wp8ef26e7c.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Hieronder staat een samenvatting van het boek Het volle leven van Rene van Stipriaan. Deze samenvatting is alleen bedoeld als snelle oriëntatie of als hulpmiddel ter bestudering van bijvoorbeeld tentamenstof. Als vervanging kan deze samenvatting geen dienst doen, al is het alleen al om de vele mooie illustraties in het origineel.

Veel leesgenot!

 

Het volle leven. Nederlandse literatuur en cultuur ten tijde van de Republiek (circa 1550-1800)

René van Stipriaan

 

Hoofdstuk 1 De letteren en de Republiek

 

Een wereld op schaatsen

 

In de herfst van 1517 had de augustijner monnik Maarten Luther zijn vijfennegentig stellingen tegen de aflaathandel op de kerkdeur van Wittenberg gespijkerd en daarmee opgeroepen tot een grondige hervorming van het geloofsleven. Meteen al in de maanden erna waren er verschillende geschriften van de Duitser opgedoken in de Nederlanden. Ze werden er op grote schaal vertaald, gedrukt en gelezen. Vooral in de bloeiende handelsmetropool Antwerpen had Luther actieve en luidruchtige aanhangers.

 

Na enige aarzelingen was keizer Karel V in maart 1521 tot actie overgegaan. Hij verbood het in omloop brengen, bezitten en lezen van protestantse literatuur.

 

In augustus 1566 gingen in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal de beelden van hun voetstuk, altaren werden aan gruzelementen geslagen, en schilderijen werden vernield. Een paar maanden lang raasde de beeldenstorm door de Nederlanden. De ongemakkelijke status-quo van de door overheidsrepressie beteugelde hervormingsdrang was daarmee voorgoed doorbroken. De oude instituten Kerk en Staat wankelden nu echt. Niet alleen waren de hervormingsgezinden – lutheranen, calvinisten, wederdopers – zo langzamer hand vrij groot in aantal, ook had de adel het inmiddels aan de stok gekregen met de opvolger van Karel V, Filips II, en met diens landvoogdes Margaretha van Parma. Bovendien leed het volk honger door stijgende prijzen en misoogsten. De Nederlanden stonden aan het begin van een burgeroorlog, die zou uitlopen op een tachtigjarige vrijheidsstrijd.

 

In de strijd was het woord heel erg belangrijk. De grote troef van Luther was niet zijn aanklacht tegen de evidente misstanden in de Kerk als de aflaathandel en de bandeloosheid van de geestelijken, maar zijn vaste overtuiging dat de bijbel, en niet de Kerk, in geloofszaken het laatste woord moest hebben. Kennisnemen van de bijbel, door evangelisatie, maar liefst door hem zelf te lezen, was voor een christen hoofdzaak geworden.

 

De katholieke Kerk zag in het zelfstandig bijbellezen door leken een groot gevaar voor het leergezag van Rome. Tot de jaren twintig van de zestiende eeuw was het lezen van de gehele Schrift dan ook voorbehouden aan degenen die Latijn kenden: geestelijken en universitair geschoolden. Luther bracht daar eigenhandig verandering in. Hij maakte een aan de bronnen getrouwe Duitse vertaling van de bijbel. De ‘Luther-vertaling’ (begonnen rond 1520, gereedgekomen in 1534) werd al snel in vele talen overgezet, ook in het Nederlands.

 

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst was het boek der boeken binnen het bereik van de massa gekomen. Al in de decennia voordat Luther het volk de gehele bijbel wilde laten lezen, kwamen er in verschillende Nederlandse steden volkstalige selecties uit de later zo verfoeide Vulgaat van de drukpers. Deze activiteiten werkten op de zenuwen van de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten. Sinds eeuwen gold het verspreiden van bijbelteksten in de volkstaal als een van de ergste vormen van gezagsondermijning, maar in de zestiende eeuw werd het zelfs letterlijk een halsmisdaad.

 

Vive le geus is nu de leus

 

Niet alleen geloofsovertuigingen, maar ook economische belangen en politieke privileges waren een voortdurende bron van hevige conflicten. Sinds Karel V in 1555 was opgevolgd door de vroom katholieke en vanuit het verre Spanje regerende Filips II, nam de repressie toe en daardoor verhardden zich de standpunten. Dit moest vroeg of laat wel leiden tot de vorming van een sterke anti-Spaanse coalitie. Vooral na de komst van de hertog van Alva, die van Filips II de opdracht had gekregen om tot elke prijs orde op zaken te stellen, werden de verschillende oppositiegroepen geheel onbedoeld in elkaars armen gedreven. Wat zich sinds de tweede helft van de jaren zestig onder de naam ‘geuzen’ verzamelde, was dan ook een wonderlijke gelegenheidscoalitie van edelen, geloofsijveraars, kooplieden, geleerden, ambachtslieden en avonturiers.

 

Onder Alva liep iedereen met afwijkende ideeën liep het gevaar door de inquisitie te worden aangepakt. Daardoor radicaliseerde ook de gematigde, tot tolerantie en afzijdigheid geneigde middenklasse van kooplieden, intellectuelen en winkeliers.

 

De geest van Erasmus

 

Het humanisme was rond 1360 in Florence, onder invloed van Petrarca en Boccaccio, tot ontwikkeling gekomen en had daar in de vijftiende eeuw onder het bewind van Lorenzo il Magnifico een hoge vlucht genomen. Men wilde terug naar de bronnen van de klassieke wijsheid. Middeleeuwse afschriften en samenvattingen hadden afgedaan, de teksten moeten ‘gezuiverd’ worden bestudeerd, en waar nodig gereconstrueerd. Dit verlangen naar betrouwbare teksten ging hand in hand met een krachtige herleving van het klassieke ideeëngoed. Het Grieks, dat al niet meer gekend werd sinds de neergang van het Romeinse Rijk, werd opnieuw bestudeerd en in de leerprogramma’s opgenomen.

 

Rond 1500 drong het humanisme ook in de Nederlanden door. Aan de in 1425 gestichte universiteit van Leuven werd in 1517 het zogenoemde Collegium Trilingue in het leven geroepen, waar niet alleen Latijn en Grieks maar ook Hebreeuws gestudeerd kon worden. De drijvende kracht achter de oprichting van het Collegium was de uit Rotterdam afkomstige Desiderius Erasmus. Als humanist was hij een Europese beroemdheid. Hij was een pleitbezorger van gedegen bijbelkennis onder de gelovigen, en ontzag niets of niemand in zijn kritiek op de vele misstanden in de Kerk van Rome. Luther meende in hem een bondgenoot te hebben en zocht toenadering, maar na het wisselen van enige brieven nam de verdraagzame Erasmus afstand van de felle, compromisloze Duitser. Erasmus bleef katholiek. In de laatste jaren van zijn leven concentreerde hij zich op het schrijven van theologische traktaten waarin hij een voorzichtige kerkhervorming van binnenuit bepleitte. Hij drong aan op principiële verdraagzaamheid, waardoor de geschilpunten tussen katholieken en lutheranen van hun scherpe kanten ontdaan konden worden. Zijn oproepen hadden geen succes, men verweet hem van beide zijden dat hij probeerde kool en geit te sparen. En dat was wat Erasmus inderdaad wilde.

 

In 1549, dertien jaar na Erasmus’ dood, werden de Nederlanden bezocht door kroonprins Filips, de toekomstige vorst die uit Spanje was overgekomen om kennis te maken met de bevolking van deze buitengewesten.

 

Bij het grote publiek genoot Erasmus steeds meer faam als auteur van enkele literaire werken die naar eigen zeggen tussendoortjes waren, zoals Samenspraken (Colloquia, 1518) en uiteraard Lof der Zotheid (Laus Stultitiae, 1511). Velen zagen deze satire, waarin de alomtegenwoordige dwaasheid met de nodige ironie haarfijn werd geanalyseerd, als een genadeloze maatschappijkritiek, en niet ten onrechte. Geen reputatie was heilig, zeker ook niet die van de Kerk, bij het ontmaskeren van valse pretenties en dwaze dogma’s.

 

Erasmus had vooral in het geboortegewest Holland een voorbeeldfunctie. Erasmus had eigenhandig de Noordelijke Nederlanden vanuit een staat van volstrekte achterlijkheid binnengevoerd in de geheimen van de Europese renaissancebeschaving. De humanoria stegen sterk in aanzien. Er werd niet alleen meer op oude talen gestudeerd om theologie te bedrijven. Bovendien was al vanaf het einde van de vijftiende eeuw het Nederlandse onderwijssysteem, door de instelling van ‘Latijnse scholen’, getalenteerde jongens steeds adequater gaan voorbereiden op een universitaire studie. Dit moest wel leiden tot een onafhankelijk denkende intellectuele elite, die, gevoed door de erasmiaanse opvattingen over verdraagzaamheid en gematigdheid, een afkeer had van autoriteitsargumenten en brute repressie.

 

Ondertussen sijpelde het ideeëngoed van Erasmus vanuit intellectuele kringen door naar een burgerlijke beweging als de rederijkerij. De burgerij verlangde naar kennis, van de bijbel en van de wereld, en ze wilde bovendien serieus genomen worden. Erasmus had aangetoond dat spot en ironie wapens waren waar starre autoriteiten nauwelijks tegenop konden. Vanaf 1530 vonden steeds meer rederijkers de daarbij passende literaire én actuele ingrediënten. Er verschenen rederijkersteksten waarin een onmiskenbaar erasmiaanse visie of zelfs toon verwerkt zat. De katholieke geestelijkheid werd stevig aangepakt in het in 1569 anoniem verschenen Historie van Broer Cornelis, over de echt bestaande Brugse pater franciscaan Broer Cornelis. Hij was een populair en getalenteerd volksprediker, die volkomen loyaal was aan het oude geloof. Het werk bestond voor een belangrijk deel uit de tekst van preken die de minderbroeder in de voorgaande jaren had gehouden over de meest uiteenlopende onderwerpen, en die doorregen waren met sappige verhalen over allerhande belevenissen in de lokale kerken en kloosters. Broer Cornelis had een frivole reputatie als biechtvader, omdat hij als boetedoening voor onkuise gedachten tot eigenhandige geseling van intieme lichaamsdelen overging.

 

De Index had sinds 1559 een officieel door de Kerk gesanctioneerd karakter.

 

Zingen in de strijd

 

De aanvankelijke leider van de opstandige edelen, Hendrik van Brederode (de ‘grote Geus’), stierf plotseling in 1568. Hij werd opgevolgd door Willem van Oranje, die tot 1567 stadhouder (d.i. plaatsbekleder) van de koning in de gewesten Holland, Zeeland en Utrecht was geweest en in ongenade was gevallen.

 

In de beginjaren van de Opstand werden veel strijdliederen geproduceerd. Ze werden aanvankelijk verspreid op losse vellen (‘vliegende blaadjes’). Venters trokken ermee rond en verkochten ze op straat. Vaak brachten ze daarbij de liedjes ten gehore.

 

Het Geuzenliedboek was waarschijnlijk al in 1574 voor het eerst verschenen, maar de oudste druk die wij kennen dateert van circa 1577. De bundel beleefde herdruk op herdruk en werd aanvankelijk telkens geactualiseerd zodra het verloop van de strijd daar aanleiding toe gaf. Daardoor werd het liedboek, dat een strikt chronologische volgorde aanhield, ook een korte geschiedenis van de Opstand. Door zijn goedkope uitvoering was het bereikbaar voor brede lagen van de bevolking.

 

Een nieuw christelijk lied: het Wilhelmus

 

In de jaren rond 1570 stond de zaak van de Opstand er zo goed als hopeloos voor. Willem van Oranje verbleef al sinds 1568 in ballingschap op zijn slot Dillenburg in Duitsland. Daar probeerde hij met veel moeite en aanvankelijk weinig tastbaar succes een militaire en politieke organisatie op te bouwen die het schrikbewind van Alva weerwerk kon gaan leveren. Maar alle aanvallen op de militaire posities van de Spanjaarden werden afgeslagen. Oranje ging inzien dat er veel geld nodig was om de vijand te kunnen verdrijven. En geld alleen zou nooit voldoende zijn, ook het moreel van het binnenlands verzet moest versterkt worden.

 

Het is tegen deze achtergrond dat we het ontstaan van het beroemdste geuzenlied, het Wilhelmus, moeten plaatsen. Wanneer, waar en door wie het geschreven is, zal misschien wel altijd een mysterie blijven. De tekst werd anoniem opgenomen in Het Geuzenliedboek. Het gedicht is heel nadrukkelijk een momentopname, eigenlijk is het een hartenkreet van Willem van Oranje zelf, die in ballingschap nog eens zijn trouw aan de Spaanse koning belijdt, maar tegelijkertijd aankondigt dat hij de tirannie (Alva en zijn Raad van Beroerten) zal gaan verdrijven. Maar nu is hij nog heel duidelijk een man die machteloos moet toezien. Na 1 april 1572, de inname van Den Briel, en zeker nadat in de maanden daarop bijna alle steden van Holland en Zeeland (met als belangrijke uitzonderingen Amsterdam en Middelburg) in handen van de opstandelingen waren overgegaan, zou dit lied in zekere zin zijn actualiteit verliezen. Willem van Oranje keerde in augustus 1572 terug naar de Nederlanden. Het lied beschrijft dus een situatie tussen 1568 en 1572, precieze de jaren tussen 1570 en het voorjaar van 1572, toen de middelen van Oranje zo goed als geheel uitgeput waren, maar zijn vastberadenheid om de strijd tegen de Spanjaarden tot een goede afloop te brengen sterk gegroeid was. Het Wilhelmus moest die vastberadenheid overbrengen op Oranjes medestanders en potentiële geldschieters.

 

De dichter van het Wilhelmus moet gezocht worden onder de auteurs die Willem van Oranje in zijn Duitse jaren om zich heen had verzameld. Marnix van Sint-Aldegonde wordt het meest genoemd als tekstschrijver, naar ook Fruytiers en Van der Voort lijken niet geheel uitgesloten te kunnen worden.

 

De pamflettenoorlog

 

De jaren vanaf 1572 tot aan Oranjes dood in 1584 stonden in het teken van wisselende kansen. De opstandige gewesten Holland en Zeeland en de overige – koningsgetrouwe – gewesten kwamen gezamenlijk in verzet tegen de aanwezigheid van Spaanse troepen, wat leidde tot de Pacificatie van Gent (1576). Maar in 1579 verzoenden de zuidelijke gewesten zich alsnog met de Spaanse koning in de Unie van Atrecht, terwijl de noordelijke gewesten met een aantal zuidelijke steden in hun verzet volhardden door het sluiten van de Unie van Utrecht. In 1581 zwoeren de opstandelingen de koning af in het Plakkaat van Verlatinghe. Het waren politieke manoeuvres die aan de achterban uitgelegd moesten worden en waarvoor bij (potentiële) bondgenoten steun gevonden moest worden. Het pamflet was daarvoor het geëigende middel. De pamfletten verschenen meestal anoniem of een enkele keer met de naam van Oranje eronder. De belangrijkste tekst was Oranjes Apologie van 1581, waarin deze reageerde op de vogelvrijverklaring die kort ervoor door Filips II over hem was uitgesproken. Het stuk moest de wereld voorbereiden op de staatsrechtelijke autonomie van de Unie van Utrecht, die in 1588 onder de naam Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gestalte zou krijgen.

 

In de loop van de jaren zeventig was de toon in de pamfletten steeds harder geworden. Als het uitkwam verspreidden Willem van Oranje en zijn raadgevers valse geruchten om de bevolking tegen de Spanjaarden in het geweer te krijgen. Oranje zou er onder vijanden zijn bijnaam ‘de Zwijger’ aan te danken hebben: een man die verzwijgt, die veinst, die liegt, die manipuleert en dus nietsontziend op zijn doel afgaat. Verhalen over de inquisitie werden vaak tot helse proporties opgeblazen, om de schrik erin te houden.

 

Heldendom in Leiden: het beleg en ontzet

 

In 1572 kwam Willem van Oranje in contact met een jonge edelman uit het gewest Holland: Janus Dousa, heer van Noordwijk, auteur van Latijnse liefdesgedichten en een rijzende ster in kringen van niet alleen Nederlandse maar vooral ook Franse humanisten. In datzelfde jaar stuurde Willem van Oranje Dousa op een informele gezantschapsreis naar koningin Elizabeth van Engeland. Dousa was zeer geschikt voor zo’n taak. Hij had alle eigenschappen van een gentleman. Het lukte hem echter niet om de koningin tot bedekte of openlijke steun te verleiden.

 

Dousa verliet het onveilige Noordwijk en ging binnen de muren van Leiden wonen. Echt veilig bleek hij er niet te zijn. In oktober 1573 begonnen de Spanjaarden Leiden te belegeren. Na een tijdelijke aftocht van de vijand werd de situatie in de stad gedurende de zomer van 1574 met de dag ondraaglijker. De bevolking leed honger, de pest maakte honderden slachtoffers, en men was verdeeld over het voorzetten van de strijd. Het was in deze omstandigheden dat Janus Dousa een hoofdrol voor zich opeiste. Terwijl ook enkele stadbestuurders (inclusief burgemeester Van der Werff) begonnen te denken aan overgave, hield Dousa stand, en hij vond daarin de stadssecretaris Jan van Hout aan zijn zijde. Van Hout kwam nu op het listige idee elk lid nog eens afzonderlijk duidelijk zijn standpunt te laten verkondigen, een standpunt dat hij nauwgezet zou notuleren. De meningen waren nu opeens voorzichtiger. Met het bekende gevolg: de stadspoorten bleven voor de vijanden gesloten, in september werden de dijken rond Leiden doorgestoken en enkele weken later (in de nacht van 2 op 3 oktober) sloegen de Spanjaarden op de vlucht. Onder leiding van Louis van Boisot konden de troepen van Oranje de stad op 3 oktober binnenvaren.

 

Leiden was ontzet, de bevrijding van het gewest Holland kwam in zicht. De stad en ook de twee verzetsvrienden konden een passende geste van Willem van Oranje en de Staten van Holland tegemoet zien: de oprichting van de eerste volwaardige universiteit in de Noordelijke Nederlanden. Janus Dousa kreeg een hoofdrol in het aantrekken van wetenschappers die aan deze instelling konden gaan doceren, en werd naderhand de eerste bibliothecaris. Jan van Hout verwierf de zware functie van secretaris van het universiteitsbestuur en als zodanig was hij belast met veel uitvoerende taken. Nauwelijks vier maanden na het ontzet van Leiden werd in februari 1575 de universiteit geopend.

 

Feestelijkheden met vertoon

 

De opening van de Leidse universiteit werd gevierd met een grote optocht waarin behalve professoren en hoogwaardigheidsbekleders ook figuranten meeliepen die klassieke grootheden als Aristoteles, Cicero, Vergilius en Hippocrates verbeeldden. Met dit spektakel sloot Van Hout aan bij een rijke traditie die in kringen van rederijkers gedurende bijna twee eeuwen tot een staat van perfectie was gevoerd. Grootscheepse openbare festijnen met vertoningen, processies en voor de gelegenheid opgerichte triomfbogen hoorden van oudsher bij het vieren van militaire overwinningen, het herdenken van historische gebeurtenissen en het inhalen van vorstelijke personen. Rederijkers hadden daarvan meestal de organisatie in handen. De festijnen boden een goede gelegenheid om hun loyaliteit aan het centrale gezag te tonen.

 

Omstreeks 1575 ging het kamp van de opstandelingen de propagandistische mogelijkheden van grootse publieke vertoningen uitbuiten. Willem van Oranje liet zich steeds vaker, ondanks het politieke feit dat hij Filips II nog altijd als landsheer erkende, in verschillende steden met vorstelijk vertoon binnenhalen. De lokale rederijkerskamer had daarin een belangrijke taak, maar de regie werd meestal gevoerd door gekende Oranjegetrouwen.

 

Steden wilden elkaar overtreffen in huldeblijken: een goede beurt bij de stadhouder gaf enige zekerheid dat de stedelijke privileges voorlopig door hem gerespecteerd zouden worden. De intochten regen zich aaneen. En dat ging door toen na de moord op Oranje diens zoon Maurits stadhouder werd. Omdat vaak pas kort van tevoren bekend werd dat de stadhouder een bepaalde plaats ging bezoeken of dat hij er op doorreis langs zou komen, moesten er in enkele dagen tijd hele toneelstukken worden geschreven, stellages gebouwd en decorstukken ontworpen. Bovendien moest alles nog worden ingestudeerd en gerepeteerd. Het gebeurde allemaal in een stemming waarbij kosten noch moeite gespaard werden.

 

Een taalgebied in tweeën

 

In 1585 gaf Brussel zich over aan de Spanjaarden, gevolgd door Antwerpen. Marnix was op dat ogenblik burgemeester van Antwerpen. Oranje had Marnix ooit belast met de verdediging van de havenstad en Marnix moest nu met de Spanjaarden onderhandelen over de voorwaarden voor overgave. Hij sleepte er een heel milde regeling uit en had daarbij onder druk gestaan van met name de Antwerpse kooplieden, die zo snel mogelijk vrede wilden om de handel te kunnen hervatten. Toen de overgave eenmaal een feit was en de Spanjaarden de stad innamen, was Marnix de bonte hond. Hij was dat vooral voor de calvinisten, die het gerucht verspreidden dat Marnix zich had laten inpalmen en in een onderonsje de stad had verraden.

 

Toen het gerucht over het ‘verraad’ van Marnix zich door de Nederlanden verspreidde, was met name in Zeeland en Holland de verontwaardiging groot. Marnix verliet ondertussen Antwerpen en vertrok naar zijn kasteel West-Souburg bij Middelburg. Meteen bij aankomst kreeg hij daar voor onbepaalde tijd huisarrest opgelegd. Zijn rol in de politiek was voorlopig uitgespeeld. In 1590 werd hij door Maurits weer enigszins gerehabiliteerd: zijn hulp werd ingeroepen bij het ontcijferen van onderschepte Spaanse brieven in geheimschrift, een karwei waar hij zeer bedreven in was.

 

De inname van Antwerpen werd al snel gevolgd door een blokkade van de Schelde door de geuzen. Deze blokkade, die decennialang zou aanhouden, was een zware slag voor Antwerpen, dat kort daarvoor nog de rijkste handelsstad ter wereld was. Duizenden kooplieden kozen voor emigratie naar gebieden waar ze hun handel weer konden voortzetten. En met hen vluchtten ook talloze calvinisten, wederdopers en andere potentieel vervolgden uit Antwerpen. De gevolgen van deze vlucht waren immens. Antwerpen raakte meer dan de helft van zijn bevolking kwijt. De leegloop van Antwerpen was in de steden in de Noordelijke Nederlanden, en dan vooral in Amsterdam, goed merkbaar: hier zochten veel rijke, cultureel onderlegde, dan wel streng gelovige Antwerpenaren een goed heenkomen.

 

Met de val van Antwerpen voltrok zich een scheiding tussen noord en zuid, die nooit meer echt opgeheven zou worden. Van oudsher waren de grote rivieren een natuurlijke barrière geweest. Deze oude natuurlijke barrière werd nu versterkt door de ideologische barrière van de strijd tussen het katholieke zuiden en het protestantse noorden. Bovendien zouden beide gebieden economisch sterk uit elkaar groeien. Het van oudsher rijke zuiden verarmde, terwijl het noorden een periode van ongekende bloei tegemoet ging. Dat gold niet alleen voor de handel, maar ook voor de cultuur.

 

Het Nederlands in de steigers

 

De krachtige herwaardering van de landstaal was een typisch renaissanceverschijnsel, dat eerder in Italië en Frankrijk tot een sterke opleving van de literatuur had geleid. Vanaf 1550 verschenen allerlei grammatica’s, spellinggidsen en woordenboeken, die alle tot doel hadden de spreek- en schrijftaal aan algemene, bovengewestelijke normen te binden, en daarnaast te zuiveren van Franse bastaardwoorden. Bovendien was het de ambitie van velen om het Nederlands een taal van de wetenschappelijke en bestuurlijke elite te laten worden, die zich tot dan in het Latijn respectievelijk het Frans uitdrukte.

 

Het getrouw vertalen van klassieke werken werd gezien als een probate methode om de mogelijkheden van de taal naar een hoger niveau te tillen. Tegelijkertijd experimenteerden dichters met klassieke en moderne versritmen en met technisch veeleisende genres als het sonnet en de ode. Daardoor deed de behoefte aan een soepele, pregnante (beknopte) schrijftaal zich eens te meer voelen.

 

Inmiddels werd er ook getheoretiseerd over de kwaliteit van het Nederlands. Het leidde tot de bekende, veelbesproken en ook veelbespotte overtuiging van Becanus dat het Nederlands (en meer in het bijzonder het Antwerps) de oudste taal ter wereld was. Becanus publiceerde zijn bevindingen in Origines Antwerpianae (1569), in het Latijn, nog steeds de taal die hoorde bij gedegen wetenschap. Becanus’ visie zou de jaren daarop telkens weer opduiken en aanhangers vinden.

 

Ook hier vond een verschuiving plaats van zuid naar noord. Vanaf het begin van de jaren tachtig namen Leidenaren en Amsterdammers het initiatief over in de strijd voor het Nederlands. Hier stond de herwaardering van de volkstaal al niet meer voorop, maar eerder het verlangen om de Nederlandse literatuur ingrijpend te hervormen. Het mikpunt weden de traditionele rederijkers, die scheutig woorden, en dan vooral rijmwoorden, aan het Frans ontleenden.

 

In de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier werd de hervorming van de volkstaal energiek en succesvol ter hand genomen door enkele anonieme lieden, waaronder de koopman Hendrik Laurensz Spiegel. In 1584 verscheen de Twe-spraeck. Taalzuiverheid stond voorop. De auteurs spiegelden het Nederlands vergaand aan het Latijn.

 

Het Nederlands won aan prestige. Toch was een verzoek dat de Amsterdamse kamer in 1585 richtte aan de Leidse universiteit om daar het Nederlands als voertaal te gebruiken, bij voorbaat kansloos. Dit humanistische bolwerk had een grote internationale kring van docenten en studenten. Een belangrijk voorstander van het gebruik van het Nederlands in de wetenschap was de wiskundige en uitvinder Simon Stevin. In zijn boeken ontwikkelde hij een geheel nieuw Nederlands jargon voor wiskundige begrippen.

 

Een nieuwe, bijzondere generatie

 

Tussen 1600 en 1610 diende zich een aantal jonge auteurs aan die het aanzien van de literatuur ingrijpend zouden veranderen: Pieter Cornelisz Hooft, Gerbrandt Adriaensz Bredero, Samuel Coster, Daniel Heinsius, Petrus Scriverius, Hugo de Groot en Joost van den Vondel.

 

Sommige dichters (Hooft, Bredero, Coster, Vondel) waren aanvankelijk nog lid van een rederijkerskamer, maar ze gedroegen zich niet langer als traditionele rederijkers. Rederijkers waren van oudsher gewend in de beslotenheid van de rederijkerskamer te opereren en zelden vertrouwden ze hun werk toe aan de drukpers en dat gebeurde dan vaak ook nog anoniem. Maar hier stonden representanten van het moderne persoonlijke dichterschap, die ook veel moeite deden een individuele signatuur in hun werk aan te brengen. Opvallend aan de decennia na 1600 is dan ook de pluriformiteit, niet alleen in genres en dichterlijke technieken maar ook in (geloofs)overtuigingen en politieke opvattingen.

 

De Republiek steeg snel in internationaal aanzien. Tegen de verdrukking in was er een kleine machtige natie ontstaan die in staat was overeind te blijven in het geweld van diverse grootmachten zoals Spanje. De Republiek veroverde de hegemonie op de wereldzeeën, waar ondernemingen als de VOC en de WIC de belangrijkste handelsstromen beheersten.

 

Een jonge natie schept zich een verleden

 

Nu de Republiek in korte tijd zo’n groot succes was geworden, ontstond er behoefte aan verhalen, gedichten, geschiedwerken, beelden en theorieën, die deze jonge, machtige natie van een passend historisch fundament voorzagen. Of misschien moet je ook wel zeggen: van het nodige zelfrespect. Er werd in de bijbel, in de mythologie en in het recente verleden gespeurd naar parallellen met personen dan wel volkeren die in verzet waren gekomen tegen onrecht en tirannie. Het leidde tot vergelijkingen van Willem van Oranje met Mozes, Judas Macchabeus, koning David en Perseus. Soortgelijke metaforen werden toegepast op vele anderen die in de loop van de zeventiende eeuw op het strijdtoneel een aureool van onverzettelijkheid, doortastendheid en vaderlandsliefde wisten te verwerven. Deze vergelijkingen doken op in publieke vertoningen, toneelstukken, gedichten, en in allerlei gelegenheidswerk dat in deze jaren bij overwinningen en herdenkingen werd geproduceerd.

 

De metaforen waren niet voldoende om de Opstand te rechtvaardigen. Er werd daartoe gegraven in de eigen geschiedenis om aan te tonen dat de Nederlandse soevereiniteit al vele eeuwen geleden was erkend. Het leidde tot wat veel later de ‘Batavenmythe’ zou gaan heten. Men schermde graag met vermeende illustere voorouders, de Bataven, een volk in het stroomgebied van Maas, Waal en Rijn, dat in de eerste eeuw na Christus, onder aanvoering van Claudius Civilis, met succes in opstand was gekomen tegen de Romeinse overheersers. De Nederlanders en meer in het bijzonder de Hollanders waren de opvolgers in rechte lijn van deze dappere en onafhankelijke bewoners van de door de grote mogendheden immer felbegeerde vruchtbare rivierdelta. De schaarse gegevens die over dit volk bij Romeinse geschiedschrijvers als Julius Caesar en Tacitus te vinden waren, rechtvaardigen deze ferme conclusies echter niet. De Bataven verschaften wortels tot diep in de Oudheid, en dat wilden met name de humanisten graag geloven. Pas in de negentiende eeuw rijpte het inzicht dat de legende meer op fantasie dan op waarheid berustte.

 

Aan het einde van de zestiende eeuw werd álles aangegrepen om het bestaansrecht van de jonge Republiek te bewijzen. Zelfs in de Middeleeuwen, door humanisten algemeen beschouwd als een duister en barbaars tijdperk, werd de rechtvaardiging van de eigen autonomie gezocht. De kleine middeleeuwenrevival leidde onder andere tot toneelstukken als P.C. Hoofts Geeraerdt van Velsen (1613), waarin de toedracht van de moord op graaf Floris V in 1296 werd behandeld en Vondels Gysbreght van Aemstel (1637), waarin oude getrouwen van Floris V wraak nemen op de aan deze moord medeplichtige Gysbreght.

 

Men ging er steeds meer de noodzaak van inzien dat gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk voor het nageslacht opgetekend werden. Er verschenen allerlei boeken over de geschiedenis van Nederland en in het bijzonder de geschiedenis van de Opstand. Door de diversiteit aan historische uitgaven werd een breed publiek voorzien van het verhaal over de Opstand. Alleen de literair gevoelige lezer kwam lange tijd niet aan zijn trekken. Uiteindelijk zou P.C. Hooft, nadat hij zich in het vak bekwaamd had door de Annales van Tacitus te vertalen, zich opwerpen als de grote chroniqueur van de Nederlandse vrijheidsoorlog. Hij begon in 1628 aan zijn project. In 1642 verscheen de eerste aflevering van De Nederlandsche historien. Bij zijn overlijden in 1647 was hij gevorderd tot het jaar 1587.

 

Historie op het toneel

 

Grote gebeurtenissen waren aantrekkelijk als vaderlandse grondstof voor tragedies die naar het klassieke model werden geschreven. Angst, verlangen, bedrog, listigheid, hoogmoed, lotswisselingen, beoordelingsfouten – alle min of meer vaste bestanddelen van de antieke tragedie – waren in de recente geschiedenis nu eenmaal volop voorhanden.

 

Noord en zuid

 

De literatuur maakte in het zuiden moeilijke tijden door. Dat kwam zeker ook doordat de katholieke Kerk het literaire leven aan strakke normen bond. Het kwam ongetwijfeld ook door de massale vlucht van cultureel onderlegde Vlamingen en Brabanders naar het veilige en vrije Holland. In verschillende Hollandse steden richtten ze rond 1585 eigen rederijkerskamers op. Zo werd Vondel rond 1606 lid van de ‘Brabantse’ kamer ’t Wit Lavendel.

 

Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) konden Spanje en de Republiek nieuwe reserves opbouwen voor de geldverslindende oorlog.

 

In de Republiek was ondertussen een felle discussie gaande tussen voor- en tegenstanders van het Bestand. Tegenstanders wilden de oorlog voortzetten met als uiteindelijke doel het bevrijden én onder calvinistisch gezag brengen van het zuiden. Voorstanders gingen ervan uit dat een verdrag met de Spanjaarden in ieder geval goed voor de handel zou zijn en dus welvaart zou brengen.

 

In de ‘bestandstwisten’ gingen politiek en religie op een goed ogenblik geheel in elkaar op. Het begon met iets wat aanvankelijk niet meer dan een academisch binnenbrandje was: twee Leidse theologen raakten met elkaar in de clinch over het calvinistische leerstuk van de predestinatie. Aanhangers van Franciscus Gomarus meenden dat de lotsbestemming van de mens geheel in Gods hand lag, de tot zonde geneigde mens kon daar niets ten goede of ten kwade aan veranderen. Zijn eventuele uitverkiezing tot een eeuwig heil lag al voor zijn geboorte vast. Deze leer werd bestreden door Jacobus Arminius, die vasthield aan de meer traditioneel-christelijke idee dat de mens door goede werken zijn eigen heil kon bewerkstelligen. Al snel verviel de discussie in oeverloosheid. Maar deze strijd werd in de sfeer van de politiek getrokken toen de aanhangers van de inmiddels overleden Arminius in 1610 bij de Staten van Holland een verzoekschrift, oftewel ‘remonstrantie’, indienden waarin ze erkenning vroegen van het recht om over de predestinatie afwijkende ideeën erop na te houden, en daarbij rekenden op bescherming van de wereldlijke overheid. De aanhangers van Gomarus formuleerden hierop een ‘contraremonstrantie’, waarin ze, met het leergezag van Calvijn aan hun zijde, onvoorwaardelijk in het gelijk gesteld wilden worden.

 

De gevolgen van een en ander waren verschrikkelijk. De twee succesvolle aanvoerders van de Republiek, stadhouder Maurits en landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, werden partij in het conflict. Van Oldenbarnevelt beleed min of meer openlijk zijn sympathie voor de arminianen. Maurits schonk aan het theologische debat liefst helemaal geen aandacht. Maar hij was wel met de landsadvocaat in een competentiestrijd verzeild geraakt over een voortzetting van de oorlog tegen de Spanjaarden. Dit conflict ging nog enige tijd schuil achter de pamflettenstrijd tussen de arminianen en de gomaristen. Tot Maurits besloot gebruik te maken van het numerieke overwicht van de gomaristen. Tegen de wil van Van Oldenbarnevelt in liet hij een Nationale Gereformeerde Synode uitschrijven waar het slepende conflict moest worden beslecht. Deze ‘Dordtse’ synode (1618-1619) kreeg dan ook de voorspelbare afloop: een scherpe veroordeling van de remonstranten. Maar al in de zomer van 1618 had Maurits met een snelle actie in diverse steden de arminianen uit het bestuur gezet en Van Oldenbarnevelt laten arresteren. Het was het klassieke patroon van een staatsgreep.

 

De staatsgreep was waarschijnlijk onvermijdelijk geweest omdat het tweehoofdig bewind, ondanks alle successen, langzaamaan uit elkaar gegroeid was. De militair Maurits dacht territoriaal en wilde, nu de Spanjaarden bijna op de knieën waren, het zuiden bij de Republiek voegen. De bestuurder Johan van Oldenbarnevelt had lieven een zieltogend Spanje als zuiderbuur dan het altijd moeilijk te bestrijden Frankrijk, en opteerde voor een sterk gewest Holland dat door een verdrag met Spanje zijn economische potenties nog beter kon uitbuiten.

 

Met van Oldenbarnevelt waren ook zijn geestverwanten, Rombout Hogerbeets, Gilles van Ledenberg en Hugo de Groot, gearresteerd. Van Ledenberg pleegde kort na zijn arrestatie zelfmoord. Hogerbeets en De Groot werden gevangengezet op slot Loevestein. Van Oldenbarnevelt kreeg de doodstraf.

 

In zijn kamer op Loevestein bracht De Groot zijn tijd o.a. door met het maken van gedichten, voor het eerst ook Nederlandse. Hij besteedde ook veel tijd aan studie, een bezigheid die de sleutel werd tot zijn legendarische ontsnapping. In 1621 werd Hugo de Groot in een boekenkist Loevestein uit gedragen. Via Gorcum en Antwerpen begaf De Groot zich naar Parijs. Maurits stierf in 1625, maar ondanks het feit dat zijn halfbroer en opvolger Frederik Hendrik De Groot gunstig gezind was, gaf hij hem geen toestemming naar de Republiek terug te keren.

 

Vondels Palamedes

 

Voor Vondel was de staatsgreep van 1618 een schokkende gebeurtenis, maar de eerste jaren schreef hij er nauwelijks over. Tot een Amsterdamse regent hem een idee aan de hand deed: hij moest zijn verontwaardiging over de val van Johan van Oldenbarnevelt omzetten in een toneelstuk. Zo’n onderneming was niet zonder gevaar, zolang de contraremonstranten de lakens uitdeelden en de hoofdrolspelers nog aan de macht waren. Vondel vond het hier de tijd dus nog niet voor. Hij kreeg toen het advies om het onder een andere naam te doen. Vondel ging inderdaad enige tijd later aan het werk. Zijn oog viel op de rechtschapen en bedachtzame Griekse held Palamedes, die tijdens het beleg van Troje door de jaloerse Ulysses met een listige opzet van verraad werd beschuldigd en ten val kwam. Vondel werkte behoedzaam aan een ingenieuze constructie waarin een Grieks verhaal een verhulde maar ook onthullende blik geeft op de tragedie rond Van Oldenbarnevelt en Maurits.

 

In 1625 verscheen Palamedes, of Vermoorde onnooselheit. Zoals te verwachten viel, verwekte het stuk meteen groot schandaal. Vondel moest onderduiken. Hij kwam pas weer tevoorschijn toen hij zeker wist dat de Amsterdamse magistraat hem niet zou uitleveren aan de Staten van Holland. Als dat wel gebeurde dan zou hij het waarschijnlijk met zijn leven moeten bekopen. Nu kreeg hij slechts een boete van driehonderd gulden opgelegd.

 

Het duurde nog tot 1663 voor het spel op de planken gebracht kon worden. Maar op dat moment was het al door duizenden gelezen en bewonderd. Want ondanks het feit dat de verkoop al na enkele dagen verboden was, beloofde het toneelstuk herdruk op herdruk.

 

Een nieuwe pamflettenoorlog

 

Uit de contraremonstrantse hoek kwam een stortvloed aan pamfletten. Remonstranten werden erin zwartgemaakt als verkapte katholieken en vrienden van Spanje.

 

De kiem van de bestandstwisten is misschien wel gelegd door de moeizame verdeel-en-heerspolitiek van Willem van Oranje. Staatszaken en zaken van geloof werden door hem nooit rigoureus gescheiden. Zolang er gevochten werd, was er die heel duidelijke tegenstelling tussen de katholieke Spanjaarden en protestantse vrijheidsstrijders. Zodra deze strijd luwde, bleek het protestantse kamp uiteen te vallen in facties, waarvan de orthodox-calvinistische het best georganiseerd was, met name onder het gewone volk. Daartegenover onderhield de factie der verdraagzamen nauwe banden met de politieke elite.

 

In de kringen van de verdraagzamen circuleerden ook veel dichters. Een verzamelplaats voor remonstranten (of ‘rekkelijken’) onder de dichters was de in 1617 opgerichte Nederduytsche Academie aan de Keizersgracht in Amsterdam. Het was een instelling waar literatuur en wetenschap samenkwamen. Oprichter Samuel Coster hoopte zo de ouderwetse rederijkerij definitief vaarwel te kunnen zeggen. Humanisme, volkstalige literatuur en een professioneel toneelbedrijf werden in één gebouw bij elkaar gebracht. Het waren alledrie op zichzelf al activiteiten die predikanten als bedreigend voor de orthodoxie zagen. En dus ontstonden er al snel na de opening van de Academie problemen, en deze problemen zouden gedurende de twintig jaar dat de Academie heeft bestaan telkens weer de kop opsteken.

 

Sommigen hielden zich bij alle rumoer nogal op de vlakte, zoals P.C. Hooft. Bij Vondel gebeurde het omgekeerde. Hij was na de affaire rond Palamedes definitief in het politieke vaarwater terecht gekomen en ontwikkelde zich tot een gevreesd en hartgrondig gehaat hekeldichter. Het leidde tot felle en vaak ook geestige gedichten als Rommelpot (1627), Roskam (1630), Harpoen (1630) en Een otter in het bolwerk (1630).

 

Dichters als dienaren van de Republiek

 

Vondel had zich in korte tijd ontwikkeld tot de luis in de pels van de Republiek. Hij kreeg daarmee ook iets van een buitenstaander, iemand die door de hoogste kringen wel belangstellend gevolgd maar nooit helemaal geaccepteerd zou worden. Hoe driftig Vondel in deze jaren de succesvolle en verdraagzame Frederik Hendrik ook overlaadde met dichterlijke huldeblijken, de stadhouder keek wel uit dat hij Vondel ervoor zou belonen. Vondels verstandhouding met de elite zou altijd moeilijk blijven, ondanks het feit dat hij in Amsterdamse regentenfamilies beschermers en ook weldoeners had.

 

Het is kenmerkend voor een aantal grote zeventiende-eeuwse dichters dat ze vroeg of laat in de politiek of diplomatie gingen of een overheidsbetrekking kregen aangeboden. In de zeventiende eeuw trokken het staatsbedrijf en het dichterschap elkaar aan. De landelijke en lokale overheden hadden behoefte aan de geletterden, die de publieke zaak overtuigend en welsprekend konden uitdragen. Terwijl voor veel dichters de vaak niet erg veeleisende overheidsfuncties aantrekkelijk waren omdat ze zo tijd overhielden om zich aan de studie en de schrijverij te wijden. Maar er is nog iets wat hierin meespeelde, en dat was de prominente positie die de literatuur innam in de opvoeding van de elite. Het bestuderen en reciteren van klassieke literatuur, het spelen van toneel en het zelf schrijven van gedichten waren vaste onderdelen in het schoolcurriculum van jongens uit de hogere burgerij.

 

De gloed van een gouden eeuw

 

De onderhandelingen met de Spanjaarden leidden uiteindelijk in 1648 tot de sluiting van de Vrede van Munster. Dichters zoals Vondel bezongen de vrede uitvoerig.

 

Hoe wankel en verontrustend de militaire en economische suprematie van de Republiek ook mocht zijn, de cultuur maakte rond de zeventiende eeuw niet alleen kwalitatief maar ook kwantitatief een enorme bloei door. Terwijl veel grote dichters die aan het begin van de eeuw hun debuut hadden gemaakt nog steeds werk publiceerden, zoals Huygens, Cats en Vondel, waren er talloze jonge dichters actief, met uiteenlopende kwaliteiten en specialismen. In diverse steden was een professioneel theaterleven ontstaan, waardoor de toneelschrijverij een grote vlucht kon nemen. Het boekwezen was al sinds het begin van de zestiende eeuw een krachtige bedrijfstak, maar in de zeventiende eeuw werd de Republiek in Europa dominant.

 

De wetenschap floreerde ook, aan diverse nieuwe universiteiten (na Leiden volgden Franeker, Groningen, Harderwijk en Utrecht) en aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. De toenemende welvaart bood bovendien experimenteerruimte aan uitvinders, avonturiers en autodidacten, als Cornelis Drebbel, Jan Adriaensz Leeghwater en Antonie van Leeuwenhoek.

 

Maar het meest in het oog liep de bloei van de schilderkunst. Schilders als Brueghel, Rubens, Rembrandt en Van Mieris groeiden uit tot veelgevraagde en goedbetaalde beroemdheden.

 

Over een grotere periode genomen was de toename van de welvaart ongekend. Maar het verloop van de Gouden Eeuw was grillig en voor alle geledingen van de bevolking erg onrustig. Er werden, ook na de Vrede van Munster, voortdurend oorlogen gevoerd en er ontstonden telkens weer nieuwe conflicten over geloofskwesties en staatszaken. Er waren ook regelmatig economische crises, pestepidemieën, scheepsrampen, misoogsten en watersnoden. Bovendien was de rijkdom erg ongelijk verdeeld. In sommige regio’s heersten nog middeleeuwse toestanden en veel steden hadden regelmatig te maken met sociale onrust, al moet de Republiek daarin gunstig hebben afgestoken bij de rest van Europa. En dan waren er nog de vele persoonlijke tragedies: fortuin en faillissement lagen in het harde kapitalisme van de Republiek dicht bij elkaar. Niet zelden eindigden ooit welvarende en vooraanstaande burgers op buitenposten in de tropen als dienaar van de VOC of de WIC.

 

Herfsttij van de Gouden Eeuw

 

In de tweede helft van de zeventiende eeuw moest de Republiek langzaam maar zeker terrein prijsgeven aan met name Engeland en Frankrijk. Engeland werd met moeite nog op afstand gehouden in een tweetal zeeoorlogen (1652-1654, 1665-1667). In 1672 kwamen alle smeulende conflicten in één keer tot uitbarsting. Het werd een rampjaar: Engeland, Frankrijk en de kleine oostelijke buurstaatjes Munster en Keulen verklaarden de Republiek de oorlog. De slagkracht van de landtroepen bleek door jarenlange bezuinigingen sterk te zijn teruggelopen. In 1674 wist Prins Willem de Republiek te bevrijden van de vreemde troepen.

 

Hoofdstuk 2 Schrijvers en drukkers

 

Een poëziefestival: het Antwerpse landjuweel

 

De rederijkerij had met het Antwerpse landjuweel van 1561 haar absolute hoogtepunt bereikt, nadat ze in de eerste helft van de zestiende eeuw het literaire leven volkomen had gedomineerd.

 

De collectieve beoefening van de edele kunst van de retorica was rond 1400 vanuit Noord-Frankrijk overgewaaid naar Brabant en Vlaanderen, en enige decennia later werden ook Zeeland en Holland erdoor aangestoken. In veel steden en zelfs in dorpen werden één of meer ‘kamers van rhetorike’ opgericht. Alle kamers paarden culturele ambities aan burgerzin. De rederijkerij bood de jonge nog zoekende burgerij een culturele uitingsvorm, waarin onderlinge solidariteit en strak gereglementeerde dichtkunst centraal stonden. Dit laatste was de kracht van de rederijkerij, al werd het uiteindelijk ook haar ondergang. Aan het einde van de zestiende eeuw kreeg de rederijkerij het odium van slaafse en ongeïnspireerde sjabloonkunst.

 

Typische rederijkersgenres als het rondeel, het refrein, de retrograde, en de ballade droegen uiterlijke kenmerken die voor iedereen waarneembaar waren. Het maken van gedichten had daarmee een ambachtelijke kant, waardoor ook middelmatige talenten met geduldig oefenen heel aanvaardbare resultaten konden bereiken. Voor de echte dichterlijke talenten werkten de vormelijke beperkingen ondertussen als aansporing om te excelleren met virtuoze gedichten, die liefst op een verrassende manier aan alle vereisten van het genre voldeden.

 

Rederijkerskamers waren ongeveer georganiseerd als een gilde: bestuursfuncties en uitvoerende taken werden onderling uitgewisseld, en de reglementen en werkafspraken waren heilig. In rederijkerskamers werd aan literatuur gedaan, maar ze waren tegelijkertijd ontmoetingsplaatsen. De bijnaam ‘rederijkers, kannenkijkers’, die in de zeventiende eeuw de ronde ging doen, was niet helemaal terecht. De rederijkerskamers waar alleen maar gedronken en gelald werd, waren een zeldzaamheid. De reglementen schreven meestal voor dat elk lid op gezette tijden een proeve van retorische dan wel dichterlijke bekwaamheid aflegde. Op bijeenkomsten werden de teksten voorgelezen en uitgebreid bediscussieerd en er werd veel toneelgespeeld.

 

Opperlands

 

Opperlands is de naam voor de taalvirtuositeit van de rederijkers. Battus (pseudoniem van Hugo Brandt Costius) heeft deze naam geïntroduceerd. Bekend rederijks Opperlands zijn de acrostichons, chronogrammen en retrogaden. De uitdaging lag vooral in het overwinnen van beperkingen.

 

Ware dichters

 

Zodra een rederijkerskamer zich in het openbaar manifesteerde, werd het vervaardigen van een toepasselijk werk overgelaten aan haar voornaamste dichter: de factor. De factor bekleedde een bijzondere positie: hij was zeker niet de baas binnen de kamer, maar door zijn bewezen dichterlijke gaven, mocht hij meestal wel zitting nemen in het bestuur. Hij had de eindverantwoordelijkheid voor alle dichterlijke activiteiten. Het rederijkerswerk dat ons is overgeleverd is bijna allemaal het werk van factors. De bijzondere positie van de factor binnen een kamer was maar zelden de opstap naar grote persoonlijke roem. Rederijkers opereerden sporadisch onder eigen naam en lieten alleen in gelegenheidsuitgaafjes werk drukken. Dit werk werd dan ondertekend met een zinspreuk die alleen voor insiders te doorgronden was.

 

Dichten had alle trekken van een erezaak. Papgilden waren niet-erkende rederijkerskamers. Straatdichters waren venters die op straat gedichten en liedjes op losse vellen verkochten. Papgilden en straatdichters een bedreiging voor de faam van vakmanschap die de rederijkers voor zichzelf opeisten. De echte bedreiging kwam echter van een andere kant. Veel zonen uit de snel rijker wordende Nederlandse regenten- en koopmansklasse waren in de zestiende eeuw uitgewaaierd over de verschillende Europese universiteiten en brachten bij terugkeer nieuwe ideeën en idealen mee. Ze waren doordrongen van het humanisme en hadden in Italië intensief kennis gemaakt met de renaissancekunst. Lange tijd leek deze ontwikkeling de rederijkers nauwelijks te bedreigen. De nieuwe culturele elite bediende zich van het Latijn en liet de literatuur in de volkstaal geheel aan de rederijkers over. Rond het midden van de zestiende eeuw gingen echter humanistisch geschoolden zich met de volkstalige literatuur bemoeien. Het humanistische ideeëngoed raakte via vertalingen en populariserende werkjes in bredere kring bekend. In de laatste decennia voltrok zich een liberalisering van de literatuur en dat betekende tegelijkertijd ook individualisering. Na de gemeenschapskunst van de rederijkers kwam er ruimte voor het persoonlijke dichterschap.

 

Zelf schrijver worden

 

Rederijkerskamers hadden decennialang een onaantastbare positie als opleidingsinstituten voor iedereen met aandrang om te dichten. Het idee dat een auteur ook op eigen kompas zou kunnen varen, won rond 1600 maar heel langzaam veld. P.C. Hooft heeft ongeveer 15 jaar geprobeerd om de Amsterdamse rederijkerskamer tot een modern instituut om te vormen. En toen dat niet lukte, ging hij er met een aantal gelijkgestemden toe over om een nieuwe organisatie in het leven te roepen die moest gaan waken over de kwaliteit van de lokale dichtkunst: de Nederduytsche Academie.

 

Literatuur hing nauw samen met normbesef. Dat was voor de rederijkers zo, maar dat gold ook voor de vernieuwers. De rederijkers excelleerden graag in exuberante vormen. De vernieuwers toonden graag hun belezenheid met verwijzingen voor goede verstaanders.

 

Het hoge niveau van het literaire spel bij rederijkers en vernieuwers kon alleen maar bereikt worden doordat de kennis van de literaire conventies wijdverbreid was. Dit kwam voor een belangrijk deel door het onderwijs, dat een sterk literaire inslag had. Al sinds de late Middeleeuwen was het onderwijs op de Latijnse scholen gebouwd rond het zogeheten trivium: het klassieke drietal grammatica, dialectica en retorica. Iedereen die de Latijnse school had doorlopen, was gedrild in het normatief en analytisch hanteren van het retorisch-literaire systeem.

 

Een van de meest bedreven retorische dichters uit de zeventiende eeuw is Joost van den Vondel. Hij bezocht nooit de Latijnse school of de universiteit, maar kreeg de basale schoolopleiding die normaal was voor een kind uit de lagere burgerij. Waarschijnlijk heeft hij via zelfstudie uitgebreid studie gemaakt van het trivium van de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier.

 

Zonen van gezeten burgers als Hooft, De Groot en Cats doorliepen de Latijnse school en gingen vervolgens enige tijd aan een universiteit studeren.

 

Persoonlijk dichterschap

 

De eerste Nederlandse dichter die voor zichzelf nadrukkelijk erkenning opeiste als een door goddelijke krachten geïnspireerde ziener, was de Antwerpse jonker Jan van der Noot. Van der Noot keek over de grens, naar de grootheid van de exclusieve Franse dichtersgroep La Pléiade, die op haar beurt weer de Italiaanse renaissancedichters navolgde. Hij was de eerste Nederlandse dichter die de typische renaissancegenres als het sonnet en de ode (lofzang) wist te hanteren. Hij maakte bewerkingen van sonnetten van Franse petrarkisten en stuurde ze als zijn eigen werk de wereld in. Hij was een van de eersten die vol overtuiging brak met de conventies van de rederijkerij. En hij liet zien dat een modern dichter zich kon onderscheiden door weloverwogen zijn voorbeelden te kiezen in de nieuwe Italiaanse en Franse poëzie.

 

Printing on demand

 

Vanaf 1580 begon Jan van der Noot aan de uitgave van zijn Poetische werken. Afleveringen waren alleen bij de dichter verkrijgbaar, die op verzoek van de klant bereid was de inhoud aan te passen.

 

Handleidingen voor dichters

 

In de Renaissance stond voorop dat het ware dichterschap alleen maar kon worden bereikt door vol overgave bewonderde voorgangers of tijdgenoten te imiteren. Een klassieke autoriteit als Horatius drukte in zijn Ars poetica de beginnende literator op het hart dat hij slechts technisch vakmanschap kon verwerven door zich te spiegelen aan de oplossingen van grote dichters. Het ideeëngoed van Horatius drong rond 1600 van diverse kanten de Nederlandse literatuur binnen. Vernieuwingsgezinde dichters als Coster, Hooft en Bredero verwerkten regelmatig de aanwijzingen van Horatius in programmatische teksten.

 

Sinds omstreeks 1620 nam Vondel Latijnse les en probeerde hij zich met grote volharding in te werken in de geheimen van de klassieke letteren. Toch duurde het tot 1650 voor hij eindelijk met zijn Aenleidinghe ter Nederduitsche dichtkunste kwam. Net als Horatius geeft Vondel geen theorie, maar praktische richtlijnen. De voornaamste raad voor de dichter was: veel oefenen en daarbij de juiste voorbeelden kiezen. Een dichter moest een goed oog krijgen voor proporties en gepastheid, en het ware dichterschap kon alleen maar bereikt worden door een flinke dosis zelfkritiek te ontwikkelen. Technische vaardigheden mogen niet uitlopen op krampachtig vertoon: natuurlijkheid en effectiviteit zijn belangrijker dan vormvirtuositeit.

 

Leidse kringen

 

In de eerste helft van de zeventiende eeuw ontplooide de universiteit van Leiden zich tot een belangrijk centrum van klassieke filologie, waar theorievorming over literaire genres en de studie van klassieke en moderne poëtische geschriften een prominente plaats innam. De sfeer binnen de Leidse universiteit was uitgesproken humanistisch.

 

In 1593 arriveerde in Leiden de Frans-Italiaanse geleerde Joseph Justus Scaliger. Hij was de zoon van Julius Caesar Scaliger, die in 1561 Poetices libri septem had uitgegeven, een op Aristoteles geïnspireerde poëtica. Joseph Justus was opgeleid door zijn vader en genoot bij zijn aankomst in Leiden al grote roem als degene die de verschillende historische tijdrekeningen had weten te vertalen naar een eenduidige christelijke chronologie. Hij gaf nooit openbare colleges, maar hij ontving regelmatig een selecte groep studenten voor het geven van privatissima. Hugo de Groot en Daniël Heinsius behoorden tot deze uitverkorenen. Zij werden door Scaliger intensief ingewijd in de studie van de klassieken, dat niet alleen bestond uit het analyseren en verklaren van antieke teksten, maar ook uit het opsporen en verbeteren (emenderen) van de eventuele onbetrouwbare passages daarin.

 

De Groot richtte zich in eerste instantie op de geschiedenis en de rechtswetenschap. Als rechtswetenschapper zou hij ook wereldberoemd en zeer invloedrijk worden. Maar de lessen van Scaliger hadden van hem ook een letterkundige gemaakt.

 

Heinsius koos wel voor een loopbaan in de letteren en nam na zijn dood het onderwijs in de filologie van Scaliger over.

 

De universiteit van Leiden had een juridische, medische en theologische faculteit. Aan het ontwikkelen van filologische vaardigheden werd in bijna alle opleidingen veel aandacht besteed en dat verklaart ook de prominente positie van een pure tekstwetenschapper als Scaliger in het Leidse milieu.

 

De filologie in haar zenit

 

Daniël Heinsius en niet Hugo de Groot ontwikkelde zich tot het literaire middelpunt van Leiden. Hij was zeer productief en invloedrijk. Hij verdiepte zich als een van de eerste Nederlanders in de poëticale geschriften van Aristoteles en Horatius, en schreef daar internationaal gezaghebbende studies over. In 1616 verscheen zijn Nederlandstalige gedichten in zijn Nederduytsche poemata. Dit was een stimulans voor de jonge Nederlandse dichters (Hooft, Coster, Bredero, Huygens, Cats) om ook hun werk te laten drukken. Zo bezien heeft de Leidse universiteit een beslissende impuls gegeven tot de modernisering van de Nederlandse literatuur aan het begin van de zeventiende eeuw. Al was het alleen maar doordat daar het zelfvertrouwen ontstond dat nodig was om literatuur van internationale allure voort te brengen.

 

Sinds het einde van de zestiende eeuw groeide de Leidse universiteit onstuimig. De humanistisch faam leidde tot een toestroom van niet-Nederlandse studenten.

 

Gerard Vossius was ooit als beursstudent toegelaten tot de Leidse universiteit. Inmiddels was hij een internationaal gewaardeerd theoloog. Hij was de auteur van een handboek voor de welsprekendheid: Lessen in de welsprekendheid (1606). Lange tijd stond hij aan het hoofd van het Statencollege, de instelling waar studenten van onbemiddelde afkomst de kans kregen met een beurs theologie te studeren. Hij werd als sympathisant van de remonstranten uit zijn ambt ontheven. In 1632 ging hij in Amsterdam het nieuw opgerichte Athenaeum Illustre leiden. Vossius was geen dichter, maar als geen ander was hij op de hoogte van de regels van de kunst. Aan het einde van zijn leven schreef hij daar nog een imposante samenvattende studie over: De drie boeken over dichtkunst (1647). Dit was een werk dat op zijn directe omgeving, en dan met name Vondel, een grote invloed zou uitoefenen.

 

Het Athenaeum Illustre was geen echte universiteit, want het was niet mogelijk er te promoveren of een wetenschappelijke titel te halen. Het Athenaeum was onder andere bedoeld om Amsterdamse jongens zo lang mogelijk weg te houden uit het als verdorven bekend staande Leiden. Er kon aan het Athenaeum filosofie, geschiedenis en al spoedig ook wiskunde, rechten, botanie en Oosterse talen worden gestudeerd. Het bijzondere was dat veel colleges niet alleen voor ingeschreven studenten maar ook voor elke belangstellende Amsterdammer en toerist openstonden, en soms zelfs in het Nederlands gegeven werden. Na enige jaren studie aan het Athenaeum gingen studenten vaak alsnog naar een echte universiteit om daar in korte tijd de officiële academische examens af te leggen.

 

De contraremonstrantse zuivering van rond 1620 had intussen de humanistische en dichterlijke reputatie van Leiden een enorme knauw gegeven. Het opvallendste slachtoffer van de zuivering was Caspar Barlaeus. Hij was in Leiden nauwelijks een jaar hoogleraar in de logica toen hij verjaagd werd door de contraremonstranten. Hij bleef in Leiden wonen en voorzag jarenlang in zijn onderhoud met het geven van privé-lessen. Hij zou als geleerde nooit zo excelleren als bijvoorbeeld De Groot en Vossius. Maar als letterkundige maakte hij furore. Ook Barlaeus trad in 1632 toe tot het docentenkorps van het Athenaeum, als hoogleraar filosofie.

 

De Grand Tour

 

De internationalisering van het studentenleven werkte twee kanten op. Buitenlandse studenten kwamen hier en Nederlandse studenten gingen naar het buitenland.

 

De academische migratie valt samen met de opkomst van het verschijnsel Grand Tour, maar is niet helemaal hetzelfde. Het begrip ‘Grand Tour’ wordt wel omschreven als een ‘educatiereis’: kinderen van welgestelde ouders werden voor enkele jaren op reis gestuurd naar met name Frankrijk, waar ze met behulp van referenties en introductiebrieven hun weg moesten zien te vinden. Dat hoefde niet op het studeren aan een universiteit uit te lopen. Voor de jonge zonen uit de burgerklasse van belangrijke handelssteden was het opbouwen van een netwerk onder Franse en Italiaanse kooplieden veel belangrijker. Tegelijkertijd kon de reiziger levenservaring opdien en de kunst van het handeldrijven afkijken.

 

Ook P.C. Hooft werd door zijn vader, een vooraanstaand Amsterdams koopman, op reis gestuurd. Hij bleef drie jaar weg. Hooft kwam niet terug als iemand die zich gerijpt voelde voor het koopmanschap, maar als iemand die bezeten was van de ambitie om de Nederlandse dichtkunst een plaats te geven naast de grote Italianen zoals Petrarca. Hooft fungeerde na zijn terugkeer uit Italië in 1601 als grote stimulans van een ingrijpende vernieuwing.

 

Een Grand Tour kon geheel anders uitwerken dan de bedoeling van opvoeders was. Vooral Napels en Rome stonden bekend als verdorven oorden waar een eenvoudige Hollandse ziel gemakkelijk ten onder ging. De verleidingen zaten, behalve in het Roomse geloof, vooral in de vrouwen en de drank. Berucht was in Rome een groep Nederlandse schilders die zich sinds 1623 verenigd hadden onder de naam Bentveughels. Behalve een sociëteit van Nederlanders vormden ze een belangenvereniging die in het geweer kwam zodra een lid in de problemen raakte. Elk nieuw lid werd op uitbundige wijze ontgroend. Bij wijze van doopplechtigheid werd een bachhanistisch ritueel opgevoerd.

 

Dubieuze triomfen

 

Rond de Bentveughels ontstond halverwege de zeventiende eeuw een kleine Nederlandse kolonie, waarin nogal wat dichters verbleven. Matthijs van de Merwede schreef tijdens zijn verblijf in Rome een van de wonderlijkste dichtbundels uit de Nederlandse literatuur: Uyt-heemsen oorlog, ofte Roomse min-triomfen (1651). De bundel verwekte groot schandaal. Het was een bijna dagboekachtig verslag van zijn erotische avonturen in Rome. In 1653 verscheen de bundel Geestelyke minne-vlammen, een verzameling religieus getinte gedichten, die samen het beeld van een tot inkeer gekomen zondaar lijken te moeten schetsen.

 

De bloei van het drukkersbedrijf

 

In de eerste eeuw na de uitvinding van het boekdrukprocédé door Gutenberg waren het vooral Italiaanse, Franse en Duitse ondernemers die op grote schaal kwaliteitsdrukwerk produceerden. In de Nederlanden waren hier en daar wel drukkers actief, maar hun manier van werken was over het algemeen erg kleinschalig en nauwelijks innovatief te noemen.

 

In de eerste decennia van de zestiende eeuw groeide het drukkersbedrijf in de Nederlanden als gevolg van de alfabetisering, groei van de welvaart, toenemend religieus bewustzijn en een steeds ingewikkelder maatschappijstructuur.

 

De zich razendsnel ontwikkelende handelsstad Antwerpen groeide in de loop van de zestiende eeuw uit tot een grote drukkersmetropool. Opvallend is dat de opkomst van het drukkerswezen in Antwerpen voorlopig niet tot grootschaligheid leidde. Drukkerijen waren in de Nederlandsen bijna altijd eenmansbedrijfjes.

 

Thomas van der Noot was een drukker die wegen probeerde te vinden om eigentijdse Nederlandse literatuur uit te brengen. Hij hield contacten met enkele lokale rederijkers. Zijn pogingen om met eigentijdse literaire teksten een uitgeversfonds op te bouwen vonden voorlopig nergens navolging. Drukkers richtten zich liever op oudere vertellende teksten die hun amusementswaarde al bewezen hadden. Middeleeuwse berijmingen werden daartoe omgezet naar proza, en met enkele houtsneden als illustratie op de markt gebracht. Zo’n drukker was Jan van Doesborch in Antwerpen. Evenals Van der Noot was hij tevens vertaler en bewerker van uiteenlopende teksten.

 

Literaire teksten fungeerden niet als aanjager van het drukkersbedrijf. Praktische leerboeken, handleidingen voor de meest uiteenlopende zaken (o.a. wisselen van geld, ontcijferen van toverformules) en religieuze werken (o.a. bijbels, liedboeken) domineerden in de eerste helft van de zestiende eeuw de fondsen van drukkers-uitgevers.

 

De concurrentie was moordend. Het drukken en uitgeven was een veeleisende en kapitaalintensieve activiteit. Het illegaal drukken van pamfletten en ketterse werken was, zolang het niet ontdekt werd, zeer lucratief. Sociale onrust, economische achteruitgang en repressie deden echter veel drukkers de das om. Antwerpen daarentegen wist voorlopig zijn positie als drukkersstad te behouden en zelfs te versterken. Dit was mede te danken aan het gematigde beleid van de stadsregering.

 

Plantijn

 

In 1555 vestigt de uit de omgeving van Tours afkomstige boekbinder Christophe Plantin zich in Antwerpen. Plantijn had bij een overval blijvend letsel opgelopen en had daardoor het zware boekbindersvak moeten opgeven. Plantijn leende geld en richtte een drukkerij in.

 

Om Plantijns eerste jaren hangt een geur van duistere handeltjes. Hij voerde opdrachten uit voor Hendrik Niclaes, de leider van de ondergrondse sekte Huis der Liefde. Daarnaast drukte hij illegaal andermans uitgaven na, met name voor de Franse markt.

 

Plantijns bedrijf groeide snel. In 1562 werd tijdens een inval in zijn drukkerij een lading calvinistisch drukwerk aangetroffen. Plantijn verklaarde nergens van te hebben geweten en kreeg het voordeel van de twijfel. Desondanks werd zijn drukkerij publiekelijk verkocht. In 1563 kreeg hij een deel van de opbrengst weer terug en met dat geld begon hij opnieuw. In de jaren hierna kreeg de onderneming de humanistische signatuur die haar later zo beroemd zou maken. Plantijn gaf in een hoog tempo klassieke teksten uit en produceerde veel humanistisch lesmateriaal.

 

In 1566 begonnen de schermutselingen die in 1572 op een gewapend conflict tussen hervormingsgezinden en Spanjegetrouwen zouden uitlopen. En het is curieus om Plantijn telkens aan beide zijden van de scheidslijn te zien opduiken. In 1566 was hij betrokken bij het opzetten van een drukkerij in Vianen. De drukkerij had geen ander doel dan anti-Spaanse geschriften te produceren. Plantijn gaf er onder andere pamfletten van Marnix uit. In diezelfde tijd onderhield Plantijn innige contacten met de Spaanse koning. De connecties met Filips II stelden hem in staat een ambitieus project gefinancierd te krijgen: de uitgave van een polyglotbijbel, ook wel Biblia regia genoemd. Sinds 1566 werd er gewerkt aan een uitgave van de bijbel in drie grondtalen (Hebreeuws, Chaldeeuws – of Aramees – en Grieks) en in het Syrisch en Latijn. Daarbij werd een kolossaal apparaat aangeboden, met grammatica’s en woordenboeken in de desbetreffende talen, en met divers aanvullend tekstmateriaal, illustraties en toelichtingen. Alles bij elkaar bestond het werk uit acht delen. Het in 1573 voltooide project was een mijlpaal in de Nederlandse boekdrukkunst en filologie. Het had bovendien een grote internationale uitstraling.

 

Plantijn produceerde grote hoeveelheden religieuze werken speciaal voor de Spaanse markt. Hij zorgde er altijd voor met gevaarlijk drukwerk buiten schot te blijven. Dit verscheen meestal op naam van medewerkers of compagnons. De drukkerij groeide, dankzij het betrekkelijk liberale beleid van het Antwerpse stadsbestuur.

 

Na de Spaanse Furie van 1576 was het met de grote expansie wel gedaan. Vanaf 1577 kreeg Antwerpen een calvinistisch bestuur. Het was voor Plantijn nu zaak hoe dan ook het hoofd boven water te houden. Hij zocht naar nieuwe vestigingsplaatsen voor het geval de situatie in Antwerpen nog verder zou verslechteren. Zo kwam hij in Leiden terecht. In 1583 opende hij een drukkerij annex winkel in Leiden, en liet zich benoemen tot universiteitsdrukker. De leiding van het bedrijf in Antwerpen legde hij in handen van twee schoonzonen. Plantijn keerde ogenblikkelijk terug naar Antwerpen nadat de stad in 1585 weer in Spaanse handen was gevallen. In 1589 overlijdt Plantijn.

 

Het bedrijf is nooit meer tot de hoogte gestegen die het onder de oprichter had weten te bereiken. Dat lag niet alleen aan het ontbreken van dat speciale ondernemerstalent bij Plantijns erfgenamen. Het klimaat in de geblokkeerde havenstad Antwerpen in de door een sterk contrareformatorische propaganda beheerste Spaanse Nederlanden, was niet gunstig voor een bedrijfstak die het van geoliede en vrij toegankelijke distributiekanalen moest hebben.

 

Amsterdam drukkersstad

 

In de grote stroom Zuid-Nederlanders die tussen 1580 en 1600 naar de Noordelijke Nederlanden uitweken, zaten veel talentvolle en ondernemende drukkers, waardoor het zwaartepunt van het drukkerswezen zich in een paar jaar tijd verplaatste.

 

Louis Elsevier was afkomstig uit Leuven en vestigde zich in 1580 in Leiden. Hij kreeg er goede contacten met de universiteit en met behulp van zijn zonen bouwde hij het bedrijf uit. Het werd een drukkersbedrijf met een academische signatuur, maar ook met een sterk commerciële inslag. Er werden in diverse steden vestigingen geopend, die vaak door familieleden gerund werden.

 

Het was rond 1600 nog moeilijk te voorspellen welke stad het grote drukkerscentrum van de Republiek zou worden. Leiden leek er goed voor te staan, met de universiteit als intellectuele levensader en met de nog steeds door familieleden voortgezette drukkerij van Plantijn en het snel expanderende bedrijf van de Elseviers. Of anders het voor distributie gunstig gelegen Dordrecht. Of misschien toch Haarlem, waar sinds omstreeks 1560 hardop verkondigd werd dat daar ruim een eeuw eerde de boekdrukkunst zou zijn uitgevonden. Maar het werd Amsterdam. Niet de wetenschap, niet de distributie en niet de mythe rond Laurens Jansz Coster gaven de doorslag, maar de handel.

 

Amsterdam werd het knooppunt in het internationale boekenbedrijf. En dat ging gepaard met specialisering en schaalvergroting. Drukkerij, uitgeverij en boekhandel, die zo lang min of meer in één hand verenigd waren geweest, werden steeds vaker afzonderlijke bedrijven.

 

De overheid bemoeide zich niet al te veel met de inhoud van het drukwerk. Elders, zoals in Frankrijk, werkte de censuur stagnatie in de hand. Daardoor kon de Republiek werk dat elders verboden werd naar zich toe trekken.

 

Veel uitgevers probeerden enige variatie in hun fonds aan te brengen om het risico te spreiden. Bijna elke uitgever deed dan ook wel iets aan literatuur. Cornelis Claesz. uit Amsterdam gaf naast boeken over en voor de scheepvaart vertalingen van populaire prozateksten als Erasmus’ Lof der zotheid uit. Met deze teksten had hij een nieuwe markt aangeboord: de burgerman of burgervrouw, die door de snel toenemende welvaart tijd overhield om zich te vermaken met verhalen uit de wereldliteratuur.

 

Door de specialisering werd ook het uitgeven van eigentijdse literaire teksten steeds meer een apart vak. Sommige drukkers specialiseerden zich in dure emblematabundels, anderen in bijvoorbeeld toneelteksten. Het was in dit proces van specialisatie van het grootste belang dat investeringen in een bepaald werk konden worden terugverdiend zonder dat een andere drukker er met de tekst vandoor ging. Al in de zestiende eeuw werd er gewerkt met het uitgeven van ‘privileges’ door de overheid aan drukkers, die daarmee voor een termijn van enkele jaren het recht kregen als enige een titel te exploiteren. Dit ging de roofpraktijken enigszins tegen.

 

De in Amsterdam gevestigde uitgever en drukker Willem Jansz Blaeu onderhield goede betrekkingen met de Amsterdamse regenten. In 1633 verwierf hij de lucratieve positie van officiële kaartenmaker van de VOC. In 1634 gaf hij zijn eerste grote atlas uit: Toonneel des aerdrijx ofte nieuwe atlas. Zijn bedrijf groeide snel. Zijn zoon Joan Blaeu voerde de kunst van het kaarten maken naar grote hoogte. Rond 1671 raakte Blaeu betrokken bij een Zuid-Nederlands project: de uitgave van een grote hoeveelheid heiligenlevens onder de titel Acta Sanctorum. Het was de bedoeling dat de lijvige boekwerken in Antwerpen gedrukt werden, maar nadat daar capaciteitsproblemen ontstonden, deed hij het maar zelf. Dit illegale project werd plotseling afgebroken doordat er brand ontstond: zijn drukkerij brandde helemaal af. De schade bedroeg 382.000 gulden, omgerekend 40.000.000 euro. Blaeu zou deze slag nooit meer te boven komen.

 

Het loon van de schrijver

 

Het drukken, uitgeven en verhandelen was een belangrijke economische activiteit in de Republiek, maar auteurs en vertalers speelden in de strijd om het gewin een ondergeschikte rol. De teksten van schrijvers werden nog niet beschermd door het auteursrecht. De baten uit de verkoop van een werk waren geheel voor de drukker-uitgever. Althans, dat vermoeden we, want de relatie tussen de toenmalige auteurs en hun uitgevers is zo goed als geheel in nevelen gehuld. We hebben hier en daar slechts kennis van incidentele gevallen, die een zo uiteenlopend beeld laten zien dat er in ieder geval geen eenduidige praktijk uit kan worden afgeleid.

 

Er was een min of meer hoffelijke manier om een beloning te verwerven en dat was het schijnbaar belangeloos opdragen van een werk aan een gerespecteerd (en rijk) persoon. Deze persoon zou dan uit dankbaarheid voor deze vererende opdracht spontaan tot beloning van de dichter moeten besluiten. Dat kon om geld, een sieraad of wederdienst gaan. Die wederdienst zou moeten bestaan uit het bevorderen van de maatschappelijke carrière van de dichter.

 

Als de inhoud van het werk zich er maar even voor leende, kon het ook worden opgedragen aan een van de vele overheden. Vaak werden werken over de vaderlandse geschiedenis , werken over de zeevaart, theologische (calvinistische) werken en wetenschappelijke publicaties goed beloond. Het pragmatische, door eigenbelang gedreven, beloningsstelsel kan wel het typisch Nederlandse of Hollandse mecenaat genoemd worden.

 

Elke dichter met een redelijke reputatie kon door het maken van gelegenheidsgedichten zijn inkomen behoorlijk opvijzelen. Vondel was zo’n dichter. Vondel hoefde aanvankelijk niet te leven van dit gelegenheidswerk. Hij had een goedlopende handel in kousen, totdat hij in 1652 de vergissing beging zijn zaak over te doen aal zijn losbollige zoon, Joost junior. Vondel was inmiddels een eind over de zestig en hoopte zich, met behulp van het kleine vermogen dat hij verdiend had, geheel aan het dichten te kunnen wijden. Joost junior richtte de zaak echter binnen enkele jaren geheel ten gronde. Vondel stond met zijn vermogen garant bij schuldeisers en verloor daarmee minstens 40.000 gulden. Zijn zoon stuurde hij naar Indië, maar deze stierf al op de heenreis. De dichter bleef uiteindelijk geheel berooid achter. Het enige wat Vondel nog goed kon, was dichten. Dit leverde echter weinig op. Vondel kreeg een baan aangeboden bij de Amsterdamse Bank van Lening. Vondel begon al snel zijn taken te verzuimen. Onder werktijd schreef hij in plaats van panden steeds vaker verzen. De bestuurders van de bank lieten het oogluikend toe tot 1668. In dat jaar werd Vondel, die inmiddels over de tachtig was, met behoud van zijn jaargeld uit zijn functie ontheven.

 

De opkomst van de broodschrijver

 

Tegen het einde van de zeventiende eeuw zien we af en toe een dichter een poging doen te leven van het maken van gelegenheidswerk, zoals Jan Baptista Wellekens en Hubert Kornelisz Poot.

 

Poot was tevens een van de pioniers in de strijd voor het auteursrecht, die in deze jaren ook door andere schrijvers aarzelend werd aangegaan. De praktijk dat uitgevers grote winsten konden behalen, terwijl auteurs het met enkele presentexemplaren moesten doen, werd steeds meer als een onrecht ervaren.

 

De stillevenschilder Jacob Campo Weyerman zocht actief naar nieuwe wegen om zijn teksten te laten renderen. Hij trad zo veel mogelijk zelf op als uitgever en zocht daarbij samenwerking met veel verschillende boekverkopers. Hij richtte een hele reeks tijdschriften op.

 

Aan het einde van de achttiende eeuw was het inmiddels min of meer vanzelfsprekend dat ook serieuzere auteurs als Rhijnvis Feith, Willem Bilderdijk en Betje Wolff en Aagje Deken geld kregen voor de teksten die door een uitgever geëxploiteerd werden.

 

Het boek als marktartikel

 

In de zeventiende eeuw moest een literair boek het hebben van de aanbevelingen die erin waren opgenomen. Bijna elke zeventiende-eeuwse uitgave van enig belang bevatte voorin één of meer lofdichten op de auteur en het werk. Ze hadden een plechtmatig karakter, maar wekten ook het vertrouwen dat de uitgave ook door gezaghebbende lieden werd gewaardeerd.

 

Het serieuze literaire boek werd steeds meer een heus marktartikel, waar uitgevers hoopten een bestseller van te kunnen maken. Toch was geestelijke literatuur wel degelijk het grote succesartikel in de Nederlandse boekhandel. Het was een markt die voor een groot deel door predikanten, in nauwe samenwerking met uitgevers, werd bestreken. Er werden veel theologische teksten uit het Latijn, het Frans of het Engels vertaald. In de loop van de zeventiende eeuw verschenen steeds meer bundels geestelijke poëzie. De dichters waren voor een belangrijk deel dominees, die tijdens hun studie voldoende van het humanisme hadden meegekregen om moeiteloos klassieke vormen van een christelijke inhoud te voorzien.

 

De vrijetijdsdichter

 

Amsterdam was gedurende de zeventiende en achttiende eeuw het centrum van de Nederlandse literatuur: er zaten vele uitgevers en drukkers, er was een bloeiend toneelleven, en er woorden veel schrijvers, die met elkaar een bij vlagen dynamisch ‘literair leven’ onderhielden. Maar ook in steden als Haarlem, Leiden, Den Haag, Utrecht en Rotterdam waren belangrijke uitgevers en schrijvers gevestigd.

 

Ook in de kleinere steden en op het platteland was, afgezien van de altijd doorwerkende rederijkerskamers, veel literaire bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid richtte zich meestal nadrukkelijk op de nieuwe ontwikkelingen en modes in Amsterdam, Leiden en Den Haag. Vaak waren er gesettelde heren die een universitaire opleiding hadden genoten en over veel vrije tijd beschikten en uiteindelijk één of twee keer voor eigen rekening een dichtbundel publiceerden. Ze imiteerden veelal Cats, Vondl, Hooft of Huygens. Ze onderhielden hun netwerken door het schrijven van grote hoeveelheden gelegenheidsgedichten. Het etaleren van literaire vermogens had status, en het tonen dat je op de hoogte was van de laatste ontwikkelingen hoorde daarbij.

 

In 1637 verscheen Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia van de Amsterdams-Haagse dichter Johan van Heemskerk. Het was een prozawerkje dat een pleziertocht beschrijft van een stel Haagse vrienden naar Katwijk. Er verscheen een hele stoet navolgingen. Een arcadia werd synoniem voor een reisverhaal dat doorspekt kon worden met allerlei vertellingen en historische en toeristische uitweidingen. Bij deze arcadia’s ging lokaal literair talent vaak aan de slag met typisch lokale thema’s.

 

Hoofdstuk 3 De kleine wereld

 

Microkosmos – macrokosmos

 

In 1613 verschijnt Den gulden winckel der konstlievende Nederlanders van Joost van den Vondel. Onder elk van de 79 prenten staat een toepasselijke spreuk uit de bijbel. In de prent werd echter vaak een gegeven uit de klassieke mythologie uitgebeeld. Renaissancedichters deden namelijk veel moeite de meest veraf gelegen kennisdomeinen op elkaar te betrekken om allerlei meer of minder verborgen verbanden in de schepping bloot te leggen. En daarbij werden alle verbanden uiteindelijk teruggevoerd op het goddelijke, door en door christelijke heilsplan.

 

De prenten waren in 1579 voor het eerst gepubliceerd in de bundel Microkosmos. Laurens van Haeccht had er toepasselijke Latijnse bijschriften aan toegevoegd. In 1584 verscheen een Nederlandse vertaling van Jan Moerman onder de titel De cleyne werelt.

 

Literatuur en wetenschap waren rond 1600 nog sterk met elkaar verweven. Ze berustten beide op een manier van kijken die in hoge mate metaforisch was. Door middel van beeldspraak konden verschijnselen die voor het oog ver uit elkaar lagen, schijnbaar moeiteloos in een zinvol verband gebracht worden.

 

Inzicht in het metaforisch mechanisme is essentieel voor het juiste begrip van de literatuur, de kunst en de wetenschap van de late Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok. Kennis was gefundeerd op vergelijkingen en daarmee op beelden. Deze beelden waren altijd meerduidig, en daarom staan ze ook bijna altijd in verbinding met andere beelden. De wereld was metaforisch tot in het oneindige, maar draaide uiteindelijk om een centrum dat verbluffend weinig werd afgebeeld: God.

 

Het heelal was de grote wereld of macrokosmos. De mens was de kleine wereld of microkosmos. In het denken over de positie van de mens in de kosmos maakte de leer van de vier elementen (aarde, water, vuur en lucht) en de vier lichaamsvochten (bloed, zwarte gal, gele gal en slijm) een vast onderdeel uit.

 

Binnen de kunst en literatuur werden hele stelsels van metaforen ontwikkeld, ook wel allegorieën genoemd.

 

Emblematisch kijken

 

Vondels Gulden winckel behoorden, evenals zijn voorlopers, tot het populaire genre van de emblematiek. Een embleem is een prent (of pictura), waarboven een bondige spreuk (of motto) staat, en onder het plaatje is doorgaans een gedicht (of epigram) afgedrukt.

 

In 1531 was de eerste embleembundel verschenen, Emblematum liber van de Italiaan Andrea Alciato. Eigenlijk ontstond het embleemgenre bij toeval. Alcatio had een bundel gedichten geschreven, en voor elk afzonderlijk gedicht had hij een bijschrift gemaakt, dat hij ‘embleem’ noemde. Zijn uitvinder vond dat zijn bundel nog wel wat verlevendigd kon worden en voegde vervolgens aan elk gedicht ook nog een afbeelding toe. Alcatio was er erg op tegen, maar het publiek was er enthousiast over. Het duurde daarna nog bijna tien jaar alvorens er navolgingen verschenen, maar vanaf dat moment ging het snel.

 

Zo ontstond nogal terloops de internationale rage van het embleemschrijven. De toevalligheid zou kunnen verhullen dat het genre al decennia in de lucht hing. Omstreeks 1500 bloeide er een cultus rond het verzinnen van persoonlijke deviezen, die op een raadselachtige manier iets over de eigenaar vertelden. Ze werden aangebracht op wapenschilden en deden dienst bij riddertoernooien en militaire festiviteiten. Een andere voedingsbodem was te vinden in de kringen van humanisten, waar een grote belangstelling bestond voor hiërogliefen. De ontraadseling van deze getekende boodschappen zou misschien wel diepe goddelijke wijsheid kunnen opleveren. En ten slotte was het in brede kring levende allegorische denken een rijke voedingsbodem voor de hogere interpretatiekunde die de emblematiek nu eenmaal vereiste.

 

Tot halverwege de zestiende eeuw was het schrijven en lezen van emblemen nog voorbehouden aan humanisten en hun studenten. Maar in de tweede helft van de zestiende eeuw begin de emblematiek ook in de volkstalen door te dringen. Daarvoor bestond ook een economische noodzaak. Embleembundels waren per definitie duur doordat er gravures voor ontworpen en uitgevoerd moesten worden. Uitgevers probeerden door het op de markt brengen van vertalingen de kosten voor de gravures zo snel mogelijk terug te verdienen.

 

In 1614 verschenen de Sinnepoppen van Roemer Visscher. De bundel verrast door zijn eenvoud. Het alledaagse en nietige eist een geheel eigen rol op. De mythologische figuren en zinnebeeldige personificaties, die tot dat moment zo kenmerkend waren voor heel veel artistieke genres, zijn naar de achtergrond gedrongen. In plaats daarvan zien we eenvoudige afbeeldingen. In zo’n plaatje ontbreekt elke aanwijzing voor een allegorische interpretatie. Het zijn de motto’s en bijschriften die de lezers verder helpen.

 

Sinnepoppen laat ons een revolutionaire verandering in de Nederlandse cultuur meemaken: de abstracte allegorische verbeelding werd vervangen door het concrete, alledaagse en individuele. Deze ontwikkeling voltrok zich in de periode 1560-1620 en met name de jaren tussen 1610 en 1620. Het zinnenspel werd vervangen door de tragedie en tragikomedie, het allegorische refrein door persoonlijk getinte sonnetten. En de personages in de literatuur waren niet langer personificaties van abstracte begrippen, maar individuen van vlees en bloed met zintuigen, gedachten, gevoelens en meningen. Abstracte of geïdealiseerde situaties maakten plaats voor gedetailleerd beschreven locaties, op concrete tijdstippen en onder concrete weersomstandigheden.

 

In 1601 verscheen een tweetalig (Latijn en Nederlands) bundeltje met emblemen die allen over de liefde handelen. Daniël Heinsius was de auteur van deze bundel Quaeris quid sit Amor? (Wil je weten wat de liefde is?) die het begin was van wat later liefdesemblematiek ging heten. De liefdesemblematiek was daarmee een Nederlandse uitvinding.

 

In 1608 verscheen Amorum emblemata van Otho Vaenius (Otto van Veen). Deze bundel bevatte prenten die in het Latijn, Frans en Nederlands van erotische bijschriften waren voorzien. Naderhand ging Vaenius anders denken over zijn liefdesemblemen. In 1615 verscheen een nieuwe bundel waarin dezelfde prenten consequent waren vervangen door religieuze teksten. Dit vormde de aanzet tot een grote, maar vooral Zuid-Nederlandse rage in het schrijven van religieuze liefdesemblemen.

 

Ware liefde

 

In 1611 verscheen nog een derde opvallende bundel liefdesemblemen: de Emblemata amatoria van P.C. Hooft. De prenten waren van tweeregelige epigrammen in het Latijn, Frans en Nederlands voorzien. Achter de bijgevoegde gedichten ging een grote tragedie schuil: zijn verhouding met Brechje Spiegel, die stierf aan de gevolgen van een zelfmoordpoging. Voordat de gedichten gedrukt werden, haalde hij elke concrete verwijzing eruit.

 

Jongerencultuur

 

Liefdespoëzie behoorde de jeugd toe. De bundels waren inhoudelijk  en ook in de uitvoering vaak ingericht op vrijende en flirtende jongeren. Vaak werd over een geliefde geschreven in de beelden en bewoordingen van Petrarca. De minnaar in de petrarkistische poëzie is een eenzame tobber die aan zijn eigen gevoelens van genegenheid ten onder dreigt te gaan.

 

Echte seks

 

Toch sluimerde er sinds de vijftiende eeuw ook een andere literaire kijk op de liefde, die veel meer op begeerte, lichamelijkheid en vervulling was gericht. In 1539 verscheen postuum de bundel Basia van Janus Secundus, een verzameling lyrische gedichten die alle om ‘kusjes’ draaiden. Alciato had Secundus in Bourges kennis laten maken met de meer lyrische en erotische kanten van de klassiek-Latijnse en Italiaanse letteren. Veel Nederlandse dichters vertaalden en bewerkten in hun jonge jaren de Basia.

 

Het sonnet

 

De vroegste sonnetten die we kennen stammen uit het einde van de dertiende eeuw, uit de omgeving van het hof van Frederik II op Sicilië. De oervorm was er naar het schijnt al vrij snel: een ritmisch gedicht bestaande uit veertien regels, in vier strofen gegroepeerd, twee strofen van vier regels en twee strofen van drie regels (of drie van vier en één van twee). Het sonnet vergt door zijn vorm veel technisch kunnen. Hoewel een sonnet in beginsel over alles kan gaan wat zich in veertien regels laat behandelen, werd het al vrij snel het genre voor liefdespoëzie.

 

In de loop van de zestiende eeuw werd het sonnet pas echt populair en verspreidde het zich over heel Europa. In de achttiende eeuw nam de populariteit gestaag af. Tot Jacques Perk en de Tachtigers rond 1880 het genre revitaliseerden.

 

De moraal

 

De liefdesthematiek waaierde uit over een breed spectrum aan dichterlijke vormen: niet alleen in de pure lyriek, maar ook in de allegorie, het drinklied, de satire, het bruiloftsdicht, de herderszang of de hymne.

 

In de zich snel ontwikkelende burgerlijke en pluriforme samenleving werd het traditionele, door familiebelangen gedicteerde huwelijksarrangement steeds meer vervangen door een vrije partnerkeuze, waarbij echte genegenheid maar ook inzicht in de morele kwaliteit van de huwelijkskandidaat steeds belangrijker werden. Liefdesgedichten leidden tot zelfkennis, waarschuwden voor de vele valstrikken op het pad van de minne, en leerden ondertussen ook dat verrukking en verdriet dicht bij elkaar konden liggen.

 

De amoureuze genres waren bij de verdedigers van de nieuwe huwelijksmoraal erg omstreden. Protestanten, en met name calvinisten, waarschuwden tegen de wereldlijke cultuur  die de rechtschapen mens confronteerde met verleidingen (zoals de amoureuze liedboeken) waardoor hij vroeg of laat van het rechte pad werd gebracht.

 

Het conflict tussen wereldlijken en geestelijken heeft minstens een eeuw in volle hevigheid gewoed. Vanaf omstreeks 1670 won de confessionele moraal gestaag terrein. Het protestantisme was in de Republiek een steeds machtiger wordende minderheid. Doordat openbare ambten slechts bekleed werden door leden van de hervormde kerk, konden de predikanten een steeds sterker stempel drukken op de publieke moraal.

 

Het wankele gemoed

 

In de zeventiende eeuw leefde nog de oude opvatting dat verliefdheid eigenlijk een ziekte was, of op zijn minst een gevaarlijke vorm van verdwazing. Niet alleen verliefdheid was tot een verdwazende werking in staat: er was een heel scala aan gemoedsaandoeningen (ook wel als ‘affecten’ of ‘hartstochten’ aangeduid), zoals jaloezie, woede, gierigheid en hoogmoed, waardoor het individu aan waandenkbeelden ten prooi kon raken. In zekere zin werd de rede voortdurend bedreigd door de altijd maar voortkolkende hartstochten.

 

Al in de Oudheid was de leer van de wisselwerking tussen hartstochten en ratio ontwikkeld door de denkers van de Stoa. Aan het einde van de vijftiende eeuw kwamen deze denkbeelden opnieuw volop in de belangstelling, met name via een paar geschriften van Cicero en Seneca. Volgens de stoïci diende de mens zich geheel los te maken van zijn gemoedsbewegingen en zelfs de meest elementaire verlangens als honger en dorst moesten zo veel mogelijk beteugeld worden. Pas dan kon hij vertrouwen op zijn redelijke vermogens, op zijn ratio, en zich openstellen voor de goddelijke openbaring.

 

In de Nederlanden kreeg het stoïsche denken in 1584 een belangrijke impuls door het verschijnen van De constantia (Over de standvastigheid) van Justus Lipsius. In 1585 verscheen Zedekunste dat is wellevenskunste van Coornhert. In 1614 verscheen (postuum) de Hert-spiegel van Hendrik Laurensz Spiegel. Hoe subtiel en soms ook diepgaand de idealen van deze Nederlandse moraalfilosofen van elkaar verschilden, het was bij alledrie opvallend dat de hoofdmoot van hun betoog werd ingenomen door uitputtende beschouwingen over het menselijke oordeelsvermogen.

 

De moraalfilosofische kijk op de hartstochten rustte op de algemeen aangehangen humoresleer van Galenus (tweede eeuw na Christus). Deze leer kwam erop neer dat vier vochten verantwoordelijk waren voor het aansturen van alle mogelijke lichamelijke en geestelijke functies: bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. Gezondheid was het gevolg van een perfecte balans tussen deze lichaamsvochten, een balans die overigens per individu kon verschillen. Ieder mens heeft van nature een overmaat aan bloed (sanguinicus), slijm (flegmaticus), gele gal (cholericus) of zwarte gal (melancholicus). Maar die balans werd voortdurend bedreigd door allerlei invloeden, zoals voedsel, klimaat of de stand van de sterren. Maar wat in ieder geval veel invloed had, was de geest.

 

Melancholie en recreatie

 

In de cultuur trok de melancholie ofwel zwaarmoedigheid veruit de meeste aandacht. Melancholie was een aandoening die vooral bij de elite veel heette voor te komen. Was je al geen melancholicus bij geboorte dan liep je kans door overmatige studie, door al te grote verantwoordelijkheden, door liefdesverdriet of door een droevige gebeurtenis alsnog aan deze gemoedsverstoring ten prooi te vallen.

 

Het was de kunst de melancholie zo krachtig mogelijk te verdrijven. De melancholicus moest als het ware op andere gedachten gebracht worden. Deze benadering van dreigende of reeds optredende melancholie staat ook wel bekend als recreatie of vermaak. Door een heilzame invloed van buitenaf werden geest en lichaam ‘her-schapen’, ‘gere-creëerd’ of ‘ver-maakt’ en weer in staat gesteld optimaal te functioneren.

 

De meest rechtstreekse vorm van melancholiebestrijding was lachen. Dit verklaart waarom kluchten, komische verhalen en geestige anekdoten zo’n voorname plaats bekleedden in de cultuur.

 

Een bijzondere waarde werd toegekend aan vriendschap, conversatie en literair getinte gezelschapsvermaken. Men schreef of tekende aardige bijdragen in elkaars vriendenboek of album amicorum.

 

Aan het begin van de zeventiende eeuw was uit Italië een wellevendheidscultus over komen waaien, waarin aan innerlijke beschaving, geestigheid en improvisatievermogen grote waarde werd toegekend. Vooral in de omgeving van Huygens en Hooft bleek de wellevendheidscultus moeiteloos toepasbaar. Vaak werden in aantekenboeken materiaal verzameld waarmee men in gezelschappen goed voor den dag kon komen. De Grote Pandora is een album met meer dan zeshonderd bladzijden vol losse notities van Jan Six. In 1644 publiceerde Johan de Brune de Jonge zijn anekdotenverzameling onder de titel Wetsteen der vernuften.

 

Vriendenboeken

 

Aan het begin van de zestiende eeuw was in kringen van Maarten Luther te Wittenberg de gewoonte ontstaan om aan geleerden van naam een inscriptie in een boek te vragen als aandenken. Al snel werden de losse inscripties verzameld in een speciaal boekwerkje, waaraan ook vrienden een korte persoonlijke tekst konden bijdragen. In de loop van de zestiende eeuw werd de gewoonte om aan elkaars albums teksten en tekeningen bij te dragen gemeengoed onder humanisten. De overgeleverde albums geven daardoor meestal een goed inzicht in de relaties die de eigenaar onderhield, en ook over iemands reispatronen, want voor het album werd met name tijdens studiereizen flink geworven. Het album amicorum bleef lang populair onder studenten en geletterden, maar aan het einde van de achttiende eeuw zakte het verschijnsel in deze kringen heel snel weg, om vervolgens populair te worden bij de gegoede jongedames. Tegenwoordig bestaat het fenomeen nog steeds, als ‘poesiealbum’ voor meisjes.

 

Bewaard gebleven zijn onder andere de albums van Jan van Hout en Janus Dousa.

 

Echte melancholie

 

Melancholie wordt wel voorgesteld als de grote modeziekte van de Renaissance. Melancholie had ook iets dubbelzinnigs: ze was niet alleen een vorm van droefheid die de gezondheid bedreigde, maar ze kon ook de inspiratiebron voor dichters en kunstenaars zijn. Juist door die gemoedsverstoringen kwam de artistiek aangelegde melancholicus tot diepere inzichten en verbeeldingen.

 

Zeventiende-eeuwse auteurs die (periodiek) aan melancholie leden, waren bijvoorbeeld Joost van den Vondel, P.C. Hooft en Caspar Barlaeus.

 

Het theater

 

Een van de voornaamste vormen van vermaak, het theater, groeide rond het midden van de zeventiende eeuw in verschillende grote steden uit tot een zelfstandige bedrijfstak, los van de rederijkerij, met eigen gebouwen, met beroepsacteurs, en met een groeiende schare liefhebbers. Den Haag en Amsterdam liepen voorop.

 

Sommige Nederlandse toneelauteurs, zoals Hooft en Bredero, gingen door het buitenlandse vertoon van professionaliteit inzien dat het toneelleven dringend gemoderniseerd moest worden, en dat die rondreizende gezelschappen inmiddels ook geduchte concurrenten waren in de strijd om de gunst van het publiek. Het inzicht brak door dat acteren een vak was dat niet alleen veel repeteren maar ook talent en raffinement vereiste.

 

In 1613 stelde P.C. Hooft in de Amsterdamse rederijkerskamer voor een einde te maken aan het stuntelige amateurisme door nieuwe reglementen op te stellen, waarmee de grootste dilettanten voortaan buiten de rolbezetting konden worden gehouden. Dit leidde tot een fel conflict, dat in 1617 tot een eind kwam met de oprichting van de Nederduytsche Academie door Samuel Coster. Hier konden toonaangevende auteurs als Hooft, Bredero en Coster eindelijk zelf invloed uitoefenen op de kwaliteit van de opvoering van hun stukken. Er verrees een houten gebouw aan de Keizersgracht, waar onderwijs en toneelvermaak gecombineerd werden.

 

Achteraf bleek dit een tussenstap te zijn naar echte professionalisering. In januari 1638 werd in Amsterdam de Schouwburg geopend. Voor het eerst was er een specifiek voor toneel ingerichte ruimte in de Nederlanden. Architect Jacob van Campen had zich voor het ontwerp uitvoerig verdiept in klassieke toneelbouw.

 

Een voorstelling opende meestal met een ernstig stuk, een treurspel dan wel tragikomedie, en daarna werd een klucht opgevoerd.

 

Toneel als vermaak

 

Het heeft latere generaties nogal verbaasd dat het hoofdnummer, het ernstige spel, niet tot het einde werd bewaard.  Maar de reden daarvoor lag juist in de medisch gedefinieerde vermaaksgedachte, die ook in de toneelcultuur zeer bepalend was. Aan de klucht was een cruciale rol toebedacht in het bewaren of herstellen van een gezonde balans bij het theaterpubliek. De droevige emoties die het verloop van een tragedie of tragikomedie bij de toeschouwers teweeg kon brengen, moesten weer in goede banen geleid worden. Lange tijd is gedacht dat de zeventiende-eeuwse klucht typisch volksvermaak was. Ze waren gezien de inhoud ook nogal volks en plat, maar er werd dus door hetzelfde publiek naar gekeken dat voordien van het ernstige spel had genoten.

 

Overigens stonden kluchten in strekking ook helemaal niet zo ver af van de ernstige spelen, en die strekking ging vooral de maatschappelijke bovenlaag aan. Het Nederlandse toneel handelde vaak over hartstochten, of andere vormen van gemoedsverstoring. En in het verlengde daarvan over zinsbegoochelingen, bedriegerijen, subtiele leugentjes, waandenkbeelden en gespeelde illusies. Dit toneel bracht de toeschouwer een wereld voor ogen waarin individuen niet alleen door anderen maar ook door zichzelf voortdurend op een dwaalspoor dreigden te raken. Het thema illusie was in het Nederlandse toneel van de zeventiende eeuw alomtegenwoordig.

 

Subsidiërend toneel

 

De Amsterdamse Schouwburg had een bestuur van toneelliefhebbers, maar hij viel uiteindelijk onder de regenten van het Burgerweeshuis en het Oudemannenhuis, samen ook wel de ‘godshuizen’ genoemd. Al rond 1610 was aan de wens van rederijkers om besloten voorstellingen voor een betalend publiek te mogen houden de voorwaarde gesteld dat de winst ten goede zou komen aan de godshuizen. Het stadsbestuur controleerde de Schouwburg en wees het bestuur van de Schouwburg aan. De Schouwburg was zeer winstgevend. Er werd volop geïnvesteerd in nieuwe producties. Voor een deel bestond het toneelrepertoire uit vertalingen van Franse, Spaanse en Engelse kassucessen.

 

Kunst- en vliegwerk

 

Een van de opzienbarendste toneelmakers was Jan Vos. Hij liet de Amsterdammers in 1641 versteld staan met een spectaculaire gruweltragedie naar senecaans model: Aran en Titus, of wraak en weerwraak. In het stuk vallen niet minder dan elf doden. Het stuk maakte indruk doordat de visuele kant door Vos met veel aandacht was uitgewerkt. Het tableau vivant werd zijn specialisme. Jan Vos was ook de organisator van een grootscheepse en kostbare verbouwing van de Schouwburg in 1665. De toneelvloer werd veel dieper gemaakt. Maar wat het meest in het oog sprong was de grootse tuigage voor het vertonen van spectaculaire kunst- en vliegwerken. Dit toneel bracht Vos tot het schrijven van een nieuw stuk: de tragedie Medea (1665), waarin veel gruwelen en spectaculaire luchtvertoningen werden vertoond.

 

Een omstreden ontmoetingsplaats

 

Sinds het midden van de zestiende eeuw trokken de calvinisten onvermoeibaar ten strijde tegen het toneel; niet alleen in traktaten en pamfletten, maar ook door er bij bestuurders op aan te dringen dat voorstellingen verboden en theaters gesloten werden. Toneelspel met zijn ficties, rollenspel, visuele illusies en bedrieglijke intriges was in één woord leugenachtig. Toneel zette aan tot onzedelijk gedrag, goddeloze gedachten en plichtsverzaking, terwijl een oprecht christen zich alleen met de waarheid diende in te laten.

 

De calvinisten hadden zeker enig succes met hun onophoudelijk ageren tegen toneel. In veel plaatsen in de Republiek werd sinds het einde van de zestiende eeuw weinig of geen toneel meer gespeeld. De strijd over het toneel nam in hevigheid toe naarmate de gereformeerden in aantal groeiden en ze er steeds vaker in slaagden de veelal gematigde stadsbesturen tot het verbod van toneelvoorstellingen te bewegen. Gedurende de gehele zeventiende eeuw was Amsterdam de grote brandhaard in dit conflict. Regelmatig wisten de predikanten bij het stadsbestuur gedaan te krijgen dat een stuk wegens godslastering verboden werd. Vondel was daarbij een telkens terugkerend mikpunt: o.a. Palamedes (1625), Gysbreght (1637, 1638), Maria Stuart (1646), Lucifer (1654).

 

In het rampjaar 1672 gaat de Schouwburg voor onbepaalde tijd dicht.

 

Het classicisme

 

In 1672 heropent de Schouwburg. Het Amsterdamse stadsbestuur had genoeg van de discussies over politiek, theologie en morele kwesties, en hoopte dat enkele nieuw aan te stellen schouwburgregenten voor rust konden zorgen. Dit streven gaf de wind in de zeilen aan een genootschap dat sinds 1669 een vergaande hervorming van het culturele leven propageerde: Nil Volentibus Arduum. Het bestond uit literatuurminnaars die wekelijks bij elkaar kwamen om zich te verdiepen in de vraag hoe het toneelleven hervormd kon worden. Ze keken daarbij naar ontwikkelingen in Frankrijk.

 

In Parijs werd in kringen rond Pierre Corneille sinds het midden van de eeuw veel nagedacht over de wetten van het drama. De ideeën die Aristoteles in zijn Poetica ontwikkeld had voor de tragedie, waren uitvoerig geanalyseerd, met de bedoeling die streng te gaan toepassen op het eigentijdse toneel. Daarbij werden bovendien de nuchtere observaties van Horatius betrokken, in de eerste plaats zijn pleidooien om rekening te houden met het bevattingsvermogen van de lezer-toeschouwer. De nadruk kwam te liggen op waarschijnlijkheid, op natuurlijkheid en op eenvoud. Maar het belangrijkste was misschien wel de eis dat literatuur, en dus ook toneel, ondubbelzinnig de goed zeden en de deugdzaamheid moest uitdragen. Het toneel moest gaan dienen als opvoeder die met name de kinderen van de gegoede burgerij op een opbouwende manier confronteerde met plichten, normen en waarden. Actuele onderwerpen moesten worden gemeden omdat ze tweedracht zaaiden, en bijbelse thematiek was ook uit den boze omdat het toneel niet de schijn mocht wekken de rol van de Kerk over te nemen.

 

Het brein van Nil was de arts Lodewijk Meyer, iemand met een sterke hang naar filosofie. Meyer was een goede bekende van Spinoza.

 

Het genootschap werkte vanaf het moment van oprichting hard aan het ontwikkelen van een nieuwe, beschaafde toneelcultuur. Er werd in de eerste jaren zelfs een handleiding geschreven voor het maken van welgevormde, aan alle wetten van de kunst beantwoordende toneelstukken: Onderwys in de toneelpoëzy. Dit werk verscheen echter pas in 1765 onder de titel Nauwkeurig Onderwys in de Tooneel-poëzy. Het bleek bijna geheel opgebouwd uit denkbeelden die waren ontleend aan theoretische geschriften van Pierre Corneille.

 

Andries Pels schreef Gebruik én misbruik des toneels (1681), een traktaat waarin de door het genootschap voorgestane hervormingen uitgebreid beargumenteerd werden. Het traktaat was enerzijds bedoeld om de calvinisten te doen inzien dat het nieuwe gefatsoeneerde toneel aan al hun bezwaren tegemoetkwam, anderzijds was het stuk een afrekening met de toneelcultuur uit de voorgaande decennia.

 

Veel van wat de voorgaande decennia in de literatuur en schilderkunst tot stand was gebracht, kwam onder invloed van het Frans-classicistische ideeëngoed ter discussie te staan. Voor de Schouwburg had dit onmiddellijk grote gevolgen, want het brede repertoire dat sinds het begin van de eeuw was opgebouwd, raakte op slag voor een groot deel uit de gratie. De leden van Nil probeerden uit alle macht het gebrek aan stukken te compenseren door zelf toneel te schrijven, maar dat bleek in de praktijd toch moeilijker dan in theorie. Wat er uit die hoek kwam waren vooral vertalingen. Vroegere successtukken werden aan een grondige herziening onderworpen.

 

Het publiek liep ondertussen niet echt warm voor de bewerkingsijver van Nil. De Schouwburg bleef vaak leeg.

 

In 1681 stierf Andries Pels, een paar maanden later gevolgd door Lodewijk Meyer. Nil was daarmee van zijn kopstukken beroofd.

 

In de Schouwburg bleef het al die tijd onrustig. De opkomst van enkele getalenteerde toneelschrijvers maakte de crisis, voor het publiek althans, iets minder schrijnend. Talenten als Asselijn, Bernagie en Langendijk (Het wederzijds huwelijksbedrog, 1714) maakten furore in een periode dat het toneelbedrijf moeite had om echt volwassen te worden.

 

Ondertussen deden zich enkele belangrijke nieuwe ontwikkelingen voor. Uiteraard was er het gestaag doordringen van de classicistische inzichten. Maar tegen de stroom van het classicisme in veroverde de muziek steeds meer terrein: in de jaren zeventig deed de opera zijn intrede. In Amsterdamse theaterkringen leefde vrij algemeen het idee dat opera het Nederlandse toneel zou wegdrukken. Aan de pachters van de Schouwburg werd opgelegd dat ze slechts op veertig van de honderdtwintig speeldagen opera zouden programmeren. De opera brak daardoor niet echt door. De grote bloei van het genre kwam pas in de jaren twintig en dertig van de achttiende eeuw. De grote publiekstrekker was De bruiloft van Kloris en Roosje, in 1688 door Dirk Buysero geschreven en op muziek gezet door Servaas de Koning.

 

Het einde van een tijdperk: een dichter sterft

 

In 1679 sterf Vonden op 91-jarige leeftijd. Een van de bezoekers van het laatste uur was zijn biograaf Geeraerdt Brandt. Brandt kon er in zijn biografie niet omheen dat de latere jaren van Vondel grote teleurstellingen gebracht hadden. Zijn toneelstukken werden steeds minder gespeeld. Vondel vertrouwde Brandt toe dat hij vermoedde dat Jan Vos zijn reputatie systematisch had afgebroken doordat die in zijn positie als hoofd van de Schouwburg bij Vondels spelen de rollen verdeelde onder onbekwame toneelspelers, en dat men die ook nog eens toetakelde met oude, versleten en niet bij de rol passende kleren. Brandt relativeert de verdenking van Vondel ogenblikkelijk door eraan toe te voegen dat er ook nog andere redenen waren waarom Vondels stukken langzamerhand uit de gratie raakten. Dat kwam vooral door de veranderde smaak van het publiek, dat liever uit het Spaans vertaalde sensatiestukken opgevoerd zag.

 

Hoofdstuk 4 De grote wereld

 

Een tuin als mens en wereld

 

In 1639 kocht Huygens een groot stuk grond in Voorburg om er een buiten aan te leggen waar hij zich kon terugtrekken als hij even bevrijd wilde zijn van het Haagse hofleven. De naam moest dat ook uitdrukken: ‘hof-wijk’, wijken (of weg zijn) van het hof. In de plattegrond van de tuin weerspiegelde zich het menselijk lichaam. Het gedicht Hofwijck bood een rondleiding door de tuin die tegelijkertijd een rondgang door Huygens’ dagelijkse bestaan en de menselijke ziel was. Huygens’ wereldbeeld was nog diep geworteld in de half heidense, half christelijke metaforiek, maar hij toont ook een grote natuurwetenschappelijke nieuwsgierigheid.

 

Een blik op de hele wereld

 

Hofwijck verrees in de jaren dat de rijk geworden Nederlanders zo langzamerhand die rijkdom ook wel eens wilden gaan genieten en tonen. Achter de duinen en langs de Vecht verscheen het ene landhuis na het andere. Diep doordacht architectonische projecten als Hofwijck stonden echter nogal op zichzelf.

 

In ambitie, kosten en inspiratie werden alle 17e-eeuwse bouwprojecten overtroffen door het nieuwe stadhuis van Amsterdam. Het stadhuis was ontworpen door Jacob van Campen, en het was net als Hofwijck gedacht als een alles omspannende microkosmos-macrokosmosconceptie. Het gebouw verbeeldde de schepping en de onmetelijkheid van het universum. Door het hele gebouw heen werden in steen en verf mythen en historische gebeurtenissen verbeeld.

 

Het ging goed in deze jaren kort na het sluiten van de vrede van Munster. De macht en het economische succes waren snel en onverwacht gekomen.

 

Er vond een snelle opbloei van de cartografie plaats. Rond 1570 begonnen in Antwerpen enkele vooruitstrevende kaartenmakers als Abraham Ortelius en Gerard de Jode met het systematisch verzamelen en verbeteren van kaarten van de gehele tot dan toe bekende wereld. Ortelius bracht in 1570 zijn Theatrum orbis terrarum uit. De Jode bracht in 1578 zijn Theatrum uit. Antwerpen was door deze ondernemingen in één keer het wereldcentrum van de cartografie geworden. Dat was mede mogelijk door de stimulerende aanwezigheid van een meesterdrukker als Plantijn. Later zetten de kaarten van de Vlaming Mercator een stevige standaard waarop de komende jaren zou worden voortgebouwd. Door de aankoop van alle drukplaten van Mercator door de Amsterdamse drukker Jodocus Hondius verlegde het zwaartepunt van de cartografie zich naar Amsterdam. De cartografie was verweven met het klassieke denkbeeld van de kosmische orde.

 

Naar Indië

 

Kaarten speelden rond 1595 ongetwijfeld een doorslaggevende rol bij het maken van plannen om een poging te wagen naar Azië te reizen.

 

Azië was sinds het begin van de zestiende eeuw het gebied waar de Portugezen het alleenrecht hadden, zoals de Spanjaarden hun gang mochten gaan in Amerika. Spanje maakte inmiddels de dienst uit in Portugal en de Republiek was in oorlog met Spanje. Men wilde in het Verre Oosten op zoek gaan naar handelswaar. Maar dat moest als het even kon bij verrassing gebeuren. Daardoor ontstond het idee om een alternatieve route te verkennen, niet die langs Afrika waar het wemelde van de vijandige Spaanse en Portugese schepen, maar langs het noorden van Rusland en Siberië.

 

In 1593 ging een expeditie op weg. De expeditie van 1593 was bedoeld als een verkenning en die viel hoopvol uit. In 1595 werd een tweede expeditie naar het noorden gestuurd, maar die kwam voorbij de Noordkaap al snel grote hoeveelheden ijs tegen en keerde onverrichter zake terug. In 1596 vertrok een derde expeditie. Willem Barentsz leidde samen met Jacob van Heemskerck de uit slechts twee schepen bestaande vloot. Het werd een rampentocht. IJs belette de doorgang naar Azië. Het ene schip wist nog bijtijds de weg terug te vinden, het andere schip raakte bij Nova Zembla vast in het ijs en keerde in 1597 terug in Amsterdam. De geschiedenis werd bekend als ‘de overwintering op Nova Zembla’. De Waerachtige beschryvinghe van drie seylagien (1598) van de ooggetuige Gerrit de Veer werd een groot succes. Het succes werd ingegeven door een zekere nieuwsgierigheid en sensatiezucht bij het algemene publiek. Er werd een Franse, Latijnse en Duitse vertaling gemaakt.

 

In 1597 keerde het eerste schip dat via de zuidelijke route Indië had bereikt, in de Republiek terug. De ene compagnie na de andere werd opgericht en er vertrokken veel schepen richting Indië.

 

In de jaren daarna verschenen veel publicaties die de wonderbaarlijk snelle opmars van de Nederlanders op de wereldzeeën documenteerden. Daarmee was voor uitgevers in korte tijd een geheel nieuw succesartikel ontstaan: het feitelijke reisverslag, dat niet alleen de thuisblijvers informeerde, maar ook de zeelieden die van plan waren naar onbekende verten te vertrekken.

 

De in 1602 opgerichte Vereenigde Oost-Indische Compagnie groeide binnen enkele jaren uit tot een goed georganiseerd en zeer winstgevend handelsimperium. Alle West-Afrikaanse en Amerikaanse belangen werden sinds 1621 gebundeld in de West-Indische Compagnie.

 

De reisverslagen, die vaak gebaseerd waren op scheepsjournaals, groeiden uit tot een vast boekhandelsartikel zonder dat ze echt literatuur werden. Aan stilering en retorische trucs werd nauwelijks aandacht besteed.

 

Zeer geliefd was het verhaal van de Hoornse schipper Willem Ysbrantsz Bontekoe, die in zijn leven één reis naar de Oost maakte en die zeer dramatisch verliep. Er ontstond brand aan boord en zijn schip explodeerde. Pas twintig jaar na zijn terugkeer liet Bontekoe zich overhalen om zijn verhalen in boekvorm uit te geven: Het Journaal van Bontekoe. Uit her verslag spreekt een groot vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid, dat ook telkens beloond werd.

 

In de reisverhalen werd niet alleen aandacht besteed aan de zeemansheroïek, maar ook de harde confrontaties met Spanjaarden, Portugezen of autochtonen.

 

Indië in een spiegel

 

De VOC en de WIC waren aanvankelijk niet erg happig op de publicatie van reisjournaals van hun werknemers, omdat daardoor geheime informatie zou kunnen weglekken naar buitenlandse concurrenten. Toch lieten ze rond 1650 de teugels duidelijk vieren, wat waarschijnlijk ook een van de redenen was waarom de stroom reisverslagen in deze jaren weer sterk toenam.

 

Wat was bepalend voor het succes van de reisverslagen? Waarschijnlijk speelden de volgende motieven allemaal een rol: sensatiezucht, nieuwsgierigheid naar de lotgevallen van landgenoten overzee, belangstelling voor streken en volkeren en belangstelling voor de mogelijkheden om overzeese handelscontacten nog verder te intensiveren

 

In de tweede helft van de zeventiende eeuw begon het publiek zich een beetje uit te sorteren. Het meer op nieuws en sensatie gerichte publiek werd bediend met de goedkope uitgaven van spectaculaire reizen, terwijl het serieuze publiek inmiddels kon grijpen naar mooi uitgevoerde minutieuze beschrijvingen van vreemde continenten.

 

Luxueus en zakelijk informatief was de Oost-indische voyagie (1676) van Wouter Schouten, die als chirurgijn 6 jaar voor de VOC werkte. Hij beschrijft steden, hun bewoners, het achterland, de handelswaar, de bodemgesteldheid, de klimatologische omstandigheden, enz. Hij had een goed oog voor allerlei afwijkende gebruiken bij de lokale bevolking. Hij schreef kritisch over het doen en laten van zijn landgenoten. Vooral de seksuele uitspattingen en dronkenschap stoorden hem.

 

Een andere chirurgijn, Nicolaus de Graaff, zette enkele jaren later in zijn Oost-Indise spiegel (postuum verschenen in 1701) de kritische benadering van de Nederlandse kolonisten voort. Wat De Graaff beschrijft is een poel van zonde en verderf, en hij kan een en ander heel goed verklaren door erop te wijzen dat het meestal vrouwen van laag allooi waren die in Indië terechtkwamen.

Bij zijn rondgang langs de handelsnederzettingen in Azië beschreef De Graaff de lokale bevolking, de natuur en de militaire situatie ter plaatse. Bij elkaar vormden de notities een ‘spiegel’, waarin hij bepaalde misstanden aan de kaak wilde stellen. De Graaff trok zich het lot van de slaven aan. Hij was zeker niet tegen de slavernij op zich (als niet-christenen verdienden ze geen beter lot) maar daarom hoefden ze nog niet als beesten behandeld te worden.

 

De muze van Jan Compagnie

 

Financiële problemen waren een veel voorkomende aanzet voor een betrekking bij de VOC of WIC. Tekenen voor de VOC had als voordeel dat je als redelijk welgesteld man weer naar het vaderland kon terugkeren, doordat het salaris achteraf in één keer werd uitbetaald.

 

Een voorbeeld was Aernout van Overbeke. Hij schreef op hilarische toon over zijn belevenissen in de Oost. Hij liet een vaak onbelichte kant van het scheepsbestaan zien: er was vermaak. Dat vermaak was opvallend vaak nogal literair van aard met verhalen, liederen, grappen en toneelstukken.

 

Op schrift is slechts weinig van deze cultuur overgeleverd. Het oeuvre van Jacob Steendam is een uitzondering. Hij verleende als ziekentrooster geestelijke bijstand aan ernstig zieken en stervenden in het West-Afrikaanse Guinee. Tijdens een tijdelijke terugkeer in de Republiek publiceerde hij Den distelvinck (1649-1650). Later vertrok hij naar de kolonie Nieuw-Nederland, die op en rond het eiland Manhattan was gevestigd.

 

De mercator sapiens, de wijze koopman

 

Holland kreeg een kosmopolitisch en buitenissig karakter, dat niet alleen in de exotische handelswaar gestalte kreeg, maar ook in vele vernieuwende ondernemingen. Behalve de rijkdom en de kennis die van overzee werden gehaald, was er de immigratie van ondernemende en vaak ook goedgeschoolde Zuid-Nederlanders. Voortgaand onafhankelijkheidsstreven, de breed levende ondernemingszin, de wetenschappelijke ambities van de steeds groeiende groep humanistisch geschoolden en de ruime beschikbaarheid van geld schiepen een klimaat waarin het praktische experiment goed kon gedijen. De impulsen die uitgingen van de universiteit van Leiden waren daarbij van groot belang, maar zeker niet allesbepalend.

 

Simon Stevin, die achteraf als een groot voortrekker van de praktische wetenschap gezien kan worden,kwam na zijn vlucht uit de Spaanse Nederlanden in Leiden terecht. Na afronding van zijn studie ging hij er niet aan de universiteit werken, maar aan een door hemzelf opgezette ingenieursopleiding. Stevin was een probleemoplosser en als zodanig trok hij de aandacht van stadhouder Maurits. Die benoemde hem in 1593 tot zijn persoonlijk adviseur. Stevin moest de stadhouder inhouden in de geheimen van de wiskunde. In 1608 werd het resultaat van de bijzondere samenwerking uitgegeven onder de titel Wisconstighe ghedachtenissen. Abstracte wiskundige problemen werden behandeld tegen de achtergrond van praktische bezigheden als boekhouden, bouwkunst, het organiseren van legeronderdelen, enz.

 

Het praktische doel dat Maurits met het inhuren van Stevins ‘vernuft’ nastreefde, was van begin af duidelijk. De voortdurende militaire dreiging van de Spanjaarden, zou met het slim aanwenden van geld en menskracht overwonnen kunnen worden. Maurits zag goede mogelijkheden om de gangbare methoden van oorlogvoering te rationaliseren en te verfijnen, en wilde een en ander graag nagerekend en theoretisch onderbouwd hebben.

 

Maurits straalde niet alleen in zijn theoretische benadering maar ook in zijn succesvolle operaties tegen de Spanjaarden een grote praktische denkkracht uit, en het leek wel alsof hij daardoor velen ertoe bracht met hem mee te denken. Er liepen in deze jaren talloze uitvinders rond die de stadhouder benaderden met allerlei ingenieuze instrumenten, waar ze graag een octrooi op wilden hebben.

 

Leeghwater was een veelzijdige autodidact en een handige uitvinder die de aandacht op zich vestigde met het bouwen van krachtige watermolens. In 1608 raakte hij als uitvoerder betrokken bij het droogleggingsplan voor de Beemster. Het project werd gefinancierd door 6 vermogende Amsterdammers, die er niet alleen vruchtbare landbouwgrond voor terug hoopten te krijgen, maar ook een gebied dat vanuit hun stad goed bereikbaar was, met volop ruimte voor het aanleggen van buitenplaatsen.

 

Landkaarten tonen een strak volgehouden geometrische structuur van parallelle wegen en sloten en een gelijkmatig patroon van vierkante kavels. Vanaf 1613 werd in Amsterdam gewerkt aan de aanleg van de grachtengordel, een staaltje van planmatig grondgebruik waaruit eveneens het vertrouwen sprak dat de wereld in handen van ondernemende Hollanders tot op grote hoogte maakbaar was.

 

In zijn rede Mercator sapiens (De wijze koopman) bij de opening van het Atheneum Illustre in 1632 stelde Caspar Barlaeus Amsterdam voor als een kunstmatige stad die drijft te midden van poelen en moerassen en waar de gebouwen worden gedragen door een woud van palen. Barlaeus benadrukte in zijn rede het belang van de humanistische studie voor de economie en het bestuur.

 

Na de Beemster ging Leeghwater de Purmer (1622), de Wormer (1625) en de Schermer (1631) droogleggen. Ook diende hij in 1642 een plan in voor de drooglegging van de Haarlemmermeer. Leeghwater publiceerde een gedrukt pleidooi, het Haarlemmer-meerboeck, waarin hij puntsgewijs zijn analyses en aanbevelingen uiteenzette. Aan het eind nam hij zelfs de toevlucht tot dichtregels om alle te verwachten voordelen nog eens te benoemen. Leeghwater zou het allemaal niet meer meemaken: het Haarlemmermeer werd pas in 1852 drooggelegd.

 

In de jaren 1663-1665 werd een verharde weg aangelegd van Den Haag naar Scheveningen, waarvan Constantijn Huygens de initiatiefnemer en ontwerper was. Om de bestuurders aan zijn zijde te krijgen greep hij naar het wapen van de poëzie in zijn gedicht Zee-straet (1667).

 

Zien en geloven

 

Vanaf het einde van de vijftiende eeuw was het hechte, religieus gefundeerde wereldstelsel steeds meer onder druk komen te staan. De ontdekkingen van Columbus en Copernicus lieten de aarde op haar dogmatische grondvesten schudden. De herontdekking en herwaardering van talrijke klassieke teksten opende een geheel nieuw perspectief op de beschaving van de Oudheid, een beschaving die al snel als superieur of ten minste gelijkwaardig aan de christelijke wereld werd ervaren. En door de snelle opkomst van het gedrukte boek kwamen al die teksten snel binnen ieders bereik. Voor autoriteiten viel de informatie nauwelijks meer te kanaliseren, ondanks het al snel ontwikkelde wapen van de censuur. De religieuze twisten bewezen bovendien dat zelfs over de meest elementaire geloofswaarheden verschil van inzicht mogelijk was. Lutherse, calvinistische en katholieke theologen schiepen door hun wederzijdse verkettering (onbedoeld) ruimte voor twijfel, en die ruimte werd opgevuld door denkers van allerlei slag: sceptici, neoplatonisten, empiristen, rationalisten, mystici, hermetici en kabbalisten, die allemaal hun eigen manier hadden om orde te brengen in de schepping. Hoe dan ook kwamen in alle beschavingscentra van Europa de christelijke en ook de humanistische autoriteitsargumenten onder druk te staan. Geleerden werden in feite door de omstandigheden gedwongen beter te kijken en te gaan experimenteren. Empirische waarneming en experimentele wetenschap werden gaandeweg steeds belangrijker.

 

Rond 1600 begonnen veel intellectuelen door de voortgaande hervormingsstrijd te verlangen naar een religieuze levenshouding waarbinnen theologische tegenstellingen overwonnen konden worden. Er ontstonden tal van sekten die hoopten een algemene geloofsinhoud te bieden, die alle doctrinaire religies zou overstijgen. Het Huis der Liefde, waar Plantijn aan gelieerd was en waar ook Lipsius, Ortelius en Scaliger nauwe banden mee onderhielden, had typisch zo’n verzoenend karakter. Tegelijkertijd had het Huis der Liefde iets mysterieus, omdat het welbewust in het verborgene werkte. Ook dat was kenmerkend voor veel sekten.

 

Men kreeg steeds meer oog voor de dingen in deze wereld die nog op ontraadseling wachtten. Niet alleen geleerden, maar ook amateur-wetenschappers, gnostici, alchemisten en vrijetijdsfilosofen hielden zich dan ook met een veelheid aan metafysische vragen bezig. Veel van deze denkers kwamen uit het buitenland. Ze genoten in de Republiek de vrijheid om over allerlei onderwerpen de discussiëren en te publiceren.

 

Een van de belangrijksten was Jan Amos Comenius, een Tsjech die bij aankomst in 1657 al groot internationaal aanzien genoot als onderwijshervormer. Comenius streefde naar eenheid van alle geloofsrichtingen. Volgens zijn ‘Al-wijsheid’ waren de uiterlijkheden van de verschillende geloofsrichtingen niet van wezenlijk belang: de dingen in deze wereld moesten worden beschouwd als symbool, of als embleem van een hogere allesomvattende waarheid. Comenius had een pedagogisch systeem ontwikkeld dat als ‘de weg naar het licht’ omschreven kan worden. Hij had het uiteengezet in zijn Via Lucis (1642). Via kennis van de zichtbare wereld, via zelfkennis en via voortdurende bijbelstudie kon het ‘licht’ gevonden worden, dat zou bestaan uit diepe en goddelijke wijsheid. Hij laadde de verdenking op zich een ketter te zijn, omdat volgens hem hogere inzichten zonder bemiddeling van de kerk bereikt konden worden.

 

De geest van Descartes

 

René Descartes kwam al op zijn 21e naar de Republiek. Hij nam dienst in het leger van Maurits. Het was niet meer dan een tussenstop in zijn Grand Tour. Descartes leerde in het leger Isaac Beeckman kennen, die zich in zijn vrije tijd intensief met natuurkundige, filosofische en wiskundige problemen bezighield. Beeckman was sterk gericht op de praktische wetenschap. De herinnering aan de inspirerende gesprekken met Beeckman deed Descartes in 1628 weer naar de Republiek terugkeren.

 

In 1637 verscheen Descartes’ Discours de la méthode, waarin het gebruik van de verstandelijke vermogens wordt geanalyseerd en in praktische banen geleid. Wetenschappelijk denken berust op het begrijpen van zaken die zijn waargenomen. Het is dus rationeel én proefondervindelijk. Degene die wetenschap bedrijft moet zijn grenzen kennen. Het cogito ergo sum (ik denk dus ik ben) moet vooral gezien worden als een bescheidenheidsformule. Er is weinig zekere kennis, behalve dat een individu zeker kan weten dat hij bestaat simpelweg omdat hij in staat is om het te denken. Voor het overige heerst de twijfel. Volgens Descartes, die bang was om voor ketter aangezien te worden, is God weliswaar de bron van alles en is Zijn schepping coherent, maar de denkende mens zal het moeten doen met datgene wat hij ook echt kan waarnemen. Descartes’ Discours hield een breuk in met de oude aristotelische wetenschap, waarin alles door goddelijke kracht werd aangedreven en bezield. Conflicten met theologen die regelrecht atheïsme in Descartes’ methode meenden waar te nemen, brachten Descartes uiteindelijk tot het besluit de Republiek te verlaten.

 

Met het verstrijken van de jaren drongen de cartesiaanse denkbeelden langzamerhand door in de vorming van jonge wetenschappers.

 

Spinoza ging nog een stap verder dan Descartes. Spinoza wilde dat wetenschap zich alleen nog maar tot de natuur uitstrekte. Alleen datgene wat via de zuivere rede (een rede die vrij is van vooroordelen en emoties) kenbaar of beredeneerbaar was, kon het begin zijn van ware kennis. In zijn Ethica (1677) wordt het goddelijke zo goed als synoniem met de natuur: alleen de rede heeft het vermogen de natuur en dus God te doen kennen. In 1678 wordt Spinoza’s Ethica door de Staten van Holland verboden.

 

Leven door een glas

 

Het meest aansprekende onderzoek vond vooral buiten de universiteiten plaats, door met name Antonie van Leeuwenhoek en Christiaan Huygens. Huygens was de uitvinder van het slingeruurwerk en Van Leeuwenhoek van de microscoop.

 

De betoverde wereld

 

Er gaapte een diepe kloof tussen de onderzoekende geest van geleerden en het magische wereldbeeld van de ‘gewone mensen’. Het geloof aan toverkrachten, geesten, monsters, spoken, duivelse krachten en heksen was wijdverbreid. In de Republiek werden nog steeds vrouwen voor het gerecht gedaagd op verdenking van hekserij. Wel is het tekenend voor de langzaam veranderende kijk op magie dat er in de tweede helft van de zeventiende eeuw nog maar zelden zware straffen werden opgelegd.

 

Het geloof in heksen en toverij had in de vijftiende eeuw door het verschijnen van enkele traktaatjes een sterke impuls gekregen, met name het beruchte Malleus Maleficarum (De heksenkamer) uit 1486.

 

Met de kerkhervormingen van de zestiende eeuw werd maar in beperkte mate getornd aan de grondslagen van de volksmagie. Voor een deel werd het als paaps bijgeloof streng veroordeeld, maar met name in de calvinistische geloofsbeleving was ook een grote plaats ingeruimd voor het werk (de listen) van de duivel.

 

Vanaf het einde van de zestiende eeuw verschijnen er traktaten waarin de uitwassen van de heksenvervolging aan de kaak worden gesteld. Vooral The Discoverie of Witchcraft (1584) van de Engelsman Reginald Scott had grote invloed. De ergste excessen waren aan het begin van de zeventiende eeuw achter de rug.

 

Men kreeg ook steeds meer oog voor het misbruik dat van het toverijgeloof werd gemaakt. Toverij was namelijk ook handel: geld maken uit de goedgelovigheid van de medemens. De ergernis over dergelijke praktijken bracht de Amsterdamse predikant Balthasar Bekker tot het schrijven van het vierdelige De betoverde wereld, dat in de jaren 1691-1693 verscheen. Bekker ontkende niet alleen de toverij, maar ook het bestaan van de duivel. Bekker werd voor ketter uitgemaakt en uit zijn ambt gezet.

 

Het boek der natuur

 

Aan het einde van de zeventiende eeuw gaf het theologische wereldbeeld zich zeker nog niet gewonnen.

 

In Het regt gebruik der Wereltbeschouwingen (1715) werd door Bernard Nieuwentyt een op het eerste gezicht onmogelijke prestatie geleverd:  het orthodox evangelisch christendom werd verzoend met intense natuurobservatie. Nieuwentyts fysico-theologie stelde de proefondervindelijke methode voor als instrument waarmee Gods wonderwerken tot in de fijnste details geobserveerd konden worden.

 

God werd na ontdekkingen van o.a. Huygens en Van Leeuwenhoek steeds meer gezien als de grote horlogemaker die ervoor gezorgd had dat de natuur in al haar onmetelijke complexiteit toch een onfeilbare functionaliteit bezat.

 

Toen Hermannus Boerhaave in 1737-1738 het verzameld werk van Jan Swammerdam uitgaf, kreeg het als titel Bijbel der natuure. Swannerdam gebruikte de metafoor van het lezen van de omringende natuur, waarin de wonderwerken van God zich voor de goede waarnemer op een duizelingwekkende manier openbaarden.

 

In de jaren 1777-1779 verscheen in vier delen de Katechismus der natuur van Johannes Florentius Martinet, speciaal bedoeld voor schoolgaande kinderen. Het was een rondleiding langs de wonderen van de schepping.

 

Hoofdstuk 5 Lezers en verzamelaars

 

Lezen en luisteren

 

Lezen was vaak hardop lezen. In het religieuze en openbare leven was het gezamenlijk luisteren naar teksten diep verankerd. Het voorlezen uit de bijbel, het voordragen of zingen van psalmen en andere geestelijke liederen, en het afkondigen van wetten en verordeningen waren collectieve gebeurtenissen. Maar ook als er niemand was om toe te horen, lazen veel mensen hardop.

 

Stichtelijk en troostend

 

Veel mensen droegen altijd een psalmboekje of geestelijk liedbundeltje bij zich. Onder alle omstandigheden moest het troostend woord binnen handbereik zijn. Schepen die aan een grote reis begonnen, werden ruim voorzien van geestelijke literatuur. In veel verslagen van penibele gebeurtenissen in den vreemde worden er psalmen gezongen en wordt er gelezen uit de bijbel, om de moed niet te verliezen dan wel verzoend te raken met de situatie.

 

Bij religieuze teksten hoorde een bespiegelende of zelfs mediterende manier van lezen. Langzaam de betekenis van een psalm of bijbelverhaal tot je laten doordringen, en er eventueel met je dierbaren over van gedachten wisselen. Sommige dichters van religieuze teksten legden zich ook toe op het verwerken van veel geestelijk voedsel in teksten, dat slechts door goed en langdurig kauwen verteerbaar gemaakt kan worden. Uytspanningen (1676) van Jodocus van Lodenstein stond vol met enigszins duistere liederen, en de dichter legde voor alle zekerheid in zijn woord vooraf uit hoe zijn bundel het beste gebruikt kon worden: de liederen kwamen pas goed tot hun recht als ze in groepen gezongen werden. Alleen al door het zingen zou men in een ontvankelijke gemoedstoestand komen en vervolgens kon men samen het gedicht analyseren.

 

Het intensief lezen, herlezen, voorlezen of voorgelezen krijgen van religieuze teksten vond vrijwel in alle lagen van de bevolking plaats. Aan het einde van de achttiende eeuw was in een aanzienlijk deel van de huishoudens in de Republiek ten minste één boek aanwezig. Dat kwam in de eerste plaats door de voortgaande alfabetisering.

 

Boeken hebben en verwerven

 

Een andere factor in de spreiding van het boekenbezit lag in het nuchtere feit dat de wereld zich zo langzamerhand begon te vullen met bedrukt papier. In de meeste gevallen kregen boeken door vererving een nieuwe eigenaar, maar er werden ook regelmatig openbare verkopingen gehouden.

 

In de achttiende eeuw nam de boekconsumptie toe en met kleine, op goedkoop papier gedrukte uitgaafjes kwam het gedrukte boek ook binnen het bereik van de laagstbetaalden.

 

Boeken te koop

 

Elke stad van enig belang had wel één of meer boekhandels. Een boekhandel vertegenwoordigde meestal heel wat meer functies dan het te koop aanbieden van een ruim assortiment recent verschenen boeken. Men kon er ook terecht voor schrijfwaren, medicijnen, prenten, land- en zeekaarten, meetinstrumenten en globes. Vaak was een boekhandel nog nauw verbonden met een drukkerij, al werd die band wel steeds losser. Belangrijker was de rol van boekbinder die veel boekhandelaren vervulden. Boeken werden over het algemeen als ongevouwen vellen in de winkel aangeboden. De koper besliste waarin hij zijn boek ingebonden wilde hebben en dat was dan vaal een perkamenten band. Een paar dagen later kon hij zijn boek komen afhalen. Toch zullen er van courante titels vaak ook reeds gebonden of voorgenaaide exemplaren voorradig zijn geweest.

 

De reden voor de onafgewerkte staat van de boeken in de winkel zal voor een belangrijk deel zijn geweest dat de handelaren de dure investering van het binden konden uitstellen tot het moment dat zich een koper aandiende, die meteen de kosten kon afrekenen. Een andere reden was dat de boekhandelaar zo aan alle wensen van de klant tegemoet kon komen. Als een klant het boek graag elders wilde laten inbinden, of als hij er een speciale band met zijn eigen kenmerken om wilde laten zetten, dan kon dat. Nog een andere reden was de verhandelbaarheid van het nog ongebonden boek. Boekhandelaren bouwden hun assortiment doorgaans op door te ruilen met andere boekhandelaren. Daarbij werd een bedrukt vel geruild tegen een bedrukt vel, uitgaande van vergelijkbare kwaliteit van het drukwerk. Vooral in het internationale verkeer was het een handig systeem, omdat zo het omrekenen naar en omwisselen van vreemde valuta vermeden werd.

 

Vermaak voor ledige uren

 

In de zeventiende eeuw werden over de meest uiteenlopende onderwerpen boeken gemaakt, en net als tegenwoordig lijken veel van dergelijke boeken voort te komen uit simpel uitgeversinstinct. Dat instinct speelde met het gegeven dat het individu in nieuwe, letterlijk ‘ongehoorde’ dingen groot genoegen schept en in een beter humeur komt. Anders dan de moderne mens schaamde de zeventiende-eeuwer zich niet voor zijn nieuwsgierigheid en zijn sensatiezucht. Goed vertelde verhalen konden de lezer de sensatie geven iets intens mee te maken, zonder door de situatie bedreigd te worden. Verhalen over veldslagen, branden, natuurgeweld, wonderbaarlijke genezingen en hekserijen hadden voor een groot deel hun populariteit hieraan te danken. Populair waren ook de populariserende boeken over serieuze onderwerpen waarin verhalen de rode draad vormen. Voorbeelden zijn Het schilder-boeck (1604) van Karel van Mander en De schat der gesontheyt (1636) en Schat der ongesontheyt (1642) van Arnold Houbraken.

 

Op en onder de toonbank

 

In het laatste kwart van de zeventiende eeuw ontstond wat wel het begin van de libertijnse beweging leek. Steeds vaker verschenen er romans waarin schelmachtige figuren zich met liegen en bedriegen, en met hoererij en dronkenschap door het leven probeerden te slaan. De schelm is doorgaans een aan lager wal geraakte burgerjongen, en het decor is een bordeel. De aldaar in overvloed voorradige hoeren zijn listig, verdorven en willig. Deze romans verschenen anoniem.

 

Werken van Franse en Italiaanse herkomst gingen een paar stappen verder. De libertijnse ideologie speelde hierin een belangrijke rol. Volgens deze ideologie moet de mens zich niet door de moraal laten weerhouden, daarentegen wel de natuur volgen en bovendien alle mogelijkheden die het lichaam biedt volop benutten. Deze boeken werden in het Nederlands vertaald en door de overheid min of meer getolereerd, terwijl ze in Frankrijk ten strengste verboden waren. De dominees zagen de libertijnse golf met toenemend afgrijzen aan.

 

Verzamelaars en bibliomanen

 

Boeken verzamelen was een activiteit van geleerden en aristocraten. Een echte verzameling had een humanistische signatuur, bevatte veel edities van klassieke werken, studies van grote geleerden en oude (middeleeuwse) handschriften.

 

De centrale figuren onder de Amsterdamse bibliofielen waren Isaac Vossius en Nicolaas Heinsius, zonen van beroemde humanisten.

 

De nieuwe canon

 

Het kwam steeds vaker voor dat een prestigieuze boekenverzameling voor een groot deel uit Nederlandse literatuur bestond. Een eeuw eerder was dat nog nauwelijks denkbaar. Niet alleen vormden toen geleerde edities van klassieke schrijvers de basis van elke verzameling, er was ook nog nauwelijks een Nederlandse literatuur voorhanden die verzameld kon worden, want middeleeuwse teksten waren sinds het doordringen van de renaissance-idealen niet in tel, kronieken uitgezonderd. Maar rond 1700 was er geen schaarste meer aan Nederlandse literaire teksten. Tientallen emblematabundels, honderden liedbundels, vele honderden toneelstukken en talloze gelegenheidswerkjes waren er uitgegeven. En dan waren er nog de grote oeuvres van Hooft, Bredero, Vondel, Cats en Huygens.

 

In de loop van de tweede helft van de zeventiende eeuw groeide het besef dat de Nederlandse letteren jarenlang een bijzondere bloei hadden doorgemaakt, en dat die bloei gedoemd was om voorbij te gaan. Er ontstond een persoonlijkheidsverheerlijking van de ‘grote’ zeventiende-eeuwers.

 

Er was een nieuw Nederlandse canon aan het ontstaan die, in ieder geval in het spraakgebruik, de klassieke canon begon te beconcurreren. Steeds vaker werden Nederlandse dichters vergeleken met vooral Latijnse voorgangers: Bredero met de komedieschrijver Plautus, Hooft met de historieschrijver Tacitus, Vondel met Vergilius, enz. Veel dichters kregen na overlijden ook hun ‘verzameld werk’, dat meestal werd voorafgegaan door een levensbeschrijving. Geeraerdt Brandt had met zijn levensbeschrijvingen en edities van werk van Hooft en Vondel de toon gezet voor wat, sinds het begin van de achttiende eeuw, als een passend eerbetoon voor dierbare dichters werd gezien. David van Hoogstraten, Hubert Korneliszoon Poot en Pieter Vlaming traden regelmatig op als verzamelaar-editeur. Ze waren zelf dichters en hun edities mochten als een diepe buiging voor de recente Nederlandse literatuur worden gezien.

 

De min of meer terloopse canonisatie van zeventiende-eeuwse dichters was niet geheel onomstreden. Al rond 1670, bij de snelle opkomst van het genootschap Nil Volentibus Arduum, klinken er ook zeer kritische stemmen over Hooft, Vondel en hun vele navolgers. Volgens verschillende critici moesten de vermeende grote dichters worden beoordeeld op grond van enkele, universele, Frans-classicistische wetten. Dan zou blijken dat er aan Vondel en Hooft, laat staan aan de mindere goden, heel wat schortte. Fouten in de versificatie, het toestaan van allerlei onwaarschijnlijkheden en het gebrek aan basale geleerdheid waren allemaal terug te voeren op onwetendheid van klassieke normen, die overigens alleen met behulp van de rede in hun universaliteit begrepen konden worden.

 

De strijd voor of tegen Vondel, die ook wel de poëtenoorlog wordt genoemd, duurde minstens 5 jaar. Justus van Effen was een van de welbespraakste bestrijders van de Vondelverering. Hij schreef onder andere voor De Hollandsche Spectator (1731-1735).

 

Het bekvechten over de waarde van de zeventiende-eeuwers had wel tot gevolg dat bijvoorbeeld Vondel jarenlang intensief gelezen en becommentarieerd werd. Gedichten van Hooft en Vondel werden zelfs in het Latijn vertaald.

 

De Nederlandse literatuur werd in de eerste helft van de achttiende eeuw tot een serieus studieobject. Niet aan de universiteiten overigens, waar nog steeds de echte klassieken centraal stonden en de colleges nog in het Latijn gegeven werden. Het was vooral de Amsterdamse regent Balthazar Huydecoper die grote activiteiten ontplooide in het bestuderen van Nederlandse schrijvers. Zijn belangstelling ging uit naar taalkundige zaken als zinsbouw, spelling en woordbetekenissen. Hij wilde tot een reconstructie komen van het zuivere Nederlands, want deze eeuw was volgens hem in de loop der eeuwen nogal verbasterd geraakt.

 

In 1730 publiceerde Huydecoper Proeve van taal- en dichtkunde in vrijmoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde Herscheppingen van Ovidius, een minutieuze en kritische beschouwing van Vondels Metamorfosen-vertaling.

 

Een bijzondere affiniteit met de Nederlandse literatuur sprak uit de portrettenverzameling die Arnoud van Halen aan het begin van de achttiende eeuw aanlegde. Op basis van gravures en tekeningen maakte hij tientallen ovale portretjes van circa 11 cm hoog en 9 cm breed. Hij bracht ze onder in een ovale kast die de naam ‘Panpoëticon Batavum’ (alle Nederlandse dichters) kreeg. Dit was een neologisme dat was gevormd naar analogie van het Romeinse ‘Pantheon’ (alle goden). Zijn vriend Lambert Bidloo publiceerde onder dezelfde titel een berijmde beschrijving van de verzameling. Het gedicht bevatte een overzicht van 150 jaar Nederlandse literatuur en daarmee was het de aanzet voor een Nederlandse literatuurgeschiedenis.

 

Informatie voor lezers

 

Toch duurde het nog tot het begin van de negentiende eeuw voordat er een eerste serieuze poging werd ondernomen tot het schrijven van een geschiedenis van de Nederlandse literatuur. De canon bleef dan ook iets informeels, iets waarvan je door opvoeding of gesprekken met geestverwanten langzamerhand deelgenoot werd. Pas in de negentiende eeuw begon het boekbedrijf in te zien dat canonisering een handige methode was om bij het publiek de behoefte aan een eigen standaardcollectie van onontbeerlijke meesterwerken aan te kweken. Het Klassiek Letterkundig Pantheon (1852-1985) is daarvan een voorbeeld.

 

Toch was er ook in de zeventiende en de achttiende eeuw al vaak nagedacht over het aan de man brengen van zoveel mogelijk boeken. Het vinden van nieuwe afzetmogelijkheden was pure noodzaak doordat het Nederlandse boekenbedrijf zijn dominante positie in de internationale boekenwereld gedurende de achttiende eeuw gestaag zag afbrokkelen. Vooral de markt voor Franse boeken schrompelde ineen nadat in Frankrijk de teugels gevierd werden en daar van alles zonder al te veel bemoeienis van de censuur kon verschijnen. De Nederlandse boekenbranche werd steeds meer teruggeworpen op de thuismarkt. Het gevolg was een sterke toename van het aantal Nederlandstalige titels, die op de een of andere manier moesten worden afgezet.

 

De oplossing voor dit afzetprobleem werd niet geboden door de canon, maar door het periodiek. Het begon in de loop van de zeventiende eeuw met simpele advertenties in kranten waarin werd geattendeerd op een zojuist verschenen boek, onder opgave van het adres waar het te verkrijgen zou zijn. Kranten zagen voor zichzelf overigens verder geen enkele taak weggelegd in het verschaffen van culturele informatie.

 

De behoefte aan reflectie op de actualiteit werd tegen het einde van de zeventiende eeuw gevuld door het geleerdentijdschrift. Het ging daarin over wetenschappelijke ontwikkelingen, vaak aan de hand van een recent verschenen studie. Zo ontstond en passant de journalistieke benadering van het boek: uit de behoefte van wetenschappers om op de hoogte te blijven van de jongste ontwikkelingen. De voertaal van de eerste geleerdentijdschriften was echter Frans. De Rotterdammer Pieter Rabus besefte dat de leek daarbij ten onrechte over het hoofd werd gezien. In 1692 kwam hij met de Boekzaal van Europa, een tweemaandelijks verschijnend periodiek met nogal uitgebreide beschrijvingen van de inhoud van recente publicaties op alle mogelijke wetenschappelijke gebieden en in een verscheidenheid aan talen. Literatuur was in de Boekzaal slechts een van de vele aandachtsgebieden.

 

In het kielzog van de geleerdentijdschriften ontstonden aan het einde van de zeventiende eeuw talloze periodieken die van opinievorming hun specialisme maakten.

 

Pas tegen het einde van de achttiende eeuw werd het recenseren, in de zin van het uitvoerig commentaar geven op recent verschenen publicaties, een volwaardige activiteit waar gespecialiseerde bladen voor in het leven werden geroepen. Vriendjespolitiek, commerciële belangen, persoonlijke wraaknemingen en andere vormen van vooringenomenheid hadden een grote invloed op de publicaties.

 

De gemiddelde lezer werd vooral door mond-tot-mondreclame op boeken geattendeerd. Zo bezien was lezen nog steeds sterk verbonden met de orale cultuur.

 

Lezen in gezelschap

 

Boeken was gespreksstof. Dat kwam sterk tot uiting in het verschijnsel van het leesgezelschap, dat in de tweede helft van de achttiende eeuw een sterke opgang maakte. In steden en dorpen over de hele Republiek werden verenigingen opgericht die zich ten doel stelden op regelmatige tijden bijeen te komen en dan van gedachten te wisselen over een boek. Veel van die gezelschappen hadden een bestuur en reglementen waarin alle rechten en plichten van de leden nauwkeurig omschreven werden.

 

Het leesgezelschap was een typisch kleinburgerlijk verschijnsel. Echte wetenschappers, regenten, schrijvers en kunstenaars lieten zich er niet of nauwelijks mee in, en voor armen was het lidmaatschap door gebrek aan geld en leesvaardigheid niet weggelegd.

 

Literatuur was lange tijd nogal ondergeschikt in de gezelschappen. Er werden vooral politieke en godsdienstige traktaten en populair-wetenschappelijke werken gelezen.

 

Hoofdstuk 6 Dromen van betere tijden

 

Leven en literatuur na een Gouden Eeuw

 

In het blijspel Spiegel der vaderlandsche kooplieden (1756) van Pieter Langendijk wordt de teloorgang van een weelderig levende koopman in navrante trekken geschetst. Langendijk brengt een en ander terug tot een generatiekwestie: het vermogen dat de ouders met oppassend leven en ondernemend handelen hebben opgebouwd, wordt er door hun kinderen doorheen gejaagd.

 

Tot omstreeks 1720 had de Republiek nog steeds een prominente positie in het internationale handelsverkeer. Maar daarna brokkelde die positie heel snel af. Het concurrerend vermogen van het omringend buitenland was inmiddels zo groot dat de ooit zo vooruitstrevende en behendige Republiek in het handelsverkeer steeds vaker domweg over het hoofd werd gezien. De bezittende klasse stak ondertussen haar geld liever in veilige beleggingen als obligaties en buitenlands bankpapier dan in riskante handelsondernemingen of in de nijverheid.

 

De crisis kreeg een eigen vorm in discussies, polemieken, hekeldichten en satire. De ‘poëtenoorlog’ uit de jaren tien is er een sprekend voorbeeld van, maar er waren nog zo veel meer kwesties die in pamfletten, gedichten en koffiehuisdebatten fel werden besproken. Er vloeide jarenlang een onafzienbare stroom hekelende teksten, waarvoor een zeer algemeen onbehagen de voornaamste voedingsbodem lijkt te zijn geweest.

 

Veel satirische toneelstukken handelden over de handel in aandelen of ‘windhandel’ die in 1720 vanuit Frankrijk en Engeland kwam overwaaien. Voorbeelden zijn Arlequin actionist en Quincampoix of de windhandelaars van Pieter Langendijk.

 

Tijdschriften waren het meest adequate medium voor actuele satire.

 

De laatste Libertijn

 

Jacob Campo Weyerman begon vanaf 1720 met de uitgave van het tijdschrift De Rotterdamsche Hermes. Voor een deel bestond de inhoud uit nieuwtjes, voor een ander deel bevatte het stevig aangezette roddels over min of meer publieke figuren. Het tijdschrift bestond slechts een jaar, maar hierna gaf Weyerman nog een groot aantal andere tijdschriften uit. Hoe zijn opereren als ‘ontleder der gebreken’ gerijmd moet worden met zijn eigen moraal is een groot raadsel. Hij had onechte kinderen, maakte voortdurend schulden en pleegde regelmatig chantage op individuen. Weyerman was verhuist naar de vrijplaats Vianen. Hij ontketende steeds meer conflicten en in 1738 werd hij uitgeleverd aan het Hof van Holland. Vanwege zijn chantagepraktijken kreeg hij levenslang en werd hij opgeborgen in de Haagse Gevangenpoort.

 

De kijk van de spectator

 

Er werd voortdurend gezocht naar zondebokken voor de rampspoed die het land teisterde. Bij binnenlandse conflicten werd steeds vaker geschermd met begrippen als moreel verval.

 

In de jaren 1731-1735 verscheen De Hollandsche Spectator, geschreven door Justus van Effen. In gedichten, anekdotes, recensies, dialogen, brieven, vertellingen, enz. analyseert hij het verval van de Nederlandse cultuur. Van Effen hanteerde een ironisch gekleurd moralisme, in tegenstelling tot de op de man gerichte satire van Weyerman.

 

De Verlichting

 

Justus van Effen wordt graag gezien als een typische exponent van de Nederlandse Verlichting: een man van de rede, een baken van religieuze en politieke verdraagzaamheid, en vooral een opvoeder van de burger tot praktische deugdzaamheid en daarmee tot klein aards geluk.

 

De Nederlandse Verlichting was niet zozeer een culturele beweging, als wel een mentaliteit, die alleen in enkele globale trekken adequaat omschreven kan worden. Ze kwam op aan het einde van de zeventiende eeuw, wortelde vervolgens eerst in kringen van intellectuelen en ontwikkelde burgers, en in de tweede helft van de achttiende eeuw drongen de verlichtingsopvattingen op grote schaal door bij de middengroepen en eenvoudige burgers. Het was een typisch Nederlandse Verlichting, niet zo radicaal als in Frankrijk, Engeland en Duitsland, waar een steeds groter wordende groep denkers de religie afzwoer of tenminste een bescheidener plaats wilde geven in het denken over wetenschap, cultuur en samenleving. Theologische gezagsargumenten werden door filosofen als Locke, Voltaire, Diderot en Kant radicaal overboord gegooid: wetenschap moest berusten op waarneming en logische redenering. De rationalisering van de wetenschap die was ingezet door Bacon, Descartes en Spinoza, werd door de radicale verlichtingsfilosofen doorgetrokken naar politieke, economische en maatschappelijke vraagstukken.

 

Er was onder de belangrijke verlichtingsfilosofen veel verschil van opvatting over de meest uiteenlopende zaken, maar wat hen allemaal verbond was een groot optimisme. Optimisme over de mogelijkheden van de wetenschap: alles viel te weten door nauwkeurig waarnemen en redeneren. Optimisme over de vermogens van de mens: door het ontwikkelen van redelijke inzichten kon het individu greep krijgen op de natuur. Wanneer in het onderwijs het aankweken van rationele inzichten centraal zou staan, dan ontstond min of meer vanzelf een betere samenleving.

 

Voor ruzie over godsdienst was onder redelijke mensen geen plaats meer. Het was vooral de hugenoot Pierre Bayle die zich opwierp als de rationele verdediger van de religieuze tolerantie. Hij was gevlucht voor de geloofsvervolgingen onder Lodewijk XIV en in Rotterdam terechtgekomen. Zijn hoofdwerk was Dictionnaire historique et critique (1697), een grote verzameling levensbeschrijvingen van historische personen.

 

Met zijn Dictionnaire gaf Bayle een sterke impuls aan de inventariserende wetenschap, die een halve eeuw later haar hoogtepunt zou beleven met de verschijning van de Encyclopédie (1751-1780) van Denis Diderot en Jean le Rond d’Alembert. In deze encyclopedie waren alle mogelijke kennisdomeinen volgens de laatste inzichten in kaart gebracht.

 

De radicaalste vernieuwingen van de Verlichting dringen in de Republiek aanvankelijk nauwelijks door. Er waren verschillende omstandigheden die remmend werkten. Om te beginnen de stormachtige wetenschappelijke ontwikkelingen in de voorgaande eeuw; de Republiek had al een ‘verlichting’ achter de rug. Dat gold nog sterker voor het tolerantiedenken. Sinds Erasmus bestond er een sterke Nederlandse traditie van verdraagzaamheid in met name geloofszaken, wat zich uitte in een geschakeerd geloofsleven.

 

Wat nog meer opvalt aan de Nederlandse Verlichting, is de nogal sombere toon. Hier geen juichend optimisme, maar bezorgdheid over de deplorabele toestand van de natie. Rond 1730 drong het besef door dat het niet meer vanzelf goed zou komen. Het was tijd om wakker te worden en aan de wederopbouw te beginnen. Door het aankweken van kennis en deugd bij de goedwillende burger zou de ommekeer teweeggebracht moeten kunnen worden. Justus van Effen zette met zijn Hollandsche Spectator een opzichtige eerste stap, en na hem volgden er nog talrijke andere spectators en tijdschriftenmakers die met veel geredeneer hun publiek van de ernst van de situatie probeerden te doordringen.

 

Verfransing

 

Het onbehagen over de toestand van de Republiek wakkerde onwillekeurig nationalistische gevoelens aan. Het nationale gevoel had een zondebok nodig om aannemelijk te maken dat de inzinking slechts van tijdelijke aard was. Die werd gevonden in alles wat met de erfvijand Frankrijk samenhing. En dat was veel. Vooral de elite was sterk op de Franse cultuur georiënteerd. Kinderen uit de hoogste kringen kregen veelal een Franse opvoeding: ze leerden de Franse taal, Franse manieren, en lazen Franse boeken. De verfransing nam rond 1700 een grote vlucht.

 

Frans was een groepstaal waar je overal goed mee uit de voeten kon. Zoals Latijn de lingua franca van de geleerden in heel Europa was, zo was het Frans de lingua franca van de internationale handels- en bestuurselite. Frans leren betekende in beginsel niet zozeer het omhelzen van de Franse cultuur. Het was veeleer een noodzakelijke voorbereiding op een bestaan met veel internationale contacten. In de tweede helft van de zeventiende eeuw won de Franse cultuur snel aan prestige. Het hof van Lodewijk XIV bepaalde de trends op het gebied van wetenschap, bouwkunst, tuinarchitectuur, toneel, muziektheater, kleding, haarmode, enz. In de Republiek werden deze ontwikkelingen met gemengde gevoelens gevolgd. Enerzijds met een zeker afgrijzen, omdat de Franse inval van 1672 nog altijd als een schrikbeeld in de hoofden zat. Anderzijds werden de artistieke vernieuwing en culturele verfijning in Frankrijk voor velen gezien als voorbeeldig voor de Nederlandse situatie. Het Frans-classicisme leek een latente behoefte aan grandeur, kiesheid en wetenschappelijk beredeneerde normen te voeden. De precieze Franse levensstijl die daarbij hoorde, werd door de adel en de regentenklasse in de Republiek op grote schaal gekopieerd.

 

Denken over vrijheid

 

In 1747 ontstond er een revolutionaire sfeer nadat Franse troepen plotseling Zeeuws-Vlaanderen binnentrokken. Er kwam onrust. Het volk riep om herstel van het Oranjehuis in zijn stadhouderlijke waardigheid. Willem IV werd in Den Haag geïnstalleerd als stadhouder. Als stadhouder kreeg Willem van Oranje veel meer bevoegdheden dan wie van zijn voorgangers ook. Toch hield de onrust aan, met de machtige en rijke regentenklasse als mikpunt. De burgerij wilde politieke invloed en een rechtvaardiger belastingregime.

 

Net als bij eerdere crises in de Republiek regende het ook rond 1748 weer pamfletten en gelegenheidsgedichten, vooral voor Willem IV en tegen het regentendom.

 

Schandaal in Holland

 

De enige dichters die nu nog met Willem IV in verband worden gebracht, zijn de Friese broers Willem en Onno Zwier van Haren, maar dat gebeurt meer op politieke gronden dan op dichterlijke. Willem schreef een uitvoerig epos over de vermeende stamvader van de Friezen: Gevallen van Friso (1741). Onno werd door twee van zijn dochters beschuldigd van incest, wat uitliep op een schandaal. Hij schreef het drama Agon, sulthan van Bantam (1769).

 

Het zuiden herademt

 

Vanaf het einde van de zestiende eeuw waren de Zuidelijke Nederlanden in de greep geweest van de Contrareformatie. Geestelijken bepaalden grotendeels het culturele leven. Niet alleen souffleerden zij de overheidscensuur, die zeer actief was, ze waren ook de voornaamste producenten van boeken, toneel, muziek, enz.

 

Jacob Cats werd veel gelezen, bewonderd en nagevolgd in het zuiden. Adriaen Poirters gaf met zijn embleembundel Het masker van de wereld afgetrocken (1645) een contrareformatorische invulling aan het moralistische stramien dat Cats in zijn vroege embleembundels had ontwikkeld.

 

De Antwerpse toneelschrijver greep bij gebrek aan inspirerende lokale voorgangers terug op het werk van met name zijn Amsterdamse collega’s Bredero en Hooft. Het leverde onder andere de cyclus De seven hooftsonden (geschreven tussen 1635 en 1647, en in 1682 gezamenlijk uitgegeven) op, een reeks van zeven kluchten waarin elke keer een andere hoofdzonde centraal stond. De cyclus werd ook in het noorden uitgegeven. De afzonderlijke kluchten groeiden uit tot repertoirestukken van de Amsterdamse Schouwburg. Ze ondergingen ingrijpende bewerkingen, die neerkwamen op een grondige veramsterdamsing van de taal en ook de inhoud. De moralisaties waren er geheel uit verwijderd.

 

Ogier was een eenzame hoogvlieger in een wankel en conservatief Zuid-Nederlands toneelklimaat. De kerk wilde weinig toestaan, en bovendien had het Nederlands een achtergestelde positie. Het nogal dominante Brusselse hof was Spaans-, Duits- dan wel Franstalig, maar het Nederlands speelde er geen rol van betekenis.

 

Af en toe stond er een auteur op die de malaise wilde doorbreken. En dat was bijna altijd iemand die naar het noorden keek, zoals Michiel de Swaen. Hij schreef onder andere een poëtica, Neder-duitsche digtkonde of rym-konst, met veel aanhalingen van grote schrijvers uit het noorden.

 

Oude en nieuwe conventies

 

In het noorden was na het uitwoeden van de poëtenoorlog, rond 1720, een periode aangebroken van ontnuchtering en richtingloosheid. Achteraf kan de crisis in de literatuur nog het beste worden omschreven als het onvermogen bij schrijvers en dichters aan te sluiten bij de nieuwste inzichten die in de natuurwetenschap en filosofie ontwikkeld waren. Wel werden de lijnen tussen natuur en hogere betekenissen eenvoudiger: erudiete verwijzingen en mythologie vielen er steeds meer uit, de christelijke God bleef.

 

Traditionele pastorale gedichten bleven nog lang populair, en die populariteit tekent de stagnatie die zo kenmerkend is voor de officiële Nederlandse literatuur tot circa 1780. In die officiële literatuur golden de wetten van de kunst zoals ze door Frans-classicisten als Corneille en Boileau op gezag van Aristoteles en Horatius waren geformuleerd. Die wetten hadden onder invloed van het rationalisme alleen maar aan kracht gewonnen.

 

Het uitblijven van nieuwe ontwikkelingen betekende niet dat er weinig geschreven werd. Integendeel, alle klassieke hoofdgenres (lyriek, drama en epos) werden op grote schaal beoefend.

 

Uitsluitend de beste schrijvers waagden zich aanvankelijk aan het epos, zoals Joost van den Vondel met zijn heldendicht Johannes de Boetgezant (1662). Kort voor het begin van de achttiende eeuw doorbraak Lukas Rotgans het taboe op het epos. In 1700 voltooide hij een epos over een held die nog leefde: Willem III. Het hek was hiermee van de dam. Behalve onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis werden ook klassieke en bijbelse figuren bezongen in zeer uitvoerige heldendichten.

 

Het Frans-classicisme had een grote invloed op het theater. Er werd veel vertaald uit het Frans, en ook de schaarse inheemse stukken leken sterk op de Franse. Belangrijk was de eis van waarschijnlijkheid die aan toneelstukken werd opgelegd. De eenheden van plaats, tijd en handeling waren van die eis een nadere precisering: het publiek kon de intrige alleen maar bevatten wanneer het tijdsverloop geen al te grote bokkensprongen maakte, wanneer bij de wisseling van locatie alles op loopafstand werd gehouden, en wanneer de handeling van het spel geen bijkomstigheden bevatte. Een verschijnsel als een koorzang aan het einde van een bedrijf was uit den boze, want die had niets met de handeling te maken. De eis van waarschijnlijkheid keerde zich ook tegen alle toverij en duivelsverschijningen, die een eeuw eerder nog voor groot spektakel zorgden.

 

Het Frans georiënteerde toneel stelde tegenover dat spektakel vooral hartstocht, en dan met name slecht begrepen hartstocht. Acteren bestond in de eerste plaats uit het uitbeelden van hartstochten.

 

Vrijmoedige bedenkingen

 

De Verlichting betekende niet alleen een ongebreideld geloof in de rede, er kwam ook aandacht voor het ‘gevoel’. Gevoel mag ook wel een echt achttiende-eeuwse uitvinding heten, meer dan rede, waar in de zestiende en zeventiende eeuw al zo veel over gefilosofeerd was. Het nieuwe aan het begrip ‘gevoel’ was de positieve waardering ervan. Door enkele geschriften van Jean-Jacques Rousseau sloeg de gereserveerde of negatieve kijk op de menselijke emoties om in een positieve. In het denken van Rousseau kreeg de natuur de eerste rechten, en niet de religie, de cultuur of de wetenschap. Integendeel zelfs: als iets de menselijke waardigheid in de weg stond, dan was het een teveel aan opvoeding en dogma’s.

 

Een van de weinigen die goed op de hoogte waren van de radicale ontwikkelingen in Frankrijk, was Rijklof Michaël van Goens.

 

Gevoel en karakter

 

Van Goens kreeg in eerste instantie weinig gehoor. Het duurde tot ongeveer 1780 voor de omslag kwam. Het was geen brede beweging, maar eerder het in korte tijd opstaan van talentrijke individuen die naar nieuwe wegen zochten. Zoals Hieronymus van Alphen, die in 1780-1782 Theorie der schoone kunsten en wetenschappen publiceerde, waarin hij uitdrukkelijk afstand nam van de koele redeneringen van het classicisme en in plaats daarvan een dichterschap propageerde dat in het teken stond van persoonlijke schoonheidsbeleving.

 

Door Rhijnvis Feith maakte het Nederlandse publiek in 1783 via de briefroman Julia kennis met het sentimentalisme, een beweging waarin de subjectieve beleving van emoties centraal stond. Dat is een omschrijving waaronder ook de Romantiek geschaard kan worden, reden waarom bij het sentimentalisme ook wel van vroege Romantiek gesproken wordt. Feiths sentimentalisme werd grondig bekritiseerd, bespot en geparodieerd.

 

Het genootschapsleven

 

Sinds 1750 was het ene na het andere genootschap opgericht. Aanvankelijk hadden de genootschappen een nogal wetenschappelijke signatuur. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (1752) legde zich toe op het verstegen van de academische en culturele vorming van haar leden, met als verhoopt gevolg daarvan het oplossen van allerlei wetenschappelijke vraagstukken met een sterk maatschappelijke relevantie. De wederopbouw van de natie was gebaat bij wetenschappelijke inzichten. Er heerste groot geloof in de mogelijkheden van organisaties van gelijkgezinden om sociale problemen op te lossen. En zo werd het ene genootschap na het andere opgericht.

 

In de jaren van genootschappelijk elan werd ook de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1766) opgericht, met als standplaats Leiden. De Maatschappij wilde zich toeleggen op het bevorderen van de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde en van de vaderlandse geschiedenis.

 

De onderlinge wedijver in genootschappen werd bevorderd door talloze prijsvragen. De competitie werd niet alleen in de wetenschap toegepast, maar uitdrukkelijk ook in de literatuur. Er ontstonden vanaf 1760 steeds meer dichtgenootschappen, die zich beijverden voor het op een hoger plan brengen van de vaderlandse dichtkunst. Het jonge talent dat in de genootschappen was beland, voelde zich echter al snel niet meer thuis in de sfeer van regelzucht en betutteling. Dichters als Bellamy, Van Alphen, Feith en Bilderdijk maakten zich dan ook los van de dichtgenootschappen.

 

Schrijvende vrouwen

 

De genootschappen braken met de hardnekkige traditie die vrouwen buiten dichterlijke organisaties hield. Diverse genootschappen leken echt moeite te doen om vrouwelijke leden te krijgen. Het is moeilijk uit te maken in hoeverre het hier gaat om het geven van ruimte aan vrouwen, dan wel dat die ruimte zo langzamerhand door vrouwen werd opgeëist. Het schrijven door vrouwen was niet iets nieuws, maar in deze vorm en op deze schaal was het nog niet eerder voorgekomen. In de zeventiende eeuw waren er wel enkele kringetjes geweest, bijvoorbeeld rond Anna Roemers en Constantijn Huygens, waar vrouwen als dichter faam genoten, maar dat bleef toch vaak informeel en bescheiden. Ze vervulden niet meer dan een marginale rol in de literatuur.

 

Voor een groot deel kozen vrouwen uit de elite voor een literaire carrière, zoals Juliana Cornelia de Lannoy en Lucretia Wilhelmina van Merken. De Lannoy groeide uit tot een van de Nederlandse literatuur.

 

Wolff en Deken

 

De Lannoy en Van Merken conformeerden zich nog aan de classicistische normen en de verheven thema’s die al zo lang meegingen. De vernieuwing lag echter in het laag in aanzien staande proza en in alledaagse onderwerpen. En degenen die daarin tot ware grootmeesters uitgroeiden waren Betje Wolff en Aagje Deken. Ze hadden elkaar in 1776 leren kennen. Ze waren beide op zoek naar een hartsvriendin met wie niet alleen lief en leed, maar ook de literaire ambitie gedeeld kon worden. De nogal uitbundige en dominante Betje en de nuchtere en bedeesde Aagje hadden wat moeite om aan elkaar te wennen, maar in 1777 worden ze min of meer in elkaars armen gedreven door het overlijden van de man van Betje. Het werd het begin van een lange, intense samenwerking. Ze gingen samenwonen en in 1777 publiceerden ze hun eerste gezamenlijke werk: Brieven, een verzameling gedichten ter nagedachtenis aan dominee Wolff. Ook hun belangrijkste werk, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782), was in briefvorm gesteld. De briefvorm kwam optimaal tegemoet aan de behoefte bij verlichte romanschrijvers om het individuele oordeel, maar ook stemmingswisselingen en typerende karaktertrekjes uit te laten komen.

 

Groeiend besef van onrecht

 

Belle van Zuylen bekritiseerde allerlei sociale misstanden genadeloos. De kritiek spitste zich niet alleen toe op de achterstelling van de vrouw, maar ook op de voorrechten van de adel. Haar debuutverhaal was Le noble (De edelman, 1762). Belle van Zuylen bleef in het Frans schrijven. De roman Caliste (1787) werd haar doorbraak. Van de faam van Belle van Zuylen drong echter maar weinig door tot de Republiek. Haar werk werd niet of nauwelijks vertaald.

 

Lezende kinderen

 

Ongeveer tegelijkertijd met de vrouwen veroverden ook de kinderen hun eigen plaats in de literatuur. De zeventiende-eeuwse kinderboekjes weerspiegelden vooral het volwassen wereldbeeld en waren meestal erg godsdienstig. In de loop van de achttiende eeuw kwam er belangstelling voor de eigen beleving van het kind, dat al spelend greep op de wereld probeert te krijgen. Er werd steeds meer nagedacht over pedagogische methoden. Daar hoorde ook nieuwe vormen van kinderliteratuur bij.

 

In 1778 verscheen Proeve van kleine gedigten voor kinderen van Hieronymus van Alphen, een bundel korte gedichtjes die bestemd waren voor kinderen van vijf tot tien jaar. Van Alphen noemde het bundeltje een Proeve om te zien of ze in een behoefte voorzagen. Het werd meteen een groot succes en in hetzelfde jaar schreef hij Vervolg der kleine gedigten voor kinderen. In 1782 kwam er nog een Tweede vervolg. De in totaal 66 versjes werden nu gebundeld en onder de titel Kleine gedigten voor kinderen ontelbare malen herdrukt.