

Brieven als buit
Dit is een verslag van de workshop ‘Brieven als buit’ die plaatsvond op 28 maart 2007 aan de Universiteit Leiden onder leiding van prof. dr. Marijke van der Wal.
Marijke van der Wal: Opening en inleiding
Tijdens de opening en inleiding zette mevrouw Van der Wal het doel van de workshop uiteen: we maken kennis met een interessante buit voor historisch, letterkundig en taalkundig onderzoek: brieven.
Waar bevindt zich de buit die vandaag centraal staat? De buit bevindt zich op twee plaatsen. De eerste plaats waar de buit zich bevindt, is de National Archives in Londen. Hier bevinden zich de zogenaamde ‘sailing letters’: brieven van en aan Nederlandse zeelieden en kooplieden en hun familieleden. Deze brieven en een schat aan ander materiaal (scheepsjournalen, aanbevelingsbrieven, ladingboekjes, kwitanties etc.) waren aanwezig op Nederlandse schepen die tijdens de Engelse oorlogen zijn veroverd. De tweede plaats waar de buit zich bevindt, is het Museum voor Communicatie (het voormalig Postmuseum) in Den Haag. Dit museum bevat een collectie brieven van het postkantoor Doesburg uit de late achttiende eeuw. Beide collecties komen uitvoerig aan de orde in de presentaties van de sprekers op deze dag.
Perry Moree: De brieven van Aagje Luijtsen. Stemmen van het thuisfront in de VOC-
Perry Moree is directeur bedrijfsvoering van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Oorspronkelijk is hij maritiem historicus en in het kader van zijn proefschrift heeft hij het brievenvervoer van de VOC bestudeerd.
Tijdens het onderzoek voor zijn proefschrift stuitte Perry Moree op een bijzonder
stapeltje brieven dat, zeer uitzonderlijk, allemaal in dezelfde hand was geschreven.
Het betrof de brieven van Aagje Luijtsen (1756-
Wat is er zo bijzonder aan deze brieven? Een pakket van negentien lange brieven van één zeemansvrouw werd nooit eerder aangetroffen. De vondst is bovendien uitzonderlijk omdat de brieven een heel nieuw verhaal vertellen. Niet dat van de mannen op hun verre reizen over de wereldzeeën, maar het verhaal van de achterblijvende vrienden en familieleden. In 2003 zijn de brieven in boekvorm verschenen onder de titel ‘Kikkertje lief’.
De twintig overgeleverde brieven van Aagje aan haar man bestrijken de periode 1776-
Tanja Simons: ‘Ik heb ook nu niet uijt mij alderbest geschreven’
Tanja Simons is masterstudente Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden. Ze schrijft een scriptie over taalkundige aspecten in de brieven van Aagje Luijtsen. Brievenschrijfsters zoals Aagje maakten tijdens hun schooltijd vaak kennis met brievenboekjes die voorschriften en voorbeeldbrieven bevatten. Tanja Simons gaat na in hoeverre er sporen van deze brievenboekjes zijn te vinden in Aagjes brieven aan haar man.
Tanja Simons onderzoekt de volgende aspecten: plaats en datum, aanhef, beginformules,
briefvolgorde, aanspreekvormen en slotformules. De begin-
Andere taalkundige taalkundige verschijnselen in Aagjes brieven die aandacht verdienen zijn de invloed van het dialect van Texel (lexicaal, morfologisch en syntactisch), dubbele ontkenning, groter dan/groter als, zinsbouw, vervoeging van sterke werkwoorden en de spelling.
Marijke van der Wal: Brieven als kostbare buit
Het Nederlandse standaardisatieonderzoek is lange tijd gericht geweest op de ontwikkeling naar uniformiteit: als gevolg van macroselectie en microselectie is onze Nederlandse standaardtaal ontstaan. De laatste jaren vindt er echter een wisseling van perspectief plaats en is er steeds meer aandacht voor diversiteit: de zogenaamde ‘language history from below’ onderzoekt de taal van de lagere klassen in de samenleving.
De wisseling van perspectief eist het gebruik van nieuwe bronnen. Literaire geschriften en ambtelijke stukken zijn vaak geschreven door de hogere klassen in de samenleving. Geschriften uit de middenklassen en lagere klassen moeten we ergens anders zoeken: in veel gemeentearchieven, provinciale archieven en familiearchieven zijn egodocumenten (zoals brieven en dagboeken) uit deze klassen bewaard gebleven. Tot de egodocumenten behoren ook de Sailing Letters. In de brieven van en aan de bemanning van een vloot zijn doorgaans alle sociale lagen vertegenwoordigt. De relatie met de geadresseerde is meestal echtgenote, ouders of andere familieleden en vrienden. De brieven bevatten dan ook vaak informeel taalgebruik.
Het algemene beeld van de achttiende eeuw is als volgt: een uniforme taalperiode met verlies van taalvariatie als gevolg van een geslaagde microselectie. De voorkeursvarianten zijn die van de hoogste klassen uit de Hollandse steden. Maar klopt dit beeld wel? Zijn de varianten inderdaad verdwenen? Om dit na te gaan, heeft Marijke van der Wal brieven uit de middenklassen en lagere klassen uit deze periode bestudeerd. Hieronder vat ik een aantal van haar onderzoeksresultaten samen:
-
-
-
Welke conclusies kunnen we trekken uit dit onderzoek? De taal van egodocumenten is rijker en gecompliceerder en wijkt af van het uniforme beeld dat we van de achttiende eeuw hebben. Egodocumenten geven met andere woorden inzicht in het feitelijke taalgebruik.
Een kleine kanttekening is op zijn plaats. We moeten natuurlijk niet vergeten dat ook egodocumenten van minder geschoolden sporen kunnen bevatten van onderwezen taal. Zoals Marijke van der Wal ook in haar oratie aangeeft, is het niet alleen een aannemelijke veronderstelling dat leerlingen op school de standaardtaal in ontwikkeling leerden schrijven en daarbij onacceptabele varianten leerden te vermijden; er is ook bewijsmateriaal voor.
Renaat Gaspar: De Doesburgse brievencollectie: momenten uit het leven van alledag in het Nederlandse taalgebied van de late achttiende eeuw
Tijdens een verbouwing van het postkantoor in Doesburg kwam een kist met onbestelde brieven aan het licht. De kist bevatte 806 brieven, waaronder 543 Nederlandse brieven. Renaat Gaspar heeft deze brieven onderzocht en hiervan een transcriptie gemaakt.
Waarom zijn deze brieven nooit bij de juiste persoon terecht gekomen. Daarvoor zijn verschillende redenen: de adressering was onjuist of verwarrend, sommige plaatsen binnen Nederland of in en buiten Nederland hebben dezelfde naam, soms weigerde de geadresseerde de brief in ontvangst te nemen (de geadresseerde moest immers zelf de port betalen) en soms heeft de geadresseerde de brief nooit in ontvangst kunnen nemen doordat hij bijvoorbeeld was overleden.
Renaat Gaspar ging uitvoerig in op de problemen die tijdens de transcriptie optraden: zelden is interpunctie toegevoegd en het hoofdlettergebruik is zeer wisselend. Een diplomatische editie was haast onmogelijk (en misschien zelfs niet wenselijk) en dus heeft de editeur de interpunctie en het hoofdlettergebruik genormaliseerd.
Tijdens de presentatie kwamen allerlei bijzonderheden en wetenswaardigheden naar voren. De inhoud van de brieven is zeer divers en de verscheidenheid aan onderwerpen laat zich moeilijk in een paar woorden samenvatten. De aanhef van een brief bevatte in de late achttiende eeuw vaak de woorden ‘ik ben fris en gezond’ en het slot ‘nu breek ik af met de pen maar niet met het hart’. Rouwbrieven in de late achttiende eeuw verschilden aanzienlijk met tegenwoordig: de doodsoorzaak werd vaak expliciet en onomwonden vermeld, de leeftijd waarop de persoon was verleden werd vaak tot op de maand en dag nauwkeurig vermeld en zelden bevatten de brieven informatie over de begrafenis.
Oefensessie
Het laatste onderdeel van deze workshop bestond uit een oefensessie brieven lezen en transcriptie.
Conclusie
Onder een corpus verstaan we een verzameling teksten. De corpora die vandaag aan de orde zijn gekomen, zijn egodocumenten uit de middenklassen en lagere klassen.
De presentaties hebben één ding duidelijk aangetoond: het belang van corpora met egodocumenten (zoals de Sailing Letters en de Doesburgse brievencollectie) is groot. Deze corpora kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het diachrone taalkundige onderzoek. Zo heeft het onderzoek van Marijke van der Wal aangetoond dat ons beeld van een uniforme taalperiode in de achttiende eeuw vooral gebaseerd is op documenten uit de hogere klassen. De egodocumenten uit de middenklassen en lagere klassen uit deze periode geven een genuanceerder beeld met een rijker en gecompliceerder taalgebruik.
_________
Tot slot: ik vond deze workshop een leerzame en leuke ervaring. Mijn complimenten voor de initiatiefnemers. Het was vooral interessant om te zien hoe mensen uit verschillende disciplines (maritiem historici en taalkundigen) hetzelfde bronnenmateriaal op hun eigen wijze benaderen. Ik hoop dat dit soort initiatieven in de toekomst vaker plaats zullen vinden, ik zal dan zeker overwegen om er aan deel te nemen.