Ouverture
Van Wachtendonck naar Gruuthuse
De humanisten brandmerkten de eeuwen tussen 500 en 1500 als geestloze middenperiode, vandaar de term ‘Middeleeuwen’, die de aansluiting verstoorde tussen de grandioze Oudheid en henzelf. Toch waren ze wel degelijk geïnteresseerd in documenten uit die dorre tussentijd, vooral wanneer die licht wierpen op de vroegste stadia der Europese talen.
In 1591 toont de Luikse kanunnik Arnold Wachtendonck Justus Lipsius het handschrift dat nog steeds kan gelden als het alleroudste Nederlandse boek: de Wachtendonckse psalmen. Het manuscript dateerde uit omstreeks 900 en was geschreven in een klooster nabij Luik.
Boven de Latijnse psalmwoorden stonden Germaanse equivalenten genoteerd. De psalmen waren de basisteksten waaruit jonge monniken (en ook wel nonnen) hun eerste lessen kregen in lezen en taal. Hun alfabetisering verliep via het Latijn, een voor hen vreemde taal, die de kinderen in het begin wel met behulp van hun moedertaal moesten interpreteren – en vandaar de glossen. De codex is na Lipsius nooit meer gezien, evenals Lipsius’ afschrift van het oude boek. We moeten ons behelpen met kopieën (van kopieën). Dankzij de woordenlijstjes Nederlands-Latijn zoals Lipsius die aanlegde, is een klein deel van het alleroudste Nederlands bewaard gebleven.
Het Gruuthuse-handschrift kwam omstreeks 1400 nabij Brugge tot stand. Ook deze codex heeft een rechtstreekse connectie met de psalmen. Het handschrift opent met een dichterlijke meditatie op een psalm. De tekst zet in met het Latijnse vers van de psalm, waarop een vrije parafrase in het Vlaams volgt. Ten opzichte van de Wachtendonckse psalmen is de hiërarchie van de twee talen volledig omgekeerd.
Van stamelend naar soeverein
Het grote verhaal achter dit boek – uiteindelijk bleken het er twee te worden, waarvan dit, Stemmen op schrift, het eerste is – is dat van deze rolomkering. Het zal gaan over geboorte, groei en bloei van een volwaardige literatuur in het Nederlands gedurende de Middeleeuwen. Over hoe in het begin van deze periode het Nederlands op schrift letterlijk marginaal was tegenover het Latijnse monopolie, en aan het einde als volkomen autonome literatuurtaal toonaangevend was, waarbij als dat zo uitkwam aan het Latijn een bijrol werd gegund.
De tweede stem
Als tweede stem in dit verhaal klinkt op deze achtergrond – vaak stil, maar impliciet altijd aanwezig – de melodie van onze eeuwenlange omgang met dit erfgoed. Die staat of valt met de geleerden in dit vakgebied, zoals bij alle historische disciplines ontdekkers en scheppers tegelijk. Bijv. Justus Lipsius en Willem de Vreese (1869-1938).
En op de schatgravers volgden steevast de tekstuitgevers, die de middeleeuwse bronnen via edities ontsloten en ze daarmee leesbaar maakten. Bijv. Jonckbloet (1817-1885).
Naast zwoegers waren er ook zieners. Bijv. K. Heeroma (1909-1972), J. te Winkel (1847-1927).
Wetenschap is maar zelden een finaal product, veeleer een permanent proces. Interpreteren in een vakgebied als dit betekent vrijwel altijd ook: zich verstaan met voorgangers. Zo’n wetenschap lijkt soms voornamelijk te herkauwen, maar gaat in dat proces wel degelijk vooruit.
Dubbelspel
Dit is in 150 jaar de zevende keer dat iemand uit de wetenschap een poging onderneemt om de Middelnederlandse letterkunde in een literatuurgeschiedenis te vatten:
Tweemaal Jonckbloet (1885 en 1888)
Kalff (1906)
Te Winkel (laatste versie 1922)
Van Mierlo (laatste versie 1949)
Knuvelder (laatste versie 1970)
Van Oostrum (2006)
De medioneerlandistiek heeft in de afgelopen decennia een grote dynamiek en bloei beleefd, en het voornaamste doel van Stemmen op schrift is om deze vloed aan nieuwe kennis en inzichten te synthetiseren.
Het tweede hoofdmotief van dit boek is de culturele functie van een dergelijk boek. Behalve onderzoeksobject is onze oude literatuur immers ook nog eens erfgoed, dat voortleven verdient. In de vorm van literatuurgeschiedenis geeft een cultuur zich rekenschap van haar literaire verleden, en werpt daarmee een reddingsboei naar teksten die anders gemakkelijk verdrinken in vergetelheid.
Deze literatuurgeschiedenis is veeleer een leesboek dan een naslagwerk.
Vanaf de eerste middeleeuwse literatuurgeschiedenis heeft het genre spanningen gekend tussen zijn wetenschappelijke en zijn culturele missie. Van Oostrum heeft gestreefd naar exercitie in het niemandsland tussen essay en encyclopedie.
1 Wereld in losse woorden
Oudnederlands vóór 1200
Middelnederlands 1200-1500
Uit het Oudnederlands zijn ongeveer 5000 verschillende woorden bewaard gebleven.
We moeten de Oudnederlandse taalschat naar zijn aard en omvang relativeren:
In de eerste plaats betreft een derde van het materiaal namen van plaatsen en personen. Die zijn natuurlijk interessant genoeg maar geven uiteraard maar een beperkte indruk van het taaleigen.
Verder gaat het bij al die woorden voor ruim de helft om hapaxen: woorden die maar één keer in de bewaarde bronnen voorkomen. Dat bemoeilijkt een trefzekere interpretatie en doet bovendien vermoeden dat ontelbare Oudnederlandse woorden compleet verloren zijn gegaan.
We hebben uit de vroegste tijden in het Nederlands weinig significante literatuur overgeleverd gekregen, of zelfs maar substantiële teksten. We hebben voor het Oudnederlands niet meer dan een vijftiental authentieke bronnen.
Latijnse boeken
Boekcultuur in Egmond-Binnen
In het Latijn zijn ons uit de middeleeuwse Lage Landen volop handschriften overgeleverd.
In 975 schonken de Hollandse graaf Dirk II en zijn gemalin Hildegard de benedictijner abdij Egmond een zeer kostbaar evangelie: het Evangelarium van Egmond. Volgens kenners is het boek in het derde kwart van de negende eeuw in Reims (Noord-Frankrijk) vervaardigd. Aan het begin van elk van de vier evangeliën staat een illustratie. Achter in het boek zijn twee grote tekeningen toegevoegd. De ene afbeelding toont Dirk en Hildegard geknield voor de beschermheilige van Egmond. De andere afbeelding toont hoe Dirk en Hildegard het evangelie plechtig plaatsen op het Egmondse altaar.
Het Latijn had in de tiende eeuw nog het alleenrecht op bijbel en liturgie. Hoezeer Latijn binnen de muren domineerde, blijkt overduidelijk uit de bewaarde boekenlijst uit omstreeks 1530. In totaal beloopt de inventarisatie zo’n 250 banden. En hoewel de lijst uit 1530 zeker niet het complete boekenbezit van Egmond documenteert, is het heel sprekend dat het bij al die items exclusief om boeken gaat in het Latijn. Op één item na: een psalter met glossen in het Diets of Duits.
Er werd veel geschreven in Egmond en het alleroudste Nederlandstalige boek werd omstreeks 1100 in dit klooster geschreven. Het boek staat bekend als de Egmondse Williram. Abt Williram schreef rond 1060 nabij München een commentaar op het oudtestamentische Hooglied. Het handschrift bevat de tekst van de Vulgaat, de nieuwe berijming in het Latijn en het commentaar in het Oudnederlands.
Het creatieve zuiden
De Egmondse abdij was gesticht als Hollandse tegenhanger van Vlaamse kloosters. In Vlaanderen bestond op dat moment een groter en vitaler boekbedrijf. Was de boekencultuur in het noorden vooral reproductief of hooguit registrerend, die in het zuiden was bovendien voluit scheppend. In het noorden zien we redacteuren, in het zuiden al waarachtige auteurs. En misschien zelfs was het noorden prozaïsch en het zuiden poëtisch.
De wereld volgens Ysengrimus
De Ysengrimus is kort voor 1150 in Gent geschreven. Het is de eerst bekende tekst waarin de wolf Izengrin en de vos Reynaert met naam en toenaam tegenover elkaar staan. Auteur en publiek behoorden tot de geestelijkheid, die er in een omgekeerde wereld flink van langs krijgt.
Gentse boekerijen
In de elfde eeuw verdrong het gotische schrift het Karolingische en het zou de hele Middeleeuwen door het beeldbepalende lettertype blijven.
Een boek als levenswerk
Het topstuk van de Gentse universiteitsbibliotheek is het twaalfde-eeuwse encyclopedie Liber floridus. Het boek was door de kanunnik Lambertus samengesteld op basis van meer dan 100 bronnen. Het meest bijzondere zijn de illustraties in het werk: het boek is de eerste doorlopend in klein geïllustreerde encyclopedie ter wereld. Op elk van de bijna 600 pagina’s treffen we decoratie aan.
Oudnederlands als zijsprong
Natuurtaal en cultuurtaal
In veel handschriften is het Latijn allesbeheersend, maar sporadisch duikt er Oudnederlands op. Dit kan verschillende redenen hebben: soms was er voor een zaak simpelweg geen Latijns woord, soms doet men het ter wille van de maximale duidelijkheid, soms gaat het om associatieve toevoegingen van klerken die hun moedertaal (nog) niet compleet hadden verdrongen.
Voor de kennis van het oudste Nederlands zijn zulke insluipsels ontzettend waardevol.
Veel Oudnederlandse woorden houden verband met primaire leefomstandigheden: het weer, seizoenen, landbouw, veeteelt.
Juist in de agrarische sfeer, wind en water was het Nederlands destijds volop ontwikkeld en veelal rijker geschakeerd dan het intellectualistische Latijn. Ietwat op de spits gedreven: natuurtaal versus cultuurtaal.
Zijsprongetjes treden vooral op in documenten voor intern gebruik en niet bij formele externe stukken. Daar kregen zo nodig volkstalige begrippen een latinisering om het prestigeverschil tussen de vader- en de moedertaal aan te geven.
Een aparte categorie Oudnederlandse woorden in Latijnse documenten vormen de namen van personen en plaatsen. Omdat juist voor de aanduiding van lokale aangelegenheden de volkstaal veel trefzekerder was dan het Latijn, vormen de namen binnen het Oudnederlandse materiaal zelfs een zeer grote categorie.
Maar liefst een kwart van de bekende woordenschat van het Oudnederlands berust op dit soort incidentele vermeldingen van volkstalige woorden in Latijnse stukken.
Boeken met glossen
Glossen zijn volkstalige verklaringen van Latijnse woorden of passages die in de marges van Latijnse boeken werden bijgeschreven.
Glossen komen vrijwel altijd neer op explicaties in het kader van het onderwijs ten dienste van het juiste tekstbegrip. Dit verklaart mede waarom wij volkstalige glossen vooral tegenkomen in typische schoolteksten, en vooral die van de basisvorming waarbij de psalmen de absolute beginnersteksten waren. Voor de gevorderden was het zaak om buiten de moedertaal te kunnen. Veruit de meeste middeleeuwse glossen construeren dan ook van het Latijn naar het Latijn.
Latijnse topstukken
Tot 1200 is uit Vlaanderen of Holland niet één oorkonde of boek bewaard waarin het Nederlands de voertaal vormt. Wel kennen we uit die tijd en regio vele honderden ambtelijke stukken in het Latijn, en minstens honderd markante boeken in die taal.
Vrijheid en veelkleurigheid
Al het tot nu toe besproken Oudnederlands is als een vorm van noodhulp op schrift gekomen. Het ging nooit om zelfstandige notatie van de volkstaal, laat staan om boekstaving daarvan vanwege literaire waarde. De moedertaal was slechts zijspan voor Latijn: als glos, of waar de vadertaal het adequate woord nu eenmaal niet voorradig had, zoals bij namen van lokale plaatsen, maten en personen.
De magie van het schrift
Geschreven taal was van een hogere orde; door de fixatie namen ook de waarde en de werking van de woorden toe. Iets van dien aard moet in het spel zijn geweest, willen we verklaren waarom de vroegste representanten van volkstalige verschriftelijking zo vaak bezweringen omhelzen.
Runen behoren tot de vroegste notaties in de volkstaal. Nergens raakt literatuurgeschiedenis zozeer aan archeologie. Het runenschrift is immers zelfden vastgelegd in inkt, maar verschijnt vooral in steen, metaal en hout. Het zijn steevast luxeobjecten waarop men runen aantreft: kostbare wapens, munten, gedenkstenen en sieraden. Het heeft er alle schijn van dat het runenschrift niet zozeer communicatiemiddel is geweest als wel een statussymbool. Vaak hebben de runen een magische functie en verschijnen ze in spreuken, eedformules en bezweringen.
De heidense Middeleeuwen zijn met de kerstening niet compleet uitgebannen. Niet alleen loopt volgens sommigen maar een vliesdun scheidingslijntje tussen christelijk sacrament en heidens ritueel, maar ook kenden bepaalde Germaanse gebruiken en opvattingen een heel taai voortleven. Maar het schrift, waarop wij vrijwel exclusief zijn aangewezen voor ons beeld van de vroegmiddeleeuwse mentaliteit, was zozeer een voorrecht van de clerus dat het gemakkelijk kan lijken alsof het christendom alleenvertegenwoordiger was in metafysica. Zolang de kerk de pen voerde en zulke geloofspraktijken te vuur en te zwaard bestreed, was de kans vrijwel nihil dat zij werden geboekstaafd.
Pas als in veel later tijd het schrift een algemeen maatschappelijk gebruik is, worden manifest onchristelijke teksten genoteerd, getuige de receptenverzamelingen voor zwarte magie die in het laatmiddeleeuwse Nederlands zijn overgeleverd. Vaak zijn hierin oudere overblijfselen bewaard, en zelfs gebruiken die tot in hun taal terugvoeren naar de Oudnederlandse periode.
Kleurrijke namen
In de oudste bronnen komen weinig vrouwennamen voor: de middeleeuwse verhoudingen maakten nu eenmaal dat het meestal mannen waren die als zegelaars of als getuige in de officiële stukken optraden.
De term ‘achternaam’ is in de Middeleeuwen een anachronisme en ‘bijnaam’ of ‘toenaam’ is een juistere term.
Pas in de loop der Middeleeuwen zouden zich erfelijke familienamen in het Nederlands ontwikkelen. Alleen al om het simpele feit dat het aantal voornamen ver achterbleef bij het aantal levende mensen, lag het voor de hand dat individuen ter identificatie bijnamen kregen met een op hun persoon toegesneden en onderscheidend karakter. Veelvuldig koos men daarvoor een patroniem (familienaam afgeleid van de naam van de vader) of toponiem (familienaam afgeleid van een plaatsnaam). Maar ook greep men opvallend vaak naar hyperindividuele verbijzondering, bijvoorbeeld op grond van een opvallend uiterlijk kenmerk of aan de persoon gerelateerd gedrag.
In veel gevallen zijn dierlijke bijnamen de vroegste vermelding van het betreffende dier in het Nederlands.
Er zijn ook veel scheldnamen bekend, wat paradoxaal genoeg veelal te danken is aan het verbod erop. We komen hun vermelding meestal tegen in de context van juridische sancties wegens bestraft gebruik ervan.
Spreekwoorden
Oudnederlandse spreekwoorden zijn als zodanig nimmer opgetekend, of in elk geval niet in geschrifte overgeleverd, net zomin als in de ons omringende talen. Voor vroege overlevering is dit kleingoed afhankelijk van de verzekerde bewaring in een groter kader. Ook kan het zijn dat zij vertaald in het Latijn wél zijn bewaard.
Vertellen, zingen en noteren
Literatuur van horen zeggen
Het Nederlands bezit, in tegenstelling tot veel bijv. het Engels met Beowulf, weinig of geen geschreven relicten van orale literatuur. Zou men voor dit verschil naar een verklaring willen zoeken die meer behelst dan toeval en pech, dan is de gedachte dat de vroegmiddeleeuwse Lage Landen eenvoudig weinig van zulke archaïsche literatuur hebben gekend, de minst aannemelijke. Plausibeler lijkt dan nog de veronderstelling dat in de tijd van volksverhuizingen en kerstening deze gewesten dusdanig onrust kenden dat er een breuk optrad met het verleden. Het culturele klimaat zou pas weer stabiel zijn geworden in later eeuwen, toen inmiddels een meer ‘boekige’ vorm van literatuur de toon aangaf, en de orale naar de marge was gedrongen. Maar evengoed is het voorspelbaar dat mondelinge vormen hier zo levenskrachtig waren dat men simpelweg geen enkele behoefte had ze naar het aggregatieniveau van perkament te tillen en in boekvorm te bevriezen. Zodra men dergelijke teksten gefixeerd vindt, zijn ze de ware mondelinge literatuur al voorbij.
Het bestaan van veel Oudnederlandse verhalen en gezangen is alleen uit vermeldingen bekend, niet uit primaire teksten.
Er zijn 6000 verzen van de Heliand bewaard gebleven, een oraal epos dat de glorie van de geschiedenis bezingt. Held is de Heiland zelf, hier figurerend als Germaanse vorst.
Helden van de wereld
De vroegmiddeleeuwse heroïsche epiek kende natuurlijk ook wereldse helden. Binnen het Germaanse taalgebied zijn de Nibelungen daarvan de indrukwekkendste representant. ‘De Duitse Ilias’ is het gedicht al vaak genoemd. De neergeschreven bronnen dateren van omstreeks 1200, maar de geest dateert in elk geval van ver voor 1200. Het is een heldenepos over barbaren die liever roemrijk sterven dan leven in vrede en veiligheid, want dat zou immers neerkomen op een eerloos bestaan. Het Nibelungenlied is voluit aards, en zonder metafysica. Het verhaal speelt in een wereld die aan zijn eigen halfgoden genoeg lijkt te hebben.
Er bestaat ook een Nederlandse versie van dit heldenepos. De Nederlandse tekst is minder heroïsch en er zijn religieuze elementen toegevoegd. Datering omstreeks 1280.
Beer met een missie
Archaïsche epiek die alleen in het Nederlands is overgeleverd, is Vanden bere Wisselau. Een beer en zijn gezelschap trekken naar het reuzenrijk, waarschijnlijk om een bruid voor Karel de Grote te zoeken. Het fragment dateert uit de late dertiende eeuw. De tekst zelf is waarschijnlijk twaalfde-eeuws. Karakteristiek zijn de oraliteit en de versificatie. De verzen zijn niet vormvast.
Vanden bere Wisselau en Karel ende Elegast worden tot de Spielmannsepik gerekend: Duitse gedichten uit het Rijnland die stammen uit het lichtvoetige vertellersrepertoire (veel humor) van vóór de gestileerde hoofse mode.
Orale liedkunst
De ideaaltypische liedvorm is de ballade: een sterk verhalend lied, met sprongsgewijze verteltrant, herhalend van stijl, veelal dramatisch en soms uitgesproken cru, gehuld in een sfeer van mythe en magie. En met opvallend vaak beginregels die zich meteen in het gehoor vastzetten.
Het Nederlands heeft van zo’n ballade een schoolvoorbeeld in huis: Het lied van heer Halewyn. Een prinses maakt Halewyn onschadelijk en verlost hiermee het volk van deze kwelgeest. Het lied heeft Keltische genen (Halewyn = Halloween). Eeuwenlang heeft het lied een mondeling bestaan geleid, totdat de tekst in de negentiende eeuw werd opgetekend uit de volksmond. Alle taalgebieden van Europa blijken versies van het lied te kennen.
Poëzie als pennenproef
Hebban olla vogala nestas hagunnan, hinase hic enda thu. Wat unbidan we nu?
Zijn alle vogels nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten we nog op?
Met zijn dertien woordjes is dit tegelijk veruit de langste zelfstandige tekst in het Oudnederlands én de eerste voluit literaire in de Nederlandse taal. Daarvóór hebben we volop losse woorden, glossen, een doopbelofte en een wormbezwering – allemaal interessant genoeg natuurlijk, maar met literatuur hebben ze weinig te maken.
Het versje stamt uit de elfde eeuw en is in 1932 aangetroffen in een handschrift in Oxford. Het bevond zich tussen pennenproeven op de achterzijde van het laatste blad: krabbels waarmee de kopiisten van het boek probeerden of een nieuw gepunte ganzenveer schreef en/of de vers aangemaakte inkt wel hechtte.
Het versje is geschreven in de benedictijner abdij van Rochester.
Het versje staat zowel in de volkstaal als in het Latijn genoteerd. Paleografisch is aantoonbaar dat de volkstaal eerst werd genoteerd. Hoe valt immers anders te verklaren dat het Latijnse slot bovenaan in het kleine tekstblok staat? Dit is alleen begrijpelijk indien we aannemen dat eerst de Vlaamse woorden werden opgetekend; daarna werden de Latijnse equivalenten daar zo dicht mogelijk boven geschreven. Toen de scribent met het slot daarvan niet uitkwam, was er geen andere optie dan naar boven uit te wijken.
Het versje is waarschijnlijk (een flard uit) een bestaand tekstje dat de scribent uit zijn geheugen opschreef.
Van Oostrum wijst erop dat het versje wellicht Arabische bronnen heeft.
Sterke verhalen
In orale samenlevingen is geschiedenis de favoriete stof van zangers en vertellers. Zulke culturen voelen een sterke band met voorouders en beleven de tijd als een continuüm. Heden en verleden liggen rechtstreeks in elkaars verlengde. De voorvaderen zijn voorbeeld voor de levenden, en de herinnering aan hen is zowel formatief (wie zijn wij) als normatief (wat moeten wij doen).
Het is vooral de oorsprong van het eigene die zij in het verleden zoeken. Uit deze drijfveer ontstonden de origo-verhalen zoals over Watten en Bataven. Het gaat om stichtingslegenden, die vertellen hoe een volk, land, gewest, geslacht of ook wel stad aan zijn naam kwam. Die naam blijkt steevast terug te gaan op een mythische stichter.
De ondergang van Troje en de daaropvolgende diaspora van overlevenden uit het geslacht van de Trojaanse koning Priamus heeft veel herkomstverhalen gegenereerd.
Het charisma van dit soort verhalen was zo groot dat ze de tegenstem van de deskundigen trotseerden en buiten het boek een onverwoestbaar leven bleven leiden. Hoe onuitroeibaar zulke mondelinge overlevering kan zijn, is nu nog zichtbaar aan de hedendaagse variant, die van de urban legends: sterke, liefst enigszins huiveringwekkende geschiedenissen met de suggestie van een waargebeurd verhaal.
Op schrift
Een tekst is niet hetzelfde als een document, en het boek is slechts een van de manieren om teksten te bewaren.
De literatuurwetenschap, en zeker de middeleeuwse, heeft echter alleen houvast wanneer taal fuseert met techniek: stemmen op schrift.
In de vroegste eeuwen is het Nederlands nimmer drager van een zelfstandig boek. Het duikt alleen op schrift op in verbinding met Latijn, en dan meestal in de rol van ondergeschikt element.
Boven op alle factoren die daarvoor al ter verklaring zijn genoemd, zal de drempel tot verschriftelijking extra hoog geweest zijn omdat het fysieke schrijven destijds, vanuit hedendaagse verhoudingen bezien, zo ongelooflijk veel meer moeite kostte: het zeer bewerkelijke bereiden van de inkt, de perkamentbereiding, het snijden van de ganzenveren, het schrijven zelf in een doorgaans onverwarmd en slecht verlicht vertrek.
De vroegste uitingen van Nederlands op schrift zijn vaak te lokaliseren aan de grenzen van het Nederlandse taalgebied.
Een besef van roots gedijt nergens zo goed als onder druk of in een uithoek.
De culturele revolutie met een doorbraak naar een heuse volkstaalliteratuur in boekvorm zette in een grensgebied door.
2 Veldekes Umwelt
Land zonder grenzen
In de driehoek Aken-Luik-Maastricht werden voor het eerst literaire teksten in de volkstaal zelfstandig op schrift gesteld.
Hendrik van Veldeke wordt in de Nederlandse en de Duitse cultuur als erflater beschouwd. Er was dan ook sprake van een ‘eigenstandige’ cultuurprovincie.
Wie sjoên ôs Limburg is …
Er staan nog heel wat twaalfde-eeuwse overblijfselen in de oude dorpskernen van Limburg, zoals de Sint-Servaas en de basiliek van Onze-Lieve-Vrouw in Maastricht.
Vakmanschap en meesterwerken
Beschrijving van enkele schatten uit het interieur van de kerken.
Romaanse kerken
De boekproductie in het Maasland stond destijds op een hoog niveau. Hoewel het aanvankelijk Latijnse boeken betrof, is dit voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis toch van belang. Het betreft hier de culturele infrastructuur van de regio, waarvan weldra de volkstaal profijt zou trekken bij de ontplooiing van een eigen boekcultuur.
De abdij van Sint-Truiden was het centrum van de boekproductie.
Hemelse schoonheid, aardse macht
Volgens de vroegmiddeleeuwse theorie moest schoonheid anagogisch werken: de geest van de beschouwer doen opstijgen van het zichtbare naar het onzichtbare.
De mooiste boeken uit het Maasland zijn liturgische handschriften.
Schoonheid – in essentie: de weldadige ervaring van uitzonderlijkheid – was metafysisch, verwees altijd naar iets hogers, en kon daarom geen aards doel op zichzelf zijn.
Maar dat zou weldra veranderen, en het is waarschijnlijk dat de ontvankelijkheid daarvoor bij elitaire leken is gevoed door wat zij aan schoonheid in de kerken om zich heen zagen. Aan wereldse elite was in het Maasland in elk geval geen gebrek.
De overlevingskansen van profane kunstnijverheid zijn kleiner dan religieuze die in kerken en kloosters werd opgeborgen.
Wat des keizers was
Drijvende kracht achter de opbloei van het twaalfde-eeuwse Maasland was het wereldlijk milieu van de Duitse keizer en diens majesteitelijke entourage. Al onder Karel de Grote was Aken de voornaamste zetel van het keizerrijk geworden.
Om vorm te geven aan zijn charismatisch leiderschap was essentieel dat de keizers zich in persona manifesteerde. Alleen al om die reden bereisden de keizers de Maasstreek en hadden zij op verschillende plaatsen residenties.
Vanaf 1100 zijn er tekenen van een geleidelijke overgang van een reizend naar een sedentair hof.
Karel de Grote stichtte overal in het Maasland scholen, verbonden aan kerken en kathedralen.
De Luikse school
Veruit de grootste renommee onder de scholen van het Maasland hadden de scholen in het Luikse.
De oorsprong van hoofsheid
Twee modellen
De origins of courtliness (de titel van een boek van de Amerikaan Stephen Jaeger) liggen mogelijk in het klerikale milieu in de nabijheid van de Duitse keizer en diens keurvorsten in het Rijnland van de elfde eeuw. Daar ontstond een nieuw menstype: geleerde clerici die waren geschoold in gedegen tekstverklaring van vooral Romeinse auteurs én opvoeding van zeden. Deze clerici verkeerden in kerk en wereld. Ze leefden niet als monniken in kloosters, maar als kanunniken in kapittelhuizen annex aan een kerk, of aan de expanderende bisschopshoven of zelfs als intellectueel raadsheer aan een vooraanstaand werelds hof. Deze geestelijken ontwikkelden een eigen levensstijl. Hun normen en waarden putten zij ten dele uit christelijke idealen, maar ook uit beschavingskenmerken zoals zij die uit de Romeinse bronnen hebben leren kennen, en die gericht zijn op een rechtschapen, ontwikkeld en stijlvol leven in de wereld. Men zou zelfs al van een soort humanisme kunnen spreken,in zoverre dat de eigen persoonlijkheidsontwikkeling centraal staat, gekoppeld aan respect voor die van anderen en aan wellevendheid. Kenmerkend is dus niet het ascetische en naar de wereld toe gepolariseerde mensbeeld van de kloosters, maar een levenshouding die spirituele integriteit paart aan sociale souplesse. Schoonheid en elegantie, innerlijk en uiterlijk, zetten hierbij de toon. Het hof werd een oord van niveau en van verfijning, vooral wat omgangsvormen betreft. In de stadscultuur van Rome heette zulk sociaal gewenst gedrag urbanitas, nu werd het curialitas, ‘hofs-heid’. De hoofse omgangsvormen waren gericht op de beheersing van agressie en versoepeling van intermenselijk verkeer. Er kwam overdracht tot stand van klerikale idealen op adel en ridderschap, waardoor hoofsheid over de wereld verspreid raakte.
Tegenover de visie van Jaeger staat het ‘Franse’ model voor het ontstaan van hoofsheid. Dit model richt de blik op een latere periode (de twaalfde eeuw), een andere regio (Zuid-Frankrijk), een andere stand (de aristocratie) en aan ander medium (de volkstaal). Natuurlijk is er ook in dit model vitale inbreng van de geestelijke stand, want ook de Franse auteurs van hoofse romans en zelfs veel van de troubadours en trouvères hadden een kerkelijke opleiding doorlopen. Ook hier is verbinding tussen het ridderlijke en het klerikale, maar in een andere legering. Bij Jaeger zijn de clerici zeer zelfbewust en uitgesproken leidend, terwijl zij in het Franse model veeleer uitvoerend en afhankelijk zijn: de door de vorsten via mecenaat geëngageerde tolken van een nieuw, aristocratisch levensideaal.
Experiment Roudlieb
Dat lang niet alle vroege hoofsheid uit het zuiden komt, blijkt uit Ruodlieb. Ruodlieb is een verhaal over een ridderlijke held op avontuur. Het is de enige originele ridderroman in het Latijn en is door zijn vroege datering – niet ver van 1050 – niet herleidbaar op enige volkstalige voorgangers. In feite is Ruodlieb dus de eerste ridderroman van de hele Middeleeuwen.
Ruodlieb is als ridderroman nog niet compleet gerijpt. Met name de liefde ontbreekt als hoofdthema. Ruodlieb zet echter wel essentiële stappen van sprookje naar ridderroman. Motieven die in de Arthurroman dragend zullen worden, zijn de queeste van de held naar zijn identiteit, zijn onderscheiden door kracht, verstand en bovenal sociale vaardigheden (zoals zelfbeheersing, gulheid, gastvrijheid, rituelen van begroeting en onthaal).
De autograaf is wellicht een benedictijn uit een klooster nabij München, die het werk zou hebben gedicht voor relaties aan het hof van keizer Hendrik III.
Het heeft er alle schijn van dat de twee ontstaansmodellen van hoofse cultuur elkaar niet uitsluiten.
Heinric van Veldeke, dichter van naam en faam
Hendrik van Veldeke heeft een geestelijke opleiding doorlopen. Hij belichaamt de fusie van klerikale en wereldse cultuur die zo fundamenteel was voor de creatie van de middeleeuwse volkstaalliteratuur. Hij moet een wereldgeestelijke zijn geweest die zich als klerk verdienstelijk maakte voor diverse heren en hun dames.
Hoofse Eneas
De directe bron van Veldeke Eneas is de Oudfranse Roman d’Eneas, maar natuurlijk is Vergilius de geestelijk vader. Het is nu eenmaal diens verhaal over hoe de Trojaanse prins Aeneas zijn door de Grieken in brand gestoken vaderstad ontvlucht, om na omzwervingen op zee in Latium aan land te gaan en daar stichter te worden van Rome.
Voor het middeleeuwse adelspubliek was echter minder retorische opsmuk noodzakelijk. Dit stijlverschil is echter niet de grootste wijziging jegens Vergilius. Wat marginaal is bij Vergilius, komt hier op de voorgrond: de liefde.
Minne en strijd zijn de hoofdthema’s van Eneas. Maar van zijn beide hoofdthema’s is de liefde toch de meeste. Niet alleen krijgt zij veel meer aandacht dan bij Vergilius, ook in vergelijking met de Roman d’Eneas heeft Veldeke deze dimensie aanmerkelijk vergroot.
De liefde is bij Veldeke geen pure drift of louter dynastieke drang, maar de ultieme vorm van humaniteit. Dit blijkt wel het sterkst uit de wijze waarop de twee hoofdthema’s in direct causaal verband staan. De beste strijder is de beste minnaar, en omgekeerd. Juist omdat Eneas zich door de liefde weet gedreven, kan hij in beide missies (het veroveren van de troon en zijn geliefde Lavinia) slagen.
Liefde mag dan wel de hoeksteen zijn van hoofsheid, zij vormt er niet de basis van. Die laatste is gelegen in ‘de zucht tot schoner leven’.
Door Veldeke is het heldenepos een hoofse roman geworden.
Net als de Aeneis kent de Eneas een politieke dimensie: Veldeke associeert keizer Frederik Barbarossa met Eneas en geeft hiermee aan dat de heerschappij van Rome voortleeft in het rooms-koningschap en het daarop berustende keizerschap over het Duitse rijk.
Veldekes Eneas is de eerste hoofse roman die op deze schaal en met een dergelijke allure op schrift kwam. Van het werk resteren (fragmenten van) veertien (Duitse) handschriften, een tot dan toe ongekend aantal voor een volkstalige tekst, wat duidt op een opmerkelijke weerklank.
Liefde in tijden van Barbarossa
Een minstens zo luisterrijk onthaal viel de lyriek van Veldeke te beurt, zoals het Tristanlied. Ook hiervan resteren alleen Hoogduitse bronnen en geen Limburgse. Waarschijnlijk lijkt dat Veldeke, zowel voor zijn roman als voor zijn poëzie, van meet af aan een ruim bereik beoogde, en daarom zocht naar een soort supraregionaal literair idiolect met dialectneutrale rijmen.
Servaas en de zilveren sleutel
Sente Servas is een heiligenleven dat door Veldeke is gedicht. De datering van het werk is nog steeds niet duidelijk.
Het heiligenleven bestaat uit twee delen. Het eerste boek verhaalt over Servaas tijdens diens leven. Het tweede boek beschrijft de wonderen die na Servaas’ dood in zijn omgeving voorvielen.
Het enige complete handschrift dateert uit 1470, en is dus van driehonderd jaar na dato. Er zijn fragmenten in boekbanden gevonden die stammen uit een handschrift dat misschien werd neergeschreven toen de dichter zelf nog leefde.
Getuige de tekst zelf schreef Veldeke zijn heiligenleven onder een soort van Limburgs dubbelmecenaat. Als opdrachtgevers dankt hij gravin Agnes van Loon en koster Hessel van het Servaaskapittel in Maastricht.
De tekst heeft een propagandistische inslag. Het gaat daarbij om propaganda voor de bedevaartsplaats Maastricht, waarvan Servaas beschermheilige was. De tekst is echter meer dan pelgrimspropaganda. Veldeke en diens opdrachtgevers lonkte naar de Duitse keizer. De grote kerk van Sint-Servaas lag in het rijksdeel van Maastricht, en daarmee op grond die aan de keizer toebehoorde. In 1174 verwierven de graven van Loon dit rijksbezit. De totstandkoming van Veldekes Servas, onder patronage van Agnes van Loon, is uitstekend denkbaar ter verzegeling van deze territoriumoverdracht, of misschien ter voorbereiding daarop. Daar past goed bij, dat de Servas positie kiest ten gunste van de keizer in de investituurstrijd. Het ging om de zeggenschap over de kerk, via benoemingen van bisschoppen en abten. Natuurlijkerwijze kwam dit recht aan de paus toe, maar in concreto had de Duitse keizer hierin steeds meer zeggenschap gekregen en zelfs de overhand in regio’s waar zijn gezag veel meer aanwezig was. Toen duidelijk werd dat bij benoemingen de keizer zich vooral liet leiden door motieven van profane politiek, eiste de paus zijn voorrecht terug. Servaas ontvangt van Petrus een kostbare zilveren sleutel die de macht van Christus symboliseert, en die Servaas gerechtigd maakt zondaars te straffen en rechtvaardigen genade te verlenen. Dat nu Servaas zijn sleutel rechtstreeks van Petrus (en dus Christus) kreeg, plaatste hem in een zeer zelfstandige positie. Ook als bisschop van Tongeren blijkt hij niet door de paus benoemd of anderszins gekozen, maar rechtstreeks van God gezonden.
De directe bron van Sente Servas is de Latijnse Gesta Sancti Servatii uit omstreeks 1130. Hoofdlijn en feiten van beide vertellingen mogen identiek zijn, er is een immens verschil in stijl. Het proza van de Latijnse vita is compact. Veldekes berijming is gegoten in de vorm van ridderverhalen uit de Franse tijd met veel uitvoerige en levendige beschrijvingen. De vita informeert, maar Veldeke vertelt met veel gevoel voor sfeer en spanning.
Veldekes oogmerk is duidelijk geweest het maken van zuivere rijmen. Het werd een vormvast gedicht. Dit was een stijlbreuk met de oraliteit, waarin een vrij vers kom worden aangepast bij elke nieuwe voordracht.
Tijd, plaats, persoon
De tweede helft van de twaalfde eeuw was een tijd waarin de kunst niet kom gedijen zonder mecenaat. Veldeke moet de gave hebben gehad zich in aanzienlijke kringen soepel te bewegen.
Onderzoek van rechtshistorische zijde heeft zo veel kennis van juridische zaken aangetroffen dat men in hem een gerechtsschrijver (een soort griffier) meende te mogen zien, al dan niet in combinatie met taken als schoolmeester en misschien zelfs kanunnik van het kapittel van Sint-Servaas.
Veldeke was de eerste die de Franse stam van de hoofs-ridderlijke cultuur op Germaanse bodem entte: minnelyriek met zuivere rijmen.
De Sente Servas is het oudste literaire boek in de volkstaal.
Rondom de meester
Wellicht had Veldeke in zijn eigen tijd en regio al navolgers of vakgenoten die schreven in de volkstaal, hun nalatenschap is echter niet overgeleverd. Het kan ook dat Veldeke in dit opzicht uniek was en dat alle verhalen en gezangen over (regionale) heiligen puur mondeling zijn rondgegaan.
Maaslandse epiek: Floyris, Aiol, Tristan
Het enige genre waarin wij werkelijk Nederlandstalige literatuur hebben die in datering en lokalisering Veldeke nabijkomt, is de epiek.
De Trierse Floyris is een versroman in het Frans-hoofse genre. Het betreft fragmenten die zijn aangetroffen in een boekband die de vroegst bewaarde Europese notatie zijn van het verhaal over Floris en Blancefloer. Het handschrift moet kort na het ontstaan van de Oudfranse tekst (circa 1160) tot stand zijn gebracht, door een dichter die er dus evenals Veldeke vroeg bij was met het verdietsen van een Franse hoofse roman. Het gedicht vertoont niet de vormvastheid van Veldeke. Het handschrift bevat de eerste vermelding van het woord ‘hoofs’ in onze literatuur.
Veel epische teksten uit het Maasland behoren tot het stofcomplex rond Karel de Grote, die in Aken had geresideerd en daar was begraven. De opvallendste representant daarvan is de Limburgse Aiol. Het zijn fragmenten uit circa 1200 die behoren tot de chansons de geste: berijmde verhalen over Karel de Grote. Het milieu van Karel de Grote is vaak niet veel meer dan het achterdoek waartegen zich een breed uitgesponnen ridderverhaal ontvouwt. Maar ook kent de Aiol facetten die doen denken aan hoofse romans. Alweer zijn deze fragmenten de vroegste representanten van deze stof. Dit gedicht vertoont wel de vormvastheid van Veldeke.
Kopiisten van verzen noteerden de verzen in het begin als betrof het proza. Dit leverde in elk geval een harmonieus ogend en economisch verantwoorder tekstblok op, waarin rijmpunten voor lezer en voordrager het verseinde markeerden. Later ontdekten scriptoria dat dit soort teksten beter tot hun recht kwamen als men ze opmaakte in kolommen die de versvorm sterker lieten uitkomen. In de loop van de dertiende eeuw zou dit de normale notatiewijze worden.
Het fragment van de Nederfrankische Tristan dateert van circa 1250. Elk vers krijgt hier zijn eigen regel. Het is geschreven in een Gelders dialect. We hebben hier te doen met de ultieme hoofse roman. Het overgeleverde fragment betreft echter een onbeduidende tussenscène. De Nederlandse tekst verwijst (in tegenstelling tot andere Tristanteksten) uitdrukkelijk naar het hof van koning Arthur. Het duidt erop dat minstens in de eerste helft van de dertiende eeuw in Gelderse contreien Arthurromans tot de bekende literaire stof behoorden (bewaarde snippers van een Nederfrankische Perchevael wijzen in dezelfde richting). Daarmee blijkt het gebied van Maas en Nederrijn al vroeg vertrouwd met de drie epische hoofdgenres van de Middeleeuwse literatuur: de oosterse romans (Trierse Floyris), de Karelepiek (Aiol) en Arthurromans (Tristan). Deze epische romans vertonen een vast patroon: hun origine in een grensstreek die een cultureel ontmoetingsgebied was, de Franse herkomst van hun bronnen en tenslotte hoofsheid als kern en liefde als spil.
Op avontuur met Sint-Brandaan
De twaalfde-eeuwse Reis van Sint-Brandaan is een queeste: een zoektocht met verwikkelingen en ontmoetingen die de hoofdfiguur leiden naar zelfinzicht.
De abt Brandaan leest op een dag een boek over de wonderen der schepping. Hij weigert de verhalen (o.a. dat Judas op zondag van de helse pijn verlost zou zijn) te geloven en werpt het boek in het vuur, de schrijver vervloekend. Dan verschijnt een engel, die hem in naam van God opdraagt met eigen ogen te gaan zien wat hij in zijn kleinmenselijkheid niet kon geloven. Brandaan bouwt een schip en zwerft negen jaar lang over zee. Op reis blijkt de wereld nog veel meer wonderen te herbergen dan het door Brandaan vervloekte boek vermeldde. Brandaan beseft dat hij een ongelovige Thomas is geweest, belijdt zijn schuld en keert gelouterd terug, om kort daarna in een geur van heiligheid te sterven.
Er zit een historische kern in de persoon van de titelheld. De Ierse heilige Brandaan († 575) stichtte in Ierland en daarbuiten vele kloosters. Hij moet al in zijn eigen tijd zo tot de verbeelding hebben gesproken dat over hem verhalen rondgingen.
Naast catechese en vermaak hebben Brandaans ontmoetingen met wonderbaarlijkheden ook informatieve waarde. Zo is één van Brandaans motieven voor de boekverbranding dat hij weigert te geloven dat er onder onze wereld nog een tweede zou bestaan, waar het nacht is als bij ons de zon schijnt en omgekeerd.
De Reis van Sint-Brandaan wil laten zien dat kennis van de wereld naar God leidt en dat het nooit te laat is voor berouw. De wekelijkse verlichting van Judas’ straf toont Gods genade.
De tekst ligt ingebed in een orale traditie van reisverhalen die hier voor het eerst op schrift verschijnt. Het zal dan ook geen toeval zijn dat het boek daarom zo’n belangrijke plaats inneemt in het verhaal: Brandaan kan niet geloven wat hij leest, gooit het boek in het vuur, en moet voor straf op reis naar zelfinzicht. Als uitkomst van die leerzame reis groeit er een nieuw boek: het scheepsjournaal dat de hoofdfiguur onderweg bijhoudt.
De tocht op zee is een metafoor voor het menselijk leven: een reis naar zelfinzicht, het besef van de eigen nietigheid.
De stof van Sint-Brandaan kwam voor het eerst op schrift in de tiende eeuw, in het Latijn. De auteur van deze Navigatio Sancti Brandani abbatis is vermoedelijk een Ierse monnik, die als pelgrim in Trier zou zijn beland, in welke stad diverse kloosters waren gesticht door Ieren.
De bronnen van de versie in de volkstaal zijn niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk spelen mondelinge overleveringen, een handschrift van de Navigatio en wellicht zelfs een Anglo-Normandische versie van het verhaal een rol.
De Reis van Sint-Brandaan is opgenomen in twee Middelnederlandse verzamelhandschriften: het Comburgse (Gent, circa 1400) en het Hulthemse handschrift (Brussel, circa 1410). De tekst van beide handschriften loopt nogal uiteen. Hulthem vertelt ingehoudener, Comburg met wat meer branie. Beiden gaan terug op een gemeenschappelijk Middelnederlands archetype, dat uit de dertiende eeuw zal hebben gedateerd en volgens dialectgeografisch onderzoek in de regio Brabant zal zijn gemaakt op basis van het Rijnlandse origineel.
Maaslandse export?
De Reis van Sint-Brandaan is de enige tekst die vanuit de Maas-Rijnstreek het latere ‘kerngebied’ der Middelnederlandse letterkunde bezeilde. Voor alle overige tot nu toe besproken teksten uit deze eerste literatuurprovincie geldt dat zij geen enkele aantoonbare uitstraling westwaarts hebben gehad.
Er zijn aanwijzingen dat Hadewych en Maerlant het werk van Veldeke hebben gekend.
Brabant had, veel meer dan Vlaanderen, vroege en intense connecties met het Rijnland. Het hertogdom Brabant was immers niet, zoals het graafschap Vlaanderen, een leen van de Franse koning, maar behoorde tot het oude Lotharingen, deel van het Duitse keizerrijk.
Na de slag van Woeringen in 1288 verwierf de Brabantse hertog Jan I de heerschappij over het hertogdom Limburg.
Ondanks de politieke, economische en culturele connecties tussen het oosten en het westen in de twaalfde en dertiende eeuw, is er weinig literaire wisselwerking in de volkstaal langs die lijn aangetroffen.
Vlaanderen en Brabant zijn duidelijk beïnvloed door het zuiden. Veel literatuur is hier gebaseerd op Franse bronnen.
Een keienlint
Van een heus patrimonium was in het dertiende-eeuwse Maas-Rijnland nog geen sprake. In feite is uit deze tijd en regio maar één compleet boek tot ons gekomen.
Tegenstem in proza
Het boek in kwestie is het Nederrijns moraalboek. Dit boek is uitbundig gedecoreerd met bladgoud, sierletters en miniaturen. Vermoedelijk is het een dedicatie-exemplaar voor het Gelderse hof. Het handschrift wordt gedateerd tussen 1270 en 1290. Veel meer dan bij alle tot nu toe besproken Middelnederlandse teksten domineert hier moraal boven verhaal.
Hoofsheid aan de Nederrijn
Alles wijst erop dat het Gelderse hof ten volle deelnam aan het hoofse leven van hun tijd. Er zijn weinig vroege bronnen bewaard gebleven, maar vanaf de veertiende eeuw zijn meer bronnen bewaard, zoals hofrekeningen.
De hoofs-literaire cultuur van de toenmalige aristocratie was een bij uitstek internationale aangelegenheid, waarin het Frans de voertaal was, zelfs voor degenen die van huis uit Diets spraken.
Lund en hertog Jan
De Lundse liederen zijn heel aparte poëzie. Alle gedichten vertonen een driedeling, met in de kern een strofe waarin een lyrisch ik zijn minnesentiment uitspreekt, omkranst door strofen met generaliserende uitspraken over de liefde. Het lijkt hoofse lyriek zonder muziek.
De anonieme dichter van de Lundse liederen vormt de absolute tegenpool van hertog Jan I van Brabant. Hij was de schepper van een kleine collectie liefdespoëzie, bewaard in negen liederen.
Als Brabants vorst was Jan I politiek en economisch sterk gericht op het Rijnland, aan de keizer onderhorig, en in de eerste plaats een Duits rijksvorst. Zijn poëzie draagt daar de sporen van: zij gaat gehuld in een Duits taalkleed. De gedichten van Jan I zijn overgeleverd in het Manessische Handschrift. Op de miniatuur staat de hertog afgebeeld als een agressieve ruiter.
De zucht tot schoner schrijven
Alles wijst erop dat de productieve en gevierde dichter Heinric van Veldeke een witte raaf (iets zeer zeldzaams) was. Met hem vergeleken zijn Nederlandstalige vakbroeders – als men ze al zo durft te noemen – gelegenheidsauteurs. Onwennig is ook de notatie van hun werken: de boekmakers lijken nog op zoek naar de adequate vorm voor volkstalige dichtkunst. Bovendien is de overlevering incidenteel van karakter, en duidt zij erop dat er dan wel literatuur was, maar lang niet zoiets als een infrastructuur daarvoor. Met uitzondering van de Brandaan hebben we alle teksten in enkelvoudige notatie, soms dicht bij de vermoedelijke autograaf. Boeken maken was nog steeds in overheersende mate een Latijnse aangelegenheid.
Vóór Veldeke was voor zover wij weten nog nooit een Nederlandse tekst, laat staan een literaire, als zelfstandig object op schrift gekomen. Het was een kapitale doorbraak voor de literatuurgeschiedenis, maar had daarmee nog niet de ambitie, laat staan de kracht om breed en blijvend vrucht te dragen.
De doorbraak van de volkstalige hoofse literatuur in het Maas-Rijngebied moet gezocht worden in de aanwezigheid van hoogontwikkelde geletterden en ambitieuze edelen, en het contact tussen die beide groepen. Wellicht speelden ook twee andere factoren een rol. In de eerste plaats het feit dat deze streek het grensgebied tussen Romaans en Germaans uitmaakte. Dit zou de opvallend snelle receptie van de Franse hoofse cultuur helpen verklaren, alsook dat er voldoende potentieel bestond aan tweetalige klerken (met als derde taal Latijn in hun bagage), die de ideale tolken waren om de Franse literatuur op creatieve wijze in Germaanstalige verzen te herscheppen. Ten tweede is daar de mogelijke invloed van het kruistochtsentiment in deze streken. Een dergelijke factor geldt in elk geval voor Zuid-Frankrijk als impuls achter de hoofse cultuur aldaar. Via de kruistochten kwam men in aanraking met een Arabische wereld die in culturele verfijning verre op Europa voorlag.
Het nieuwe wat Heinric van Veldeke cum suis tot stand brachten, betrof gedeeltelijk de (hoofse) stof, maar gold vooral de vorm: in verzen, lyrische en epische, met een bewuste esthetische bedoeling naast en soms zelfs boven alle utilitaire functies. Verzen die het verdienden op schrift te worden gesteld, en in een boek bewaard te worden voor hergebruik door derden en latere generaties – iets wat tot dan toe exclusief had gegolden voor Latijnse teksten.
3 Het grote verhaal
Chronologie en sociologie
Vlaams tussen Diets en Frans
De Fin Tilvis heeft argumenten geleverd voor een vroege Vlaamse ridderliteratuur. Veel van de vroege Middelhoogduitse ridderromans zouden niet rechtstreeks teruggaan op Oudfranse voorbeelden, maar bewerkt zijn via Vlaamse intermediairs. De Duitse hoofsheid zou dus met een U-bocht op de Franse teruggaan, namelijk via bemiddeling van Vlaamse teksten die, sindsdien verdwenen raakten. Hun rol zou niettemin nog steeds waarneembaar zijn in de Duitse teksten, getuige minuscule afwijkingen jegens de Franse originelen die zich alleen elegant laten verklaren indien men een verkeerd begrepen Nederlandstalige tussenschakel aanneemt (bijv. ‘schonheid’ via ‘scoonheit’ dat ‘juwelen’ kan betekenen). Tilvis voegt bij zulke gevallen van verkeerd begrepen Vlaams nog een oogst aan neerlandismen in de Duitse Arthurromans. Bij de huidige stand van onze kennis lijkt Tilvis’ theorie toch iets te veel van het goede, er is immers tot op heden geen snipper authentieke tekst overgeleverd die de theorie kan bevestigen.
Franse literatuur in Vlaanderen en Brabant
Een belangrijke factor ter verklaring waarom de vroegste Nederlandse literatuur in het Maas-Rijngebied ontstaat en pas nadien in Vlaanderen en Brabant, is de wezenlijk verschillende positie van het Frans in beide regio’s. De Franse literatuur was overduidelijk de voedingsbodem waarop de Nederlandse wortel schoot. Bevruchting kwam tot stand in een grensgebied dat tevens breukvlak was van het Romaanse en Germaanse taalgebied. Wilde de plaatselijke elite deelhebben aan de hoofs-ridderlijke literaire mode dan was migratie over de taalgrens onontbeerlijk. Het was vertalen of afzijdig blijven.
Vlaanderen en Brabant daarentegen waren verregaand tweetalig. Zeker de elite kon zich naar believen van Nederlands en Frans bedienen, passief en actief. En aangezien de toonaangevende cultuurtaal onder de toenmalige Europese adel nu eenmaal het Frans was, was het voor de hand liggend dat Vlaamse en Brabantse edellieden participeerden in dit Franstalige cultureel verkeer.
De Vlaamse graaf Filips van de Elzas gaf kort na 1180 Chrétien de Troyes opdracht om de Perceval te dichten. Het Vlaamse gravenhuis heeft tevens de hand gehad in verschillende van de Perceval-continuaties.
Het geval-Perceval zou feitelijk kunnen volstaan om duidelijk te maken welk een gevestigde positie de Franstalige ridderliteratuur innam in kringen van het twaalde-eeuwse Vlaamse hof. Die vanzelfsprekende aanwezigheid zou aanhouden gedurende de gehele dertiende en zelfs veertiende eeuw.
Naast opdrachten tot nieuwe teksten zien we eenzelfde patroon als in het graafschap Vlaanderen. Wellicht waren daar, wegens het feit dat Brabant tot het Duitse rijk behoorde en Vlaanderen tot het Franse, wat meer contacten oostwaarts die ook literair effect sorteerden. Maar tot wezenlijk andere verhoudingen lijkt dit niet te hebben geleid.
Communicerende kringen
Waarom is er in de dertiende eeuw zo veel Middelnederlandse ridderliteratuur op schrift gekomen? Het antwoord op deze vraag is nog verre van eenduidig. Dat komt vooral doordat de toestand van het genre ons zo weinig houvast biedt. Het grootste deel van de Middelnederlandse ridderromans is fragmentarisch overgeleverd, en meer dan driekwart mist de proloog en epiloog – traditioneel de plaatsen waar men een vingerwijzing mag verwachten omtrent de ontstaanscontext van het betrokken werk.
Het moge zo zijn dat in de Middeleeuwen aan de vorstenhoven van Vlaanderen en Brabant het Frans de toonaangevende cultuurtaal is geweest, binnen de gewesten was het Nederlands wel degelijk de voertaal. Het lijkt eenvoudigweg ondenkbaar dat er aan het hof een actief literair leven in het Frans zou zijn geweest dat zich zou hebben afgespeeld achter een geluidsdichte wand voor Nederlands.
Er zijn echter meer ridderverhalen met een Hollands dan met een Vlaams blazoen.
De voertaal van de stad
Veel beter plaatsbaar dan in de letterkunde is de opkomst van het Nederlands in de ambtenarij. Omdat oorkonden e.d. krachtens hun aard en functie nauwkeurig plegen te worden gedateerd en gelokaliseerd, hebben we hier veel meer houvast. Welnu, uit de periode voor 1200 is geen enkel ambtelijk stuk in het Nederlands overgeleverd, wel vele honderden in het Latijn die in de Lage Landen zijn geschreven. Natuurlijk gaat die ambtelijke productie in het Latijn na 1200 stevig voort, maar allengs komt het Nederlands langszij, om kort voor 1250 voluit door te breken. Dezelfde eeuw die de ‘geboorte’ realiseert van Middelnederlandse (ridder)literatuur op schrift, brengt dus de opgang van het Nederlands als ambtelijke taal. Nu is die in het graafschap Vlaanderen, en ook in Brabant, dan nog altijd in de minderheid ten opzichte van de oorkondeproductie in Latijn en Frans, wat het interessant maakt na te gaan of er patroon zit in de keuze voor het Nederlands als ambtelijke taal. Zo’n patroon blijkt zonneklaar. Voor aangelegenheden met het graafschap Holland hanteert de Vlaamse ambtenarij het Nederlands als voertaal. Frappanter nog is een tweede tendens: intern kiest men in Vlaanderen bij uitstek het Nederlands indien de zaak in kwestie verband houdt met de stad.
Voor het Nederlands als ambtelijke taal in Vlaanderen en Brabant is het niet voor twijfel vatbaar dat het bovenal het stedelijk patriciaat bediende. Is het denkbaar dat voor Middelnederlandse ridderromans iets vergelijkbaars gold? Het lijkt een krasse veronderstelling. Weliswaar is bekend dat de gezeten burgerij zich interesseerde voor riddercultuur en zich daarbij soms te buiten ging aan opzichtige na-aperij. Het duidelijkst blijkt deze imitatiedrang uit de zogenoemde Tafelrondes die de steden aanrichtten. Maar zulke Tafelrondes zijn typisch een verschijnsel van de late Middeleeuwen.
Eén ding is zeker: over de daartoe vereiste voorwaarden van welvaart en vrije tijd beschikte de dertiende-eeuwse Zuid-Nederlandse burgerij in ruime mate. Voor hen kunnen Vlaamse ridderromans amusement en inspiratie hebben geboden, al helemaal indien de bewerkers van de Franse voorbeelden een goed oog toonden voor de toepasbaarheid van deze stof in stedelijke context. Van uitgesproken ‘bourgeois’trekjes in de bewerkingstechniek van Middelnederlandse ridderromans is nog niet veel gebleken, maar waarschijnlijk staat het onderzoek hiernaar nog in de kinderschoenen en is onze antenne voor zulke signalen onvoldoende afgesteld.
Literatuur voor de elite
Natuurlijk moeten wij nu niet doorslaan naar een nieuw simplisme en de hele Middelnederlandse ridderroman tot een stadsburgerlijke aangelegenheid verklaren. Het genre was geen hofliteratuur, maar ook geen stadsliteratuur; het was eliteliteratuur. De adel was veelal in de stad woonachtig.
De ddorbraak van het Nederlands op schrift als medium voor literaire en zakelijke teksten zet in de dertiende eeuw onstuitbaar door, en op een schaal waarvoor de term ‘explosie’ nauwelijks te zwaar is.
Aan Nederlandse kant is geenszins verzekerd dat de Karelepiek chronologisch aan de Arthurroman voorafgaat. Toch vormt voor nadere kennismaking met de Middelnederlandse ridderliteratuur de klassieke onderverdeling in Karelepiek en Arthurromans nog steeds het geëigende vertrekpunt.
Verfraaide historie: Karelepiek
De koning en de dief
Al lang voor Karel ende Elegast op schrift kwam, moet er een wijdverbreide mondelinge overlevering hebben bestaan omtrent de dieventocht van Karel de Grote. Dat blijkt uit verscheidene verwijzingen in Latijnse geschriften naar deze orale legendevorming.
En achter de legendevorming rondom Karel de Grote en zijn metgezel doemt nog een sprookjesschema op dat waarlijk universele verbreiding kent. Ver buiten Europa is het verhaal bekend over een koning die incognito uit stelen gaat en hulp krijgt van een meesterdief, en zo een dreigende staatsgreep op het spoor komt.
In het middeleeuwse Europa moet het sprookje van de koning en de dief op de charismatische figuur van Karel de Grote zijn betrokken. Wat in het sprookje gemeenlijk beperkt blijft tot een sterk verhaal, is hier een reis naar zelfinzicht geworden. Koning Karel weet dat hij Elegast onrechtvaardig heeft veroordeeld; zijn nachtelijke tocht brengt hem tot loutering, besef van feilbaarheid, en herstel van eigen falen op de valreep.
Wellicht had de auteur van Karel ende Elegast niet slechts de mondelinge overlevering als uitgangspunt, maar een concrete Franse tekst. Er moet althans een Chanson de Basin geweest zijn, dat ging over Karel en de dief annex tovenaar Basin. Van deze tekst is niets bewaard, maar wel zijn enkele verwijzingen ernaar bekend, plus een verwijderde bewerking in het Oudnoors. Maar ook de omgekeerde procesgang, waarbij het Nederlandse meesterdiefverhaal zou hebben geïnspireerd tot een Franstalige pendant, is niet onmogelijk.
Karel ende Elegast is de eerste Nederlandse tekst in dit geschiedverhaal waarvan aantoonbaar is, dat het een echt succes is geweest. Alles wijst erop dat het verhaal al in de Middeleeuwen een speciale canonieke status heeft bereikt.
Vlootschouw van een genre
In het Nederlandse taalgebied geldt Karel ende Elegast als schoolvoorbeeld van middeleeuwse ridderverhalen, terwijl de tekst welbeschouwd juist zo atypisch is. Dat geldt zowel de (korte) vorm als de inhoud. Want Karel ende Elegast mag draaien om het traditionele thema van vazallentrouw, maar mist twee andere dimensies die het Karolingische genre dragen: familievetes en de strijd tegen de Saracenen.
De Lage Landen kennen meer teksten in dit genre dan het immense Duitse rijk. Alleen het Frans kent op dit punt een grotere traditie dan het Middelnederlands.
De allure van het Nederlandse erfgoed onttrekt zich al te gemakkelijk aan het oog doordat de staat van overlevering zo deplorabel is. Het corpus kent maar één complete tekst (Karel ende Elegast) van de in totaal dertig verschillende Middelnederlandse teksten rondom Karel de Grote.
Het Roelantslied
De natuurlijke ereplaats onder de Nederlandse bewerkingen van Oudfranse chansons de geste komt toe aan het oudste en in veel opzichten puurste werk in dit genre: het majestueuze Chanson de Roland.
Van feodaal naar feeëriek
De Middelnederlandse Karelepiek vertoont in het algemeen aanzienlijke afwijkingen van de Oudfranse bronnen. Vrijwel nooit is er sprake van volgzame vertalingen, veeleer van bewerkingen, en ook geregeld omwerkingen, die met hun Franse pendant niet veel meer gemeen hebben dan de globale plot en personages.
Ter verklaring van de grote divergenties tussen de Nederlandstalige Karelepiek en de chansons de geste is geopperd dat deze dichtwerken, zowel aan Franse als aan Nederlandse kant, een aanzienlijke orale dimensie zouden hebben behouden en dus aan grote tekstvariatie onderhevig waren. Daarbij zou passen dat hun stijl wordt gekenmerkt door een relatief hoge dichtheid van stereotype formules en epitheta.
De meeste afwijkingen betreffen het afzwakken van de feodale en politieke dimensie van het genre ten gunste van een accent op actie. Natuurlijk blijft het grondpatroon van het genre ook in het Nederlands bewaard: het zijn en blijven verhalen over eer en trouw, verraad en wraak en vete, maar literair gesproken lijken die vooral vehikel voor vertelplezier op episodisch niveau.
Een hang naar het exorbitante is een tendens die zich ook in Frankrijk laat bespeuren, en vooral in de latere chansons de geste. Er lijkt zich een wending te hebben voltrokken van plechtig naar luchtig en van feodaal naar feeërijk. Typerend voor dit laatste is de gewijzigde houding ten opzichte van het wonderbaarlijke. In het klassieke chanson de geste is dit zeker niet afwezig, maar sterk instrumenteel. In de late Karelepiek lijkt het doel op zichzelf geworden.
Twee teksten die in het Nederlands erg populair waren, zijn Huge van Bordeeus en Madelgijs. De hoofdpersonen beleven allerlei wonderbaarlijke avonturen.
In een baan rond de keizer
De populariteit van het chanson de geste in het Nederlands is niet alleen herleidbaar op de verering van Karel de Grote. Sterker nog, de keizer wordt soms danig op de hak genomen. Karel de Grote was een grotendeels symbolische vorst geworden die narratief gelegenheid gaf om allerlei sprookjesachtige figuren in een eigen baan rondom het hof te brengen.
Koning Arthur: vorstelijke fictie
Koning voor eens en altijd
In de Arthurroman komt de verbeelding voluit aan de macht. Natuurlijk zit ook hier in de kern een min of meer historische figuur verscholen: de Engelse koning Arthur. Deze verankering in de genealogie van Britse vorsten dankte Arthur aan de kroniek van Geoffrey of Monmouth, wiens Historia regum Britanniae tegen 1138 het licht zag en die in deze geschiedenis van Britse koningen veruit de meeste ruimte en de ereplaats voor Arthur reserveerde. Alles wijst erop dat Geoffrey het Arthurhoofdstuk nagenoeg uit zijn duim heeft gezogen. Hierbij moet hij zijn gestimuleerd, zo niet gestuurd door zijn opdrachtgevers, het Engelse koningshuis zelve. De hele mythologie rond koning Arthur lijkt hun repliek te zijn geweest op de Franse trots op Charlemagne en diens wereldrijk. Terwijl Karel de Grote op permanente voet van oorlog had verkeerd, had koning Arthur twaalf jaar lang zijn rijk in vrede geregeerd. De Anglo-Normandiër Wace voegde aan dit beeld al snel het charismatische symbool toe van de Ronde Tafel.
Toch is ook deze modelstaat onvermijdelijk tot ondergang gedoemd, en die wordt bij Geoffrey bewerkstelligd door Arthurs verraderlijke neef Mordred, tegen wie de koning in een veldslag in Cornwall de dood vindt. Maar zelfs dan blijft er hoop: Arthurs lichaam wordt door feeën in een schip naar het eiland Avalon gezeild, alwaar de koning zal herstellen en zich op zijn terugkomst prepareert.
Het messiaanse geloof in koning Arthur riep omstreeks 1260 de hoon op van Jacob van Maerlant. Hij geloofde niet in de terugkomst van Arthur, maar hij twijfelde geen moment aan zijn historiciteit.
In de Lage Landen zijn al heel vroeg sporen van bekendheid van de Arthurstof waarneembaar. Vanaf de vroege twaalfde eeuw dragen telgen van Vlaamse adelsfamilies doopnamen van Arthuriaanse afkomst, zoals Walewein en Iwein. Deze niet-inheemse namen kennen wij uit oorkonden.
Folklore en romans
Via Chrétien de Troyes werd de Arthurstof wereldliteratuur. In heel Europa schreven middeleeuwse dichters naar zijn voorbeeld nieuwe Arthurromans. Chrétien was afkomstig uit Noord-Frankrijk, werkte tussen 1160 en 1190, zijn opdrachtgevers waren Marie de Champagne en de graaf van Vlaanderen en hij schreef vijf Arthurromans.
Walewein en het zwevende schaakbord/(Roman van) Walewein
Het verhaal begint als koning Arthur weer eens hofdag houdt en het hoge gezelschap een prachtig schaakbord door het venster van de grote zaal naar binnen ziet zweven. Als het weer naar buiten zweeft, roept koning Arthur zijn ridders op erachteraan te gaan. Walewein aanvaardt de uitdaging. Walewein overnacht op een kasteel waar koning Wonder met zijn zoon een partij schaak speelt. Koning Wonder blijkt bereid het schaakbord aan zijn gast over te doen, op voorwaarde dat deze voor hem het zwaard met de twee ringen bemachtigt, een toverzwaard dat zich bevindt bij koning Amoraen. Amoraen wil het zwaard met de twee ringen wel afstaan, mits Walewein als tegenprestatie de schone Ysabele, dochter van koning Assentijn, uit het verre Indië ontvoert. Walewein weet Ysabele te bevrijden, maar onderweg worden ze verliefd op elkaar. Maar bij aankomst in de burcht van Amoraen lijkt de oude koning te zijn overleden en zijn zoon geeft Walewein het zwaard met de twee ringen mee. Bij koning Wonder wordt het zwaard ingeruild voor het schaakbord en Walewein keert terug naar Arthurs hof.
Walewein is een typisch voorbeeld van hoofsheid en ridderschap. Daarnaast valt op dat Walewein nogal eens extreem geweld tentoonspreidt en dat zijn tegenstanders het gevecht vaak met de dood bekopen.
In de klassieke Arthurroman van het Chrétiense type dient de held, op weg naar zijn identiteitsvinding, een serie culminerende opdrachten te vervullen, die op hem alleen zijn toegesneden en waarvan hij zogezegd de voorbestemde vervuller is. Onderweg lijkt hij ongeveer halverwege de roman meestal zijn doel te hebben bereikt, maar dan raakt hij in een crisis. Zo is de hoofdpersoon van de klassieke roman een uitverkorene, maar ook een gelouterde en een complexe held, die worstelt met het evenwicht tussen sociale dienstbaarheid en individueel geluk, en pas aan het eind van het verhaal bestendige rust vindt.
In afwijking van dit klassieke schema voert de ‘postklassieke’ Arthurroman een held ten tonele die al bij het begin van de roman perfect is en dan een reeks opdrachten opknapt. Daartoe hoeft hij niet door een crisis; hij is immers van meet af aan een toonbeeld van voortreffelijkheid. De spanning van de roman verschuift van zijn persoonlijke ontwikkelingsgang naar de externe strijd tegen de elementen. In dit romantype is de hiërarchie tussen psychologie en actie omgekeerd ten opzichte van het klassieke type. Ook verandert daarmee, meestal, de rol van de liefde: in de klassieke roman de spil van alle hoogstaande menselijkheid, is zij in de latere Arthurroman vooral beloning voor de held, en niet veel meer.
De Roman van Walewein is een onmiskenbare vertegenwoordiger van de postklassieke Arthurroman.
Van pummel tot koning
De Ferguut is een bewerking van een Oudfranse roman. Het handschrift dateert van omstreeks 1330. De roman is het succesverhaal van een getalenteerde nieuwkomer die zich van buitenstaander ontwikkelt tot volwaardig lid van koning Arthurs wereld. De tekst bewijst dat ridderlijke arbeid adelt. Ferguut moet voor lagere adel en burgerij een personage naar hun hart zijn geweest.
De zwarte ridder Moriaen
Moriaen is naar alle waarschijnlijkheid een oorspronkelijk Nederlandstalige Arthurroman, die in het dertiende-eeuwse Vlaanderen werd bedacht en berijmd.
De held, verwekt in een ver land, gaat op zoek naar zijn biologische vader (de graalridder Perchevael) die hij met hulp van koning Arthur hoopt te vinden.
Sommige episodes, zoals die met het geschonden gastrecht, zijn rechtstreeks uit de Roman van Walewein overgenomen.
Moriaen is zo zwart als roet. Het volk dat hem ontmoet, meent vaak met de duivel of op zijn minst diens afgezant van doen te hebben.
Moriaen is wel een christen.
Te mooi om waar te zijn
Het genre van de Arthurroman dankt zijn bloei, aldus Walter Haug, aan twee nauw verweven literaire fenomenen: ontdekking van de fictie en thematisering van de grote liefde.
Het Arthurgenre gaat een beslissende stap verder dan de Karelepiek. Want terwijl die laatste nog blijft varen onder een (vage) vlag van historiciteit is de Arthurroman deze legitimering openlijk voorbij. Koning Arthur mag dan voor historisch personage doorgaan, alle feeën, reuzen, dwergen, draken, betoverde kastelen e.d. zijn dat duidelijk níet. Arthurromans waren eigenlijk de eerste boeken van Europa die van begin tot eind verzonnen waren en dat etaleerden ook.
Geen fictie kan zonder herkenbaarheid, of op zijn minst inleefbaarheid. De Arthurroman is een identificatieroman, gericht op hoofse elegantie en voorbeeldig ridderschap. Uit bewondering voor de verhaalfiguren zou het publiek zijn aangespoord tot imitatie. Toch kan een dergelijke exemplarische betekenis hooguit een bijkomstige functie van het genre zijn geweest. Voorop stond het aantrekkelijke verhaal als doel op zich. Uit vergelijkend onderzoek van Middelnederlandse prologen blijkt dat juist Arthurromans de schoonheid van de tekst uitdrukkelijk als aanbeveling uitventen.
Epiek van eigen bodem
Mozaïeken
Het Middelnederlands kent veel oorspronkelijke ridderromans. Veel romans zijn echter fragmentarisch overgeleverd, zoals Sibeli en Aetsaert en Florigout.
Ten aanval met Seghelijn
Seghelijn van Jerusalem is het verhaal van de zoon va de heidense koning van Jeruzalem. Omdat is voorspeld dat Seghelijn de dood van zijn ouders zal veroorzaken, wil zijn vader hem na zijn geboorte ombrengen. Zijn moeder legt hem daarom te vondeling bij een visserspaar. Wanneer Seghelijn is opgegroeid, gaat hij op zoek naar zijn biologische ouders en komt hij in aanraking met de Romeinse keizer Constantijn, voor wie hij Rome bevrijdt van de belegering door koning Barbarijs. Als dank krijgt Seghelijn Constantijns dochter Florette ten huwelijk en bekeert de keizer zelf zich tot het christendom. Met keizerin Helena trekt hij vervolgens naar het Heilige Land, op zoek naar het kruis van Jezus. De expeditie slaagt, en Helena en Seghelijn keren met het kruis naar Rome terug. Wanneer Constantijn sterft, volgt Seghelijn hem op als keizer. Totdat hij een fatale fout maakt: misleid door een perfide intrigant ziet Seghelijn het pelgrimsduo in zijn bed niet voor zijn ware ouders aan, maar voor zijn echtgenote in flagrante delicto. In blinde woede doodt hij de twee bedgenoten. Uit wroeging abdiceert Seghelijn als keizer en leeft hij vijftien jaar als kluizenaar. Dan wordt hij door de stervende paus als zijn opvolger aangewezen.
Seghelijn van Jerusalem is een kruisvaartroman: Seghelijn neemt deel aan de kruisvinding door keizerin Helana en hij leert de heidenen doorlopend mores.
De hoofse liefde ingepolderd?
De Middelnederlandse ridderroman is in minstens één opzicht pijnlijk uniek binnen Europa: hij heeft geen Tristan (afgezien van de Nederfrankische). Wel blijkt uit vele referenties, zoals in de proloog van Floris ende Blancefloer, dat het indrukwekkende verhaal van Tristan en Isolde alom bekend was.
Het ontbreken van Middelnederlandse bewerkingen duidt, zo al niet op negeren, dan toch op een uiterst gereserveerde perceptie.
Waarom zwijgt de Middelnederlandse letterkunde dit liefdespaar dood? Wellicht was de Tristan te wild. Het staat vast dat de Tristan in zijn eigen tijd een hoogst controversieel werk was. Met zijn radicale keuze voor de grote liefde van een overspelig paar druist de Tristan tegen alle toenmalige ethiek en maatschappelijke normen in. Natuurlijk komt er meer overspel voor in middeleeuwse hoofse verhalen, maar nergens kiest de tekst zo onvoorwaardelijk voor de gelieven. Hetzelfde geldt voor Chrétiens Chevalier de la charette dat gaat over de verboden liefde tussen Lancelot en koning Arthurs gemalin Guenièvre.
Spanningen in een Trojaans prieel
Tprieel van Troyen is geschreven door de Brabantse dichter Segher Diengotgaf. Hij heeft zijn Tprieel gevoegd in de traditie van hoofse liefde. Hij heeft een trilogie gemaakt van een tweeluik dat hij uit het Frans vertaalde. Het ging daarbij om twee delen uit een van de vroegste hoofse romans: de Roman de Troie van de Anglo-Normandische klerk Benoît de Sainte-Maure (circa 1160), tijdgenoot van Chrétien de Troyes.
Het decor van Seghers trilogie is de Trojaanse oorlog. De vrouwen inspireren de mannen tot grote daden voor het behoud van hun vaderstad. Tprieel beschouwt drie liefdesrelaties tijdens een bestand: in een prieel vinden drie gesprekken plaats over de liefde. De gesprekken zijn hoofs. Opmerkelijk is dat alle drie de liefdesrelaties, hoe hoofs ook, taboe zijn. De galante conversaties leiden tot niets concreets en Segher schijnt dit toe te juichen. Opmerkelijk is ook dat het de ridders zijn die om wederliefde vragen en dat de vrouwen hun avances op superieure wijze afwimpelen. In het gesprek over gevoelens zijn zij veruit de meerdere van hun aanbidders.
Roman van Limborch
De Roman van Limborch is te dateren in de eerste decennia na 1300. In de roman vindt queeste op queeste plaats. De personages zijn vrijwel permanent op reis: op zoek naar hun land van herkomst, hun geliefde, familieleden, vrienden, eer(herstel) en uiteindelijk zichzelf.
De roman wordt gekenmerkt door vele ontleningen, die niet getuigen van een zwak ontwikkelde verbeeldingskracht, maar van doorlopend spel met conventie.
Hoofdlijn van het verhaal is de grote liefde tussen Mergriete, de op een jachtpartij verdwaalde dochter van de hertog van Limburg, en Echites, erfprins van Athene. Samen met Mergrietes broer Heinric, die op zoek is gegaan naar zijn zusje, brengen zij na veel verwikkelingen een christenleger op de been, dat voor Constantinopel een formidabele overmacht aan heidenen verslaat en grotendeels bekeert.
De Roman van Limborch is geen quasihistorische, maar eigentijdse fictie. Bij alle evidente fantasie wordt welbewust aangehaakt bij de actualiteit, in casu de verwerving van de heerschappij over het hertogdom Limburg door de Brabantse hertog Jan I in 1288. Voor die kapitale gebiedsuitbreiding reikt de roman als het ware literaire legitimering aan, door het verheerlijken van Limburg en zijn nauwe band met Brabant. De roman is als eerste in Nederland gericht op een recent verleden een geen vaag ‘ver weg’.
Bij deze actuele dimensie past een toegenomen realisme, dat de verhaalwereld minder sprookjesachtig en meer herkenbaar maakt. Ook met de tijd springt de roman realistischer om. En, heel opmerkelijk, deze roman houdt rekening met taalverschillen.
Voortdurend speelt deze tekst met ons verwachtingspatroon. Het gemak waarmee deze roman conventioneel materiaal bijbuigt, geeft de tekst een heel speciale lichtvoetigheid.
Een belangrijke vernieuwing door de auteur is de vermenigvoudiging van hoofdfiguren, plus spreiding daarvan naar sekse en stand. In de klassieke ridderroman is er één evidente hoofdfiguur. In de Roman van Limborch zijn er meer, die elk hun eigen verhaal hebben en soms gedurende één boek of meer centraal staan.
De Roman van Limborch is het eerste werk in de Nederlandse literatuur dat de rollen gelijkelijk verdeelt over mannen en vrouwen. De schrijfhand van de Roman van Limborch is dezelfde als één van de kopiisten van de Lancelot-compilatie.
Lancelot en het einde
Een woud van avonturen
Lancelot wordt als kleine jongen wees. Hij komt onder de voogdij van een fee die hem klaarstoomt voor het ridderschap. Aan het hof van koning Arthur verricht hij grote daden. Hij wordt lid van de Tafelronde. Hij wordt verliefd op Guenièvre en zijn liefde voor de koningin doet hem boven zichzelf uitstijgen en maakt hem tot de beste ridder ter wereld.
De driehoeksverhouding tussen Arthur, Lancelot en Guenièvre is een kwetsbaar verbond dat uiteindelijk knapt. Arthur wordt, hoe lang hij ook zijn ogen voor het publieke geheim heeft weten te sluiten, zo onverbiddelijk geconfronteerd met de hem aangedane schande dat hij wel stelling moet nemen tegen zijn echtgenote en haar minnaar. Het leidt tot burgeroorlog binnen de Tafelronde. In een veldslag doodt Arthur de verrader Mordred. Arthur sterft. Koningin Guenièvre treedt in het klooster. Lancelot bekeert zich tot een kluizenaarsbestaan.
De Lancelotcompilatie of Lancelot en prose is feitelijk een trilogie. Het eerste deel, ook wel Lancelot propre genoemd, is de ontwikkelingsroman van Lancelot, van weeskind tot de grootste ridder (en minnaar) op aarde. Het dramatische slotdeel, La mort le roi Artu, verhaalt over de ondergang der Tafelronde en culmineert in koning Arthurs dood. In het midden prijkt de sacrale Queste del Saint Graal. Na het verschijnen en vervolgens weer verdwijnen van de graal in de ridderzaal van koning Arthur, gaan 150 ridders op weg om de graal te bemachtigen. Gaandeweg moet de een na de ander erkennen hiervoor te zwak en bovenal te zondig te zijn. De zoon van Lancelot, Galaad, is voorbestemd om de graal te vinden.
De structuur van de Lancelotcompilatie wordt gekenmerkt door entrelacement. Daarbij staat nu eens het ene personage centraal, dan weer een ander, wordt overgeschakeld naar de belevenissen van een derde, enzovoort, totdat het verhaal na verloop van tijd terugkeert naar het eerste personage en voortgaat waar we met hem of haar gebleven waren.
Dit literair megaproject kwam tot stand rond 1220, misschien in de omgeving van het Franse koninklijke hof, waaruit in elk geval het oudst bekende handschrift stamt.
De auteur is onbekend. Meestal houdt men het op een groep schrijvers met één leider.
Uniek onthaal
Er zijn drie Middelnederlandse vertalingen van de Lancelot en prose overgeleverd. Stuk voor stuk zijn de teksten gehavend tot ons gekomen. Het sterkst geldt dat voor de enige die van proza naar proza is vertaald, en daarmee zelfs de enige prozaroman is onder de Middelnederlandse ridderromans.
Alles ineen
Ooit moet de Lancelot-compilatie uit twee banden hebben bestaan, maar het eerste deel is spoorloos. Het deel dat resteert, bevat 10 Arthurromans, namelijk de drie delen van de Lancelot en prose plus zeven andere.
Het was één van de eerste Middelnederlandse boeken die een wetenschappelijke uitgave kregen, in 1846-1849 bezorgd door W.J.A. Jonckbloet. Sinds 1976 loopt een nieuw editieproject dat nog niet is voltooid.
Een corrector en hoofdkopiist stonden waarschijnlijk aan het hoofd van een team met vijf kopiisten. Onder het allerlaatste vers van het boek prijkt in de hand van de hoofdkopiist een colofon: hier endet boec van Lancelote dat heren Lodewijcs es van Velthem.
Velthems opdrachtgever was wellicht het hof van de heren van Voorne (op de grens van Holland en Zeeland). Het werk is omstreeks 1315 tot stand gebracht.
De ingevoegde verhalen hadden waarschijnlijk eerder gecirculeerd als zelfstandige Nederlandse Arthurromans. Ze werden ingevoegd om zeker te zijn dat het werk alles zou bevatten wat maar over koning Arthur en de zijnen in het Nederlands voorhanden was.
Ambivalenties
Mogelijk gaat achter dit alles zelfs iets schuil van groots ontwerp. Dat moet dan hebben gescholen in de afwisseling, en ook wel confrontatie, tussen de twee belangrijkste ridders in Arthurs entourage: Walewein en Lancelot. Achter allerlei ingrepen van de compilator proeft men de behoefte om deze twee, in geregelde afwisseling, op het voorplan van het grote boek te houden.
Van verhalen naar romans
Middeleeuwse ridderromans hangen onderling samen. Elke tekst voegt zich welbewust in een traditie, zet deze variërend voort, nodigt ertoe uit om in weer nieuwe romans andere mogelijkheden te verkennen, met bekende helden in nieuwe situaties of juist nieuwe figuren in vertrouwde situaties. Tussen de teksten bestaat een hecht web van ontleningen, verwijzingen en dwarsverbanden.
De episodische structuur van middeleeuwse ridderromans maakte het relatief makkelijk om deze niet alleen van kaft tot kaft te consumeren, maar naar believen scenisch.
Het beginsel van een narratieve ladekast die men naar believen opentrekt werkt niet alleen door in de structuur, maar ook in de strekking van de ridderromans. Die is al even weinig enkelvoudig, en kan binnen hetzelfde werk registers activeren van verheven tot doldwaas.
Evenals in de omringende taalgebieden was in de middeleeuwse Lage Landen de creatie van de ridderroman dé grote literaire doorbraak van de volkstaal. Er werd een belangrijke grens overschreden: van collectief naar individueel schrijverschap. De Nederlandse literatuur komt in een volwassen, traditiescheppende zin, met auteurs die aan elkaar ontlenen, en van teksten die expliciet en impliciet op andere teksten reageren. Juist met de ridderroman wordt de Nederlandse literatuur een feit.
Voor het respectvol transporteren van al deze teksten waren twee media essentieel: vers en boek. Het vers bood de esthetische verfraaiing plus de ritmiek die zich voor voordracht leende. Daarnaast wierp deze gebonden vorm van gepaard zuiver rijm een dam op tegen tekstbederf. Boekstaving stabiliseerde de tekst. Het maakte voortleven ervan minder afhankelijk van het geheugen en het proces van mond tot mond, en bezorgde literatuur een zelfstandig en zelfs soeverein leven. Die cruciale stap symboliseert hoezeer de profane volkstaalliteratuur hier voor het eerst een echte status kreeg.
Het valt op dat we weinig of geen geschreven bronnen hebben, zelfs in fragmentvorm niet, van vóór het einde van de dertiende eeuw, terwijl de opkomst van het genre in het Nederlands al uit het begin van die eeuw dagtekent. Misschien heeft het geruime tijd geduurd voor men het juiste en solide formaat vond alsmede de geschikte infrastructuur voor Nederlandstalige ridderromans die de tijd konden trotseren? In elk geval bevindt zich het zwaartepunt van ons boekenbestand rond 1300, waarna de overlevering de hele veertiende eeuw doorgaat. Nieuwe teksten werden inmiddels niet meer geschreven, maar de oude werden kennelijk gretig gekopieerd.
Onder de Nederlandse ridderromans ontbreekt een categorie super-de-luxe boeken die het Frans wel kent: ridderromans vol miniaturen. (De enige uitzondering is de miniatuur van Walewein die achter het zwevende schaakbord aan rijdt.) De verklaring hiervoor is wel gezocht in een verondersteld minder rijk niveau van het Nederlandstalige publiek voor dit soort literatuur. Maar dat Vlaamse patriciërs minder bij kas zouden zijn geweest dan de pairs, is ronduit onwaarschijnlijk.
Hoe deze boeken in de praktijk werden gebruikt, zal nogal uiteen hebben gelopen. Het gebruikelijkst zal zijn geweest dat eruit voorgelezen werd. Niet dat het individuele lezen en in het geheel niet zal hebben bestaan. Ridderromans waren in elk geval gemaakt als voordrachtstekst. Voor dergelijke voordrachten lijkt de maaltijd het geëigende moment te zijn geweest.
4 Missie en mystiek
Bijbelepiek en heiligenlevens
Vanden levene ons Heren
Vanden levene ons Heren gaat meer over het lijden dan over het leven van Jezus. Gegeven een publiek dat kennelijk verslingerd was aan ridderromans, is wel begrijpelijk dat de dramatiek van de kruisiging voorrang kreeg.
Vanden levene ons Heren is een markante Nederlandse representant van het Europese genre van de bijbelepiek. De stof daarvan is bijbels, maar de stijl is dat allesbehalve. Niet tekstgetrouwheid aan Gods woord was hier het hoofddoel, maar het effect van het verhaal.
De vorm van Vanden levene ons Heren mag die van een ridderroman zijn, moraal en mentaliteit zijn ten diepste christelijk.
Om de enscenering van plaatsen en personen overheerst een cultus van edele armoede, radicaal tegengesteld aan alle luxe die de ridderroman ademt.
Hoewel we veel te weinig weten omtrent nadere datering, lokalisering en milieu, sluit de tekst fraai aan bij het profiel van de franciscanen, met hun cultus van de apostolische armoede en hun missioneringsdrang in stedelijke omgeving.
Heilige helden
Al in de vroegste eeuwen van het christendom waren bewonderenswaardige gelovigen een bron van eerbied en steun voor gewone stervelingen. Dit ontwikkelde zich tot verering van heiligheid, toegekend aan overledenen die zich door opvatting en levenswandel begenadigde lieden Gods hadden betoond. Deze heiligen hadden de functie van helper en rolmodel ineen. Door devotie en gebed konden gelovigen hun steun afsmeken.
Voor elke heilige bestond een sacrosancte kerntekst in de vorm van een officieel erkend levensverhaal, dat tevens legitimatie vormde voor diens heiligverklaring. Zonder erkende vita kon geen sterveling tot canonieke heiligheid geraken. Doorgaans had deze vita een tweedelige structuur. Het eerste deel besloeg de eigenlijke biografie, die getuigde van veel vrome, grote daden. Een tweede deel, veelal gelijk van lengte, beschreef de wonderen die zich rond het graf en de verering van de betrokkene hadden voorgedaan, en die de bezegeling van gene zijde vormden dat men hier met ware heiligheid van doen had. Dit alle sin het Latijn, de taal van kerk en geloof.
Volkstalige hagiografie is als verschijnsel nauwelijks minder oud dan de Latijnse, en blijft naar structuur, geest en vaak zelfs de letter dicht bij laatstgenoemde. Toch is het ook een eigen genre, met een aanzienlijke diversiteit. Het genre heeft overeenkomsten met de ridderroman, reden waarom dit type heiligenlevens ook wel ‘hagiografische romans’ wordt genoemd. Het heiligenleven roept dezelfde ‘admiratieve identificatie’ op als de ridderepiek. Het is al evenzeer een heroïsch genre, maar in het harnas des geloofs.
De kluizenaar onder de trap: Alexius
Het leven van de heilige Alexius is overgeleverd in zo ongeveer alle opgeschreven talen. Kern ervan is een vijfde-eeuws verhaal uit Syrië dat langs mondelinge weg Europa moet hebben bereikt. Het vertelt over een Romeinse patriciër die in de huwelijksnacht zijn bruid verlaat en kiest voor een ascetisch leven in Syrië. Hij slijt zijn laatste levensjaren onder de trap van zijn ouderlijk huis, bespot door dezelfde huisknechten die vroeger voor hem bogen. Het verhaal diende als rolmodel voor de elite. Sint-Alexius werd de beschermheilige van zwervers en bedelaars.
Een schitterend ongeluk: de Enaamse codex of Oudenaards rijmboek
Het betreft hier 33 (van oorspronkelijk ten minste 257) losse bladen. Het moet een compendium zijn geweest van religieuze rijmteksten, die nagenoeg het hele gamma van de kerk – sacramenten, catechese, heiligenlevens – in het Nederlands bestreken. Een vroom vademecum om veelvuldig uit voor te lezen, al naargelang publiek en stemming meer beschouwend of verhalend.
Blijkens het schrift dateert de codex nog juist uit de dertiende eeuw. Het boek en de berijmingen zijn misschien ontstaan in de Sint-Salvatorsabdij te Ename (bij Oudenaarde).
Een brokkenpiloot: Der ystorien bloeme
Der ystorien bloeme is de oudste van de drie bewaarde Middelnederlandse vertalingen van de Legenda aurea, de veruit invloedrijkste middeleeuwse verzameling heiligenlevens. De Legenda aurea was geordend volgens de kalender van de heilige feestdagen: elke dag kende zijn eigen heilige. Maar voor de verhalende tekst die Der ystorien bloeme moest worden, was zo’n kalendarische geleding veel minder functioneel. Het valt dan ook in de bewerker te prijzen dat hij de structuur heeft omgewerkt tot een verdeling in vier boeken (hoofdstukken). Het eerste boek behandelt de apostelen, het tweede de martelaren, het derde de belijdenis (heiligen die een natuurlijke dood stierven) en het vierde heilige vrouwen.
Dichten kon de schrijver niet: de tekst wemelt van de stoplappen.
Van de vier boeken waarin Der ystorien bloeme werd opgezet, is alleen het eerste boek overgeleverd. Het lijkt niet ondenkbaar dat de dichter er na dit ene boek de brui aan heeft gegeven.
Devotie zonder dichters
In tegenstelling tot ridderromans zijn er relatief weinig dertiende-eeuwse heiligenlevens overgeleverd. En dat terwijl het in het volle leven natuurlijk zinderde van heiligendevotie.
Om te beginnen blijkt dit, net als bij de ridderlijke stoffen, uit de onomastiek. Vanaf 1100 zien we hoe (aanzienlijk in Vlaanderen, later ook in het Noorden) als een effect van kerstening, bij doopnamen van kinderen de namen van Germaanse oorsprong worden verdrongen door uitheemse christelijke namen. Onder de nieuwe namen hebben die van heiligen het grootste aandeel. De bedoeling achter zulke vernoemingen was uiteraard de heilwens voor het kind, een bede zogezegd om duurzame bescherming door de betrokken heilige. Impliceert dit niet onomstotelijk dat de aan deze heiligen verbonden verhalen mondeling volop rondgingen, opdat ze door ouders konden worden gekozen en voor de vernoemde kinderen begrijpelijk waren? Volgens naamkundige P.J. Meertens vormt het onomastisch materiaal ondubbelzinnig bewijs dat vanaf 1200 in onze gewesten heiligenverering een aanzienlijke vlucht nam.
Heiligendagen, namen van kerken en kapellen, relieken, pelgrimsoorden e.d. konden niet functioneren zonder bijbehorende verhalen.
De devotie werd gedragen en gevoed door Latijnse hagiografie. Handschriften over heiligen hebben we uit de middeleeuwse Lage Landen in overvloed, maar vóór 1300 zijn deze vrijwel exclusief in het Latijn. Al die Latijnse vitae hadden in beginsel in de dertiende eeuw verdietst kunnen worden. Toch werd dit nog niet op serieuze schaal gedaan en de toenmalige kerk heeft het potentieel van missionering via volkstalige literatuur dus veel minder benut dan mogelijk was geweest. Een remmende factor was vermoedelijk dat een mooi exemplaar van de van kerkwege geheiligde vita een aura had waarbij een navertelling in de volkstaal onvermijdelijk degeneratie leek. Deze reserve zal zijn versterkt door het feit dat voor zulke navertellingen simpele vertaling niet genoeg was, maar dat die ook nog eens op rijm moest. Het vergrootte het risico van ontrouw aan de Latijnse bron (ter wille van het rijm) en impliceerde extra inspanningen en heel wat oefening.
Bijbelvertalingen
Vondsten in Sint-Petersburg
Voor de beschouwers van vandaag lijkt het voor de hand liggend dat de middeleeuwse kerk haar missie via boeken in de volkstaal zou zijn begonnen met vertaling van de bijbel. Toch blijkt dit, Europees bezien, niet de werkelijke toedracht. Het is pas in de late Middeleeuwen dat we min of meer complete bijbelvertalingen tot stand zien komen, en de serieuze aanzetten daartoe beginnen pas na 1350. Voordien is hooguit sprake van op zichzelf staande vertalingen van gedeelten van de bijbel. Er was gewoon nog geen behoefte aan een complete, laat staan gestandaardiseerde bijbel in de volkstaal. Het stukwerk van pragmatische vertaling, gerelateerd aan specifieke situaties, was vooralsnog afdoende. Uitzonderingen betreffen vooral het Angelsaksische en het Nederlandse taalgebied.
Na de dood van Willem de Vreese (1869-1938) werden in zijn nalatenschap twee Middelnederlandse handschriften die in Sint-Petersburg zoek waren geraakt, aangetroffen. De Vreese had ze geleend en nooit meer geretourneerd. Tot de boeken die door De Vreese in Sint-Petersburg waren ontdekt, behoorde het oudste handschrift van de eerste Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament.
De Zuid-Nederlandse evangelievertaling
Volgens een recente onderzoeker kenmerkt de vertaler zich door zijn ‘uiterst slaafse gebondenheid aan het Latijn en een gebrekkige kennis van de volkstaal’. Misschien was deze vertaling van origine niet bedoeld om te fungeren als zelfstandige tekst, maar louter als een soort zijspan bij de Vulgaat. Bijvoorbeeld om het tekstbegrip te dienen van scholieren die nog moeite hadden met Latijn, of als een paralleltekst ten behoeve van de bijbellezing door lekenbroeders of nonnen.
De hele Middeleeuwen door, in alle Europese landen, bespeurt men weerstand tegen vertaling van de bijbel in de volkstaal.
Het is vast geen toeval dat de eerste Nederlandse bijbelvertaling het Nieuwe Testament behelst, en niet het Oude. Met de volkstalige vertaling van het evangelie werd de centrale heilsboodschap van het christendom verkondigd.
De wondere wereld van het diatessaron of ‘(evangelie)harmonie’
Het Luiks diatessaron (letterlijk: door vier heen) is de benaming voor een tekst waarin het leven van Jezus op basis van de vier evangelies chronologisch wordt naverteld, met nu eens de ene en dan weer de andere evangelist als zegsman.
Dit Nederlandstalige boek van omstreeks 1280 is misschien de beste representant van het verloren Griekse en Syrische diatessaron van Tatianus uit de tweede eeuw. Het bevat fragmenten van het evangelie van Thomas: een collectie spreuken en citaten van Jezus die door de apostel Thomas op schrift zijn gesteld.
De codex blijkt voor zover bekend het enige Nederlandstalige boek dat in de Middeleeuwen de eer waardig werd gekeurd om aan de ketting te worden gelegd.
Een priegelig karwei
Het kettingoog bewijst dat het boek op zeker moment een min of meer officiële status heeft gekregen.
Het samenvoegen van de vier evangelies was een priegelig karwei, want de verhalen van de vier evangelisten blijken niet overal met elkaar overeen te komen. Wat de een wel vertelt, vertelt de ander soms niet. Het resultaat van het knip- en plakwerk is verbluffend. De tekst schotelt ons een versie van de bijbel voor die levend, frank en vrij vertellend, maar ook adequaat is.
Met hun relatief vroege, vele en veelvormige bijbelvertalingen bekleden de Lage Landen een ereplaats in Europa. In het algemeen zijn de Germaanstalige gebieden op dit terrein trouwens sterker vertegenwoordigd dan de Romaanse. Waarschijnlijk werd de behoefte aan bijbelvertaling sterker gevoeld in taalgebieden die verder van het Latijn af stonden dan Frans, Italiaans of Spaans. Wellicht waren deze streken, ver van Rome en zijn leergezag gelegen, daarnaast een relatieve vrijplaats.
De weg van de mystiek
Aanwezigheid van God
Verstaan als de ervaring van een kort maar gelukzalig contract met hogere sferen en een gevoel van opgaan in het Al, is de mystiek van alle tijden en culturen. Mystiek behoeft beslist niet altijd religieus te zijn, laat staan de bedding van gevestigde godsdiensten te kiezen.
Wat is er zo bijzonder aan de dertiende-eeuwse Middelnederlandse mystiek, en waarom kent van alle Europese volkstalen juist het Nederlands zo’n vroeg en rijk palet? De rest van dit hoofdstuk heeft een piramidale opbouw: van basis via stroming naar individuen. Concreter: van christelijke mystiek naar vrouwenmystiek naar Beatrijs van Nazareth en Hadewijch.
Mystiek in het Latijn
Mystiek is in de middeleeuwse christelijke traditie bij uitstek liefdesmystiek, de innigheid verheerlijkend tussen gelovige en God. Dat God zelf liefde is, beleden alle gelovigen; onder hen leggen de mystici de nadruk op het liefdevolle verlangen van de gelovige naar Hem.
Ook de hoofse letterkunde is vanaf vroege tijden liefdesliteratuur. Voor zowel de profane als religieuze teksten geldt dat liefde niet alleen ervaring is, maar minstens zozeer een levenshouding.
De religieuze mystiek is afkomstig uit kloosters, o.a. van de heilige Bernardus van Clairvaux (1090-1153). In de hoge Middeleeuwen was er al een indrukwekkende traditie van mystieke Latijnse literatuur voordat de volkstaal ook maar ergens een mystieke stem verhief. Wanneer dat laatste voor het Nederlands gebeurt in de dertiende eeuw, getuigen twee teksten bij uitstek van die klerikale ondergrond: het Boec der Minnen en de Limburgse sermoenen.
Bruidsmystiek
Boec der minnen is een titel die het Middelnederlandse spraakgebruik geregeld voor het Hooglied bezigt. Dit Boec der minnen is rasechte bernardijnse bruidsmystiek. Directe bron is hier een intermediair: een Duits traktaat over de vijftien treden die naar mystieke eenwording leiden.
Alle erotiek uit het Hooglied wordt geweerd dan wel geneutraliseerd door allegorische abstracties.
De oudste preken in het Nederlands
De Limburgse sermoenen dateren van kort voor 1300 en vormen de oudste preken in het Nederlands. Tweederde van de 48 preken heeft een Duitse ondergrond.
Het handschrift bevat een mozaïek aan teksten, geschikt voor allerlei gebruik. Mede daarom zal iets zijn aangebracht wat ons voor de hand liggend voorkomt, maar wat destijds voor een volkstalig boek een innovatie was. Het handschrift is het eerste, en bleef lange tijd het enige Nederlandse boek met een inhoudsopgave.
Dit verzamelhandschrift zal niet primair bedoeld zijn geweest voor eenmalig lezen of voorlezen van kaft tot kaft, maar voor eclectisch, punctueel en intensief gebruik.
De taal van het handschrift wijst overduidelijk naar het zuidoosten van het Middelnederlandse taalgebied, het Maasland namelijk, en dan misschien nog eerder Luik dan Limburg.
Heilige vrouwen in Lotharingen (= bisdom Luik en hertogdom Brabant)
In de vroege dertiende eeuw leefde in de zuidelijke Nederlanden onder vrome vrouwen een bijzondere devotie voor de eucharistie. De vrome vrouwen verschijnen in uiteenlopende gedaanten: als cisterciënzerinnen in de kloosters, als begijnen in hun hoven of als reclusen in kluizenaarsbehuizing.
De spiritualiteit was uitgesproken persoonlijk van aard. De vrouwen beleefden de communie op intens lichamelijke wijze, en voelden deze als de consecratie van hun liefdesband met Christus in persoon. Concrete ervaring, niet abstracte beredenering, was het parool, en daarbij pasten de vormen waarin bij deze vrouwen de mystiek zich manifesteerde: in de zelfbeproeving van ascese en de vervoering van het visioen. Een ander majeure innovatie was dat de vrouwen, zelfs als zij Latijn kenden, hun geloof primair beleden in de volkstaal.
Deze nieuwe en nogal radicale vrouwenspiritualiteit wekte bij bepaalde strenge geestelijken wantrouwen op. Andere clerici waren onder de indruk van de gedreven geloofsbeleving en sympathiseerden met de vrome vrouwen.
Twee belangwekkende vrouwenlevens die in het Nederlands zijn neergeslagen, verdienen onze bijzondere aandacht: van de cisterciënzerin Lutgard van Tongeren en van de kluizenares Christina de Wonderbare.
De lichtende Lutgard
Lutgard wordt in 1182 geboren in Tongeren in een aanzienlijk milieu. Al jong krijgt zij mystieke visioenen, die duiden op speciale begenadiging. Ze treedt in bij de cisterciënzerinnen van Aywières nabij Brussel. In 1246 sterft Lutgard. Meteen na haar overlijden stelt de geleerde dominicaan Thomas van Cantimpré Lutgards levensverhaal te boek.
Thomas’ Vita Lutgardis kwam in de loop van de dertiende eeuw ook in het Nederlands in omloop en nog wel in twee berijmde versies. De dichter maakt zich bekend als broeder Geraert. Het was de eerste keer dat in het Nederlands werd geschreven over een eigentijdse heilige uit de eigen streek.
Voor Lutgard kan er maar één ware liefde zijn, namelijk Jezus Christus, die zijn hartstochtelijk bemint.
Alle remmen los: Christina de Wonderbare
Ook Christina’s Latijnse vita is geschreven door Thomas van Cantimpré en van daaruit in het Nederlands berijmd door broeder Geraert. Thomas van Cantimpré voltooide zijn Vita Christinae Mirabilis in 1232, acht jaar nadat de heilige op 74-jarige leeftijd in Sint-Truiden was gestorven. Thomas beschouwde Christina als een ‘levende preek’: in haar daden hield zij deugden voor.
Anders dan Lutgard is Christina geen lid van een kloosterorde, maar leeft zij in isolement als kluizenares in het woud. Maar ook daar verricht zij goede werken.
Wat het Leven van Sinte Kerstine uitzonderlijk maakt, is dat de traditionele deugden en exempelen hier zulke extreme vormen aannemen. Voor Christina’s excessen heeft de tekst overigens een sluitende motivering. Zij was namelijk als 17-jarig herderinnetje gestorven, maar werd om haar inwendige gratie begenadigd: nog voordat zij werd begraven, mocht haar ziel het vagevuur bezoeken. Vandaar had zij een kortstondig zicht op de hemel en hel; toen kreeg haar lichaam de gelouterde ziel terug geschonken en mocht zij verder leven. Bij de speciale toestand van Christina hoort dat zij een medisch wonder is. Haar lichaam blijkt aan geen enkele gebruikelijke norm van lichamelijkheid gehouden te zijn. Op zoek naar penitentie die echt pijn doet, moet Christina alle menselijke grenzen overschrijden.
Schrijvende vrouwen
Het sacrament van de communie was voor vrouwen, door hun sekse uitgesloten van het priesterambt, het enige moment tijdens de mis dat zij actief participeerden. De hostie was voor hen het opperste middel tot – letterlijk – communicatie met Christus, wiens lichaam zij op dat sacrale moment op de tong proefden.
De devotie leidde soms tot excessen, door tegenstanders toegeschreven aan inblazing door de duivel.
Mannelijke buitenstaanders concentreerden zich veelal op de uiterlijke verschijningsvormen van de vrouwenvroomheid, terwijl de vrouwen zelf het innerlijk proces konden weergeven. Het schrijven over geloofszaken was eigen voorbehouden aan gediplomeerde, mannelijke theologen, maar er waren ook vrouwen die zelf de pen ter hand namen. Twee van de indrukwekkendste van hen schreven in het Nederlands: de cisterciënzerin Beatrijs van Nazareth en de begijn Hadewijch.
Gesluierde schrijfster: Beatrijs van Nazareth
Als auteur komen we de vrouw in de middeleeuwse literatuur niet zo vaak tegen. Veel uitzonderlijker is het nog als vrouwen naar voren treden als auteurs over geloofszaken. Zoiets was namelijk nagenoeg verboden. Wie schreef over het geloof, matigde zich spiritueel leiderschap aan en daartoe was erkend gezag vereist. Dat kon een man bereiken met de juiste priesterlijke opleiding. Vrouwen daarentegen waren van de priesterwijding uitgesloten.
Schrijvende vrouwen hebben vaak sterke persoonlijkheden. Schrijvende vrouwen in de volkstaal namen een dubbel risico, in de eerste plaats als schrijvende vrouw en in de tweede plaats door godgewijde zaken te verwoorden in een ongewijde taal.
Middeleeuwse religieuze schrijfsters zijn allemaal mystici.
Beatrijs van Nazareth is de eerste mystieke schrijfster in een Europese volkstaal. Beatrijs werd in 1200 geboren nabij Leuven. Ze trad in in een cisterciënzer klooster. Hier leerde ze handschriften kopiëren en illumineren. Ze beleefde verschillende mystieke ervaringen.
Het leven van Beatrijs is na haar dood door een mannelijke hagiograaf op schrift gesteld. Heel opvallend is een manifest streven naar neutralisatie van Beatrijs’ persoonlijke bewoordingen. Volgens zijn versie van haar leven was Beatrijs’ contact met God op aarde niet rechtstreeks (dat was volgens de toenmalige opvattingen pas ná dit leven mogelijk), terwijl de kern van de mystiek juist is dat dit op aarde mogelijk is, of op zijn minst nastrevenswaardig.
Beatrijs zelf heeft ons ook een geschrift nagelaten: Van seven manieren van heiliger minne.
Van seven manieren van heiliger minne
De ordening in zevenen die Beatrijs’ verhandeling structureert, betreft zeven manieren van de liefde Gods, die uit Hem voortkomt en naar hem terugkeert. Het geschrift is mystagogisch: het wil een leerweg in de liefde bieden. Die weg verloopt langs innerlijke reflexie. We vernemen niets van visioenen, mirakelen, de eucharistie of de naam Christus. Het geschrift biedt bovenal bespiegeling. Beatrijs legt een sterk accent op alle pijn en moeite die met heilige minne gepaard gaan. Achter gedempte bewoordingen klinkt wel degelijk ervaring van extase door. De grondtoon van Beatrijs’ levensgevoel is een existentieel besef van tekortschieten, zowel ten aanzien van het hoge doel als van zichzelf.
Dat aan een auteur als Beatrijs een schare Nederlandstalige pioniers vooraf zou zijn gegaan wier werk niet tot ons is gekomen, is weinig waarschijnlijk. Veeleer moet dit mystieke Nederlands zijn gevormd in mondeling verkeer tussen gelijkgestemden. Langdurig hoeft die orale traditie niet te zijn geweest, maar wel intens en creatief. Er moesten immers zo veel dingen worden uitgedrukt die nog nooit in het Nederlands waren benoemd, en sterker nog, men zocht naar taal voor het onzegbare. Vandaar de neologismen.
De begijnen
Vanaf 1200 kozen steeds meer vrouwen voor het godgewijde leven. De meeste traden echter niet in een klooster in, maar leefden in een gewoon huis, samen met andere vrome vrouwen. Deze zogenoemde begijnen legden geen gelofte af, laat staan dat zij een specifieke kloosterregel huldigden. Ook droegen zij geen habijt, wel verplichtten zij zich collectief tot deemoed en kuisheid. Een dergelijke woongroep was, in vergelijking tot de kloosters, informeel en non-hiërarchisch: beslissingen werden genomen door de magistra, de oudste en wijste onder de begijnen. Het leven in begijnhoven was sober. Maar een formele gelofte tot armoede kenden de begijnen niet en privé-bezit was, anders dan in het klooster, niet verboden. In hun levensonderhoud voorzagen zij door passende (handen)arbeid, vooral textielnijverheid, maar ook het afleggen van doden. Bovendien verrichtten zij liefdewerk, zoals onderwijs en ziekenzorg.
Naast dit actieve leven was er het contemplatieve, met in het hart daarvan een intense omgang met Christus. Het spirituele huwelijk met Hem was de begenadigde staat waarvoor menig dertiende-eeuwse vrouw een mensenhuwelijk ontvluchtte of zelfs verliet.
Een ietwat cynisch-materialistische benadering heeft de begijnenbeweging verklaard uit het dertiende-eeuwse overschot aan weduwen en overschietende meisjes, onder meer ten gevolge van de hoge mortaliteit onder de middeleeuwse mannen, die, vechtersbazen als ze waren, nu eenmaal bij bosjes vielen. Inmiddels legt men meer nadruk op de authentieke spirituele drijfveren van betrokkenen. Zonder dergelijke aspiraties blijft immers onverklaarbaar waarom geregeld vrouwen huis en haard in de steek lieten voor het begijnenbestaan.
De mannelijke pendanten van de begijnen, de begarden, stelden niet veel voor.
In de dertiende eeuw waren vooral de steden in het bisdom Luik en het hertogdom Brabant bezaaid met huizen en hoven van begijnen. Ook Vlaanderen kende het verschijnsel volop. In Holland leefde aanzienlijk minder begijnen.
De begijnenbeweging is één van de grootste innovaties in de hoogmiddeleeuwse kerkgeschiedenis geweest. We zien hier leken, vrouwen nog wel, nadrukkelijk afstand nemen van de wereld en kiezen voor totale religieuze toewijding, maar binnen een autonome gemeenschap, niet onder jurisdictie van enige kerkelijke instantie. Het is de enige beweging in de premoderne kerkgeschiedenis die werd gedragen door en voor vrouwen. Het nieuwe alternatief van de begijnen oogstte zowel bewondering als wantrouwen.
Rekruteerden de late Middeleeuwen hun begijnen vooral uit eenvoudige milieus, in de dertiende eeuw kwamen ze vaak uit aanzienlijke kringen.
In de begijnhoven waren volop boeken aanwezig, al was het maar ten dienste van het onderwijs dat vele hoven zelf verzorgden.
Er waren begijnen die niet alleen lazen, maar ook schreven (begijnen voerden hun eigen administratie), en er waren er zelfs die dichtten, zoals Hadewijch.
Ic, Hadewijch
Over Hadewijch is geen vita overgeleverd. We denken dat ze van hoge geboorte was, rond 1240 schreef, in de omgeving van Antwerpen leefde en begijn was. Waarschijnlijk had ze een goede opleiding genoten: uit haar werken (visioenen, strofische gedichten, brieven en mengeldichten) spreekt een grondige vertrouwdheid met de bijbel, plus kennis van theologie en autoriteiten der mystiek, zoals Augustinus, Bernardus en de victorijnen. Aan hen ontleent zij haar geleerde woordenschat.
Geen Middelnederlandse auteur gebruikt zo vaak de ik-vorm, en geeft zo onomwonden aan dat zij persoonlijke ervaringen en overtuigingen vertolkt.
Visioenen: ik ervoer
Visioenen waren het aangewezen genre voor middeleeuwse vrouwelijke mystici. Zij berusten immers niet op enig leergezag ex officio, maar getuigen van ervaringen ex gratia.
De visioenen van Hadewych getuigen van een compleet opgaan in de liefdesband met Christus. Haar Visioenenboek is het oudste in een Europese taal en behoort naar algemeen oordeel tot de mooiste werken die de Middeleeuwen in dit genre hebben voortgebracht.
Er schuilt iets tegenstrijdigs in een schrijvende mysticus. Werkelijk uitleggen aan buitenstaanders is geen optie, men schreef veelal voor een gelijkgestemd publiek.
Strofische gedichten: ik spoor u aan
Met haar mystieke poëzie schiep Hadewijch een genre waaraan, voor zover bekend, zich nog geen mystica had gewaagd. De strofische gedichten van Hadewijch waren bestemd om te worden gezongen. De melodieën zijn, zoals meestal in middeleeuwse handschriften, helaas niet bij de tekst bewaard, maar lieten zich door onderzoek herleiden op volkstalige liederen plus hymnen en sequensen zoals die in Hadewychs tijd in de kerk werden gezongen.
De strofische gedichten vertonen overeenkomsten met het profane hoofse minnelied, zoals de Natureingang. Mystiek en hoofsheid zoeken allebei vervulling in dit leven via de liefde. Bij deze hoofse mystiek gaat het om een concrete liefdesrelatie tussen man en vrouw. Hadewijch is niet slechts de metaforische bruid van Christus, maar Zijn daadwerkelijke geliefde, de fysieke dimensie inbegrepen.
Het hoofdprogramma van de strofische gedichten is: hoe groot ook de onvermijdelijke pijnen en tegenwerking, de minne is de enige weg tot heil en zal haar trouwe dienaren belonen.
Brieven: ik ben bij u
De brief is een geliefd genre in de middeleeuwse mystiek. En alweer: ver aan het begin van de volkstalige brieventraditie staat Hadewijch.
Dat de brieven van Hadewijch naderhand door de ontvangers zouden zijn gebundeld, lijkt minder waarschijnlijk. Eerder zal de collectie teruggaan op een persoonlijk ‘brievenboek’ van de auteur, die van haar brieven afschriften moet hebben bewaard. Op zeker moment, misschien na Hadewijchs dood, zou het brievenboek als integraal onderdeel van haar geschriften zijn beschouwd, en met de rest zijn geredigeerd ter verdere verspreiding.
Veruit de meeste brieven lijken aan dezelfde persoon gericht te zijn, stellig een vrouw, zo te zien leven in een (kleine) gemeenschap van gelijkgestemden. In hun kring(en) waren Hadewijchs brieven waarschijnlijk bestemd om te worden voorgelezen.
In haar brieven is Hadewijch – zoals men bij dit genre mag verwachten – het persoonlijkst. Zeer voelbaar is dat zij hier niet in een rechtstreeks gesprek met God is, maar met haar medemensen, correspondenten. Die kan ze overigens niet beter toewensen dan de goddelijke genade dat ze de minne hartgrondig mogen leren kennen.
Mystieke kunstenares
Hoewel van Hadewych geen vita bekend is, gold ze voor sommige middeleeuwers wel degelijk als heilig. Sommigen beschouwen haar als een kunstenares: gepassioneerd, obsessief, compromisloos, zelfvervuld, ten prooi aan sterke stemmingswisselingen.
Hadewijch en de anderen
Hadewijch was stellig dikwijls eenzaam, maar zeker niet alleen. Om te beginnen waren er haar medebegijnen. Haar kringgenoten moeten van aanzienlijke intelligentie en hoog ontwikkelingsniveau zijn geweest, wilden zij Hadewijchs werk verstaan. Misschien waren zij wel mysticae zoals zij, alleen niet met dezelfde drang of gave om hun zielenroerselen op te schrijven. Er laten zich trouwens wel degelijk enige geestverwante teksten in de omgeving van Hadewijch traceren, al zijn de schrijfsters daarvan door hun anonimiteit and ere onbestemdheden lastig te plaatsen in tijd en ruimte ten opzichte van onze (ook al vage) hoofdfiguur.
De grootste groepsverbondenheid spreekt uit Hadewijchs Lijst van volmaakten: een soort visioen waarin aan Hadewijch werd geopenbaard welke 107 mensen op volmaakte wijze hebben bemind en dus Christus het meest zijn genaderd. Hadewijch betoont zich in haar keuzes tegendraads en antiautoritair. Ook opvallens is de grote plaats die Hadewijch inruimt voor tijdgenoten.
Repressie en vervolging
Niet alleen de vorm, maar ook de inhoud van de begijnse geloofsbeleving kon kerkelijke autoriteiten aanstoot geven. Sommige begijnen werden verdacht van ketterij en daarom vervolgd.
De zaak-H.?
In Hadewijchs werk laten zich diverse plaatsen aanwijzen waar zij aan de grens komt van wat toentertijd theologisch acceptabel was. Zo betwijfelde Hadewijch de ‘noodzaak’ van de hel. Het kan Hadewijch in een lastig parket hebben gebracht.
Hoofdvraag bij dit alles is niet of Hadewijch een ketter was, maar of zij van zoiets wel eens verdacht of beticht kan zijn geweest – en dat lijkt alleszins denkbaar. Want als Hadewijchs leven in de liefde al zuiver in de leer was, dan toch met scherpe kantjes. Er was maar één fanatieke inquisiteur nodig om haar tenminste onder verdenking te plaatsen. Hoe het Hadewijch is vergaan, weten we niet zeker, tenzij men geen bericht als goed bericht zou willen opvatten.
Hadewijch en Heilwig
De gangbare datering van Hadewijck is omstreeks 1250. Sommigen bepleiten echter Hadewijch naar de veertiende eeuw te verhuizen. In dat geval kan men in de verleiding komen om haar gelijk te stellen met Heilwig Bloemaerts. Heilwig was omstreden, werd verdacht van ketterij, maar niet veroordeeld. De gelijkstelling zou in ieder geval het ontbreken van nagelaten werk van Heilwig meteen oplossen. Het hoofdprobleem is de datering: Heilwig Bloemaerts overleed in 1335.
Mystieke netwerken
Er moeten rond en tussen de mulieres religiosae (soms) sterke en wijdvertakte netwerken hebben bestaan. Codices waren verspreid over grote gebieden. Op grond van tekstparallellen laten zich betrekkingen vermoeden tussen de schrijvers zelf. De contacten verliepen niet alleen schriftelijk, maar ook mondeling.
Gegeven de in de Middeleeuwen hoog ontwikkelde kunst van de memoria, zal het voortleven van Hadewijchs korte teksten maar ten dele van het boek afhankelijk zijn geweest. Passages uit de geschreven overlevering lijken dit te bevestigen.
Het Nederlands als vrijplaats
In de eerste glorietijd van de Nederlandstalige boekproductie, de dertiende eeuw, overheerst de profane literatuur. Klaarblijkelijk waren de kerkelijke instanties terughoudend in het mobiliseren van volkstalige boeken voor hun zaak. Dat we toch een grote schat bezitten aan dertiende-eeuwse religieuze literatuur in het Nederlands, lijkt dan ook niet zozeer te danken aan initiatief van officiële zijde, als wel aan dat van religieuze grensgangers: vrouwen, mystici en dissidenten.
Concreet manifesteert de dertiende-eeuwse Nederlandse religieuze literatuur zich hoofdzakelijk in twee grote tekstcomplexen: bijbelvertalingen en mystiek. Nog meer dan bij de mystiek hullen de bijbelvertalingen zich in stilzwijgen omtrent hun schrijvers en bestemmelingen. Bijbelvertalingen deden iets wat volgens het officiële leergezag niet kon: het Heilig Woord herformuleren.
Waarom speelt de mystiek zo nadrukkelijk in de volkstaal af? Traditioneel verklaart men dit uit geringere latiniteit onder de vrouwen. Toch laat het gemak waarmee bijv. Beatrijs van Nazareth en Hadewijch teruggrijpen op bijbel en theologie een aanzienlijke latiniteit vermoeden.
De keuze voor de volkstaal bij de vrouwen hoeft zeker niet alleen een zwaktebod te zijn geweest, maar kon zeker ook positieve en zelfs offensieve motivering hebben. De volkstaal was namelijk het medium van grotere vrijheid. Er werd hier minder voorgezegd vanuit de Latijnse orthodoxie, en er heerste minder controle. In de volkstaal konden eigen taal en termen worden ontwikkeld, en inhouden worden beleden waarvoor de gevestigde kaders geen plaats boden. De stap naar de volkstaal was tevens een sprong naar de vrijheid.
Het verregaande ontbreken van centraal gezag in kerk en wereld, plus alle afstand tot de echte grote heren, kunnen van de Lage Landen een tamelijke wirwar, maar ook een relatieve vrijplaats hebben gemaakt. Dit zou wel eens, naast de vaak genoemde verstedelijking, een voorname factor kunnen zijn geweest waardoor de nieuwe vrouwenvroomheid en vooral de begijnenbeweging zo konden aanslaan.
5 Willem en Jacob
Mr. Willem
Meesterwerk, toen en nu
Vanden vos Reynaerde is een meesterwerk.
De vos is uitgegroeid tot Vlaamse volksheld: een vrijbuiter die zich ontworstelde aan de Franssprekende macht, en arrogantie aftroefde met slimheid en daadkracht.
Datering, lokalisering, bronnen
De datering van de Reynaert is tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw onzeker geweest, maar ten slotte is de balans doorgeslagen van de twaalfde naar de dertiende eeuw. De Reynaert veronderstelt immers het gevestigde genre van de ridderroman, waarmee dit dierdicht de ironische dialoog aangaat. Het hof van koning Nobel en zijn baronnen Bruun en Ysengrijn, de daar heersende rivaliteit, de gerechtelijke geschillen den de sfeer van clans, vete en verraad – het resoneert allemaal overduidelijk met het chanson de geste. Met de Arthurroman heeft Vanden vos Reynaerde zijn grondstructuur gemeen: beginnend op een hofdag tijdens Pinksteren, vervolgens missies van de gevestigde orde om aan wantoestanden een eind te maken (al blijken Bruun en Tybeert bepaald geen Walewein of Perchevael) en ten slotte weer een episode aan het hof. Wel is die laatste in Vanden vos Reynaerde veel breedvoeriger dan de finale scène in Arthurromans. Hier vindt geen slotfeest plaats ter celebrering van de herstelde orde, maar een ultieme afrekening met het gezag. De koningsorde zal tot in het merg bedorven blijken als Nobel en zijn gemalin door de vos op gruwelijke wijze in de maling worden genomen. De ridderroman, zo lijkt de Reynaert ons te leren, verbeeldt louter een droom. Hoe het werkelijk in de mensenwereld toegaat, toont het dierenverhaal.
De tekst stamt waarschijnlijk uit de omgeving van Gent.
Geheel in stijl van de ridderroman presenteert Willem zijn verhaal als supplement op eerder werk van anderen. Dat zou een Nederlands gedicht van ene Arnout zijn geweest, die zijn werk niet had afgemaakt. Willem maakt het werk af op basis van Oudfranse voorbeeldteksten.
Nobels oerschreeuw
De eerste helft van de Reynaert volgt redelijk getrouw de Roman de Renart. Vanaf het moment dat Reynaert bij het hof aankomt, gaat Willem een geheel eigen weg.
In de Roman de Renart wendt de beschuldigde jegens de koning diep berouw voor en verklaart voor straf op bedevaart te willen gaan. Onderweg grijpt de vos Couart de haas, maar deze ziet de kans te ontsnappen. De koning beseft daarop dat hij is misleid en stuurt alle dieren achter Renart aan. Bijna krijgen ze hem te pakken, maar op het nippertje glipt de vos zijn onneembare hol Maupertus in.
In het Nederlands verloopt het tweede deel als volgt. Reynaert belastert zijn bloedeigen vader. Wijlen zijn vader zou volgens Reynaert samen met Ysengrijn een coup tegen Noben hebben beraamd met de bedoeling een zwakkere koning op de troon te krijgen – waarvoor de domme Bruun de beer de aangewezen kandidaat was. De voor de staatsgreep benodigde geldsom was op voorhand gedekt dankzij een grote schat, die de jonge Reynaert zijn vader ooit sluw had zien begraven. Uiteindelijk ging de staatsgreep niet door omdat Reynaert de schat had weggesleept, waarna zijn vader zich ophing. Op de valreep van zijn eigen ophanging belijdt Reynaert nu voor ’s konings aangezicht zijn overgeërfde zonden. Eigenlijk zou hij graag de gelegenheid krijgen om schoon schip te maken, door middel van pelgrimage. De schat wekt de begeerte van koning Nobel op. In plaats van voort te gaan met Reynaert te vervolgen, vraagt hij hem nader naar de schat. Volgens Reynaert ligt de schat begraven in Kriekeputte.
Reynaert mag op pelgrimage, nadat hij afscheid heeft genomen van zijn vrouw en kinderen. Reynaert bijt Cuwaert de haas thuis echter de kop af en stuurt de kop met een brief terug naar het hof. In de brief staat geschreven dat de schat een leugen was en dat de koning zelf niet veel beter is geweest dan wie ook. In plaats van recht te laten wedervaren, heeft hij zich laten verblinden door persoonlijk gewin.
Het pernicieuze slot
Op het einde treedt er een nieuw personage op: het luipaard Firapeel. Firapeel bewerkstelling een verzoening met Bruun en Ysengrijn en er wordt besloten jacht te gaan maken op Reynaert. De laatste regels luiden: ‘Met Fyrapeel datsi ghingen / Ende maecten pays van allen dinghen’. Dit slot roept nog steeds veel vraagtekens op: is het authentiek of niet? Een argument voor authenticiteit is het acrostichon ‘Bi Willeme’ dat de eerste letters van de laatste negen verzen vormen.
De reynaerdist Jan de Putter legt er de nadruk op dat volgens middeleeuwse regels het koninklijk rechtsgeding tegen Reynaert de vos, al is de schurk nog zo gevlogen, formele afronding vereist. Dat is precies wat Firapeel de koning aanreikt, die zelf niet meer in staat is de rechtsgang te bewaken. Hij biedt de gedupeerden een zoen aan, compleet met schadeloosstelling, en zodra deze partij die heeft aanvaard, hebben ze inderdaad pays gemaakt van alle dingen. Er is misschien geen recht gedaan, maar in elk geval wel recht gesproken.
Op zijn website heeft Van Oostrom overigens een belangrijke aanvulling geplaatst:
In overeenstemming met de opvatting van De Putter (2000) houdt Stemmen op schrift het erop dat het slot van de Reynaert – met de door Firapeel bewerkstelligde verzoening – wel degelijk oorspronkelijk is, en zelfs verhaalinhoudelijk noodzakelijk. De Putter wijst mij erop dat ik daarbij zijn interpretatie echter niet loepzuiver parafraseer. Kernpunt is voor hem dat de zoen aan het slot “een delicate oplossing [is] om een alles vernietigende vete tussen de vorst en zijn baronnen te bezweren”.
Zie: http://www.stemmenopschrift.nl/aanvullingen.aspx
In een begeleidend artikel in Tiecelijn heeft Jan de Putter gepoogd de misverstanden over de rechtsgang uit de wereld te helpen. Vanuit rechtshistorisch oogpunt is er juist wel recht gedaan, maar niet rechtgesproken. Een zoen is namelijk een buitengerechtelijke procedure. Bovendien is het proces tegen Reynaert strikt genomen al afgerond met zijn veroordeling. Reynaert is geen partij bij de zoen die tussen koning Nobel en zijn baronnen gemaakt wordt.
Zie: http://vandenvosreynaerde.spaces.live.com
Humor in stijl?
De aantrekkingskracht van de Reynaert berust natuurlijk in de eerste plaats op de superieure humor. Humor is krachtens het genre van het dierdicht een gegeven. Goed voorbeeld hiervan is hoe Willem speelt met antropomorfie – de wijze waarop de dieren soms als mensen figureren.
Veel van de humor in de Reynaert is niet situationeel, maar talig.
Taal en taboe
Een ander facet van Willems taalspel zijn de vele dubbelzinnigheden in de Reynaert, met name op het seksuele vlak.
Een voorbeeld van een obscene scène is die waarin Tybeert de kader de pastoor tussen de benen springt. Deze scène is in veel schooluitgaven gekuist.
Sadistisch universum
Uit onderzoek naar de verhouding tussen de Roman de Renart en de Vlaamse bewerking, zijn intensivering en verscherping als de sterkste tendensen in de bewerkingstechniek naar voren gekomen. Daarmee druist Willems handelwijze in tegen die van de meeste Middelnederlandse bewerkers van Oudfranse teksten. Terwijl zij zich veelal beijveren in het dempen van emoties en dramatiek, zet Willem die juist scherper aan.
Duidelijk is dat voor de Vlaamse dichter het conflict tussen Reynaert en Nobel in het centrum van het werk staat, terwijl het in de Franse branches veeleer draait om de vete tussen Renart en Isengrin.
Een dierenverhaal is minder confronterend dan wanneer het echte eigentijdse vorsten en baronnen zou hebben betroffen.
De schoonheid van het lelijke
Is Reynaert de held van het verhaal? Voor ons wel. Maar gold dat ook in een rurale samenleving, waar de vos werd beschouwd als doder van het vee? Ook de bijbel is negatief over de vos. In het spoor van dergelijke overwegingen tekent zich sinds enige tijd in de Reynaertstudie een sterke tendens af om – zonder zijn tegenstanders positief te maken – de hoofdfiguur te demoniseren. In Vanden vos Reynaerde wordt, aldus deze interpretatie, getoond hoe slecht de wereld eraan toe is wanneer een abject sujet zijn kans ziet bij de zwakke macht.
Toch zijn er ook scènes waarin Reynaert de sympathie van de lezer weet op te wekken, zoals op het moment dat hij afscheid neemt van zijn gezin voordat hij naar het hof vertrekt.
Vos en vervolg
Van de Reynaert resten ons twee complete handschriften, plus fragmenten van een drietal andere.
Willems verhaal is – als enige Nederlandse tekst in de hele Middeleeuwen – in het Latijn vertaald.
Van de bijzondere aura van de Reynaert getuigen ook de vele referenties in de Middelnederlandse letterkunde aan deze stof. Ze zijn er vanaf de dertiende eeuw en lopen door tot in de vijftiende. ‘Reynaerdye’ werd al snel in het Nederlands synoniem aan ‘sluwheid’.
Van de Reynaert is rond 1400 door een anonieme dichter een vervolg gemaakt: Reynaerts historie.
Willem die de Reynaert maakte
Het eerste vers van de Reynaert luidt: ‘Willem die Madocke makede’. Madoc moet een werk van dezelfde dichter zijn geweest. Het werk is (nog) niet gevonden. Er bestaan drie hypotheses. De eerste hypothese is dat Madoc een Arthurroman kan zijn geweest. In Franse en Engelse romans komen diverse ridders met die naam voor. De tweede hypothese verwijst naar de Welshe prins en zeevaarder Madoc. De Madoc zou diens reisverhaal voor de Nieuwe Wereld (300 jaar eerder dan Columbus) betreffen. De derde hypothese zint op het visioen van Tondalus en Sint-Patricius’ vagevuur: verhalen over ridders die in een droom de Andere Wereld bezochten.
Willem moet in elk geval een intellectueel zijn geweest, passief en actief vloeiend in drie talen en grondig kenner van de bijbel, getuige vele referenties in zijn tekst. Willem is duidelijk een kenner van het recht, hoewel zijn werk geen procesverslag maar een roman is.
Meester Maerlant
De natuur zonder ogen
Maerlant is afkomstig uit Brugge en maakte, net als Willen, furore omstreeks 1260.
Jacob van Maerlant kent de Madoc en refereert enkele malen aan de Reynaert. Veel lijkt hij met Willems werk niet opgehad te hebben, blijkens de pennenstreek waarmee hij diens oeuvre (plus heel het genre van de Arthurroman) ten achter stelt bij zijn eigen Rijmbijbel. Maerlant was nu eenmaal geen man van fictie.
In het Dyckse handschrift, vervaardigd te Utrecht rond het midden van de veertiende eeuw, zijn Jacobs Der naturen bloeme en Willems Vanden vos Reynaerde opgenomen. De teksten vormen een prachtig tweeluik. Beiden leiden ons in de natuur, de een als feit, de ander als fictie.
Ook Jacob maakt zijn dichtwerk over dieren soms tot spreekbuis voor maatschappijkritiek, tot aan de hoogste kringen toe.
Maar hoe streng dikwijls van ondertoon, per saldo zijn de lessen van Der naturen bloeme eerder opbouwend dan afbrekend. Wat dat betreft is Maerlant echt de volbloed schoolmeester, die het positieve prefereert en het nihilisme mijdt waartoe de Reynaert overhelt. Minstens zo graag wijst hij op het goede voorbeeld dat de natuur ons voorhoudt.
Naast haar praktische toepasbaarheid op menselijk gedrag heeft de natuur in Der naturen bloeme ook een metafysische dimensie. Op dergelijke plaatsen blijkt hoezeer de schepping voor een middeleeuwse intellectueel een goddelijk weefwerk vormt, waarin alle onderdelen, en in het bijzonder vele wonderbaarlijkheden, verwijzen naar zijn heilsplan. Sterker nog, de ratio achter die vele wonderen in de natuur is juist dat zij de mens doordringen van de goddelijke oorsprong van alles wat leeft, die herkomst en doel van dit bestaan is.
Per saldo blijft echter zowel sociale moraal als christelijke symboliek in Der naturen bloeme bijzaak. Het gaat Maerlant primair om de overdracht van feitelijke informatie. In navolging van Aristoteles ging men zich meer richten op de materiële dan op de religieuze aard van de natuur: descriptie in plaats van symboliek of moralisatie. In Albertus’ natuurwetenschappelijke geschriften treft de kritische zin ten opzichte van overgeleverde kennis, met als pendant een manifeste hang naar eigen observaties. Jacob van Maerlant is omstreeks 1270 veruit de eerste schrijver in Europa die het nieuwe, aristotelische bestiarium in de volkstaal toegankelijk maakt voor leken. Natuurlijk bevatten de Latijnse hoofdbron De natura rerum (van Thomas van Cantimpré) en Der naturen bloeme voor onze begrippen nog meer dan genoeg folklore en bijgeloof, toch is de empirie in opmars.
Om redenen van toegankelijkheid heeft Maerlant de verhalende dimensie van zijn biologieboek extra aangezet. Hij doorspekt de feitelijke informatie af en toe met anekdoten uit het dierenrijk.
Der naturen bloeme is geschreven rond 1270. De tekst is (in tegenstelling tot de Latijnse brontekst) in versvorm geschreven. Klaarblijkelijk vereiste de behoefte om met zijn boeken elitaire leken te bedienen – grosso modo hetzelfde publiek als dat van de ridderroman – dat de teksten moesten kunnen worden voorgelezen in verzen.
Maerlants wereld
Maerlant draagt zijn Der naturen bloeme op aan heer Nicolaas van Cats. Deze Nicolaas was heer over het Zeeuwse eiland Noord-Beveland en had daarnaast aanzienlijke belangen in Vlaanderen.
Maerlants opdrachtgevers lijken overigens bijna allemaal uit Zeeland afkomstig, meer speciaal uit de Zeeuwse entourage van de Hollandse graaf Floris V, inclusief de graaf zelf.
Jacob had connecties met de familie der Avesnes, terwijl Willem connecties had met de Dampierres. Tussen deze families, allebei takken van het Vlaamse vorstenhuis, heerste rivaliteit.
De jonge Vlaamse klerk Jacob was omstreeks 1257 naar Holland getrokken. De combinatie koster- en onderwijzerschap in het plaatsje Maerlant liet nog ruimte over, wat Maerlant tijd gaf voor wat al snel zijn hoofdbezigheid lijkt te zijn geworden: het schrijverschap.
Het debuut
Maerlant koos als hoofdfiguur voor zijn debuut Alexander de Grote. Diens biografie moet hij op school hebben leren kennen. De Alexandreis van Gautier de Châtillon, die hoofdbron was voor Maerlants Alexanders geesten, behoorde tot de canonieke teksten van het onderwijs in grammatica en retorica.
Net als Floris was Alexander een koningskind dat jong vaderloos was geworden. Maerlant verwerkte allerlei parallellen tussen beiden in zijn verhaal. Naast alle morele lessen bood het levensverhaal van Alexander ook de gelegenheid tot feitelijke kennisoverdracht, zoals kennis over de geografie.
Maerlants debuut staat in het teken van de fusie tussen het ridderlijke en het intellectuele. Hoofsheid speelt geen rol. Deze karakterisering geldt voor zijn gehele oeuvre.
Oeuvre in opbouw
Het eerstvolgende werk van Maerlant is de dubbelroman Historie van den Grale / Merlijns boec. Alweer schreef Maerlant een roman over een jonge koning op weg naar glorie (namelijk koning Arthur).
Hierna schreef Maerlant de Torec, een ridderroman in Keltische sfeer. Dit werk is een buitenbeentje in Maerlants oeuvre: weinig historiserend en zelfs sprookjesachtig.
Maerlant schreef de Historie van Troyen, uit het Frans bewerkt naar de Roman de Troie van Benoît de Sainte-Maure. Aan het slot van de roman voegt Maerlant aan de Trojaanse geschiedenis een bewerking toe van de Aeneis van Vergilius.
De Heimelijkheid der heimelijkheden is een vorstenspiegel.
Intussen bleef Maerlant, terug in Vlaanderen, contacten onderhouden met zijn netwerk in het Noorden: getuige Der naturen bloeme voor Nicolaas Cats en, meer nog, Spiegel historiael, zijn laatste grote werk.
De wereld als geschiedenis
Maerlant werkte tussen 1282 en 1288 aan de Spiegel historiael. Het werk werd geschreven in opdracht van Floris V.
De hoofdbron voor het werk vormt het Speculum historiale (1255) van de Franse dominicaan Vincentius van Beauvais.
Maerlant deelde zijn werk in in vier Partieën: van de schepping tot zijn eigen tijd. Maerlant legde echter de pen neer toen hij in de twaalfde eeuw was aangeland. Vermoedelijk waren zijn fysieke krachten tanende; het resterende traject zou één generatie later Maerlants bewonderaar Lodewijk van Velthem voor zijn rekening nemen. De Tweede Partie is geschreven door Philip Utenbroeke.
Maerlant bekortte de belangrijkste brontekst grootscheeps.
Het had maar een haar gescheeld of de Spiegel historiael was nooit op schrift gekomen, vanwege trammelant rond een voorafgaand werk: een berijmde bijbel in het Nederlands.
Schrijven met scherp
Maerlant voltooide zijn Rijmbijbel in 1271. Het was een bewerking van de bijbelse geschiedenis Historia scolastica van Petrus Comestor (circa 1170) plus Flavius Jesephus’ laatantieke Bellum Judaicum over de oorlog van de joden met de Romeinen.
Maerlant dreigde niet alleen uit de gratie te raken bij heren zoals Floris V cum suis, maar riskeerde ook een botsing met het kerkelijk gezag wegens (vermeende) ontwijding van de sacrale tekst.
Niet dat Maerlant nu speciaal uit was op moeilijkheden. In al zijn werken betoont hij zich een trouwe zoon van de moederkerk. In zijn kerkkritiek wijst Maerlant steevast op het schrijnende contrast tussen de heilige taken van de clerus en wat daar feitelijk van terechtkomt. Geestelijken worden gehekeld om hun zedeloze levenswandel, abdijen om hun materialisme etc.
Baanbrekend en omstreden
Uit de gehele Rijmbijbel spreekt Maerlants toewijding aan de moederkerk. En toch was deze tekst anno 1271 een waagstuk geweest, dat mogelijk Maerlants einde als schrijver had kunnen betekenen: de openbaring van de bijbel in de volkstaal aan leken. Het rijm vergrootte nog eens de kans op dichterlijke vrijheden. De Rijmbijbel kwam kortom ruimschoots in aanmerking voor nauwlettend toezicht vanuit het leergezag.
Het heeft er alle schijn van dat Maerlant dergelijke spanningen zag aankomen. Buitensporig doet in de proloog zijn tirade aan tegen niet nader benoemde vijanden die achter zijn rug uit zijn op zijn val, en ook hoe Maerlant in de epiloog zich al bij voorbaat opwindt over domme kopiisten die zijn tekst zouden kunnen verknoeien. Tegelijk betuigt hij deemoed jegens geleerde klerken en roept hij zelf op zijn tekst waar nodig te verbeteren.
Er volgde inderdaad trammelant. Hoe hoog de zee precies is gerezen, zullen we wel nooit te weten komen. Volgens latere getuigenissen liep de zaak zeldzaam hoog op. Maerlant zou om zich voor zijn Rijmbijbel te verantwoorden nota bene over de Alpen hebben moeten reizen.
Het lijkt erop dat Maerlant met de schrik is vrijgekomen. Wel kan de kwestie lang hebben aangelopen, wat wel eens mede de verklaring zou kunnen zijn voor de voor zijn doen geruime tijd dat hij in geschrifte zweeg tussen zijn Rijmbijbel en Spiegel historiael.
Evenwichtskunstenaar
Via zijn werk bracht Maerlant een formidabele dosis intellectuele in de geestelijke bloedbaan van de elite (ridderschap en naar we mogen aannemen ook patriciaat) die hij met zijn boeken in de eerste plaats bediende. Hij ontwikkelde patent op een zeer productieve kruising: de vorm van de volkstalige epiek met de inhoud van de Latijnse schoolbibliotheek.
Maerlant plaatste de liefde buitenspel. De enige liefdesrelatie in heel Maerlants werk is die tussen de dichter en Maria.
Geen enkele middeleeuwse dichter in het Nederlands, Frans, Duits of Engels (of welke andere volkstaal ook) kan in productiviteit aan Maerlant tippen. Maar het verbazingwekkendst is misschien niet zozeer de omvang maar de spanwijdte van Maerlants oeuvre. Hij legde een complete wereldbibliotheek voor leken open: de hele bijbel, de historie van Alexander, Troje en Rome, maar ook die van het vroege christendom, Karel de Grote en recente tijden, plus over flora en fauna van het eigen erf tot aan de verst verwijderde streken, geneeskunde, ethiek en theologie. Vrijwel al die materie werd hier voor het eerst in het Nederlands op schrift verwoord, en indien het niet de eerste keer was, beter en completer.
Leverancier van al die kennis was voor het overgrote deel de Latijnse studieboekerij. Als hoofdbronnen hanteerde Maerlant de in zijn tijd geldende standaardwerken over bijbel, natuur en geschiedenis.
Maerlant liet zien dat het met behoud van inhoud en integriteit mogelijk was om via volkstalige dichtwerken leken serieus te informeren over intellectuele zaken, hen ervoor te interesseren en wellicht zelfs te mobiliseren.
Maerlants weerklank
Intussen zal het aantal lezers/luisteraars dat Maerlants volledige werken kende, beperkt zijn geweest. Waarschijnlijk kende bijna niemand alles van Maerlant, maar vrijwel iedereen wel iets.
Boeken op niveau
Letterlijk illustratief voor Maerlants eenzame hoogte is dat we van zijn werk al uit de dertiende eeuw enkele super-de-luxe codices bezitten die alle omringende Nederlandse boeken uit die tijd gemakkelijk overtroeven. Handschriften uit de sfeer van missie en mystiek waren, passend bij hun inhoud, doorgaans uiterst sober verzorgd. Pas uit de veertiende eeuw hebben we fraai uitgevoerde Nederlandse ridderromans. Al tijdens Maerlants leven werd zijn werk uitzonderlijke boekverzorging waardig gekeurd.
Firmament met dubbelster
Met Maerlant zet de Nederlandse literatuur – en in zekere zin de Europese – een essentiële stap vooruit in het grote proces van de middeleeuwse literatuurgeschiedenis: de verschuiving van gezag van Latijn naar volkstaal.
Maerlant liet zien dat het terdege mogelijk was non-fictie op rijm te maken. Het zou heel goed aan Maerlant te danken kunnen zijn dat de versvorm het in het Middelnederlands langer en sprekender heeft volgehouden dan in andere Europese talen.