I – HOF EN LITERATUUR
1. Een nieuwe graaf
In 1358 volgt hertog Albrecht van Beieren zijn krankzinnige broer Willem V op als graaf van Holland.
De graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen waren onder Willem V eigenlijk nooit hersteld van de successiecrisis die vanaf 1345 de overgang van het Henegouwse naar het Beierse huis had gemarkeerd; allerwegen streden groepen en personen om de macht.
Sinds het midden van de veertiende eeuw werd het graafschap Holland voortdurend beheerst door de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Deze vetes hielden het graafschap vrijwel permanent aan de rand van burgeroorlog.
Vanaf ongeveer 1365 trad in Holland zelfs zowaar relatieve rust in, een rust die tot circa 1390 zou duren en bovendien begunstigd werd door economische voorspoed. In deze periode kon Albrecht werken aan de consolidatie en expansie van zijn macht.
Een bijzonder probleem vormde bij dit alles de geografische verbrokkeling van Albrechts rijk. Zijn territorium bestond uit de graafschappen Holland en Zeeland in de noordelijke kuststreek, door Brabantse en Vlaamse gebieden gescheiden van de verre grafelijkheid Henegouwen, en met op eens zo grote afstand het hertogdom Beieren-Straubing. Tijdens heel het Beierse bewind in Holland zien we boden tussen de verschillende landen heen en weer gaan, en heel dikwijls gaat ook de hertog zelf op reis. Maar daarnaast koos hertog Albrecht een centrale residentie, alwaar hij zoveel als mogelijk verblijf hield en vanwaaruit hij een centraal bestuur over zijn gebieden poogde uit te oefenen. Residentie werd het Binnenhof te Den Haag.
2. Infrastructuur
Het bestuurlijk zwaartepunt van het grafelijk bewind lag in de Henegouwse periode in het zuiden. Toen de heerschappij over Holland en Henegouwen na de dood van Willem IV op het Beierse gravenhuis overging, dienden zich in dit opzicht belangrijke veranderingen aan. Onder hertog Albrecht en zijn Beierse opvolgers zou Den Haag hoofdzetel van bestuur zijn. Het grafelijk verblijf aldaar had al eens eerder als zodanig gefungeerd: nog vóór de Henegouwers hadden Hollandse graven als Willem II en Floris V in ’s-Gravenhage hof gehouden. Pas onder Albrecht kreeg het jachtslot te Den Haag echter de allure van een ware vorstelijke residentie: een verblijf vanwaaruit de landsheer vanaf 1365 vrijwel permanent zijn gebied bestuurde.
Om ’s-Gravenhage een residentie van niveau te laten zijn, moest er wel het een en ander worden gedaan. Geen jaar ging voorbij of er werd op grote schaal getimmerd en gemetseld op de enkele hectaren die het hofcomplex besloeg. Zo groeide op Binnenhof, Buitenhof, Plaats, Tournooiveld en Spui een omvangrijke woongemeenschap met de vorst en zijn familie in het centrum. In deze ruimte, en dan vooral rondom het middelpunt ervan, speelt zich het literaire leven af waar het in dit boek om gaat.
Ten nauwste verbonden met Albrechts ontwikkeling van het grafelijk hof tot residentie is de uitbreiding van de ambtelijke staf. Wilde het hof immers als centrum van een steeds complexer bestuursbedrijf kunnen functioneren, dan vereiste dit een doelmatig beleidsapparaat. Ook dit was in Den Haag onder de Henegouwers onderontwikkeld gebleven. Ambtenaren werden gerekruteerd uit de (beroepshalve geletterde) geestelijkheid, maar ook steeds vaker uit de adel- en de burgerstand.
De ontwikkelingen naar residentiëring en bureaucratisering zijn van bijzonder belang voor de infrastructuur van het literaire leven. Pas door de vestiging van residenties kon immers een stabiele hofcultuur tot bloei komen, waarbij er voortdurend een select, en op gezette tijden een veel groter publiek aan het hof present was om naar auteurs te luisteren. Gevolg is dat rondtrekkende dichters zich bij voorkeur op de residenties richten: daar weten ze de heren doorgaans continu aanwezig, terwijl die van ambulante hoven meestentijds en route zijn. Een residentie roept derhalve middelpuntzoekende krachten op – ook op literair gebied. De ontwikkeling op laatstgenoemd terrein wordt dan nog eens versterkt door de uitbouw van de ambtelijke kanselarij. De staf van geletterde klerken heeft immers potentieel voor letterkundige naast zakelijke tekstproduktie.
Doch een derde factor is in dit verband evenzeer van groot gewicht: het feit dat met het Beierse gravenhuis een dynastie in Holland ging regeren die niet, zoals de Henegouwse, primair Franstalig was, doch van huis uit Duits sprak. De dialecten van Holland en Beieren waren immers veel minder van elkaar verwijderd dan de territoria; van Straubing tot Den Haag kon men zich voor elkaar verstaanbaar maken, zeker als men bereid was hiertoe enige moeite te doen; waar een wil was, was in dit opzicht ook een weg. Het is in dit verband bijzonder opvallend dat vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw, dus juist met de komst van het Beierse huis, veel Middelnederlandse teksten een manifeste Duitse kleuring gaan vertonen – en onder die teksten nemen de teksten uit de Hollandse hofkring een centrale plaats in.
Dat een golf van Duitse invloeden onze landen overspoelde, is in de rekeningen van de Hollandse grafelijkheid duidelijk zichtbaar. Het aantal dichters uit Duitstalige gebieden dat zich aan Albrecht presenteerde, was aanzienlijk. Ongetwijfeld voerden deze artiesten in hun moederduits het woord, eventueel in de wat aangepaste ‘tussentaal’ ten gerieve van de Hollanders in hun gehoor.
3. Hof en hofleven
Het beste kan het hof worden gekenschetst als een centrum van wereldlijk gezag, georganiseerd rondom een vorst met zijn getrouwen. Als bestuurlijk centrum van een rijk is het hof eerst en vooral de zetel van de officiële politieke macht. Maar nauwelijks minder belangrijk is de functie van het hof als centrum van representatie: het hof is middelpunt van het sociale verkeer binnen de rijkselite.
Wat de populatie van het hof betreft, is het een komen en gaan van gasten, verkerend rond een kern van min of meer vaste bewoners. Binnen deze kern kan vervolgens onderscheid worden gemaakt tussen het personeel dat permanent op de hoflokatie aanwezig is, en hovelingen die tot het gevolg van de vorst behoren en hem bij reizen vergezellen.
De omvang van de beheerde rijkdommen en de gevoerde staat in aanmerking genomen, is de precisie waarmee in deze rekeningen veelal de kleinste uitgaafjes staan aangetekend, soms op het komieke af. Maar eerst en vooral is deze pietluttigheid voor ons een zegen: het is aan de toewijding van al die rekenplichtige klerken te danken dat wij ons zo’n nauwkeurige voorstelling kunnen maken van het leven aan het Hollands-Beierse gravenhof.
Beperkingen van deze bron:
De rekeningen bevatten, uiteraard, alleen informatie over zakelijke transacties, en dan ook nog alleen als daarbij contant geld over de tafel is gegaan. We mogen niet vergeten dat vele hofzaken geen materiële component hadden, dan wel via handel in natura verliepen; in beide gevallen zwijgen onze bronnen.
Ook lijken de rekeningen wel eens nauwkeuriger dan ze in feite zijn: het is althans opvallend dat soms uitgaven als jaarlijks worden aangemerkt die wij niettemin maar één keer tegenkomen. Kennelijk vond toch niet elke betaling zijn weg naar de rekeningen, en was de ene klerk veel plichtsgetrouwer dan de andere.
Verder zijn niet van alle jaren alle rekeningen bewaard, waardoor ons bronnenbestand lacunes vertoont.
En tenslotte is de administratie van het Beierse hof niet in alle opzichten even rijk: zo moeten we het bij voorbeeld stellen zonder een inventaris, die ons zou kunnen vertellen wat zich in enig jaar zoal – bijvoorbeeld aan boeken en kunstvoorwerpen – aan het hof bevond.
De rekeningen geven inzicht in het dagelijkse leven aan het hof zoals geen andere historische bron dat kan verschaffen; de verhalende bronnen concentreren zich immers doorgaans op de uitzonderlijke gebeurtenissen.
Het middeleeuwse waardenpatroon eist van de vorst nu eenmaal kostbaar machtsvertoon: intern om geen twijfel te laten bestaan aan zijn superioriteit, extern om het rijk niet te doen achterblijven bij andere. Maar naast politieke motieven speelden bij het weelderige hofleven ook esthetische drijfveren een prominente rol. Wij hebben hier te maken met veertiende-eeuwse groten der aarde, die over voldoende tijd en middelen beschikten om de ‘zucht naar schoner leven’ (zoals Huizinga het heeft genoemd) de vrije loop te laten.
De voornaamste sportieve tijdpassering van de graven was de jacht.
4. Het literaire leven
Er waren boeken aan het Hollandse hof. Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan de boeken van de administratie. Maar daarnaast bezat het hof wel degelijk ook boeken van niet-ambtelijk karakter. Helaas zijn deze vrijwel altijd in latere eeuwen verloren gegaan; het is echter ook veel waard dat hun eertijdse bestaan door de rekeningen wordt gedocumenteerd.
Doorgaans worden de getijden- en gebedenboekjes voor de dames aan het hof vervaardigd. De betrokkenheid van de vrouwen bij het boekenbedrijf aan het hof valt in het algemeen bijzonder op.
Of er in Den Haag een hofbibliotheek in heuse zin bestond, weten we jammer genoeg niet. Wel was er waarschijnlijk een boekerij in de hofkapel, waarvan het bestaan wordt geïmpliceerd door rekeningen en een inventaris uit de vroege Bourgondische periode.
De meeste hovelingen waren functioneel alfabeet.
Om in de grote volkstaalliteratuur van de middeleeuwen thuis te zijn, hoefde het Hollandse hofpubliek geen boek in huis te hebben. Belezenheid was in de middeleeuwen immers niet van boeken afhankelijk; een groot deel van het literaire leven ging van oudsher, en rond 1400 nog altijd, buiten geschreven teksten om. Wie belang stelde in literatuur, kon immers luisteren naar voordrachtskunstenaars. Het blijkt de gewoonste zaak van de hoofse wereld dat literatoren zich mondeling presenteren. De maaltijd van de grafelijke familie is daarvoor het aangewezen moment.
Het aantal woordartiesten dat in de Hollandse rekeningen figureert is door het grote aandeel van anonymi moeilijk te ramen, maar in elk geval staan ettelijke honderden optredens geboekt van dichters, sprekers, zeggers, zanghers en herauden. Ook waar ze met naam en toenaam staan vermeld – vermoedelijk betreft het hier de meer gerenommeerden – zijn ze voor ons vaak niet meer dan een naam, omdat we nu eenmaal geen enkel bewaard gedicht of lied aan hun auteurschap kunnen toeschrijven.
Het moet klaarblijkelijk van bijzondere omstandigheden afhankelijk zijn, wil ons de tekst zijn overgeleverd van een woordartiest die in de rekeningen voorkomt. Om te beginnen zal veel van dit werk nooit een schriftelijk niveau hebben bereikt, doch enkel in mondelinge ‘aggregatietoestand’ bij dichter en publiek hebben geleefd. En als een auteur het al eens gewenst achtte zijn repertoire te boek te stellen (en dus niet analfabeet was, zoals er ongetwijfeld waren), dan geschiedde dit uit praktische en economische overwegingen in zulke kleine boekjes dat deze al snel verloren gingen. A fortiori heeft dit vernietigingsproces zijn tol geëist onder de sproken die, in zeldzame gevallen, door de auteur na een geslaagde voordracht op schrift aan de graaf werden overhandigd: de eeuwen plegen met losse vellen weinig consideratie te hebben. Waar niettemin iets van het literaire kleingoed bewaard is gebleven, is het meestal omdat het beschutting heeft gevonden in een groter (en dus: meer solide) handschrift.
De meeste sproken hadden een wegwerpkarakter. Er moet dus wel iets bijzonders aan de hand zijn als graaf Willem VI van Holland zich in 1409 verwaardigt een boek met vele scoonre sproken aan te schaffen. In dit geval hebben we dan ook te doen met de onbetwiste meester in dit genre, de auteur ook van wie niet toevallig als enige een substantieel oeuvre is overgeleverd: Willem van Hildegaersberch.
II – WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH
1. Huwelijk en dichtkunst
In 1394 treedt Albrecht in het huwelijk met Margaretha van Kleef. Dit was zijn tweede huwelijk. Natuurlijk was het ’s avonds feest, en traden er artiesten op. Van het zestigtal geregistreerde artiesten kunnen wij in niet meer dan één geval een redelijk vermoeden hebben van de nadere inhoud van zijn optreden: voor meester Willem van Hilde gaertsberge. Onder de ruim 120 gedichten die op diens naam zijn overgeleverd, is er namelijk één dat wel zeer in aanmerking komt om als voordracht te hebben gediend op het bruiloftsfeest van 5 april 1394: het gelegenheidsgedicht Van feeste van hylic.
Het vorstelijke huwelijk was meer een politieke dan een emotionele kwestie, en dan nog niet een zozeer tussen twee individuen, als wel voor hun landen in hun totaliteit. Het grote voordeel van het huwelijk is dus het afschrikkingseffect jegens de vijand. Het graafschap Holland heeft immers hoognodig behoefte aab rust, en Hildegaersberch juicht het van harte toe dat met een huwelijk daartoe betere omstandigheden worden geschapen. De buitenlandse vijanden zullen zich nu gewaarschuwd weten, terwijl het huwelijk ook intern voor rust kan zorgen: een machtig heer boezemt ontzag in, hetgeen de onderdanen ervan weerhoudt om overdreven aspiraties te gaan koesteren. Dat is immers het goede van ongelijkheid, dat het gehoorzaam maakt.
Maar behalve rust en orde op korte termijn heeft Willem van Hildegaersberch nog een tweede hoofdmotief om het huwelijk een godsgeschenk te achten: de continuïteit op lange duur. Zolang een sterke landsheer leeft, pleegt immers ieder wel zijn plaats te kennen, maar niet zelden breken bij diens overlijden twisten uit – tenzij natuurlijk een rechtmatig troonopvolger klaarstaat om het gezag krachtig voort te zetten. Daarom is het voor hoge heren nog meer noodzakelijk dan voor gewone mensen dat ze trouwen en nakomelingschap verwerven.
Maar hoezeer het bruiloftsvers ook met het bruiloftsfeest verbonden lijkt, de drie traditionele hoofdthema’s van Willems werk dienen zich ook in dit gedicht met nadruk aan, zijnde: de toestand van het land, de wil van God en de taak van de dichter bij dit alles
2. De kunst der waarheid
Willem van Hildegaersberch moet leven van de kunst; voor hem is dichten niet alleen een vak, maar ook zijn broodwinning. Meester Willems vakmanschap is dus het dichterschap, en meer precies het reizend dichterschap.
Willem lijkt voornamelijk in het westelijk deel van het huidige Nederland te hebben rondgereisd, om her en der bij autoriteiten zijn dichtkunst aan de man te brengen: aan hoven, maar ook wel eens in kloosters of bij stadsbesturen, en met het Haagse hof als centraal richtpunt. Voor zijn kunsten kreeg hij als vergoeding op zijn minst kost en inwoning, en wellicht ook wel eens een beloning in natura. Maar het meest zichtbaar is in de rekeningen uiteraard Willems beloning in contanten, die op zijn minst noodzakelijk waren om de periode tot een volgend engagement te kunnen overbruggen.
Heel veel van wat in Willems gedichten autobiografisch lijkt, blijkt bij nader toezien tot de vaste bestanddelen van het genre te behoren, of op zijn minst mede te kunnen worden opgevat als retorisch effectbejag. In zulke gevallen zou het hoogst riskant zijn om aan Willems verzen biografische informatiewaarde toe te kennen.
Vandaar dat dichters bijvoorbeeld grossieren in bescheidenheidsformules: ze stellen zich nederig op om de gunst en de goedgeefsheid van de heren op te wekken.
Bepaald minder gemakkelijk laten zich uit Willems biografie evenwel de plaatsen wegredeneren waar hij zich verontschuldigt voor zijn gebrekkige ontwikkeling. Hun nadruk en frequentie is bij Willem zo groot dat enig verband met zijn eigen situatie alleszins aannemelijk moet worden geacht.
Dat Willems dichterschap door de traditie is gevormd, staat vast. Wat tot op heden aan Middelnederlandse bronnen voor Hildegaersberchs gedichten boven water is gebracht, lag nogal voor de hand: Boendale vooral, en ook wel Maerlant, dit op een ondergrond van algemene literaire ontwikkeling en een gedegen bijbelkennis.
De kennisachterstand lijkt Hildegaersberch vooral parten te hebben gespeeld bij het vinden van zijn stof, een kwestie die hij herhaaldelijk pleegt aan te roeren. Gewoonlijk putten middeleeuwse auteurs hun stof uit de boeken van anderen; Hildegaersberch moet het echter niet zozeer hebben van belezenheid als wel van een soort van vrije nieuwsgaring. Voor de bemiddeling van Latijnse boekenwijsheid beroept Willem zich nogal eens op geschoolde clerken.
Willem doet herhaaldelijk een beroep op de miltheit van de heren, dat wil zeggen hun vrijgevigheid. De sprooksprekers streven, behalve naar inkomsten, wel degelijk ook naar literaire roem en aanzien. Maar in de wedloop om de literaire gunst der heren wenst Hildegaersberch zich niet te verlagen tot goedkoop amusement; zoiets ontaardt al gauw in hielenlikkerij, en daarvoor heeft Willem niets dan minachting. Zijn voornaamste artistieke wapen pretendeert juist zeer verheven makelij: hij brengt de waarheid. Voortdurend beklemtoont Willem in zijn werk dat hij de waarheid zegt.
Maar wat is waarheid? In deze context blijft de waarheid niet beperkt tot de oppervlakkige, objectieve waarheid van controleerbare feiten. In laatste instantie gaat het om de moreel en religieus geladen eeuwige waarheid van de orde Gods. In deze sfeer bevindt zich ook Willems waarheid. Willem beseft (of liever: verklaart, want ook hier is retorische strategie in het spel) dat zijn waarheidsliefde hem duur te staan kan komen. De waarheid is nu eenmaal zelden populair bij hoge heren, of ze nu van kerk of wereld zijn. Willem vindt het niet gemakkelijk om tegelijk de heren én de waarheid te dienen. In wezen zijn de twee haast onverzoenbaar. In het uiterste geval zwakt Willem de volle waarheid liever ietwat af dan dat hij zich gehaat maakt. De kunst is dus beide te combineren en zodoende de heren genoegen én de waarheid te verschaffen. Daartoe schiet Hildegaersberch in de buurt van de roos maar niet erin.
Voor het landeren van net-niet-voltreffers heeft Willem een schier onuitputtelijk arsenaal aan literaire strategieën tot zijn beschikking, die de lading van zijn kritiek voor de heren draaglijk kunnen maken, of die op zijn minst Willem zelf buiten schot plaatsen. Hun gemeenschappelijke noemer is dat de kritiek op indirecte wijze wordt geventileerd, en het hoofdmiddel daartoe is fictionalisering. Willem presenteert zijn kritische les bij voorkeur via een fabel of langs andere figuurlijke weg, of legt de kritiek in de mond van een gefingeerde zegsman.
3. Waarheid en wanorde
Hildegaersberch leeft in de late veertiende eeuw. Europa bevindt zich in een diepe crisis. Het pauselijk schisma houdt kerk en wereld verdeeld; de oorlog tussen Engeland en Frankrijk verlamt het politiek bedrijf en verkwist geld en mensenlevens; pestepidemieën zaaien verderf. Wie in zo’n tijd de waarheid wil spreken, kan moeilijk met een vreugdevolle boodschap komen. Willems waarheid staat dan ook in het teken van de wanorde waaraan hij, scherp waarnemer die hij is, binnen- en buitenland ten prooi ziet.
Klachten over het verval der tijden voeren de boventoon in Willems werk. Om de treurige toestand pregnant aan te duiden gebruikt hij allerlei overdrachtelijke uitdrukkingen met Eer die ten onder heet te zijn gegaan.
Volgens Hildegaersberch bevindt het kwaad zich vooral bij de heren. Zijn heren zijn vooral de heren in de adellijke kringen, en daar van laag tot hoog, tot en met de landsheer toe. Dit is en blijft een opmerkelijk feit. De sprookspreker richt zijn maatschappijkritiek voornamelijk op de kringen waarvoor hij zelf om den brode optreedt! Maar het ligt niet enkel aan de heren dat het in hun hofmilieu niet pluis is. De heer draagt misschien wel de verantwoordelijkheid, maar geen directe schuld. De ware schuldigen zijn volgens Hildegaersberch bepaalde lieden om de heren heen (de schalken), die van hun positie misbruik maken om zich aan de honing van het hof te goed te doen. Dat het de schalken telkens lukt om heren te beïnvloeden, komt doordat ze zich bedienen van een allergevaarlijkst wapen: het woord. Zoals Willem het voorstelt, is hij zelf eigenlijk de enige die de heren nog de waarheid durft te zeggen; in het gewone leven zijn zij omringd door verraderlijke pluimstrijkers.
De gelddorst van de mensen is onverzadigbaar geworden, en vormt de oorzaak van heel veel maatschappelijk kwaad. In concreto is het iedereen dus om het geld te doen; in abstracto gaat het om het eigenbelang.
In het maatschappijbeeld van deze hofdichter is het landsbelang het hoogste goed. Privé-belangen acht hij ondergeschikt aan het welvaren van het land (= Holland?) als geheel, dat boven alles baat heeft bij harmonie en rust.
Even frequent als Hildegaersberchs tirades tegen de kwade schalken, zijn zijn dichterlijke klachten over de interne verdeeldheid van het land. De idealistische hofdichter stelt zich boven de partijen op, en propageert deugden als vriendschap en naastenliefde. Eendracht maakt immers macht, terwijl nu voor het omgekeerde moet worden gevreesd: dat het land aan twist ten onder gaat.
4. Dichter naast God
Als Willem over Gods meest eigene instelling op aarde spreekt, luidt zijn waarheid al niet anders dan die voor de wereld: ook de Kerk is in verval. Ook daar doet immers tweedracht haar verwoestende werk; Hildegaersberch betreurt het schisma al evenzeer als de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Maar ofschoon Willem van mening is dat op historische gronden de pauselijke stoel in Rome thuishoort, vermijdt hij zorgvuldig in het schisma kant te kiezen, en stelt hij zich ook in deze kwestie boven de partijen op. En ook al heeft Hildegaersberch kwantitatief gesproken vele malen meer kritiek op wereldlijke heren dan op kerkelijke overheden (dit zal ongetwijfeld mede te maken hebben met zijn primair wereldse gehoor), kwalitatief bezien komt zijn kritiek op beiden goeddeels op hetzelfde neer. Ook geestelijken zijn vaak stokdoof voor onrecht; alleen voor klinkende munt hebben ze een absoluut gehoor. Doch wat Hildegaersberch geneigd is de geestelijkheid nog zwaarder aan te rekenen , is dat deze stand de pretentie heeft anderen de les te kunnen lezen; daarom zou men juist hier het goede voorbeeld mogen verwachten.
Meer nog dan de totale Apocalyps, houdt de individuele dood de dichter bezig. Willems werk is doortrokken van een vrij manifeste doodsgedachte, waarbij met name opvalt hoezeer hij de nadruk legt op het plotselinge, onverhoedse van de dood.
Wie de hemel wil bereiken, moet daar hier op aarde naar leven. Dat dit zijns inziens veel te weinig gebeurt, getuigt Hildegaersberch in vrijwel elk gedicht. Zijn geïmpliceerd publiek bestaat uit zondaars. Maar die impliciete zondaar is er niet alleen om te kritiseren, maar uiteindelijk vooral om te bekeren.
Hildegaersberch voelt zich dichter naast God. Hij kent Gods orde, en houdt die aan de heren voor. In feite werpt hij zich op als een soort van medium tussen zijn hemelse en zijn aardse opdrachtgever. In Willems literatuuropvatting liggen dichten en preken soms uiterst dicht bijeen. Veel van Willems gedichten tenderen naar berijmde preken.
De literatuur zoals Willem van Hildegaersberch die bracht, bewoog zich op een voor hedendaagse begrippen moeilijk te lokaliseren kruispunt tussen dichtkunst, prediking, vermaning en verstrooiing.
III – HET HAAGS LIEDERENHANDSCHRIFT
1. Het liefdeslied
De liedcultuur aan het Hollands-Beierse hof is naar aard en omvang veel moeilijker te beoordelen dan de dichtkunst in de stijl van Hildegaersberch.
Wie had er aan het Hollandse hof behoefte aan om liedjes op te schrijven? Dit soort literatuur had de status van een luchtig niemendalletje, dat voor het publiek de notering op kostbaar perkament niet waard was. En zag het publiek hiertoe al weinig reden, hetzelfde gold voor de auteurs van deze liederen: een beetje vakman droeg zijn repertoire mee in het hoofd. Zo bezien is het niet zozeer verwonderlijk dat van de Hollands-Beierse liedcultuur zoveel verdwenen is, als wel dat er uit Holland toch nog hoofse liederen tot ons zijn gekomen. In de Leidse universiteitsbibliotheek worden zes deerlijk verminkte bladen perkament bewaard, die de even unieke als gehavende resten van een chansonnier, een liedboek in Frans-hoofse stijl dus, dat kort na 1400 in de regio Holland-Utrecht moet zijn opgetekend. De bladen bevatten 24 (deels zwaar gehavende) liederen, compleet met hun muzieknotatie.
Bij vijf liederen staat de naam genoteerd van, naar we mogen aannemen, de componist: éénmaal Hugo Boy monachus, een monnik dus, en vier keer Martinus Fabri. De thematiek van de vier liederen, waarvan twee in het Frans en twee in het Middelnederlands, is dezelfde: de liefde namelijk, en wel in die bijzondere verschijningsvorm die rond 1400 al twee eeuwen aan de hoven van Europa toonaangevend was, en die wij gewoon zijn hoofse liefde te noemen.
Hoofse minnelyriek moet aan het Hollandse hof gedurende de Beierse periode zeer geliefd zijn geweest. Door hun liefdespoëzie een Duitse kleuring te verlenen, lijken Hollandse dichters zich als het ware te hebben willen scharen in de rijen van de beroemde Minnesänger.
Voor wie meent dat in een dergelijk geval het doel van ons literair-historische beeld kan heiligen dat men het met de middelen op een bescheiden akkoordje gooit, dient zich hier een hoogst verleidelijke hulpconstructie aan. Er bestaat immers een Middelnederlands verzamelhandschrift met hoofse minnepoëzie, dat weliswaar niet in de harde kern van de Hollands-Beierse hofliteratuur thuishoort, maar daar toch wel zo dicht bij ligt dat het kan fungeren als een acceptabele, zoniet een vrij betrouwbare representant van de hoofs-literaire traditie aan het Hollandse hof van omstreeks 1400. Het betreft hier het even beroemde als weinig bestudeerde Haagse liederenhandschrift. Het eerste deel van de benaming is beter getroffen dan het tweede: het boek ligt al sinds de stadhouderlijke periode in Den Haag (thans in de Koninklijke Bibliotheek aldaar), maar bevat op de keper beschouwd slechts weinig echte liederen. Het is meer een boek van woorden dan van zang; anders dan in het geval van de Leidse fragmenten zijn de teksten hier zonder muzieknotatie neergeschreven, waarvan het trouwens zelfs de vraag is of veel van de gedichten die ooit hebben gehad. Het meest waarschijnlijk is dat het in het merendeel van de gevallen gaat om teksten voor de mondelinge voordracht, soms meer en soms minder melodieus – voor ons (helaas) nog alleen te lezen als gedichten. Qua inhoud en qua thematiek sluit de verzameling evenwel naadloos op het werk van Boy en Fabri aan: ook hier betreft het hoofse minnepoëzie pur sang. Ook de Hollands-Duitse mengtaal van het handschrift past nergens zo goed als in de invloedssfeer van het Hollands-Beierse hof.
2. De vrouwendienst
De minnedienst is de half-feodale, half-religieuze vorm waarin de liefdesconceptie van het Haags liederenhandschrift gestalte krijgt. De dienaar is de man, zijn superieur de vrouw. Zij is doorgaans niet alleen volmaakt van uiterlijk, maar ook van innerlijk. Vrouwen zijn volgens dit boek de kroon der schepping. Niet voor niets koos God een menselijke moeder voor Zijn zoon. De heilzame invloed van de vrouw op de man is bovenal gelegen in de vreugde die zij opwekt. Doch de weg naar vrouw en vreugde is voor de man met lijden geplaveid. De minnedienst wijst hem een lange weg. De man zal alles moeten geven, wil hij ook maar iets terugontvangen. Hij moet bereid zijn tot totale overgave, desnoods tot in de dood. Het emotionele lot van de man ligt geheel en al in de handen van de vrouw.
Als spelbreker treedt heel vaak de buitenwereld op, die in de hoofse traditie voornamelijk wordt gezien als vijand van de ware liefde. Deze boze buitenwereld figureert vooral in de gedaante van de zogenaamde niders, die met hun scherpe tong het liefdesgeluk van anderen maar al te graag verstoren.
Net als bij Willem van Hildegaersberch speelt het woord in het Haagse liederenhandschrift veelal een destructieve rol: wat daar schalken waren, zijn hier niders. Maar het woord kan in de liefde ook belangrijke diensten bewijzen. Woorden zijn immers ook het middel waarmee de minnaar zijn oprechte gevoelens kan betuigen.
Maar goede woorden zijn in de hoofse liefde weinig waard zonder de juiste daden. Hoezeer sociale vaardigheden hier ook een vereiste zijn, de mannelijke minnaars mogen niet vergeten dat zij ook ridder zijn, en zich met wapenfeiten voor de minne moeten kwalificeren.
Met dit alles raken wij aan wat wel de quintessens van de hoofse liefdesconceptie (in het Haags liederenhandschrift en daarbuiten) kan worden geacht: de veredelende werking die aan de liefde wordt toegeschreven. Liefde maakt betere mensen.
3. Poëzie voor kenners
Zoals de meeste hoofse poëzie, laat het Haags liederenhandschrift doorgaans de minnaars zelf aan het woord: in de meeste gedichten spreekt een minnend ic over de eigen situatie. Toch is een echt persoonlijk aandoende toets een zeldzaamheid, en nimmer prominent. Het is nauwelijks overdreven te stellen dat het, gemeten aan de inhoud van de teksten, in principe steeds om hetzelfde liefdespaar zou kunnen gaan; zo weinig geïndividualiseerd lijt hier de liefdesbeleving.
Het lijkt de moeite waard om nader te verkennen hoe de teksten de ‘kloof’ tussen ogenschijnlijke individualiteit (een uit eigen ervaring sprekend ik) en bovenpersoonlijke herkenbaarheid weten te dichten.
Een aanvankelijk niet zeer opvallend, maar in dit verband toch wel treffend stijlverschijnsel in het handschrift is het veelvuldig gebruik van spreekwoorden en aanverwante levenswaarheden, die naar hun aard op algemene ervaringsfeiten betrekking hebben.
Het gedicht als algemene beschouwing over de liefde geldt het duidelijkst voor de allegorie. Quintilianus (eerste eeuw) omschreef de allegorie als volgt: terwijl het één (letterlijk) wordt gezegd, wordt er (figuurlijk) iets anders bedoeld. Het Haagse liederenhandschrift kent een grote variëteit aan allegorische verschijningsvormen. Ter wille van de overzichtelijkheid laten deze zich globaal categoriseren in twee hoofdgroepen: de zogenaamde constructie-allegorie en de personificatie-allegorie. In het eerste geval hebben we te maken met de (literaire) beschrijving van een concrete zaak, die model blijkt te staan voor iets anders. Het tweede subtype, dat van de personificatie, werkt eigenlijk volgens het omgekeerde principe: hier worden abstracte zaken , zoals eigenschappen of emoties, concreet gemaakt door ze te personifiëren in figuren waarvan de naam, gedrag en attributen corresponderen met de kwaliteiten van het betrokken abstractum.
Maar de allegorie heeft nog meer functies dan het op een algemeen menselijk plan verheffen van een normatieve deugdenleer. Er zijn namelijk allegorische gedichten die uitgesproken duister zijn. Het vermoeden is gewettigd dat wij ook hier te doen hebben met een aspect van allegorie dat voor ons wellicht hinderlijk kan zijn, doch in de middeleeuwen juist een van de aantrekkelijkheden van het genre moet hebben uitgemaakt: het raadselachtige.
Daarmee komen wij op een punt dat hoogst wezenlijk is voor het Haags liederenhandschrift. Het gaat hier om literatuur voor kenners. Wie een gedicht uit dit handschrift isoleert om het als autonoom klein kunstwerk te analyseren, mist een dimensie die destijds voor de goede verstaanders essentieel was: de dimensie van het genre. Waar het op aankomt, is als het ware elk afzonderlijk gedicht te zien tegen de achtergrond van alle andere. Elk nieuw gedicht speelt op zijn eigen wijze met bekende thema’s, topen en motieven. De esthetische bekoring waar het voor het oorspronkelijke publiek van ingewijden om te doen was, school in het doorzien van het subtiele spel van conventie en variatie.
4. Het hoofse spel
In een boek dat in zijn benaderingswijze zozeer de nadruk legt op literatuur als maatschappelijk verschijnsel, ontkomen we niet aan de vraag naar de verhouding tussen het Haagse liederenhandschrift en de historische werkelijkheid.
Wat de moderne lezer het meest opvalt, is dat het Haags liederenhandschrift weliswaar voortdurend spreekt van houwen, doch nooit van trouwen. Het huwelijk blijft in dit boek volledig buiten beeld.
In de Middeleeuwen waren huwelijk en liefde, zeker in de elitaire kringen waarmee we hier te maken hebben, nagenoeg gescheiden circuits. Het huwelijk was voor alles een sociaal contract, gesloten uit motieven van familiepolitiek, en dienovereenkomstig meestal door ouders voor hun kinderen bedisseld. Dit alles hoeft intussen niet te betekenen dat de aldus gearrangeerde huwelijken in onze zin ongelukkig moeten zijn geweest. Ze werden immers met een geheel ander verwachtingspatroon aangegaan. Bij wederzijds respect tussen de echtelieden mocht al van een geslaagde echtverbintenis worden gesproken, mits uiteraard het respect tevens gestalte kreeg in kinderen. Zo bezien hoeft het ook geen overwegend probleem te zijn geweest als men de liefde buiten het huwelijk zocht. Overspel behoorde in Holland tot de dagelijkse praktijk van het hofleven. De officiële moraal keurde overspel echter ten strengste af.
Het is op zijn minst verleidelijk, en waarschijnlijk zelfs gerechtvaardigd, het Haags liederenhandschrift mede te beschouwen in het licht van deze spanning tussen officiële en officieuze liefdesmoraal. Het handschrift kiest, aldus bezien, vrij radicaal voor de enige echte liefde – de officieuze dus. Toch komt het conflict met de buitenwereld nadrukkelijk aan de orde: het wordt belichaamd in de persoon van de nider, die met zijn geroddel het geluk wil dwarsbomen.
Hoofse cultuur is in zijn diepste wezen een spelcultuur, waarin een elite door middel van een bewust gecultiveerde levensstijl poogt te onderscheiden van de rest van de samenleving. Centraal bij dit alles staat de code omtrent liefde en vrouwendienst. Voor de hoofse zelfontplooiing vormen zang en poëzie een belangrijk medium.
Het spel zorgt dat de hoofse gemeenschap zichzelf kan uiten, bevestigen en vormen tegelijk. Het is, al met al, niet de radicale vlucht uit de werkelijkheid die Huizinga meende te zien, maar wel een uitstapje.
De code van de hoofse liefde stond bepaald niet los van de werkelijke hofcultuur van alledag: de gestileerde, bewust-elitaire levenshouding, gericht op aardse vreugde, sociabel en galant, is een constante aan het Hollands-Beierse hof. Maar anderzijds waren er gecreëerde situaties nodig om de bijbehorende mentaliteit ten volle te kunnen uiten: buiten prieel en feestzaal bestond daartoe minder gelegenheid. Het duidelijkst blijkt het relatief irreële van de hoofse poëzie wel ten aanzien van een van de centrale dogma’s van het Haagse liederenhandschrift: de causale relatie tussen vrijen en vechten. In de hoofse poëzie worden ze als wederzijds noodzakelijke voorwaarden op elkaar betrokken: als de ridder strijdt, toont hij zich een betere minnaar, en doordat hij bemint, is hij een beter strijder. In de harde praktijk van de ridderkrijg konden zulke motieven wellicht in een hoogst enkel particulier geval een rol spelen, maar ging het toch om leven en dood, en niet om liefde.
IV – HERAUT BEIEREN
1. Dienaar met gezag
Herauten zijn aan het middeleeuwse hof een soort van opperrechters over riddereer. Oorspronkelijk verhaalden de herauten over ridderlijke daden. Doch toen in de loop der Middeleeuwen de heraldiek een hoge vlucht nam, stegen de herauten mee. Het identificeren van ridders was een vak apart geworden. De ridders uit de eigen streek placht men uiteraard aan hun bekende wapentekens te herkennen; maar hoe de honderden ridders thuis te brengen die als een soort reizende topsporters in het internationale toernooicircuit rondtrokken? Dit bleek een kolfje naar de hand van de herauten. Zij waren krachtens hun professie kenners van het internationale ridderwezen. Bij toernooien gingen zij als een soort spreekstalmeesters fungeren, die de diverse helden bij het publiek introduceerden, meestal onder het memoreren van hun wapenfeiten bij eerdere gelegenheden. De bereisde herauten waren er immers bij geweest? Behalve als verslaggever van toernooien gingen herauten, nu steevast gekleed in een chique livrei, ook steeds vaker optreden als officials die namens de vorstelijke gastheer de organisatie in goede banen moesten leiden. Het herautenambt kreeg steeds meer het karakter van een ceremoniemeesterschap: bij toernooien in de eerste plaats, maar ook bij andere plechtigheden met een ridderlijk cachet, zoals de ridderwijding, huwelijken en militaire begrafenissen. In opdracht van hun heer reisden herauten heel Europa door, om boodschappen rond te brengen en als belangrijke gezanten.
Herauten wisten hoe het hoorde, en hoe het altijd had gehoord. Zij genoten een enorm gezag waar het ridderlijke aangelegenheden gold. In dit licht hoeft het weinig verbazing te wekken dat sommige herauten hun specialistische kennis op schrift gingen stellen. De boeken die in hun gelederen ontstonden handelden over heraldiek, genealogie en riddereer van heden en verleden.
Uiteraard had ook het Hollands-Beierse hof herauten. De Hollandse graven ontvingen niet alleen van heinde en verre herauten; ze hadden ze ook in eigen dienst. Net als elders droegen deze herauten vaak de naam van een van de gebieden waarover hun heer gezag uitoefende, en zo vinden we aan het Hollandse hof behalve de vanzelfsprekende heraut Hollant ook een heraut Henau (= Henegouwen), een heraut Zeelant en een heraut Vrieslant. Maar de hoogste heraut van al is natuurlijk de heraut Beieren. Hij is een wapenkoning (hoofd der herauten). In overeenstemming met zijn hoge functie verkeert deze dienstman dan ook in de onmiddellijke nabijheid van de vorst.
Toen de heraut Beieren deze status aan het Hollandse hof verwierf, had hij elders al een heel leven achter zich. Hij was heraut aan het hof van Gelre geweest. Als heraut Gelre had hij reeds van alles geschreven. Het Wapenboek Gelre was van zijn hand. Kern van het boek vormt een verzameling van maar liefst 1800 wapentekens. Maar behalve schitterende illustraties bevat het Wapenboek Gelre tevens interessante teksten: berijmde kronieken van belangrijke Europese vorstenhuizen, en gedichten over wapenfeiten uit de verre en meer recente geschiedenis.
Wat waren de motieven om zijn Gelderse dienstverband te verruilen voor een Hollands? Het is voor een literatuurhistoricus een verleidelijke gissing – maar echt niet meer dan dat – te veronderstellen dat bij de transfer het bloeiende literatuurklimaat aan het Hollandse hof een rol kan hebben gespeeld. In elk geval stak Holland in dit opzicht Gelre duidelijk de loef af, en wijdde de Heraut zich in zijn nieuwe functie met zo te zien verhevigde inzet aan de letteren. Het Wapenboek Gelre nam hij mee, om er ook als heraut Beieren in te blijven werken. Maar ook legde hij een nieuw verzamelhandschrift aan, het zogenaamde Wapenboek Beyeren.
Ligt in de wapenboeken het hoofdaccent op de heraldische tekeningen en zijn de teksten de omlijsting, spiegelbeeldig is de verhouding tussen woord en beeld in een volgend handschrift dat de Heraut (hoofdzakelijk) in zijn nieuwe werkkring schreef, en dat eveneens als autograaf voor ons bewaard is gebleven: het handschrift 131 G 37 van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Dit werk bestaat uit een drietal korte kronieken van Brabant, Holland en Vlaanderen. Doch de historische belangstelling van deze heraut reikt veel verder dan belendende vorstenhuizen, zoals de daarop volgende teksten in het handschrift kunnen tonen: er volgen onder meer een gedicht over de Noormannen, de genealogie van Noach, een Latijnse kroniek van de Engelse koningen en een aantal tekstfragmenten over Troje.
Heraut Beieren schreef ook nog een tweetal grote prozakronieken. Het betreft de zogenaamde Wereldkroniek en de Hollandse kroniek.
2. De Wereldkroniek
Wie een wereldgeschiedenis schrijft vanaf de schepping tot (vrijwel) zijn eigen tijd, kan het niet stellen zonder bronnen. De bronnen van de Wereldkroniek bestaan uit de bijbel tot en met Homerus. De bronnenparade wekte Mullers wantrouwen: zouden we werkelijk moeten aannemen dat een eenvoudige heraut al deze teksten zou hebben gekend en verwerkt? Met zijn twijfels had Muller gedeeltelijk gelijk, maar gedeeltelijk ook niet. Waar hij zich op verkeek, was de middeleeuwse conventie omtrent bronnenverantwoording in een historisch werk, die – wat tegenwoordig een doodzonde zou zijn – niet de verwijzing naar de directe, doch naar de uiteindelijke bronnen vereist, onder voorbijgaan aan de intermediairen waaruit men deze bronnen veelal uit de tweede hand citeert.
Maerlant is de grote zegsman van de Heraut. De Spiegel historiael is de hoofdbron van de Wereldkroniek geweest. Voor de bijbelse geschiedenis in zijn Wereldkroniek maakte hij intensief gebruik van Maerlants Rijmbijbel; voor het aan Alexander de Grote gewijde gedeelte in zijn wereldgeschiedenis uiteraard Alexanders geesten. Aan Der naturen bloeme ontleende hij aanvullende gegevens van de meest diverse soort.
Vrijwel elk gegeven in de Wereldkroniek blijkt door de Heraut aan zegslieden ontleend; niets wezenlijks lijkt door de auteur zelf bijgedragen. Volgens Muller verdient het werk dan ook weinig belangstelling: alle gegevens kwamen immers van elders. Er is echter wel degelijk sprake van originaliteit, zij het originaliteit van andere orde. In de selectie geeft de compilator zijn accenten prijs; en waar de selectiefactor, dat wil zeggen het weglatingspercentage, zo hoog is als in dit geval, is op voorhand evident dat de Heraut in zijn keuze van weglatingen en ontleningen zeker niet onpersoonlijk is. Hij moet zich hebben laten leiden door wat voor hem de wezenlijke elementen in de geschiedenis waren, of preciezer: door wat hij dienstig vond om zijn publiek (graaf Willem VI voorop) als beeld van de wereldgeschiedenis af te schilderen.
De Heraut schrijft, letterlijk, wereld-, dat wil zeggen profane geschiedenis. Zijn geschiedverhaal draait om de opeenvolging van wereldheersers. Heel de historische aandacht van de Heraut gaat uit naar de dynastieke lijn in de wereldgeschiedenis: hij ziet de geschiedenis als een aaneenschakeling van vorstelijke heerschappijen, die hij in een nauwgezette chronologische volgorde behandelt.
Door de wijze waarop de Heraut de geschiedenis presenteert, kan zijn opdrachtgever Willem VI vanuit zijn eigen positie als leenman van de Duitse keizer in volle tevredenheid terugkijken (en dus ook met enig vertrouwen vooruit): het Hollands-Beierse gravenhuis blijkt opgenomen in een machtige dynastieke lijn – Gods lijn – in de wereldgeschiedenis, die de grootste vorstengeslachten met elkaar verbindt, eigenlijk van Adam af.
Met zijn grote sympathie voor Troje – en dus antipathie tegen de belegerende Grieken – weerspiegelt de Heraut de in de middeleeuwen gebruikelijke partijdigheid in dit beroemde conflict. Wat Troje in kwantiteit wellicht te kort kwam, maakte het goed in kwaliteit, terwijl bovendien de geschiedenis – en dus: Gods hand – het rijk van Troje postuum heeft verheven. Via zijn gevluchte prins Aeneas stond Troje immers aan de wieg van de Romeinse beschaving, die zelf weer de basis vormde van het Duitse keizerrijk van de Herauts eigen dagen? En niet alleen Rome werd op deze wijze gesticht; ook Engeland en Frankrijk.
In zijn geschiedverhaal schenkt de Heraut aanzienlijke ruimte aan de persoonlijkheid van grote vorsten. De Wereldkroniek staat bol van de persoonverheerlijking; heraut Beieren was een historicus met een zwak voor sterke mannen. Vandaar ook zijn bijzondere belangstelling voor Hannibal en ongetwijfeld ook voor Hercules.
3. De Hollandse kroniek
In het zogenaamde Kladboek – het enige werkschrift dat van een Middelnederlands auteur bekend is! – vinden we materiaal vergaard dat kennelijk voor de Hollandse kroniek bestemd was.
De bronnen voor de Hollandse kroniek van de Heraut waren gedeeltelijk dezelfde als voor diens wereldgeschiedenis. Maar voor het grootste deel moest de Heraut zich hier op andere zegslieden verlaten, zoals de rijmkroniek van Melis Stoke en zijn hoofdbron de Middelnederlandse vertaling van de kroniek van Johannes de Beka.
Ook ditmaal zijn de weglatingen typerend voor zijn invalshoek, en daarmee voor zijn bedoelingen achter zijn geschiedwerk. Ten opzichte van zijn hoofdbron bekortte de Heraut het aandeel van de Utrechtse geschiedenis grootscheeps. En net als in de Wereldkroniek was de geschiedenis van het gebied hier synoniem met die van het regerend vorstenhuis, zodat ook hier de dynastieke lijn de ruggegraat van de kroniek uitmaakt. In de Hollandse kroniek is in de selectie van gegevens de hand van een heraut herkenbaar, getuige de aandacht voor heraldiek, luxe en ceremonieel, en de precisie op het gebied van titulatuur en genealogie.
Zoals de Hollandse kroniek uitvoerig documenteert, had reeds menige graaf van Holland het met
(West-)Friesland aan de stok gehad. Nog kort voor hertog Albrecht het bewind ging voeren was graaf Willem IV in Friesland gesneuveld, en zonder dat de Hollanders zijn lijk hadden kunnen medenemen. We mogen aannemen dat bij de veldtochten die Albrecht en Willem tegen Friesland hebben ondernomen, wraak voor geschonden eer een reëel hoofdmotief is geweest, gewichtiger dan wij ons tegenwoordig kunnen denken. Doch wraak is bij de Heraut wel hoofdmotief, maar geen hoofdoorzaak van Hollands oorlog met de Friezen. Uiteindelijk wortelt de erfvijandschap in enerzijds de aanspraken van Holland op de Friese heerschappij en anderzijds de weigering van de Friezen om zich aan Hollands gezag te onderwerpen. Natuurlijk is het de Heraut bekend dat de Friezen zich hierbij, net als de Hollanders, op historische rechten beroepen – doch met het essentiële verschil dat waar de Hollandse aanspraken zijns inziens rechtmatig zijn, de argumenten voor de Friese vrijheid simpelweg niet deugen. Het Friese verhaal als zou Karel de Grote dit volk onafhankelijkheid hebben verleend, is volgens de Hollandse kroniek geheel en al gelogen. Dat de Friezen zich aan hun wettige heren te onttrekken, wijt de Heraut aan hun volksaard, die van oudsher tegendraads en ongehoorzaam is. Uiteindelijk is de Friese onwil zich onder (Hollands) gezag te stellen voor de Heraut een teken van hun ongehoorzaamheid aan God. Niet zonder reden meet zijn kroniek dan ook in den brede uit hoe moeizaam het kersteningsproces in Friesland is verlopen. Door systematisch nadruk te leggen op hun fatale hang naar goddeloosheid weet de Heraut de oorlog van Holland tegen Friesland de wijding van een heuse kruistocht te verlenen.
Dat de Heraut warm loopt voor de kruistochten is in zijn beide kronieken goed te zien en zal nauwelijks nog verbazen: de strijd tegen de heidenen is bij uitstek de gelegenheid om riddereer en zieleheil te oogsten.
4. Herfsttij der ridderschap?
Een wijd verbreide voorstelling van historische zaken wil dat na de dertiende, en zeker na de eerste helft van de veertiende eeuw de glorietijd van de middeleeuwse ridderschap voorbij was. De kruistochten waren in opeenvolgende fiasco’s geëindigd; de ridderromans waren uit de mode. Ten hoogste kon het ridderideaal nog voortleven als een artificiële droom, meer uit heimwee dan uit overtuiging in stand gehouden, en gecultiveerd in een nostalgisch riddertje-spelen, dat met zijn realiteitswaarde ook zijn bezieling had verloren. Het heilig vuur was uitgedoofd; de gloed kon enkel worden opgepookt tot een kunstmatig schijnsel, waaraan een uitgerangeerde klasse zich tegen beter weten in poogde te blijven warmen.
Dit beeld van de decadente laat-middeleeuwse ridderschap – nergens magistraler geschilderd dan in Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen – is de laatste tijd aan grondige retouches onderworpen. Verschillende onderzoekers zijn uit de slagschaduw van Herfsttij getreden om een meer onbevangen blik op de laat-middeleeuwse ridderschap te werpen. Hun waarnemingen daarbij lopen opvallend parallel, en leiden bij de huidige stand van zaken tot de slotsom dat het beeld van het ridderlijke herfsttij op zijn minst moet worden bijgekleurd. Zo zijn de bloei van het herautenwezen, de populariteit van riddertoernooien en de opkomst van ridderorden slechts begrijpelijk bij de gratie van een bloeiend ridderwezen.
Ook in de gloriedagen bestond er al een gevoelige discrepantie tussen droom en daad.
Herauten houden de historie aan de eigentijdse ridders voor: met wapenboeken, kronieken, erenredes, enz. De kennis van het grootse verleden was bedoeld om tot inspiratie voor het heden te strekken; goed voorbeeld moest hier goed doen volgen.
Zo’n goed voorbeeld vormden voor de ridderschap der late middeleeuwen de beroemde Negen Besten. Dit negental omvatte de drie grootste helden uit de drie grote beschavingen van heidenen, joden en christenen. Ook aan het Hollands-Beierse hof heeft de traditie van de Negen Besten sporen getrokken.
V – DIRC VAN DELFT
1. Monnik aan het hof
Dirc van Delft was doctor in de theologie. Aan welke universiteit hij de doctorstitel heeft verworven, is onduidelijk.
Maar hoe verrijkend Dircs studiereizen in geestelijk opzicht ook mogen zijn geweest, materieel gesproken moeten ze heel wat hebben gekost. Ten dele zullen deze kosten zijn gedragen door de orde der predikheren die hem uitzond; maar in Dircs persoonlijke geval was er kennelijk ook financiële steun van niemand minder dan Albrecht van Beieren.
Dirc van Delft werd in dienst genomen door Albrecht. In Den Haag wachtte hem de taal die het best kan worden omschreven als die van hofkapelaan. Dirc verruilde het studieuze klimaat van universiteit en klooster voor de roerige wereld van het hof, met als gehoor niet langer geestelijken maar wereldlingen.
Overgeleverd van Dirc is de Tafel vanden kersten ghelove (‘Handboek van het christelijk geloof’). De Tafel is als religieuze encyclopedie behalve (l)eervol dienstbetoon aan Albrecht ook een huldeblijk aan God. Nu hij voor Hollandse hovelingen schreef, moest hij de geleerden- voor zijn moedertaal verruilen.
2. De toestand in de wereld
Wanneer men, zoals voor Dirc van Delft vanzelf sprak, het leven in de wereld van het middeleeuwse hof afmat aan de normen van de kerkelijke moraal, viel op dit leven heel wat aan te merken. Zoals de heidenen hun afgoden aanbidden, vervallen volgens Dirc soms christenen ertoe hebzucht, gulzigheid en onkuisheid als hun afgod te vereren.
Dirc van Delft was geen asceet. Een zekere mate van luxe is naar zijn oordeel niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk voor wie een hoge stand heeft op te houden en dus een dito staat moet voeren.
Op verschillende plaatsen toont Dirc, bij al zijn scepsis jegens ’s werelds ijdelheden, toch wel degelijk gevoel voor de cultuur van stand en status die in de middeleeuwen vooral de aristocratie beheerste. Niets in Dircs afkomst wijst erop dat hij dit bewustzijn eerst en vooral van huis uit had meegekregen; evenmin zullen dergelijke opvattingen hem zijn ingeprent in het zedenkundig onderwijs van de dominicaner bedelorde. Te vermoeden valt dat Dircs standsbesef vooral sterk zal zijn gevoed door het hofmilieu waarin hij vanaf 1400 kwam te verkeren. Wilde hij daar als prediker gehoor vinden, dan vereiste dit enig begrip voor de grondregels van het hoofse leven. In Dirc van Delft had Albrecht van Beieren een begripvol hofkapelaan, die zich weliswaar sterk relativerend, maar zeker niet afwijzend tegenover de wereld opstelde.
Op één teer punt is en blijft Dirc van Delft echter onverbiddelijk: in zijn afwijzing van overspel. Nergens toont hij ook maar enige consideratie met het feit dat in het hofmilieu huwelijken nu eenmaal politieke arrangementen waren, en liefde heel iets anders. Als spreekbuis van de officiële katholieke leer is Dirc van Delft een vurig propagandist van het huwelijk als sacrament van liefde en trouw, en absoluut gekant tegen elk buitenechtelijk liefdeleven. Met deze opvatting kan hij niet anders dan in botsing zijn gekomen met wat aan het (Hollandse) hof vrijwel dagelijks praktijk was.
Telkenmale beveelt de Tafel biecht en boete als het aangewezen redmiddel voor de zondaar aan. Maar hier schetst Dirc een ideaal; hij lijkt heel goed te weten dat de werkelijkheid soms anders is. Waarom zou een hoveling eigenlijk te biecht gaan?
Dirc van Delft is een prediker van liefde, niet van agressie; en dit niet alleen waar het zijn zondige gehoor betreft, maar zelfs ten aanzien van de vijanden van het christendom. Natuurlijk zijn de christenen als dragers van het ware geloof zijns inziens superieur aan joden en heidenen, maar dat betekent niet dat Dirc voor laatstgenoemde groepen minachting zal tonen, eerder een vorm van mededogen.
Het wemelt in de Tafel van beelden uit de krijgssfeer: ridders, oorlog, wapens, vechten komen in grote frequentie voor. Op deze manier probeerde hij aan te sluiten bij de belevingswereld van de ridderlijke gelovigen.
3. Schepping en scholastiek
Vrijwel alle wijsheid in de Tafel is ontleende wijsheid. Wat dat betreft is Dircs Tafel in zekere zin net zo goed een compilatie als de Wereldkroniek van heraut Beieren, en schuilt ook hier de auteursoriginaliteit primair in de selectie uit de oneindige hoeveelheid bronnen. Een kardinaal verschil is echter dat terwijl de Heraut, behalve op het relatief smalle gebied van zijn superspecialisme, zich bij ontlening vrijwel woordelijk aan zijn zegsman houdt, de verwerking van autoriteiten bij Dirc van Delft wel zeer actief mag heten: hij hergroepeert, heroverweegt en herformuleert de gegevens van het eerste tot en met het laatste woord.
Het toezien en ontraadselen van de schepping is de taak van geleerde theologen, die de vruchten van hun denken vervolgens vergaren in een summa. De summa is de kroon op de scholastieke wetenschap: een encyclopedie waarin – als een kosmos in het klein – het totaal der schepping op systematische wijze staat vervat.
Voor Dirc van Delft moet het een formidabel karwei hebben betekend; niet alleen het materiaal voor zijn summa te vergaren, maar ook en vooral in de volkstaal te vertolken wat zo sterk aan de Latijnse wetenschap was gebonden.
4. De vroomheid van het hof
Het was van Dirc van Delft bepaald een waagstuk, een Middelnederlandse summa te willen schrijven. Was die traditie niet te veel op het circuit van kerk, Latijn en wetenschap betrokken om zich te laten populariseren? In elk geval moest ten gerieve van het lekenpubliek van al te specialistische geleerdheid worden afgezien. Dirc heeft daartoe zichtbaar zijn best gedaan. Bij grondige vergelijking met zijn vele bronnen blijkt zonneklaar hoeveel geleerde stof door hem is weggelaten. In dit licht zal bijvoorbeeld moeten worden verklaard dat de Tafel aan de mystiek geen woorden vuilmaakt. Dirc laat het al te moeilijke terzijde en onderwerpt het wél geselecteerde aan vereenvoudiging; dit alles om maar optimaal begrijpelijk te zijn voor zijn publiek. Door middel van vergelijkingen en beeldspraak poogt Dirc het onbekende te verduidelijken. Ook licht hij zaken van geloof en kerk aan wereldse verhoudingen toe.
De Tafel dient vooral om Albrecht zijn God en Schepper te doen kennen en tevens om hem beter te behoeden voor zonden.
Is Dirc van Delft erin geslaagd zijn Hollandse opdrachtgever op de door hem beoogde wijze te stichten? De vraag is heel wat makkelijker gesteld dan beantwoord. Wel niemand zal op voorhand het rendement van Dircs lessen durven overschatten: hoe hevig de hofkapelaan bijvoorbeeld ook heeft gefulmineerd tegen overspel, alles wijst erop dat ook tijdens Dircs verblijf aan het Haagse hof het echtbreken gewoon voortging. In het gunstigste geval zullen de hovelingen misschien wat meer werk hebben gemaakt van de penitentie die Dirc voor deze zonde passend achtte, al zal die eerder vorm hebben gekregen in giften en andere liefdadigheid dan in – wat hij tevens voorschrijft – zelfkastijding en de dracht van ruwharen kleding.
Maar zouden wij de zaak hiermee als afgedaan beschouwen, en ons ertoe laten verleiden om aan zo’n enkele overweging algemene conclusies omtrent een betrekkelijke onverschilligheid jegens Dircs lering te verbinden, dan maken we ons veel te gemakkelijk van de kwestie af. Het probleem is echter dat het voor ons voor een minder oppervlakkige benadering goeddeels aan houvast ontbreekt. Wat kunnen we welbeschouwd te weten komen over de vroomheid van de Hollands-Beierse graven, en bovendien: hoe daarna hun vroomheid te waarderen? Op voorhand is de kans hier levensgroot dat we hedendaagse normen omtrent ‘echt’ en ‘oppervlakkig’ geloof op de middeleeuwse situatie projecteren, met alle gevaren van dien.
Hoofdprobleem is echter dat wij waar het de graven zelf betreft – toch wel anders dan in het geval van hun auteurs – niet beschikken over middelen om hun hoofd en hart te peilen. Door de aard der bronnen ingeperkt, zien we van de grafelijke familie alleen de uiterlijke daden; de motieven daarachter onttrekken zich voor ons goeddeels aan beschouwing.
Wie niettemin wil tasten naar een antwoord, vindt allerlei gegevens die erop duiden dat men aan het Hollands-Beierse hof actief met de godsdienst leefde. Voor een scepticus valt hierop weer heel wat af te dingen; zo iemand kan op goede gronden betwisten dat het zou duiden op een ander dan volstrekt plichtmatig geloofsleven. Zich geheel onttrekken aan geloofsverplichtingen was in de Middeleeuwen nu eenmaal vrijwel ondoenlijk, en zeker waar het vorsten gold – het was eenvoudig ondenkbaar, ook voor henzelf, dat zij zich niets aan de Kerk gelegen zouden laten liggen.
Kleine incidenten wijzen erop dat men de voorschriften van het geloof aan het Hollandse hof weliswaar ernstig genoeg nam om ervoor te willen betalen, maar nauwelijks om ernaar te leven, of althans: dat men een zekere neiging had er, sterk gezegd, op los te leven, en zo nodig achteraf de opgelopen schuld aan God te voldoen.
In het algemeen is het opvallend hoezeer de religiositeit aan het Hollandse hof lijkt te worden gedomineerd door uiterlijke vormen. De vroomheid leeft in daden en gebaren. Wel moet hierbij terstond een eerder voorbehoud in herinnering worden geroepen: bij gebrek aan getuigenissen uit het grafelijke innerlijk – laat staan het onderbewuste – worden wij door de bronnen vooral met de neus op uiterlijke feiten gedrukt. Maar ook dit voorbehoud in aanmerking genomen, lijkt de omgang met de godsdienst aan het hof – en daar niet alleen – in vrij hoge mate een kwestie van uiterlijk vertoon.
Behalve in een christelijke levenswandel vindt de ware geloofshouding voor Dirc vooral uitdrukking in de vorm van (dorst naar) godskennis. De ware christen moet volgens hem niet enkel geloven en gehoorzamen, maar ook weten en begrijpen. Gevreesd moet worden dat Dirc van Delft nu juist op dit hoofdpunt te veel van de hovelingen vroeg. Als catechetisch werk is zijn Tafel immers diepgravender en moeilijker dan alle overige Middelnederlandse geschriften in dit genre.
Het vermoeden lijkt gewettigd dat Dirc na hertog Albrechts overlijden in december 1404 het Haagse hof de rug heeft toegekeerd. En dus ging Dirc vermoedelijk weg uit Den Haag, waarmee hij ook voor ons uit beeld verdwijnt. Nog nergens is na 1404 van zijn imposante persoonlijkheid in enige bron een spoor gevonden.
VI – DIRC POTTER
1. Ambtenaar met strafblad?
Dirc Potter is veroordeeld na een vechtpartij waarbij gewonden en doden vielen. Zijn strafblad was geen belemmering voor een glansrijke carrière aan het hof. Dirc Potter heeft het onder Albrechts opvolger Willem VI gebracht tot baljuw van Den Haag, met andere woorden tot een hoge functie in de rechterlijke macht! Als baljuw van Haagambacht moest Potter in zijn ambtsgebied in naam van de graaf misdadigers vervolgen, en deze berechten.
Hij was zijn loopbaan aan het hof begonnen als eenvoudig klerk op tresorie en kanselarij; doch hij zou zich tot diplomaat ontwikkelen.
Het lijdt geen twijfel dat zijn scholing meer dan elementair geweest moet zijn geweest. Dirc Potter blijkt later namelijk, en zeker voor een leek, een ontwikkeld man.
Dirc Potter schreef, zowel op letterkundig als op administratief gebied. Zijn eerste literaire werk Der minnen loep dateert van omstreeks 1411-1412. Hij schrijft zijn letterkundig werk als hobby, niet in opdracht; geen van zijn geschriften laat zich duiden als dienstbetoon aan vorst, vorstin of andere aanzienlijken. Waar het zijn ambtelijke penwerk betrof, schreef hij steeds in dienst van hogerhand.
Zelfstandigheid lijkt het kenmerk van Potters omgang met zijn bronnen, waarvan het traceren al heel wat onderzoekers hoofdbrekens heeft gekost.
2. Lessen in liefde
In de vier boeken van Der minnen loep (‘De ontwikkelingsgang der liefde’) komt Dirc Potter met verhalen over beroemde en minder bekende liefdesparen, en dit alles in het kader van een – met een groot woord – liefdestheorie.
Maar de tamelijke vanzelfsprekendheid waarmee Potter enerzijds liefdes- en huwelijkspraktijk verbindt en anderzijds vrijwel voorbijgaat aan het huwelijk als sociaal arrangement (bedisseld door families), maakt zijn liefdesconceptie vergelijkenderwijs toch vrij opmerkelijk.
Juist omdat Dirc Potters huwelijksvisie ons zo bekend voorkomt, zouden wij haast vergeten dat zij ooit in zekere zin ‘modern’ kan zijn geweest. Misschien is modern hier overigens niet de meest pregnante karakteristiek, en moeten we – als men per se naar een etiket wil omzien – nog eerder denken aan … burgerlijk.
Hoe zal de huwelijkspraktijk zijn geweest in middeleeuwse kringen die zich minder om gezags- en bezitsverlies hoefden te bekommeren, eenvoudig omdat ze minder te verliezen hadden? Het betreft hier een zeer complexe vraag, waaraan in dit bestek onmogelijk recht kan worden gedaan. Zéér simplificerend kan evenwel worden gesteld dat men tegenwoordig aanneemt dat in zulke kringen inderdaad – en ongetwijfeld tot genoegen van de kerk – meer ruimte was om de partnerkeuze bij een huwelijk te laten leiden door de privé-gevoelens van de jongelui, dit alles uiteraard in de vurige hoop dat de voorkeur van hun hart niet zou botsen met het standsgevoel van ouders of omgeving, dan wel met andere familiebelangen.
Potter verklaart onomwonden dat het een proefondervindelijk feit is dat de minne haar goede invloed enkel kan uitoefenen op edele geesten.
De ogenschijnlijke braafheid van Potter moet wat genuanceerd worden. Met betrekking tot incest lijkt hij vergaande tolerantie te huldigen. In theorie verbiedt hij overspel, in de praktijk tilt hij er niet zo zwaar aan, mits het de getrouwde man is die over de schreef gaat.
Goede minnaars kunnen wat Potter betreft hun gang gaan. Zijn voorkeur gaat er natuurlijk naar uit dat zij de deugd eerbiedigen en de zonde schuwen; maar kunnen ze de zonde toch niet laten – verlokkend als die dikwijls is – dan is het Dircs advies het bij een kleine, vergeeflijke zonde te laten, en – als ook dit niet lukt – de zonde in elk geval geheim te houden. Zulke geheimhouding staat immers borg dat men, terwijl men de perken van de officiële moraal te buiten gaat, toch goed bekend blijft staan.
Potter is zelfs bereid advies te geven aan de minnaar die tegen de zin van zijn aanbedene zijn zin wil doorzetten. Wel is daarbij lichamelijke overweldiging taboe, want ook Potter trekt zijn grenzen. Maar slimme trucjes horen bij het spel der liefde, en zonder list vaart niemand wel.
3. Deugd en rede
Hoeveel tijd verstreek alvorens Dirc Potter na Der minnen loep de rest van zijn oeuvre te boek stelde, is onduidelijk. Wel lijkt het vrij zeker dat zijn twee latere werken, de Blome der doechden en de Mellibeus, vlak na elkaar tot stand gekomen zijn.
Maar of de termijn van Potters literaire zwijgzaamheid nu kort of langer moet worden getaxeerd, de wending in zijn schrijverschap blijft hoe dan ook opmerkelijk. Niet alleen hanteert hij in zijn latere werken de prozavorm, en zijn er na de in hoofdzaak Latijnse bronnen van Der minnen loep nu Italiaanse en Oudfranse originelen in het spel; minstens zo opmerkelijk is een zekere verandering van geest. Niet alleen gaat niet langer alle aandacht uit naar liefde, en is het terrein van Potters beschouwingen tot de complete leer van deugd en zonde uitgebreid, maar ook wordt de ethiek in het latere werk veel nadrukkelijker in een vroom perspectief geplaatst.
Het lijkt erop in de Blome dat Potter een uitgesproken aversie jegens de priesterstand koestert. Potter verklaart dat ook een leek als hij met gezag over geloofszaken kan redeneren. Ook voor de ontwikkelde leek ziet hij een rol weggelegd als leidsman in geloofszaken. Ofschoon de Blome draait om de juiste christelijke levenshouding, en niet minder dan de weg wil wijzen waarlangs men hier op aarde richting hemelrijk kan wandelen, komen de priesterlijke sacramenten niet of nauwelijks ter sprake. En als de Blome al eens geestelijken laat figureren, dan is het steevast in een negatieve rol.
Dirc Potter moge dan een overtuigd pleitbezorger van christelijke deugden zijn, met geestelijken heeft hij weinig op.
Met eer (op aarde) en zaligheid (in de hemel) vormt de rede de driehoek van Potters moraalfilosofie: de eerste twee zijn doel, het laatste middel tot die twee.
Als overtuigd aanhanger van de rede is Potter sterk gekant tegen geweld.
4. Wijsheid en succes
In het programma dat Dirc Potter voor mens en moraal ontvouwt, staat wijsheid bovenaan.
Wijsheid blijkt vooral verzamelnaam voor het vermogen om in de praktijk van het aardse leven (en met behoud van zieleheil) adequaat te handelen. Bij dit alles blijft voorop staan dat de (christelijke) deugd moet worden nageleefd; maar slagen op aarde is een goede tweede.
Met behulp van wijsheid kan men naar positieverbetering (op amoureus, materieel en/of sociaal gebied) streven.
Dirc Potter heeft weinig op met erfelijkheid in het algemeen, en al helemaal niets met de erfelijkheid van adellijke titels. Veeleer is hij een voorstander van het omgekeerde: dat iemand op grond van eigen verdienste in de adelstand wordt opgenomen. Alleen zo kan immers worden gegarandeerd dat adeldom bij de juiste lieden berust?
En hoeveel rancune Potter ook jegens de oude adel lijkt te koesteren, zijn mooiste beloning zal toch zijn adellijke status zijn geweest.
Dirc Potter is de representant – zij het voor het Noorden vroeg, en hooggeplaatst – van een hele groep nieuwkomers aan het Hollandse hof: professionele leke-ambtenaren die zich als vakkundige beleidsmedewerkers steeds meer onmisbaar maakten, en, dicht als zij zaten bij het vorstelijk vuur, een positie wisten te verwerven die op het oog misschien niet zo spectaculair was, maar wel een basis bood voor comfortabel (hof)leven.
Binnen deze nieuwe ambtenarenelite munt dan op zijn beurt Dirc Potter uit omdat hij als enige, tijd, talent en zin had om zijn ideeën op te schrijven, ons daarmee een kostbaar kijkje gunnend op de mentaliteit van mensen zoals hij. En ook als schrijverstype is Dirc Potter vrij modern: vooral omdat in zijn persoon een auteur de pen voert die dit naar het schijnt niet in opdracht doet, maar meer bij wijze van culturele zelfverwerkelijking.
VII – HOFLITERATUUR
1. Balans en perspectief
Dit boek behandelt Middelnederlandse literatuur tegen de achtergrond van het hof.
De plaatsing in de context van het hof heeft enkel waarde als men de teksten dan ook vrij nadrukkelijk tegen die achtergrond interpreteert, en bijvoorbeeld signaleert dat er vergaande correlaties zijn tussen Dirc Potters letterkundige geschriften en zijn ambtelijke positie. Maar hoe treffend zo’n bevinding ook mag zijn, het gevaar is er niet minder om dat onze kijk op de literatuur te zeer projectie wordt van wat we van de historische context (menen te) weten, en omgekeerd – dat ons beeld van de historische situatie te zeer wordt ingegeven door wat we in de literatuur (menen te) lezen.
Inzake de keuze van de literaire teksten kwamen (in hoofdzaak) teksten ter sprake die in de omgeving van het Hollands-Beierse hof zijn ontstaan. Dit houdt in dat hier teksten op elkaar zijn betrokken, die bij een andere letterkundige benaderingswijze van elkaar gescheiden zouden blijven: de kroniek komt naast het theologische compendium te staan, omdat beide aan hetzelfde hof en voor hetzelfde gravenhuis geschreven zijn. In dit geval betekent het, dat door de sociologische optiek het genre-perspectief vervaagt. Concreet: we vergeleken Dirc van Delft hier wel met de Heraut, maar niet of nauwelijks met andere auteurs van Middelnederlandse theologische handboeken.
In het voorafgaande is alleen systematisch aandacht geschonken aan de nieuwe literaire werken die in het Hollands-Beierse hofmilieu tot stand kwamen – belangrijke bronnen ongetwijfeld, doch allerminst alleenzaligmakend als het erom gaat de toenmalige literaire cultuur te portretteren. Men schreef aan het hof immers niet alleen nieuwe teksten; men las of beluisterde ook oude. Om een meer compleet beeld van de literaire cultuur aan het Hollands-Beierse gravenhof te verkrijgen, zou dan ook zo systematisch mogelijk moeten worden nagegaan van welke oudere (Middelnederlandse) teksten in dit milieu handschriften aanwezig waren. Het zou dus idealiter niet enkel moeten gaan over de literatuur die aan het hof ontstond, maar over alle literatuur die er in omloop was.
Als eerste aanzet tot een dergelijk onderzoek kan worden vastgesteld dat met name de belangstelling voor het werk van Jacob van Maerlant in kringen van het laat-veertiende- en vroeg-vijftiende-eeuwse Hollandse hof onverflauwd lijkt. In feite kan voor alle auteurs aannemelijk worden gemaakt, zo niet bewezen, dat zij het werk van Maerlant kennen.
Het is natuurlijk denkbaar dat al deze auteurs geheel onafhankelijk van elkaar hun kennis van Maerlants werken hebben opgedaan. Maar het is ook allesbehalve uitgesloten dat zij (voor een deel) dezelfde boeken hebben geraadpleegd: de handschriften van Maerlants werken namelijk waarvan we mogen aannemen dat ze aan het hof van de nazaten van Maerlants hoogste beschermheer, de Hollandse graaf Floris V, voorhanden waren. Het zou de moeite waard zijn na te gaan of er onder de vele thans nog bekende handschriften van Maerlants werken exemplaren zijn die als voormalig eigendom van het Hollandse hof in aanmerking komen.
De eerste conclusie is er een van welkome verrassing. Zonder de resultaten van deze studie ook maar in enig opzicht te willen ophemelen, mag toch worden gesteld dat het Hollands-Beierse gravenhof, ook literair, meer allure blijkt te hebben gehad dan men tot nu toe aannam.
De Hollandse hofliteratuur is op het breukvlak van de veertiende en vijftiende eeuw duidelijk anders geaard dan in de late dertiende. Vooral is zij meer gevarieerd: want terwijl in de jaren van graaf Floris Jacob van Maerlant haast literaire alleenvertegenwoordiging lijkt te bezitten of op zijn minst op eenzame hoogte staat (en bijgevolg auteur is voor een schare opdrachtgevers), is tijdens de Beierse periode onder één mecenaat een keur van auteurs actief. Met name blijkt het inmiddels mogelijk dat men vanuit heel verschillende achtergrond de pen voert: lijkt de literatuur in de dagen van Maerlant nog een monopolie van de geestelijkheid, naarmate de veertiende eeuw verstrijkt zien we steeds vaker leken zich als letterkundige manifesteren. Deze verbreding van het auteurspotentieel brengt als vanzelf een meer gevarieerd tekstaanbod met zich mee.
Maar er is niet alleen sprake van het nieuwe dat zich aandient naast het oude; er is wel degelijk ook sprake van het afsterven van literatuurvormen die in de dertiende eeuw nog in groot aanzien stonden. Het duidelijkst geldt dit wel voor een genre dat nog tijdens Maerlant populair moet zijn geweest, en dat in de decennia daarvoor (met de lyriek) welhaast het literaire rijk alleen had: de ridderroman.
Ook het middeleeuwse literatuurpubliek had op gezette tijden behoefte aan iets nieuws. Bij deze ‘romanmoeheid’ speelde naast een zekere thematische slijtage, heel opmerkelijk, ook een verandering in vormvoorkeur een rol: het hof schepte meer en meer behagen in korte gedichten.
Maar het is niet alleen een min of meer formele smaakverandering die hier een rol speelt. Er is ook een wijziging van inhoudelijke belangstelling in het spel: een zekere afkeer van de ouder ridderromantiek, die misschien nog wel zijn charme had als jeugdlectuur (ook toen al!), maar aan volwassen literatuurliefhebbers allengs minder te bieden had. Zo komt tevens de ‘buiten-literaire’ verklaring van het afsterven der ridderromans in het vizier. Belangrijke externe ontwikkelingen hadden gemaakt dat de wereld van het laat-veertiende-eeuwse hof bij lange na niet meer dezelfde was als de hofwereld die twee eeuwen terug de ridderroman had gecultiveerd. Met name de opkomst van de geldeconomie, en – hiermee verbonden – het stijgende belang van de stad, burgerij en handel hadden de oude machtsverhoudingen danig omgewoeld. Feodaliteit was niet langer, of althans niet overal, de ruggegraat van het maatschappelijk bestel; behalve met vazallen had een vorst steeds meer te rekenen met niet-aristocratische partijen.
Dat in een dergelijke wereld Arturromans – om ons hiertoe te beperken – uit de mode raakten, laat zich denken. De orde die in de Arturroman wordt geschilderd: vorst aan het hoofd, ridders om hem heen, geen burger te bekennen en de stad, zo al in beeld, hoogstens als hofleverancier van wapens en gewaden, was te ver van de realiteit verwijderd om zelfs nog maar als dichterlijke wensdroom relevant te kunnen blijven.
2. Chaos, tekst en eer
De late veertiende eeuw was een dynamische, maar ook een complexe tijd; een tijd van gisting, maar ook van verwarring.
Op vele plaatsen in de Hollands-Beierse hofliteratuur komt onmiskenbaar een gevoel van onvrede tot uitdrukking. Veelvuldig luchten de auteurs hun misnoegen over wantoestanden in hun eigen tijd en kring. Het lijkt of de Hollandse hofauteurs zijn bevangen door een misschien niet altijd even uitgesproken, maar toch unaniem gevoel van neergang.
Het principiële geloof in de omkeerbaarheid ten goede is, niet minder dan onzekerheid, een belangrijke constante in de Hollandse hofliteratuur. De dichters mogen nog zo somber zijn, zij zien het nimmer als hun taak het bij kritiek te laten, doch altijd om een uitweg uit het dal te wijzen.
De middeleeuwse literatuuropvatting is, veel sterker dan de onze, idealistisch en belerend. Literatuur – misschien ruimer: het geschreven woord – wil in de middeleeuwen leidraad voor het leven zijn, en de auteur een gids. Niet dat ‘mooi schrijven’ toen geen doel was; maar naast de esthetische functie van teksten is de ethische bijzonder prominent.
De middeleeuwse literatuuropvatting was dus moralistisch, en didactisch; zo ook in Holland, en zeker ook in de decennia rond 1400, een tijdperk dat wel niet geschapen was voor optimisme, maar des te meer voor idealisme. Juist in de verwarrende veertiende-eeuwse tijden was er behoefte aan (ideologisch) houvast, en schrijvers en dichters waren er om hierbij de helpende hand te bieden. Alle Hollands-Beierse hofauteurs willen hun publiek iets leren, en sturen via deze lessen aan op wat zij zien als positieve beïnvloeding van gedrag en mentaliteit.
Ter bestrijding van de maatschappelijke malaise zoeken de schrijvers het meestal in restauratie, nooit in revolutie.
In feite is eer voor alle auteurs het hoogste doel op aarde.
In de culturele antropologie maakt men vaak onderscheid tussen shame culture en guilt culture. Het gaat hier om een begrippenpaar dat dient om culturen te typeren, uitgaande van de vraag wat in een samenleving het meest te vermijden valt: een (innerlijk) besef van eigen schuld, dan wel de ervaring van (publieke) schaamte (schande). Het onderscheid laat zich ook ten positieve formuleren; in dat geval spreekt men van gewetens- tegenover eerculturen. Ook dan gaat het erom, wat in een bepaalde cultuur de uiteindelijke toetssteen voor menselijk doen en laten is: het innerlijk geweten, of de reputatie in de groep. Laat men zich leiden door de waardering die men in de buitenwereld oogst of bovenal door eigen drijfveren?
Als wij dit nagaan voor het Hollands-Beierse hofmilieu en daartoe om te beginnen afgaan op de literaire teksten, dan lijkt deze cultuur een treffend voorbeeld van een intense shame-culture. Publieke erkenning, eer, blijkt hier immers de hoogste waarde in het aardse leven, en openbare schande (eerverlies) is tot elke prijs te mijden.
Wij bevinden ons heden ten dage in een guilt-culture.
3. Vorst en auteur
Is er eigenlijk wel sprake van een literaire hofcultuur rondom een vorst?
De Hollands-Beierse hofauteurs kennen elkaar wel degelijk.
Er lijkt voldoende reden om de Hollands-Beierse hofauteurs, bij alle erkenning van hun individualiteit, te beschouwen als leden van dezelfde culturele kring. Maar hoe was binnen die kring ieders afstand tot het onomstreden middelpunt, de vorst, in casu de graven Albrecht en Willem VI? In de eerste plaats is er natuurlijk sprake van formele afhankelijkheid: alle auteurs staan tot de graaf van Holland in een verhouding van betaalde dienstbaarheid. Toch is ook op dit formele vlak al sprake van belangrijke verschillen. Heraut Beieren en Dirc Potter zijn volledig in grafelijke dienst, voor Dirc van Delft is het hofkapelaanschap vermoedelijk eerder een deeltijdfunctie, en het dienstverband van Hildegaersberch is meer ‘free lance’. Nog sterker zullen de betrekkingen tussen vorsten en auteurs hebben verschild op het – wel zo belangrijke – informele vlak. Het meest persoonlijk zal de band zijn geweest tussen hertog Albrecht en Dirc van Delft. Het minste dat kan worden gezegd is dat Potter zijn boeken niet aan vorsten opdroeg – waarmee we lijken uit te komen op de paradox dat juist hun meest eigenlijke dienaar literair gesproken het verst van de graven verwijderd is geweest.
Hoe dikwijls de personen die bij ons als letterkundige te boek staan ook in relatie tot de landsheer in de administratieve bronnen mogen figureren, nooit is het als auteur in grafelijke dienst. (Een uitzondering vormt hier uiteraard Willem van Hildegaersberch, die enkel als voordrachtskunstenaar bij de graaf verschijnt, maar verder dan ook buiten beeld blijft.) Was de grafelijke bemoeienis met het letterkundige werk van ondergeschikten inderdaad zo minimaal? In elk geval zijn er geen aanwijzingen dat ooit een Beierse graaf van Holland om de totstandkoming van enig literair werk zou hebben gevraagd; van een rol als opdrachtgever in meest letterlijke zin is voor deze vorsten tot op heden niets gebleken. Dit schijnt wel het geval te zijn voor hun echtgenotes: want voor de grote dames van het Haagse hof kan wél een meer actieve bemoeienis met het boekenbedrijf worden aangetoond. De getijdenboeken die veelvuldig in de rekeningen staan vermeld, worden meestal voor vrouwen aangekocht.
De graven bestelden dan misschien geen nieuwe letterkundige geschriften, ze werden op zijn minst geacht deze boeken te lezen.
Dat ook de hoogste heren aan het hof hun boeken zouden lezen, heeft de auteurs zo al dan niet direct aan het werk gezet, dan toch in elk geval beïnvloed.
De Beierse graven van Holland lijken dus wel degelijk de literatuur aan hun hof te hebben bevorderd en beïnvloed; er kan zonder meer worden gesproken van een letterkundig mecenaat. Men dient zich echter goed te realiseren wat het mecenaat in dit geval (vooral) heeft ingehouden, en wat vooral ook niet. Het was niet zo dat de graven hofauteurs plachten te commanderen, laat staan te dicteren; evenmin lijken zij ten aanzien van of door middel van de literatuur bewust beleid te hebben willen voeren. Als de voorafgaande hoofdstukken iets duidelijk maken, dan is het wel hoezeer ook in de(ze) middeleeuwse situatie de auteur het letterkundig perspectief bepaalt.
Het hofmecenaat is een mecenaat op zekere afstand, zodat we misschien beter nog – met een meer verfijnde term – van patronage zouden kunnen spreken. In de omgeving van de graven verkeren dienaren die, naast hun onmiddellijke taken, ook als letterkundige de pen voeren, en de vruchten van hun arbeid (meestal) aan hun broodheer aanbieden. Of laatstgenoemde van tevoren van hun activiteiten wist of hen daartoe zelfs aanzette, is op zichzelf geen oninteressante vraag, maar staat los van het feit dat zijn rol er is: de bescherming die hij bepaalde lieden biedt, stelt hen in staat boeken te schrijven, die, als ze gunstig worden ontvangen, voortgezette gunst bevorderen.
Door te gaan resideren in Den Haag, een hoge staat te voeren, en aan het hof de literatuur (en nog wel in het Middelnederlands) een plaats te gunnen, schiepen de Beierse graven van Holland omstandigheden die de totstandkoming van Middelnederlandse teksten mogelijk maken. De vorstelijke rol was dus vooral voorwaardenscheppend; en volgens de bekende onderscheiding uit de logica zijn deze voorwaarden niet voldoende, maar wel noodzakelijk geweest.
4. Het einde
Voor de Middelnederlandse letterkunde aan het Haagse hof betekende de wending naar een Frans-Bourgondische invloedssfeer zonder meer een terugslag.
Nu Den Haag niet langer residentie was, miste het hof een ziel. En hof zonder vorst, betekende tevens hof zonder het ware hoofse leven, en zonder literatuur.