het eerste decennium van de vijftiende eeuw. Er zijn sterke aanwijzingen dat de ruim tweehonderdvijftig folia die het handschrift-Van Hulthem omvat, in Brussel of omgeving zijn volgeschreven. Het handschrift, vanwege zijn uniciteit en omvang wel de ‘Nachtwacht van de Middelnederlandse letterkunde’ genoemd, bevat meer dan tweehonderd teksten van de meest diverse signatuur; onder andere een verslag van de zeereis van Sint-Brandaan, een hoofse novelle (de Vergi), ernstige en komische sproken, toneelstukken (de beroemde abele spelen en sotternieën), liederen, liefdesbrieven, gebeden, preken en een routebeschrijving naar Santiago de Compostela. De teksten zijn in tamelijk willekeurige volgorde achter elkaar opgeschreven. Aan het einde van de meeste teksten is een notitie gemaakt waarin vermeld wordt hoeveel versregels de betreffende tekst telt. Dat is iets wat men maar heel zelden aantreft in Middelnederlandse handschriften. Een aantrekkelijke hypothese is dat de aantallen verzen genoteerd werden om uit te rekenen hoeveel de kopiist betaald moest krijgen. Dat zou betekenen dat de teksten in het handschrift-Van Hulthem zijn opgeschreven met de bedoeling om te worden overgeschreven. Het boek zelf was dus niet bedoeld om te verkopen; alleen de teksten die erin stonden waren te koop.

Vroege stadsliteratuur in de Nederlanden

Het handschrift-Van Hulthem is een van de oudste handschriften uit het middeleeuwse Europa waarin teksten staan met ‘echte’ stadsliteratuur. Dat onze cultuur wat dit betreft zo voorlijk was, heeft veel te maken met de opvallend vroege en sterke verstedelijking van vooral de zuidelijke Nederlanden.

De stadsklerk als literair auteur

Een grote stad als het middeleeuwse Brussel beschikte over verschillende instellingen waar klerken werkten. Niet alleen gilden, broederschappen en schutterijen hielden er secretarissen en archivarissen op na, ook het stadsbestuur, het gerechtshof en de school hadden mensen in dienst die van het schrijven hun beroep hadden gemaakt.

De Brabantse yeesten zijn geschreven door de bekendste schrijvende stadsklerk uit de Middelnederlandse letterkunde: Jan van Boendale, die lange tijd werkzaam was als klerk van de schepenbank te Antwerpen. Jan van Boendale was een bijzonder produktief auteur. Hij schreef niet alleen de Brabantse yeesten, maar ook de Lekenspiegel, Jans teesteye, de Korte kroniek van Brabant, Vanden derden Eduwaert en Hoemen ene stat regeren sal. Daarnaast is er nog een drietal teksten (de Melibeus, de Dietsche doctrinale en het Boec van der wraken) waarvan niet zeker is dat ze van Boendale zijn, maar onwaarschijnlijk is het evenmin.

De Bourgondiërs in Brugge

Niet alle edellieden woonden op hun landgoederen en niet alle religieuzen leefden in kloosters op het platteland. Velen hadden hun onderkomen in de stad.

De aanwezigheid van verschillende standen in de stad maakte culturele uitwisseling mogelijk. Het Bourgondische hof bijvoorbeeld drukte een zwaar stempel op het culturele leven in Brugge. De culturele betekenis van het Bourgondische hof reikte verder dan het in dienst hebben van individuele kunstenaars. Ook aan de ontwikkeling van de boekproduktie droegen de Bourgondiërs het nodige bij. Brugges beroemdste miniaturisten werkten in de eerste plaats voor het hertogelijk hof. De voor dit hof geschreven luxe-handschriften waren Franstalig en getuigden van een grote allure. De inhoud was sterk aristocratisch: ze bevatten geschiedenis, ridderepiek, hoofse romans, politieke traktaten en werken met antieke mythologie en epiek.

Anthonis de Roovere

Tijdens een vergadering van de magistraat van Brugge in het voorjaar van 1466 droeg Jan de Baenst een extra agendapunt aan: Karel de Stoute had verzocht om Anthonis de Roovere van stadswege een jaarlijkse toelage van zes pond toe te kennen. In de oorkonde die de inwilliging van het verzoek behelst, staat beargumenteerd waarom men toestemde. De Roovere maakte zich al jarenlang verdienstelijk voor de stad doordat hij tal van toneelopvoeringen organiseerde en ook op andere manieren de blyde rhetorike [= feestelijke, representatieve rederijkerij] toepaste.

Men zag Anthonis niet graag uit Brugge vertrekken, zoveel is wel duidelijk. En om dit te voorkomen maakte men een officiële functie van het werk dat hij blijkbaar al jaren onbezoldigd deed. Het enige waartoe men De Roovere verplichtte, was dat hij in de stad zou blijven wonen.

Rederijkers verzorgen de publiciteit van hun stad

Wanneer er behoefte bestond aan feestelijk vertoon bij officiële gelegenheden, zoals de Blijde Inkomst van een vorst, een militaire overwinning, een vredesbesluit, een vorstelijke geboorte, begrafenis of huwelijk, stonden de plaatselijke rederijkersgezelschappen klaar om op passende wijze cachet aan de gebeurtenis te verlenen. Ook bij processies, schuttersfeesten, patroonfeesten, vastenavondvieringen en meifeesten gaven de rederijkers uitdrukking aan de algemene vreugde. Voor dergelijke gelegenheden werden er toneelstukken, liederen en refreinen geschreven, die gespeeld, gezongen en voorgedragen werden door de leden van de kamers.

Veel aandacht ging ook uit naar andere vormen van spektakel. Bijzonder populair waren de tableaux vivants: stellages met een podium waarop in een stille vertoning taferelen werden uitgebeeld die een voor de gelegenheid toepasselijke boodschap bevatten. De stellages waren bevolkt met bijbelse, mythologische of allegorische figuren, die de religieuze, morele of politieke betekenis van het te vieren feit tot uitdrukking brachten. De feestelijke stoet die langzaam door de stad trok, stopte bij elke stellage. Een stedelijke functionaris trok het gordijn open en gaf uitleg bij wat er te zien was. Verder was de stad uitbundig versierd met triomfbogen en decoratieve bouwwerken. Langs het parcours dat door de voorbijtrekkende vorst werd afgelegd, was vrijwel ieder huis versierd met zijn wapenkleuren.

Het stadsbestuur droeg bij aan de kosten die met het openbaar vertoon gepaard gingen; men betaalde voor het timmeren en de aankleding van de podia en voor het schrijven van de benodigde teksten. Bij deze activiteiten werd vaak de officiële stadsrederijker ingeschakeld. Hij schreef de teksten, verzorgde de versiering van de stad en was betrokken bij de bouw van decors.

Stedelijke toneelgezelschappen

Wat een rederijkerskamer waarschijnlijk onderscheidt van elk ander vijftiende-eeuws gezelschap met literaire aspiraties, is dat rederijkers zich expliciet ten doel stellen de refreinkunst te beoefenen, bij voorkeur in wedstrijdverband.

Door een gewoonte te imiteren die onder de adel al eeuwenlang gebruikelijk was, gaven de rederijkers er blijk van tot de maatschappelijke elite te willen behoren. Dat streven kwam ook tot uitdrukking in de keuze van de prince: vaak was dat een hooggeplaatst persoon, soms zelfs een heuse vorst. Ook de reglementering van de bijeenkomsten, het dragen van insignes en het opleggen van straffen hebben de rederijkerskamers waarschijnlijk overgenomen van adellijke ridderordes.

Niet alle stedelijke groeperingen die zich met toneel bezighielden, werden door dergelijke hoge ambities gedreven. Er bestonden ook vaste toneelgroepen, gesellen vanden spele genoemd, die beroepsmatig toneelspeelden.

Toneelopvoeringen waren blijkbaar zozeer verbonden met de stad, dat zelfs de adel deze op marktpleinen, voor de kerk en mogelijk zelfs op de zolders van stedelijke huizen kwamen bekijken.

Het oudste wereldlijk toneel

Achter in het handschrift-Van Hulthem staat een opmerkelijk tekstje. Het heet Een beginsel van allen spele en het is een proloog die voorafgaand aan elk willekeurig toneelstuk kan worden uitgesproken. Vlak bij deze proloog staan enkele toneelstukken die goed passen in het repertoire van een reizende toneelgroep: het zijn vier abele spelen (edele, serieuze toneelstukken) en zes sotternieën (kluchtige spelen). Ze vormen een duidelijk herkenbare groep van vijf paren. Vier ervan bestaan steeds uit een abel spel, gevolgd door een kort, kluchtig toneelstukje, een sotternie; het vijfde tweeluik bestaat uit twee sotternieën. De stukken staan niet allemaal achter elkaar in het handschrift, maar ze vormen toch een duidelijk herkenbare eenheid.

De abele spelen en sotternieën zijn volstrekt uniek in de toneelgeschiedenis van Europa, want nergens zijn zulke oude wereldlijke toneelstukken gevonden. We weten niet door wie ze zijn geschreven en gespeeld, en evenmin weten we hoe, waar en wanneer ze zijn opgevoerd. De laatste jaren speculeert men vooral over het publiek waarvoor deze bijzondere spelen gemaakt zijn. Ze staan in het handschrift-Van Hulthem, dat verschillende teksten bevat die met een stedelijk publiek in verband kunnen worden gebracht. Betekent dat, dat ook de abele spelen voor een stedelijk publiek gemaakt zijn?

Toneelstukken werden in de middeleeuwen vooral in steden opgevoerd, en veel minder aan de hoven. Bovendien bevat het spel van Lanseloet van Denemerken elementen die op zo’n stedelijke context wijzen. Beroemde minnaressen als Isolde, Guinevere, Blancefloer en de burggravin van Vergi beschouwen geen van allen het huwelijk als noodzakelijke voorwaarde om het bed te delen met de man die ze liefhebben. Zolang de liefde maar echt is, is vrijen geoorloofd. Sanderijn daarentegen weigert aan Lanseloets verlangen tegemoet te komen, omdat een huwelijk bij voorbaat uitgesloten is. Haar moraal getuigt wellicht van een nieuwe ontwikkeling in het denken over huwelijk en liefde, die zich voor het eerst manifesteert in de stedelijke samenleving.

Van eenen eede ende van enen cleede

Naast professionele gezelschappen die wereldlijk toneel op de planken brachten, waren er ook amateurgezelschappen. Dat waren gilden en broederschappen die vooral geestelijke stukken speelden, met name op kerkelijke hoogtijdagen. De voorstellingen waren bedoeld om de stedeling de voornaamste geloofswaarheden op aansprekende wijze onder ogen te brengen. Bijna alle middeleeuwse toneelstukken waren gekoppeld aan processies, en bemoeienis van het stadsbestuur met de opvoeringen was daarom schering en inslag. En zoals dat vaker gaat bij subsidiegevers: voor wat hoort wat. De stad had belangen bij de opvoering, de spelers bij de stedelijke steun. Niet alleen droeg een fraaie opvoering bij aan het imago van de stad, er konden ook politieke belangen mee gediend zijn.

Rozen voor de zeugen

Wie afgaat op datgene wat er aan literaire teksten bewaard is gebleven en wat daarover in de historische bronnen wordt meegedeeld, krijgt de indruk dat literatuur in de stad een nogal elitaire aangelegenheid was. Het literaire leven werd voornamelijk gedragen door adel en rijke patriciërs, deel uitmakend van elitaire gilden en rederijkersgezelschappen, en dikwijls gesubsidieerd door het stadsbestuur. Toch moet er in de straten, op de pleinen en in de kroegen veel meer gezongen, gespeeld en voorgedragen zijn dan wij nu nog kunnen nagaan. Tijdens jaarmarkten, processies en vastenavondvieringen waren er talloze zangers, acteurs en sprekers die de festiviteiten met hun voordrachten opluisterden.

Toch zijn er maar heel weinig van dit soort vermaaksteksten bewaard. Dat we weten dat deze teksten ten gehore zijn gebracht, komt vooral omdat de rederijkers zo heftig uitgevaren hebben tegen de voordragers ervan.

Het is veelzeggend voor de populariteit van vermaaksteksten dat juist deze vrij snel de weg naar de drukpers vonden.

De hoogstaande literatuur van de rederijkers is voornamelijk in handschrift overgeleverd. Daaraan heeft het pleidooi van de drukker Matthijs de Casteleins Const van rhetoriken weinig kunnen veranderen. Hij pleitte ervoor dat rederijkers niet zouden nalaten hun werken te laten drukken, uit vrees dat ze dan veracht zouden worden en beticht van ambitien ende glorysoukene. Alleen bij voldoende verspreiding van zijn werk immers kon de rederijker erkend worden als de rechtsinnighen poëte die hij zo graag wilde zijn, en kon hij zich onderscheiden van straatdichter Midas Muselaere (‘Daantje Doedelzak’).

Het repertoire van ‘Midas Muselaere’

De eerste drukkers begrepen heel goed dat er voor de leutige teksten van de straatdichters een groter afzetgebied bestond dan voor het serieuze en elitaire rederijkersrepertoire. Er zullen dus wel de nodige luchtige drukwerkjes van dit type op de markt zijn gebracht, maar het meeste ervan moet verloren gegaan zijn. Verwonderlijk is dat niet, want zulke teksten werden veelal gedrukt op losse bladen, die weinig kans maakten de eeuwen te doorstaan. De schaarse exemplaren die er nog zijn, stammen uit de zestiende of de zeventiende eeuw. Ook de teksten die niet gedrukt waren, maar op losse bladen waren geschreven, zijn verdwenen. Alleen wanneer een aantal teksten in een bundeltje werd verzameld, maakten ze een kans.