wpe681f390.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Deze en de volgende pagina’s bevatten mijn werkstuk voor de master-werkgroep Bruine schrijvers van de opleiding Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden in het collegejaar 2007-2008. De voetnoten - en daarmee de literatuurverwijzingen - zijn in deze online-versie weggelaten. Wie interesse heeft in een exemplaar met noten en literatuurverwijzingen kan een e-mail sturen naar marjoleingommers@home.nl

Veel leesgenot!

 

Vatmaar en Afdraai. De positie van de bruinmensen in twee romans van A.H.M. Scholtz

 

1 Inleiding

 

Eén van de opmerkelijkste ontwikkelingen tegen het einde van de twintigste eeuw is de plotselinge aanwezigheid binnen de Afrikaanse literaire wereld van een groep bruine schrijvers die proza schrijft. ‘Die opeense verskyning van die een pragtige Afrikaanse prosawerk na die ander uit die vroeër gemarginaliseerde gemeenskappe is die literêre wonder van die jare negentig,’ schrijft Wium van Zyl (1997) niet zonder enige overdrijving. Deze onverwachte vloed van prozapublicaties heeft ongetwijfeld te maken met een nieuw politiek en sociaal-cultureel klimaat waarin enerzijds het Afrikaans zijn stigma als taal van de onderdrukker kwijtraakt en anderzijds de bruine schrijvers zich kunnen veroorloven om ondubbelzinnig tegen de apartheid stelling te nemen zonder hun manuscripten gewraakt te zien. Eén van de bruine schrijvers die in het laatste decennium van de twintigste eeuw debuteert is A.H.M. Scholtz. Het thema van zijn werk vormt de geschiedenis van de rassendiscriminatie en de invloed ervan op de bruinmense. In deze nota zal ik weergeven wat de positie van de bruinmensen is in twee romans van de auteur A.H.M. Scholtz: Vatmaar en Afdraai.

 

2 De auteur A.H.M. Scholtz (1923-2004)

 

Verschillende recensenten schrijven dat Scholtz zonder enige twijfel de meest geprezen en succesvolle bruine Afrikaanse prozaschrijver van het laatste decennium in de twintigste eeuw is. Met zijn roman Vatmaar uit 1995 debuteerde hij op 72-jarige leeftijd.

Vatmaar vertelt het verhaal van de inwoners van een klein dorpje met dezelfde naam. Vooral de oudere bewoners van deze nederzetting krijgen de gelegenheid om hun levensverhaal te vertellen. Het resultaat is een bonte verzameling, sterk gekleurd door de persoonlijkheden en ervaringen van de verschillende vertellers. Na Vatmaar volgde in 1996 Langsaan die vuur, een werk dat vijf biografieën bevat. In 1998 volgde ten slotte Afdraai, een kroniek die het grootste deel van de twintigste eeuw bestrijkt en gaat over de inwoners van de plaas Brinks Pos. Met deze romans heeft Scholtz in enkele jaren een belangrijk oeuvre opgebouwd.

De roman Vatmaar ontving in eigen land drie belangrijke literaire prijzen. Maar niet alleen in Zuid-Afrika, ook daarbuiten heeft zijn werk ruime verspreiding en grote erkenning gekregen. Vatmaar is niet voor niets in het Nederlands, het Engels en het Duits vertaald en ook van Afdraai is een Nederlandse en een Duitse vertaling verschenen. In recensies wordt het werk van Scholtz herhaaldelijk vergeleken met een onbewerkte diamant: niet alles is even netjes verzorgd, maar de sprankeling die door de ruwe, onbewerkte oppervlakte schijnt, geeft een verrassende glans. Het werk van Scholtz is niet perfect gepolijst en vertoont verschillende vormelijke tekortkomingen en inhoudelijke gebreken. Het werkt mist soms diepgang en niet alle verhaallijnen worden netjes afgerond. Maar juist de onzuiverheden vormen volgens de recensenten de aantrekkingskracht van het proza van Scholtz. Het zou hierdoor een spontaniteit krijgen die rechtstreeks een beroep doet op de gevoelens van de lezer.

De onafheid of het gemis aan afronding van Scholtz’ werk is waarschijnlijk het resultaat van het feit dat de auteur weinig formele vorming gehad heeft. Scholtz heeft nooit in zijn eigen taal, het Afrikaans, onderwijs gekregen. Net als de bewoners van Vatmaar kreeg hij les in het Engels. Daarnaast kon Scholtz zijn schoolopleiding nooit voltooien. Als oudste van tien kinderen moest hij namelijk, toen zijn vader als gevolg van een gebroken heup arbeidsongeschikt raakte, op dertienjarige leeftijd een vak leren. Hij werd leerling-timmerman en na zijn opleiding vestigde hij zich als zelfstandige. Met het creatieve schrijven begon hij pas op latere leeftijd, nadat hij – overigens zonder succes – zijn geluk als beeldend kunstenaar had beproefd. Scholtz is dan ook wat we noemen een autodidact, dus iemand die zijn kennis door eigen studie, zonder leermeester, verkregen heeft.

De romans van Scholtz zijn oorspronkelijk in het Engels geschreven, eenvoudigweg omdat Scholtz alleen les heeft gehad in het Engels en niet in zijn eigen taal. Zijn Engels was echter zozeer doorspekt met Afrikaanse zegswijzen en Afrikaanse begrippen dat het resultaat onleesbaar was. Het werk van Scholtz is vervolgens in het Afrikaans vertaald.

De romans van Scholtz worden vaak getypeerd als werken die buiten de canon en heel waarschijnlijk ook zonder kennis van de canon geschreven is. Zonder literaire opleiding en zonder grondige kennis van de Afrikaanse letterkunde, kon Scholtz alleen terugvallen op de verteltechniek die hij uit ervaring kende, namelijk de orale verteltechniek. De manier waarop informatie doorgegeven en verhalen verteld worden in een geïsoleerde gemeenschap bepaalt de verteltechniek in de werken van Scholtz. Hij gaat van de oerverteltechniek uit. Hij gebruikt de meest rudimentaire en tegelijkertijd de meest universele manier van vertellen, namelijk die van een verteller tegenover een toehoorder. ‘Ik ga een verhaal vertellen over de bruinmensen van Zuid-Afrika’ schrijft Scholtz in het voorwoord tot de lezer in Vatmaar. De schrijver heeft ongetwijfeld zelf ontelbare keren naar de verhalen of roddels geluisterd die overdag opgevangen en bijvoorbeeld ’s avonds rondverteld werden, zoals de vertellingen rond het vuur uit zijn tweede roman Langsaan die vuur.

In tegenstelling tot veel andere schrijvers maakt Scholtz niet het traditionele orale erfgoed tot zijn verhaalstof. Zijn romans zijn geen bewerking van oudere, mondeling overgeleverde verhalen. Scholtz beschrijft eenvoudigweg zijn eigen leefwereld en hij laat zich daarbij inspireren door de mensen en de landschappen waarmee hij volledig vertrouwd is. Zijn romans spelen zich af in het gebied dat voorheen de Kaapprovincie was. Dit betekent echter niet dat wat hij schrijft het gevolg is van een kopieerlust van het alledaagse leven. De geschiedenis en de leugen gaan hand in hand. Met name de details in zijn werk zijn vaak op de werkelijkheid gebaseerd. Het gaat dan dus om de kleine dingen.

 

3 Vatmaar. ’n Lewendagge verhaal van ’n tyd wat nie meer is nie

 

Zoals al eerder opgemerkt, is het meest opvallende aan het werk van Scholtz het feit dat de mondelinge verteltraditie centraal staat. Aan de hand van de levensbeschrijvingen van de belangrijkste inwoners wordt in Vatmaar een levendig beeld van het leven in de gelijknamige kleurlingnederzetting geschetst. Centraal in de roman staan de levensverhalen van Oom Chai en Tante Wonnie. Binnen de hoofdverhaallijnen ontstaan telkens bijverhalen wanneer nieuwe personages de gelegenheid krijgen om hun verhalen te vertellen. Het optreden van een personage in de vertelling van een ander personage vormt meestal de aanleiding tot de ontginning van zo’n nieuw levensverhaal of een deel daaruit. Zo wordt bijvoorbeeld het levensverhaal van tante Wonnie onderbroken op het moment dat ze voor de rechtbank moet verschijnen. In de gevangenis ontmoet ze vier andere arrestanten waarvan het lot dezelfde dag in handen van de rechter ligt. Voordat we het vonnis in Wonnies zaak vernemen, wordt eerst de geschiedenis en de uitspraak in de zaken van Neels Vool, Chan Look, Bennie O’Grady en Hendruk Jannewarie uit de doeken gedaan. Verder wordt tijdens de levensgeschiedenis van tante Wonnie uitgebreid verteld over de lotgevallen van haar man die op het slagveld gesneuveld is, haar kinderen die tijdens de Grote Griep gestorven zijn en haar in leven gebleven dochters Kaaitjie en Suzan. Luc Renders vergelijkt het verhaalstramien heel treffend met de Russische matroesjkapoppen: een identieke, kleinere pop of kleiner personage wordt steeds binnen een grotere geplaatst.

 

De meeste blanken in de roman worden getypeerd als personages die de kleurlingen en zwarte mensen als een ondergeschikte klasse beschouwen waarmee ze geen rekening hoeven te houden. Zwarte mensen en kleurlingen moeten hard werken voor een karig loon. Zij worden vernederd, beledigd, zonder reden mishandeld of in de gevangenis gegooid. Huizen van de blanken zijn verboden terrein. Kleurlingen en zwarte mensen moeten bij de achterdeur aankloppen en ze krijgen hoogstens toegang tot de keuken. De bedienden wonen in een kamertje in de tuin en moeten tevreden zijn met de aalmoezen die blanken soms geven. Kortom, hun menswaardigheid wordt ontnomen door de blanken.

Een opvallend punt is dat Scholtz een belangrijke plaats heeft ingeruimd voor vrouwelijke vertellers, zoals Tante Wonnie en haar dochters Kaaitjie en Suzan. Zij staan op de laagste trede van de maatschappelijke ladder. In de roman zelf lezen we: ‘[…] zwart zijn en dan ook nog als vrouw geboren worden is wel het slechtste wat je als mens kan overkomen, bijna net zo erg als slaaf zijn, soms nog erger.’ (pag. 272) Hierdoor wordt het beeld dat geschetst wordt van de zwarten en kleurlingen eigenlijk alleen nog maar schrijnender.

 

In de roman Vatmaar worden de onderdrukten niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk naar de rand van de samenleving verstoten. Vatmaar is een dorpje waarvoor niemand belangstelling heeft en dat helemaal afhankelijk is van het nabijgelegen blanke Du Toitspan, waarmee het op gespannen voet leeft. De mensen die in Vatmaar leven zijn van geen belang voor de samenleving als geheel. Alle belangrijke voorzieningen zijn in Du Toitspan gevestigd: het gemeentehuis, het politiebureau, het gerechtshof etc. Voor alles moet eerst bij het gemeentehuis in Du Toitspan toestemming gevraagd worden of moet een beroep worden gedaan op de gunsten van blanke instanties, zoals de kerk.

Het contrast tussen Vatmaar en Du Toitspan is groot. Du Toitspan beschikt over allerlei luxe voorzieningen die in Vatmaar volledig afwezig is: ‘We woonden in een nederzettinkje dat de naam Vatmaar had gekregen. Het lag zo ongeveer zes kilometer van Du Toitspan af, een dorp met huizen die kranen hadden en lampen die je aan kon steken door op een knopje te drukken. Er stonden hoge palen in Du Toitspan met smalle dwarsbalkjes waarover dunne draden waren gespannen, die door onze vrienden die slimmer waren dan wij telefoondraden werden genoemd. Niemand van ons in Vatmaar had ooit een telefoon gezien. […] In Vatmaar moesten we ’s avonds kaarsen opsteken die je in onze koeliewinkel kon kopen voor een penny per stuk […] Ons water kwam uit putten.’ (pag. 13)

 

De inwoners van Vatmaar streven naar de meest fundamentele levensbehoeften, namelijk een dak boven hun hoofd. Ze zijn trots op het lapje bouwgrond dat ze toegewezen krijgen, maar waarvan ze nooit eigenaar kunnen worden. Ondanks de rassenhaat en de armoede is alles niet één doffe ellende. Vatmaar wordt soms zelfs voorgesteld als een soort paradijsje waar de meeste inwoners na lange omzwervingen zijn beland. Terwijl ze zelf vaak in bittere armoede leven, zijn ze altijd bereid om anderen die nóg minder hebben te helpen. De inwoners van Vatmaar voelen zich er thuis, omdat ze door de rest van de gemeenschap worden aanvaard. Nieuwelingen worden opgenomen in de gemeenschap door een plechtige inwijdingsceremonie die met de toewijzing en de ingebruikname van het stukje bouwgrond gepaard gaan en waaraan het hele dorp deelneemt.

Maar het is natuurlijk niet allemaal pais en vree in Vatmaar. Zelfs binnen het utopische dorpje duiken herhaaldelijk allerlei problemen op en er wordt gestolen, aangerand, uitgebuit en bedrogen. Het aardse bestaan blijft een hardnekkige strijd om te overleven. Doordat echter Vatmaar, als tegenpool van Du Toitspan, als ideaalbeeld voorgehouden wordt, leidt dit tot de ondermijning van het blanke machtscentrum. De dominante positie van de blanken is verworven door de uitsluiting en de onderdrukking van de zwarte mensen en de kleurlingen. De blanken hebben hun morele gezag verloren en het is de gemengde bevolking van Vatmaar die innerlijke rijkdom bezit die afsteekt tegen de racistische, schijnheilige en egoïstische blanke bevolking van Du Toitspan. De morele ondergang van de blanken komt trouwens heel duidelijk naar voren bij de opening van de kliniek in Vatmaar. De blanken worden uitgenodigd om de kliniek te openen. Tijdens het feest dat erop volgt, raken bijna alle blanken dronken en gedragen ze zich ronduit slecht. De blanken denken dat het niets uitmaakt hoe ze zich gedragen omdat de mensen in Vatmaar achterlijk zouden zijn en niet beter zouden weten. Ze beseffen niet dat ze zichzelf ten schande maken.

 

Scholtz geeft overigens geen ongenuanceerd zwart-wit beeld van de samenleving waarin alle blanken slecht en alle kleurlingen en zwarten goed zijn. Scholtz is niet blind voor de goede eigenschappen van blanken en de slechte eigenschappen van kleurlingen en zwarten.

Ook binnen Vatmaar komt racisme voor: de kleurlingen met een lichtere huid voelen zichzelf verheven boven de andere inwoners. ‘Voor de witte elite van Du Toitspan bestond er geen verschil tussen de mensen van Vatmaar, maar wij kenden ons eigen ik-ben-toch-beter-dan-jij-soort. Meestal waren dat de Engels-sprekenden. Sluik haar, blauwe ogen en een lichte huid konden ook jaloezie opwekken.’ (pag. 16-17) De mensen uit Vatmaar gebruikten verschillende woorden voor het beschrijven van hun landgenoten. Deze namen waren in die tijd nog heel fatsoenlijk en aanvaardbaar, zelfs die woorden die vandaag de dag aanstoot geven en in onbruik zijn geraakt: ‘De witmensen die tegen de Engelsen hadden gevochten werden Boeren genoemd (voordat het Afrikaners werden) en de Engelsen waren de Rooinekken. De woorden “British subject” waren gehaat bij de Boeren. Alle volwassenen die niet uit een land van over de zee kwamen en die niet wit waren, werden boys en girls genoemd. De Engelsen noemden de bruinmensen Cape-boys, en soms Coloureds – voor de boeren waren het gewoon bastaards of hotnots. Het woord kleurling werd toen nog niet gebruikt. Een zwarte uit Afrika was een kaffer, en een Indiër een koelie. Soms werden die woorden met opzet gebruikt om iemands gevoelens te kwetsen, maar meestal wisten ze geen van beiden beter – de man die het woord gebruikte, noch de man die zo werd genoemd.’

Een duidelijk voorbeeld van een slechte bruinvrouw is mevrouw September. Zij is een donkere bruinvrouw die lichte bruinvrouwen haat en die Tante Wonnie onterecht beschuldigt van het stelen van haar ring. Een voorbeeld van een goede blanke is korporaal George Lewis, voor wie huidskleur geen rol speelt en die met een zwart meisje trouwt omdat hij van haar houdt en vervolgens in Vatmaar gaat wonen.

De inwoners van Vatmaar leveren zich overigens niet helemaal over aan het lot dat de blanken bepalen. Verschillende keren nemen de inwoners hun lot in eigen handen. Het duidelijkst voorbeeld is het stelen van de diamanten door Oom Flip, Zus Bet, Siesie Lena en Janman. Onie-as reageert zich af op een oude boerin door in haar drinkwater te spugen en te urineren.

 

In Vatmaar komt de Boerenoorlog (1899-1902) uitgebreid aan de orde. De Boerenoorlog was de heldhaftige vrijheidsstrijd van de ‘Hollandse’ Boeren tegen het oppermachtige Britse rijk. Maar de Boerenoorlog is meer dan alleen een strijd tussen twee blanke stammen. De Kaapkolonie was in Britse handen en de kleurlingen sloten zich vaak aan bij het Britse leger om zo het noodzakelijke geld te verdienen om hun gezinnen te onderhouden. De kleurlingen (‘cape boys’) moesten vreselijk werk verrichten, namelijk de boerderijen afbranden van de Boeren die tegen de Engelsen vochten en hun vrouwen en kinderen naar Engelse concentratiekampen brengen. De kleurling was dus niet om ideologische, maar alleen om economische redenen bij de oorlog betrokken. De oorlog maakte de kleurlingen bovendien alleen nog maar armer. In de roman lezen we: ‘Brit én Boer hadden hun vee afgepakt. De meesten van hen hadden waardeloze kwitanties gekregen voor koeien of schapen die in de naam van de Queen waren gestolen. En de Boeren hadden alles meegejat wat ze wilden hebben en hadden ook nog gezegd: Jullie kaffers mogen blij zijn dat we jullie niet eerst een kogel door de kop hebben geschoten.’ (p. 30) Ondanks hun aandeel in de overwinning van de Engelsen, worden de kleurlingen na de oorlog niet beloond. Het was dan ook niet zo vreemd dat de kleurlingen pakten wat ze te pakken konden krijgen. Zo verwijst de naam ‘Vatmaar’ naar de oorlogsbuit, die Chai op afgebrande boerderijen verzamelde en die later tot de vestiging van de nederzetting zou leiden.

 

Eerst waren het de Afrikaners die ervoor gezorgd hebben dat de zwarten en de kleurlingen onderdrukt werden, later waren het de Engelsen. Ta Vuurmaak – één van de vertellers in de roman – verhaalt over de komst van de eerste witmensen en het slechte dat zij meebrachten: ‘De eerste witmensen in ons land woonden hier zonder degenen die moesten toezien of ze als witmensen leefden. Zoals ik jullie vertelde, kinderen, hadden onze voorouders hun feestdagen. We hadden eerbied voor onze vrouwen en namen nooit een vrouw tegen haar zin. Er hoorde feest bij als ze genomen werd. De vruchten van een vrouw stelen deden we nooit. Zoals ik jullie heb verteld, hadden we niet eens een woord voor stelen voordat de witmensen hier kwamen. Deze mensen kwamen hier en leerden ons nog een ander woord: verkrachting, en ze brachten ziektes van het geslacht mee die door onze kruiden niet genezen konden worden.’ (pag. 126) Over de Engelsen vertelt Ta Vuurmaak: ‘De witmensen die Engelsen werden genoemd waren niet zo slecht, want hun kapiteins hielden hen goed in toom. Maar die Engelsen waren weer verschrikkelijk uitgeslapen, kinderen. Ze stuurden wat ze noemden mannen van God – hun missionarissen. Zendelingen. Om ons ertoe te brengen onze God te verlaten. Onze God die al zorgde voor ons, zijn volk, lang voordat zij schepen hadden om over de Grote Wateren te zeilen. Deze Engelsen hebben ons geleerd ons te bedekken en niet zoals Adam en Eva, dat waren de eerste mensen zeiden ze, rond te lopen. toen leerden ze ons dat we niet mochten stelen – nadat ze ons eerst hadden leren stelen. Toen stuurden ze mensen om op ons te letten, om te zien of we wel deden wat ze ons geleerd hadden om te doen – de politie.’ (pag. 127)

De Afrikaners beschuldigen de zwartmensen ervan dat de Engelsen aan de macht zijn gekomen: ‘Wij, de Boeren, zei Ou Sannah, hebben een grote fout gemaakt. We hebben bijna al onze aardse goederen verloren en nog een groot deel van ons volk ook. Maar de zwartmensen hebben net zulke zware verliezen geleden. Als we toen, in die tijd, de zwartmensen aan onze kant hadden gehad, waar toen geen sprake van was, hadden we de tommy’s zo de zee in gejaagd.’ (pag. 186) Maar voor de zwarten en de kleurlingen doet dat er weinig toe: vandaag de dag zijn de Engelsen en de Afrikaners één. Bovendien maakt het niet uit of je nou door de Afrikaners of door de Engelsen wordt onderdrukt. Hoewel de slavernij officieel is afgeschaft, is de situatie voor veel kleurlingen en zwarten er niet beter op geworden. Integendeel. ‘Om als vrij mens als slaaf te moeten leven is erger dan een slaaf te zijn die gekocht is. De boeien zijn even knellend.’ (pag. 86)

 

Scholtz heeft Vatmaar gepubliceerd na opheffing van de Apartheid en na een democratisch gekozen meerderheidsregering. Vatmaar speelt echter in de periode van ongeveer 1900 tot 1920. In de roman wordt nergens een toekomstbeeld of droombeeld geschetst waarbij er een einde zal komen aan de onderdrukking van de zwarten en kleurlingen. Toch eindigt de roman niet in mineur: Suzan en Kenny hebben elkaar gevonden en waarschijnlijk leefden ze nog lang en gelukkig. Bovendien geeft de religie de bewoners altijd kracht en hoop om steeds maar weer door te gaan in het leven.

 

4 Afdraai. ’n Kroniek

 

Afdraai is een familiekroniek die het verhaal van een kleurlingfamilie vertelt. Tegelijk is het een verhaal van de geschiedenis van Zuid-Afrika. Deze geschiedenis omspant het grootste deel van de twintigste eeuw en begint met de Boerenoorlog.

 

De centrale plaats van handeling is Brinks Pos: de boerderij van de familie Brink. Het nabijgelegen Afdraai is in handen van de Boeren. De ‘Kakies’ (een scheldnaam van de Boeren voor de Engelsen) verdrijven de families uit de boerderijen in de omgeving en steken ze in brand. De vrouwen en kinderen worden afgevoerd naar een concentratiekamp bij Jany. Anna Brink wordt ziek en tijdens haar ziekbed wordt ze verzorgd door Hester, de vrouw van de bijwoner Hendrik Olivier. Hester heeft een zoontje, Manie. Haar manier van kleden, haar vrouwelijke blik, manieren en levenswijze waren van een Boerenvrouw, al was het geen geheim dat haar vader een ‘koelie’ (een kleurling van Indiase afkomst) met sluik haar uit Natal was. Hester schaamt zich helemaal niet voor haar bruine vel. Ondanks de goede zorgen van Hester, overlijdt Anna uiteindelijk.

De Engelse soldaten hebben weinig respect voor de gevangenen, met name voor de kleurlingen. Een uitzondering is korporaal Joshua Smith. Hij is geboren en getogen in Nieuw-Zeeland en daardoor ‘niet zo rood of wit als de anderen die uit Engeland komen’ (pag. 38). Zijn opa van moeders kant was een Maori. Zijn vader was een Engelsman. Nadat hij geleerd had voor onderwijzer was hij naar Australië gegaan. Daar in Melbourne waar hij les had gegeven, had hij geld gespaard voor een ring voor zijn geliefde Madeleine, die in Nieuw-Zeeland op hem wachtte. Madeleine was echter plotseling ziek geworden. De dokters konden niets voor haar doen en ze overleed. Joshua Smith was zo ontdaan, dat hij besloot om zich bij het leger van de Queen aan te sluiten en de oorlog in te gaan. Zo kwam hij terecht in het concentratiekamp. Daar maakt hij een einde aan het seksueel misbruik van twee meisjes door een soldaat: hij slaat de viespeuk halfdood. Manie en Hester hebben het hart van de korporaal gestolen. Manie mag van de korporaal door het kamphek lopen en op zijn bed gaan zitten. De korporaal leert hem Engels spreken. Manie brengt na een bezoek aan de korporaal altijd een overschotje zeep of tabak mee naar de tent. Uiteindelijk wordt de korporaal overgeplaatst omdat hij vriendschappelijk contact heeft met de vijand in het kamp.

Er verschijnt nog een lichtpuntje tussen de wrede kampsoldaten. Op een dag komt er een Engelse dame in het kamp. Ze ziet de ongelooflijke, onchristelijke ellende en ze is diep geschokt. Kort na het bezoek van de Engelse dame wordt er een begin gemaakt met een school voor de kinderen. De kinderen krijgen er echter geen les in hun eigen taal – het Afrikaans – maar in het Engels. Toch grijpen de kampbewoners de kans om hun kinderen naar school te laten gaan met beide handen aan. Er worden ook tweedehands kleren en schoenen bij het kamp afgeleverd.

 

In maart 1902 beginnen de vredesonderhandelingen en kort daarop worden de gevangenen in het concentratiekamp vrijgelaten. Hester keert terug naar Brinks Pos. Korte tijd later keert ook haar man Hendrik terug. Door zijn verblijf bij de Engelsen in Ceylon is echter Hendriks kleurbewustzijn toegenomen. De Engelsen hebben hem geleerd om de donkere huid van een mens te haten. Zijn vrouw wijst hij vanaf dat moment af: hij verkracht zijn vrouw en hij veracht voortaan de ‘koeliemeiden’ met hun ‘kerriesmoelen’ (pag. 63-64). Het echtpaar scheidt. Hendrik gaat in de mijnen bij Johannesburg werken en Hester blijft op de boerderij wonen en realiseert zich: ‘Een wit vel is goud, een donker vel brengt haat’ (pag. 70).

Na de Boerenoorlog lijdt de zwarte bevolking honger. Vlakbij Afdraai woont ‘de kapitein’, die behoort tot de Tswana’s. Op een dag gaat Hester hem eten brengen. ‘Wat mijn hart pijn doet, Mma Hester, zegt hij, is dat ze zeggen dat de Engelsen het hek van het kamp gewoon open hebben laten staan zonder onze mensen te zeggen dat ze naar huis konden gaan. Dat doe je met een dier als je wilt dat het vanzelf naar buiten komt. Er zijn er in het kamp heel wat gestorven uit angst voor een ongeoorloofd vertrek. […] Zijn de nieuwe witmensen dan zo dom dat ze niet weten dat wij ook pijn kunnen lijden? […] Het lijden van de zwartman kan niet uitgesproken worden. Is God dan een witman?’ (p. 72)

Op een dag komt korporaal Joshua Smith naar Afdraai. Hij koopt Brinks Pos, trouwt met Hester en gaat samen met Manie en Nana, een aangenomen meisje, wonen op de boerderij.

 

Het is 1910 en de mensen leven nu in de Unie van Zuid-Afrika. Het kleurbewustzijn wordt steeds sterker. Manie is verliefd geworden op Frieda, een Boerendochter uit de buurt. De stationschef en postmeester Paul Cloete heeft echter zijn oog ook op dit meisje laten vallen. Hij suggereert bij de plaatselijke bevolking dat Frieda zwanger is: ‘Ik krijg zo’n medelijden met het arme kind dat het een bastaard wordt. Zoals die Manie zelf is. Welke kant zullen Frederik en Connie [de ouders van Frieda] uit moeten kijken als de mensen zien dat ze met een blauw kind in de familie zitten opgescheept? We zijn een zuivere natie en de bijbel heeft het over gemengde schapen die buiten de kudde moeten worden gehouden. De kerk laat geen gemengden en zwarten toe.’ (p. 99) De bevolking gaat met Frederik en Connie praten en verpletteren Frieda onder het besef een vreselijke zonde te hebben begaan door zwanger te geraken van een bastaardkind. Frieda hangt zichzelf op en op haar lichaam wordt het volgende briefje gevonden: ‘Het spijt me dat ik me het leven heb ontnomen, maar ik wil echt niet de moeder van een bastaardkind zijn’ (pag. 105).

 

Het volgende liefdesdrama dient zich aan. Op Brinks Pos is een nieuwe knecht komen te werken: Pietro Rossellini uit Zuid-Italië. Hij wordt verliefd op Edith Juries, de zuster van de voorman Adam Juries van Brinks Pos. Ze gaan samenwonen en Edith raakt zwanger. Op een dag verdwijnt Pietro: hij is samen met Marie Heroldt vertrokken naar Johannesburg, waar hij gaat werken in de mijn. Ook Pietro wil zich niet de schande op zijn hals halen door samen te leven met een kleurling.

In diezelfde periode beginnen de boerenarbeiders in de omgeving van Afdraai onder elkaar te praten. Wie ermee begonnen is, weet niemand. Maar het is begonnen na de plotselinge dood van Joshua en Hester, die omkwamen bij een blikseminslag. De mensen wilden het feit van de onnatuurlijke dood van het echtpaar Smith niet aanvaarden. Er is iets mis op Brinks Pos geloven ze. Iemand doet daar aan tovenarij. Kijk nou weer naar wat er met Edith gebeurt. Het vermoeden van tovenarij gaat zover dat ze aan Edith vragen of ze met Regina – de vrouw van Manie – wil praten: ‘Kijk Edith, zeggen ze, we hebben gehoord dat er een wijze man woont, een moslim, in Johannesburg. Vraag je misses of ze hem wil laten halen om de boerderij schoon te branden.’ (pag. 130) Edith smeekt Regina om te luisteren. Die zegt alleen dat ze niet in dit soort kolder gelooft, staat op en loopt weg. Maar nadat Manie is omgekomen tijdens de strijd in de Eerste Wereldoorlog, besluit Regina bij hadji Alie langs te gaan. Zijn tarotkaarten voorspellen Regina’s toekomst: ‘Je woont op een boerderij en die boerderij is nou van jou. Jij bent de baas van het bedrijf. Het is een plek vol geluk. […] Alleen, er is erg veel hartzeer en verdriet geweest de laatste drie jaar. Het waren dingen in het leven die moesten gebeuren. Je kunt er niet tegen vechten, het is een deel van het geven en nemen van het leven. Je eerste man heb je verloren. Een rijke vrouw heeft hem van je afgepakt. Je tweede man, een heel goeie man, is dood. Jullie hebben samen maar heel weinig tijd gehad. De derde man in je leven zul je ook verliezen … door iemand anders.’ (p. 133) De voorspelling van hadji Alie komt uit. Edith raakt verliefd op Reverend Vincent Steward, die iedere woensdagavond een kerkdienst in Afdraai houdt. Uiteindelijk trouwt hij echter niet met Edith, maar met Klara Meintjies.

 

Het is inmiddels 1933. Regina Smith bestelt een pakje Bijbels, in het Afrikaans. Ze zegt tegen Jonas – de zoon van de ondertussen overleden voorman Adam Juries – dat hij dezelfde taal als haar overleden man spreekt. Hij moet de bijbels meenemen en uitdelen onder de werknemers en de buren.

 

Marius is Regina’s aangenomen zoon. Hij verlooft zich met Louise, de dochter van dominee Servaas Duvenhage uit Senekal, die onderwijzeres is op de basisschool van Afdraai. Het stel gaat trouwen en in het dorp wonen. Tijdens hun bruiloft bestaat zoiets als bruine of zwarte mensen niet; drank kent immers de kleur van een mensenhuid niet. Iedereen danst met iedereen. In 1939 krijgt het stel een dochtertje: Valerie. Marius sluit zich vrijwillig bij het leger aan, hoewel zijn schoonvader zich daartegen verzet: ‘De Duitsers hebben jou niets gedaan, Marius. Ze zijn onze vijanden niet. Voor wie wil jij je jonge leven opofferen? Voor de Engelsen? Denk aan je dochtertje.’ (pag. 151) Tijdens een dienstreis ontmoet Marius zijn biologische vader Pietro. Vanaf dat moment is Marius niet meer zichzelf. Nacht na nacht ligt hij in het donker te staren, en iedere nacht voedt hij zijn haatgevoelens jegens zijn moeder. ‘Ik ben een hoerenkind, ik ben een hoerenkind, denkt hij steeds weer.’ (pag. 153) Zoals bijna alle weeskinderen wil hij weten wie zijn biologische ouders zijn. Regina heeft niet het hart om te zeggen dat zijn moeder een Kaapse kleurling was. Vanaf dat moment is de relatie tussen Marius en Regina ontwricht.

Marius wordt naar het strijdveld gestuurd. Tijdens de slag van Sidi Resegh raakt hij gewond en verliest hij zijn rechterarm. Bij de slachting zelf waren uitsluitend witmensen betrokken, wit tegen wit. De zwarten kwamen de volgende middag de doden begraven. Zij troffen ook Marius aan. ‘Terwijl hij zo zwevend tussen leven en dood op de draagbaar lag, met de lucht van verbrand mensenvlees in zijn neus, bewoog hij zijn gebarsten lippen: Mijn eigen zwartmensen … zijn ze niet geweldig … engelen zonder kleur … nooit weer zal … zal ik neerkijken op de kleur van de mens.’ (pag. 161) Pas nu accepteert Marius zijn gemengde afkomst.

 

Op 25 mei 1948 krijgt het land een nieuwe regering. De regering komt nu volledig in handen van de Afrikaners. ‘Aparte ontwikkeling’ is het wachtwoord van het nieuwe beleid. Voor de niet-blanken is het een woord vol angst, onderdrukking en afkomstig van de duivel. Zoals een oude wijze man zei: ‘Hitler is uit het bed gestapt en Malan is op zijn plaats gaan liggen. Nu gaat hij zijn onheilseieren een voor een uitbroeden.’ (pag 164) En de nieuwe wetten komen inderdaad. De wet op de ontucht zegt dat een zwartmens geen gemeenschap mag hebben met een witmens. Ook niet als de witman de zwartvrouw betaalt, en zij, de zwartvrouw, gewillig is, omdat ze geld nodig heeft om eten te kopen. De invoering van de apartheid heeft duidelijk invloed op het leven van de romanpersonages.

 

Een belangrijk persoon die de gevoelens van de gekleurde bevolking onder woorden brengt, is Taliep Samuels. Hij was een geboren moslim die zijn kazak had gekeerd en christen was geworden.

Oom Taliep is van mening dat de apartheid slechts van tijdelijke aard is. Hij ziet daarbij een belangrijke rol weggelegd voor het Afrikaans: ‘Op een dag zal er een nieuwe eensgezindheid komen tussen Afrikaners, bruinmensen en zwarten. Ze zullen mekaar vinden in de taal die ze spreken. Die zal reinigen en verbinden, niet het geweer of de schoolbank. En een toevluchtsoord zijn voor het deel van de mensen die deze taal spreken. De ingevoerde taal [het Engels] zal plaats moeten maken voor de moedertaal van het land [het Afrikaans], maar dat zal tijd kosten.’ (pag. 171) De Engelse taal houdt volgens Oom Taliep de verschillende bevolkingsgroepen gescheiden: ‘Verander de naam van de bruinmensen, van “kleurlingen” – zoals we nu genoemd worden – naar onze taal: “Afrikanen”. Dan komt er nieuw zicht op. Wie Engelsman wil zijn, laat hem maar. De Engelsman heeft ons gekocht door ons, bruinmensen, boven de zwartmensen te stellen. En daarna proberen ze ons weg te trekken van het Afrikaans, onze spreektaal. Ons land zou heel anders zijn geweest als er geen onderscheid was tussen bruin en zwart. Dat was het begin van de ellende van de apartheid.’ (pag. 172)

Oom Taliep heeft ook duidelijke opvattingen over de slavernij en de slaven: ‘Dat waren allemaal verschillende soorten mensen. Alleen de naam “slaaf” maakte er een eenheid van. Ze waren het eigendom van de baas […] De baas was het enige waar het bij de slaaf om draaide, anders kon hij niet leven. Op een bepaalde manier maakte een slaaf deel uit van de familie van de baas. De pijn van zijn slavenbroeder raakte hem niet. En het is jammer dat deze houding is overgegaan op de bruinmensen van nu. Maar een taal … een taal kan namen veranderen en verenigen wat ver weg en dichtbij is. Als schapen uit verschillende kralen die uit dezelfde poel drinken.’ (pag. 172)

Oom Taliep vindt uiteindelijk zijn grote liefde bij Naledi, een zwarte vrouw die als weeskind is opgegroeid. Deze relatie wordt afgekeurd door zijn moeder: ‘Ze schrijft dat ze geen kaffermeid als schoondochter wil hebben. En ze zegt dat ze mijn oemie niet meer is. Ik ben je al vergeten en heb je afgeschreven – dat zegt ze. Ik ben dood voor haar.’ (pag. 175)

Voor de hele familie Juries was Oom Taliep Samuels de wijste man van Afdraai. Toch is Jonas het niet helemaal met zijn visie eens. Niet alle blanken zijn volgens hem slecht: ‘Maar, Oom Taliep, zegt hij, ik kijk dikwijls om me heen hier op Brinks Pos en in Afdraai en Johannesburg. Dan zie ik wonderwerken van de witman waarmee wij hen geholpen hebben.’ (p. 173) Oom Taliep is het niet met hem eens: ‘Nee, zegt Oom Taliep, werken waarvoor de witman de niet-blanke heeft gebruikt.’ (p. 173) Toch is Jonas de blanken dankbaar voor de beschaving die zij hebben gebracht: ‘ Kijk, Oom Taliep, zegt Jonas, als ik mijn hoed afneem om bepaalde witmensen te groeten, doe ik dat niet omdat ik bang ben. Ik neem hem af uit respect voor de beschaving van het blanke ras. Dankzij hem kan ik een voet in Gods huis zetten. En diezelfde voet heeft hun geleerd wat ze met een bal moeten doen op een voetbalveld. Dat de witman het land heeft getemd, is een waarheid als een koe en wat zijn we gelukkig dat wij er deel van uitmaken.’ (pag. 173)

 

Een romanpersonage dat zwaar onder de invoering van de apartheid te lijden heeft, is Marius. Soms kijkt Marius in de spiegel. Als hij veel in de zon komt, wordt zijn bruine huid een beetje te bruin. Dat weet hij en hij zorgt ervoor niet in de zon te liggen. Hij ontdekt dat mensen uit Afdraai die hem voorheen altijd groetten, nu de andere kant op kijken.

Marius ondervindt tot tweemaal toe welke nare gevolgen de wet op de ontucht heeft. Het eerste nare gevolg van de ontuchtwet is dat Louise van hem wil scheiden. Volgens de wet is Marius nu een bruinman en een bruinman heeft niet het recht met een blanke vrouw getrouwd te zijn. Om te voorkomen dat ze maanden in de gevangenis terecht komt, besluit Louise om op het voorstel van rechercheur Gert Cloete in te gaan. Hij wilde Louise helpen door de echtscheiding te betalen en door met haar te trouwen. Als Louise niet op het voorstel zou ingaan, dan zouden ze haar classificeren als kleurling. Het tweede nare gevolg van de ontuchtwet is dat Marius onterecht door Gert wordt beschuldigd: hij zou hun zwarte kindermeisje Janet Massyn onzedig hebben betast en op het punt hebben gestaan om haar te verkrachten. Marius wordt gearresteerd en veroordeeld tot drie maanden cel en zes slagen met de rotting. Het maakte niet uit of Marius schuldig was of niet. Het ging om een blanke en een niet-blanke. De blanken konden geen ongelijk hebben.

Het verblijf in de gevangenis is niet aangenaam. Zelfs hier is sprake van onderscheid: de blanken en de zwarte en bruine misdadigers worden apart opgesloten. De bruinmensen krijgen iedere dag een bord maïspap, de zwarten slechts een bord in water gekookte maïskorrels zonder zout.

Nadat Marius weer op vrije voeten is, gaat hij naar het postkantoor. Hij heeft recht op drie maanden geld van zijn oorlogspensioen, meent hij. De postmeester zegt: ‘Sinds wanneer heeft een hotnot recht op het geld van een baas? Je zult een verzoek in moeten dienen voor een gekleurd pensioen.’ (pag. 216) Marius besluit vervolgens om naar Johannesburg te gaan. Hij slaapt in een hotel en overdag brengt hij zijn tijd door in het park. Het duurt niet lang voordat zijn geld op is. Marius wordt zwerver. Hij is gelukkig met dit leven. Hij had zich aangepast, niet omdat hij een zwerver wilde zijn, maar omdat hij tussen zijn eigen mensen wilde leven – witmensen.

 

Het spreekwoord ‘wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’ is van toepassing op Louise, haar dochter Valerie en Gert Cloete. Als Valerie ouder wordt, krijgt ze een relatie met haar stiefvader. Louise heeft inmiddels spijt van haar scheiding: ‘Ach hemel, denkt ze, ik zal het jonge leven van mijn kind toch niet verkocht hebben voor een blanke huid! Ze heeft het gevoel dat ze haar kind levend begraven heeft.’ (pag. 223) Louise wordt als iemand die aan een ziekte lijdt, oud voor haar tijd. Ze kan geen les meer geven, en de dokters weten niet wat haar scheelt. Ze weten niet dat ze wordt verteerd door de gedachte dat haar dochter niet blank is. Dat en het geheim dat haar man haar dochter tot zijn vrouw aan het maken is. Maar ook Gert Cloete blijft niet ongestrafd. Op een avond komt hij om bij een auto-ongeluk. Het schijnt dat hij er in volle vaart vandoor is gegaan toen de politie achter hem aan zat in een van de buitenwijken van Afdraai. Zijn auto had onder een boom gestaan, op de plaats waar het bos begint. Er zat een zwartvrouw in de auto, werd er gezegd. Die is ook dood.

 

5 Conclusie

 

De romans van Scholtz hebben het leven van de kleine man als onderwerp. Voor Scholtz is elk verhaal belangrijk genoeg om opgetekend te worden. Zonder literaire franje of esthetische bekommernis doet hij verslag de belevenissen van zijn personages. Het perspectief van waaruit Scholtz naar de geschiedenis kijkt is dat van de kleurlinggemeenschap, die door de blanken als onmondig wordt beschouwd. Maar zelfs blanken worden door Scholtz aan het woord gelaten. Het resultaat is een meerstemmige verhaalwereld waarin iedereen gelijkwaardig is. Heilna du Plooy heeft het in verband met Vatmaar over een polyfonisch werk: ‘Die opvallendste eienskap van die roman is die gebrek aan prioterisering van stemme (in die grootste gedeelte van die roman), die grootlikse gelykwaardigheid van sprekers en die interafhanklikheid van diegene wat praat en diegene wat luister.’

De geschiedenis van rassendiscriminatie en de invloed ervan op de kleurlinggemeenschap vormen het onderwerp van zowel Vatmaar als van Afdraai. De individuele verhalen in de afzonderlijke romans werken allemaal cumulatief. Uit de portrettering van een veelheid van personages wordt in de drie werken van Scholtz, met kleine accentverschuivingen, eenzelfde verhaalwerkelijkheid opgeroepen: mensen die niet tot de bevoorrechte blanke groep horen, proberen op de rand van de maatschappij in uiterst moeilijke omstandigheden een bestaan te maken. De een lukt het beter dan de andere. De meeste blanken in de romans van Scholtz beschouwen de kleurlingen en de zwarten als een onderklasse waar ze geen rekening mee hoeven te houden. Zwarten en kleurlingen moeten voor een karig salaris erg hard werken. Voor het geringste worden ze ontslagen of wordt hun loon niet uitbetaald. Ze worden vernederd, beledigd, zonder reden mishandeld of in de gevangenis geworpen. Kortom, hun menswaardigheid wordt hun ontnomen. De kleurlingen en de zwarten zijn volledig overgeleverd aan de blanken die ze steeds met een haast slaafse onderdanigheid moeten benaderen. Ze worden, letterlijk, verstoten naar de rand van de maatschappij: Vatmaar is een onbenullig dorpje dat volledig afhankelijk is van het blanke Du Toitspan, waarmee het op gespannen voet leeft en Brinks Pos is een afgelegen boerderij. De mensen die in deze uithoeken wonen, zijn niet belangrijk voor de samenleving. Ze koesteren slechts kleine verlangens. Hun enige streven is om een beetje houvast en geluk te vinden. Vaak zijn ze al tevreden met een dak boven hun hoofd en voldoende voedsel.

Kenmerkend voor Vatmaar en Brinks Pos is het gemengde karakter van de gemeenschap. Verschillende rassen wonen er door elkaar. De gemengde bevolking van Vatmaar en Brinks Pos bezit een innerlijke aard en rijkdom die sterk afsteekt tegen het egoïsme en het racisme van de blanken. De hypocrisie en de arrogantie van de blanken worden voortdurend aan de kaak gesteld. Hun onmenselijke behandeling van de zwarten en de kleurlingen worden uitgebreid beschreven.

Scholtz is niet blind voor de gebreken van de kleurlingen en de zwarten: de kleurlingen in Vatmaar en Afdraai beschouwen zich als beter dan de anderen. Ook de leden van de kleurlinggemeenschap gedragen zich niet altijd even politiek correct. Bovendien vormen de kleurlingen beslist geen gemeenschap van heiligen. Het goede komt er naast het slechte en het lelijke voor. Scholtz maakt het steeds weer duidelijk dat mensen goede en slechte kanten hebben. Er wordt gestolen, aangerand, belogen, uitgebuit, bedrogen. Niets menselijks is de kleurlinggemeenschap vreemd.

In zowel Vatmaar als Afdraai wordt aandacht besteed aan de belangrijkste episodes uit de twintigste eeuw: de Boerenoorlog van 1899-1902, de Tweede Wereldoorlog en de stelselmatige invoering van de apartheid na de verkiezingsoverwinning van de Nasionale Party in 1948. Vanuit het standpunt van de kleurlingen wordt een totaal andere interpretatie gegeven aan deze gebeurtenissen dan vanuit blank perspectief. De Boerenoorlog en de Tweede Wereldoorlog zijn niet langer vrijheidsoorlogen tussen twee blanke partijen, maar een mogelijkheid voor de arme kleurlingen om als soldaat aan de kost te komen. Ondanks hun aandeel in de overwinning van respectievelijk de Engelsen en de Duitsers worden de kleurlingen na de oorlog opzij geschoven. Hun betrokkenheid bij de oorlogen heeft niet geleid tot een verandering in hun maatschappelijke positie.

De oorzaak van de ongelijkheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen moet volgens Scholtz gezocht worden bij de overheersing door aanvankelijk de Afrikaners en later de Engelsen.

Scholtz ziet een belangrijke taak weggelegd voor de Afrikaanse taal om de verschillende bevolkingsgroepen te verenigen. Het voorwoord van Vatmaar en het standpunt van Oom Taliep uit Afdraai klinken als een onverholen uitdaging aan het adres van het Genootschap vir Regte Afrikaners dat in 1865 een taalmanifest lanceerde met een oproep tot alle ‘Afrikaanders met Afrikaanse harte’ om het Afrikaans als cultuurtaal te gebruiken. Niet de blanke Afrikaners hebben de diepste wortels in Zuid-Afrika, maar de kleurlingen omdat ze geen ander land kennen. Hun verhaal wil Scholtz uitdragen: ‘Ik ga een verhaal vertellen over de bruinmensen van Zuid-Afrika. Ze zijn niet uit het noorden afkomstig en ook niet uit een land van over zee. Het zijn mensen van hier’echte Zuid-Afrikanen die misschien ooit Azaniërs genoemd zullen worden.’

Ondanks de rassenhaat die de zwarten en de kleurlingen moeten verduren en het leed dat hun wordt aangedaan is niet alles droefheid en ellende in de romans van Scholtz. De gemeenschap in Vatmaar en op Brinks Pos slaagt erin het beste van de omstandigheden te maken. De solidariteit binnen de eigen kring maakt het mogelijk om de zwaarste lasten te dragen en de grootste moeilijkheden te doorstaan. Ondanks de ellende en de tegenslagen blijft de hoop op een betere toekomst steeds bestaan. In Afdraai wordt aangegeven dat er een einde zal komen aan de onderdrukking. In deze roman wordt expliciet vooruitgewezen naar de wending die de geschiedenis van Zuid-Afrika zal nemen. Gerechtigheid zal zegevieren en het racistische regime zal omver worden geworpen.

Bibliografie

 

DU PLOOY 1997 – H. Du Plooy: ‘Die literatuur self is weer voor – Vatmaar’. In: Stilet 9 (1997), p. 69-80.

FRANCKEN 1997 – E. Francken: ‘Het boek van de bruinmensen’. In: Ons Erfdeel 40 (1997), p. 119-122.

FRANCKEN & RENDERS 2005 – E. Francken & L. Renders: Skrywers in die strydperk. Krachtlijnen in de Zuid-Afrikaanse letterkunde. Amsterdam: Bert Bakker, 2005.

KANNEMEYER 2005 – J.C. Kannemeyer: Die Afrikaanse literatuur 1652-2004. Kaapstad: Human & Rousseau, 2005.

RENDERS 2006 – L. Renders: ‘Skryf teen die geskiedenis in: Die prosa van A.H.M. Scholtz’. In: H.P. van Coller (red.): Perspektief & Profiel. ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Deel 3. Pretoria: Van Schaik, 2006.

SCHOLTZ 1997 – A.H.M. Scholtz: Vatmaar. Verhaal over een voorbije tijd. Amsterdam: Meulenhoff, 1997.

SCHOLTZ 2000 – A.H.M. Scholtz: Afdraai. Een kroniek. Amsterdam: Meulenhoff, 2000.