wpe40ad087.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

DE PERIODE 1942 TOT NU

 

HISTORISCHE ACHTERGROND

 

Op 8 december vielen de Japanners de Amerikaanse legerbasis Pearl Harbour aan. Nederlands-Indië verklaarde Japan toen onmiddellijk de oorlog. Samen met de geallieerde bondgenoten maakte Indië zich klaar voor de strijd. De Indische luchtmacht ging echter grotendeels verloren bij de slag om Singapore. Op 27 februari vond de slag in de Javazee plaats, waarbij de vloot onder leiding van Karel Doorman op heroïsche wijze ten onder ging. De poging om de landing van Japanse troepen op Java te verhinderen, was mislukt. Op 1 maart zette de vijand op verschillende plaatsen voet aan wal. Er werd tegenstand geboden, maar zonder luchtsteun was het leger te zwak om zich te kunnen verdedigen en op 8 maart 1942 capituleerde het Nederlands-Indische leger op het vliegveld Kalidjati bij Bandoen voor de Japanners.

Tijdens de Japanse bezetting werden geleidelijk aan alle Europeanen en de meeste Indo-Europeanen geïnterneerd. Een deel van de gevangenen werd afgevoerd om aan de Birma-spoorweg te werken. De andere gevangenen werden ondergebracht in kampen die soms bestonden uit bepaalde wijken of straten van grote steden. Naarmate de oorlog vorderde, werd de situatie in de kampen steeds slechter. Van de geïnterneerden zou uiteindelijk bijna één op de vijf mensen de bezetting niet overleven.

De Indonesische bevolking stond aanvankelijk nogal onverschillig tegenover de bezetter. Een klein deel juichte zelfs de komst van de Japanners toe. Nationalistische leiders als Soekarno en Hatta waren bereid tot samenwerking met Japan om zo de onafhankelijkheid van Indonesië dichterbij te brengen. Een deel van de inheemse bevolking had zwaar te lijden onder de oorlog: honderdduizenden werden geronseld als romoesha of arbeidskracht.

Tijdens de oorlog werd Japan door de geallieerden steeds verder in het nauw gedreven. Uiteindelijk capituleerde Japan op 15 augustus 1945. Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta de Republiek Indonesië uit. Omdat de geallieerden niet meteen troepen naar Java konden sturen, moesten de gevangenen voorlopig in de kampen blijven. De Japanners kregen nu de opdracht om hen te beschermen tegen de aanvallen van radicale jongeren. Eind september arriveerden de eerste Britse troepen in Batavia om de orde te herstellen. Pas in maart 1946 verschenen de eerste Nederlandse troepen. Zij bezetten slechts een klein deel van Java: Djakarta, Buitenzorg, Bandoen en Soerabaja. De rest was republikeins grondgebied. Veel Europeanen zaten nog altijd in interneringskampen. De bevrijding bleef uit. Soms keerde de agressie van de radicale jongeren zich tegen de kampbewoners of tegen pro-Nederlandse Chinezen, Indo-Europeanen en Ambonezen. Daarbij vielen onder deze groepen meer dan drieduizend slachtoffers. Deze periode wordt de bersiap-tijd genoemd (bersiap: wees paraat).

 

wp99dd05a9_0f.jpg

 

Een groot deel van de Nederlandse bevolking was voor de terugkeer van het Nederlandse bewind in Indië. Vrijwilligers en dienstplichtigen vertrokken naar Indië om het Nederlandse gezag te herstellen. Het Nederlandse leger in Indië bestond uit ongeveer 150.000 man.

 In 1947 werd het akkoord van Linggadjati ondertekend, waarbij zowel de Indische regering als de Republiek de vorming van de onafhankelijke Verenigde Staten van Indonesië aanvaardden. In Nederland werd dit verdrag anders geïnterpreteerd dan in Indonesië, waardoor grote onenigheid ontstond. Dit leidde tot wat in juli 1947 later ‘de eerste politionele actie’ zou heten. Een groot deel van West- en Oost-Java werd bezet. Alleen het gebied rond Djokjakarta, waar de republikeinse regering zetelde, bleef in handen van de nationalisten.

Onder druk van de Verenigde Naties werd in augustus 1947 een wapenstilstand gesloten, in januari 1948 gevolgd door een akkoord, overeengekomen op het oorlogsschip Renville. De verhoudingen waren echter zodanig verstoord dat het akkoord niet werkte. Verkiezingen in Nederland, waarbij vooral de Katholieke Volks Partij (KVP) winst boekte, bracht een verharding van het Nederlandse standpunt met zich mee. In december 1948 volgde ‘de tweede politionele actie’, waarbij Djokjakarta werd veroverd en Soekarno, Hatta en Sjahrir, gevangen werden genomen.

De guerilla-activiteiten van de republikeinen namen echter toe. Bovendien verloor Nederland de steun van de Indonesiërs die wél met de Nederlanders hadden willen samenwerken. Ook de internationale druk op Nederland werd sterker. Nieuwe onderhandelingen leidden in december 1949 tot de soevereiniteitsoverdracht. De Republiek Indonesië werd onafhankelijk. Op vrijwillige basis zou samenwerking met Nederland plaats blijven vinden. Nederland wilde echter Nieuw-Guinea buiten de overeenkomst houden. Dat leidde tot grote spanningen.

Op de Zuid-Molukken, waar men vreesde voor Javaanse overheersing, was in april 1950 de onafhankelijke Republik Maloekoe Selatan (RMS) uitgeroepen. Na hevige strijd veroverde het Indonesische regeringsleger Ambon. In juli 1950 werd het KNIL opgeheven, met daarin veel Ambonezen die altijd loyaal waren gebleven aan de Nederlanders. Nu kon deze groep niet naar de Molukken terugkeren. Daarom werden zij en hun gezinnen – ongeveer 12.000 mensen – voorlopig naar Nederland gebracht, waar de meesten echter permanent zouden blijven.

Eind 1957 werden Nederlandse bedrijven die nog in Indonesië aanwezig waren, genationaliseerd. Alle Nederlanders die waren achtergebleven, moesten noodgedwongen vertrekken.

Het onherbergzame Nieuw-Guinea werd bewoond door ongeveer 700.000 Papoea’s, die etnisch niet tot de Indonesiërs gerekend konden worden. Een aantal Indo-Europeanen hoopte daar een nieuw bestaan te kunnen opbouwen. Indonesië bleef aandringen op een overdracht van ook dit gebied. Onder internationale druk moest Nederland het gebied in 1962 afstaan aan de Verenigde Naties, die het in 1963 aan Indonesië overdroegen.

 

BEZONKEN ROOD VAN JEROEN BROUWERS

 

Biografie van Jeroen Brouwers

 

wp4a060a74_0f.jpg

 

Jeroen Brouwers werd op 30 april 1940 geboren in Batavia, het tegenwoordige Djakarta, op Java. Brouwers was twee toen hij samen met zijn moeder, grootmoeder en zusje in het interneringskamp Tjideng terechtkwam. Zijn vader werd als krijgsgevangene naar Japan getransporteerd. Toen hij zijn vader na de oorlog voor het eerst weer zag – hij was inmiddels zeven – was deze een vreemde voor hem. ‘Zo is het altijd gebleven […] Ik heb nooit enig gevoel van sympathie voor die man gehad,’ vertelde Brouwers in 1981 in een interview in de Haagse Post.

Na de kampjaren woonde het gezin een tijdje op Borneo, voordat het in 1948 naar Nederland terugkeerde. Volgens Brouwers dankt hij zijn gevoel aan ontheemd zijn aan die ‘overplanting’ naar Nederland. Omdat hij onhandelbaar zou zijn, werd Brouwers in 1950 naar een rooms-katholieke kostschool gestuurd. Tot 1956 verbleef hij op verschillende pensionaten. Naar eigen zeggen hebben die jaren hem meer beïnvloed dan de tijd in het Tjideng-kamp dat heeft gedaan: ‘Het waren de verschrikkelijkste jaren uit mijn leven. Ook: gevangen zitten, met dit verschil dat het mijn ouders waren die me in die huizen van bewaring hebben gezet. Daar zit de oorzaak van al mijn haat,’ aldus Brouwers in eerdergenoemd interview.

Brouwers maakte de middelbare school niet af en werkte na zijn militaire dienst een tijdje in de journalistiek, bij de vakpers van De Gelderlander en bij het weekblad Romance. In 1960 werd zijn eerste verhaal, ‘Orpheus’, gepubliceerd in het tijdschrift Kentering. Sinds zijn zestiende, toen hij diens Archibald Strohalm las, is hij een groot bewonderaar van Harry Mulisch. ‘Dat ik schrijf, komt door Mulisch,’ vertelt Brouwers in 1982 in Bzzlletin.

In 1964 vertrok Brouwers naar Brussel waar hij tot eind 1975 bij uitgeverij Manteau werkte als redacteur en directie-secretaris. Hij was inmiddels getrouwd en in 1965 en 1968 werden respectievelijk zijn zoons Daan en Pepijn geboren.

Brouwers debuut in boekvorm dateert van 1964: de verhalenbundel Het mes op de keel. Criticus Kees Fens kraakte een paar harde noten naar aanleiding van dit debuut. Hij verweet Brouwers ‘te grote spontaniteit’ en een te barok taalgebruik. Brouwers’ vader, die in datzelfde jaar stierf, vroeg hem na lezing van het boek om in het vervolg een pseudoniem te gebruiken.

In 1967 verscheen Brouwers’ eerste roman, Joris Ockeloen en het wachten. Het boek gaat over een man die, terwijl hij in het ziekenhuis op de geboorte van zijn kind wacht, allerlei jeugdherinneringen heeft. Het valt op door zijn zorgvuldige compositie en wordt bekroond met de Vijverbergprijs. De boeken die hierna verschijnen – bij Manteau – trekken nauwelijks de aandacht: de verhalenbundels De toteltuin (1968) en Groetjes uit Brussel (1969).

Eind jaren zestig besloot Manteau Brouwers’ kleine oeuvre wegens gebrek aan belangstelling bij het koperspubliek te verramsjen. Brouwers kon als het ware weer opnieuw beginnen, maar had door zijn drukke baan bij de uitgeverij nauwelijks tijd om te schrijven. In 1973 verscheen nog de sterk autobiografische novelle Zonder trommels en trompetten. Brouwers stelt hier voor het eerst de thema’s aan de orde die in al zijn volgende werk zullen terugkeren: literatuur, dood en (onmogelijke) liefde.

De jaren bij de uitgeverij veranderden zijn kijk op de literatuur. In 1979 vertelde hij aan Eelke de Jong in de Haagse Post: ‘Als je literatuur bijvoorbeeld zou beschouwen als een hele mooie, onaanraakbare vrouw, naar wie al je idealistische gevoelens uitgaan, dan moet je in een uitgeverij gaan werken. Dan zie je dezelfde maagd in haar blote kont, met een opengereten buik, waar haar ingewanden uitpuilen, stinkend uit haar strot. Dan weet je wat het is.’

De Belgische jaren eindigden voor Brouwers in mineur: hij is uitgekeken op zijn baan, hij heeft genoeg van België, hij vindt zichzelf als schrijver mislukt en zijn huwelijk is stukgelopen. Vlaanderen en de Vlaamse literatuur zouden het bij Brouwers nog heel wat keren moeten ontgelden; verhalen en essays hierover zijn onder meer gebundeld in Mijn Vlaamse jaren (1978) en De Bierkaai (1980). In zijn laatste geschrift over Vlaanderen, het Boekenweek-essay 1988 getiteld Sire, er zijn geen Belgen, hekelt hij overigens ook de Nederlandse desinteresse voor de Vlaamse cultuur.

Door een nieuwe liefde en een uitgever die heilig in hem geloofde (Theo Sontrop van De Arbeiderspers) bleef Brouwers behouden voor de literatuur. Met zijn verhuizing in de zomer van 1976 naar het gehucht Exel in de Achterhoek begon hij een nieuwe en zeer productieve periode als fulltime schrijver.

Zijn eerste roman na zijn vertrek uit België, Zonsopgang boven zee (1977) werd heel positief ontvangen. In de hele roman verstrijken slechts een paar uur, waarin de ik en zijn geliefde in een lift zitten opgesloten. De volgende jaren worden bepaald door een grote polemische activiteit, waarvan men de neerslag vindt in het al genoemde Mijn Vlaamse jaren en De Bierkaai en het in 1979 verschenen Kladboek. Grote beroering wekte zijn pamflet ‘De Nieuwe Revisor’, dat in 1979 in het tijdschrift Tirade verschijnt. Daarin gaat hij tekeer tegen het jaren-zeventig-proza, dat volgens hem voor de ‘verkindsing’ van de Nederlandse literatuur staat: ‘schooljongensgeschrijf’, ‘programmaloze grappenmakerij’, ‘het risicoloze “gewoon doen”’, zo luiden zijn beschuldigingen. Vier maanden lang werd er over dit schotschrift van ‘ene Jeroen Brouwers’ gediscussieerd in kranten, tijdschriften, en publieke debatten.

In 1979 verscheen ook de roman Het verzonkene, het eerste deel van een aan Brouwers’ Indische jeugd gewijde trilogie. Het verzonkene is tegelijk een autobiografisch verhaal over Indië en een felle aanval op het literaire en politieke klimaat in Nederland. Het wordt in 1980 bekroond met de Multatuli-prijs. Dat jaar wordt ook dochter Anne geboren. Eind 1981 verschijnt het tweede deel van de Indië-trilogie, Bezonken rood. Behalve veel lof valt de roman, door Brouwers’ beschrijving van het interneringskamp, ook veel verontwaardiging ten deel. De trilogie werd in 1988 afgesloten met het bijna 800 pagina’s tellende De zondvloed.

Brouwers’ fascinatie voor zelfmoord mondt in 1983 uit in De laatste deur, een imposante studie over vergeten schrijvers-zelfmoordenaars. De roman Winterlicht, een vergeetboek (1984) sluit daar thematisch bij aan. In de jaren tachtig verschenen van Brouwers ook nog biografieën over Godfried Bomans en de in 1941 gestorven dichteres Hélène Swarth.

In 1987 werden in het tweedelige Kroniek van een karakter enkele honderden broeven van Brouwers uitgegeven. Het in 1989 verschenen boekwerkje Het tuurtouw is een liefdevol ‘in memoriam’ voor de anderhalf jaar daarvoor overleden uitgever Geert van Oorschot. De jongste roman van Brouwers verscheen in 1990: Zomervlucht.

 

De roman Bezonken rood

 

wp21627372.gif

 

Hieronder staat de inhoud van Brouwers’ roman in het kort weergeven:

Eind januari 1981 stierf de moeder van de ik-figuur, de schrijver Jeroen Brouwers, in een bejaardentehuis. De schrijver had de laatste tijd vrijwel geen contact meer met haar. Hij voelde geen verdriet, hij wilde niet bij haar crematie aanwezig zijn, en hij wilde niet dat zijn naam op de overlijdenskaart werd vermeld. Wel liet hij zich nauwkeurig beschrijven hoe de crematieplechtigheid in zijn werk was gegaan. Hij zocht naar het boekje Daantje gaat op reis van Leonard Roggeveen, waaruit zijn moeder hem in Indië, in het Jappenkamp, had leren lezen, maar hij kon het niet vinden. Hij nam een kalmerende pil om een angstaanval te boven te komen. Op het moment dat hij hoorde dat zijn moeder was overleden dacht hij aan een geliefde van zes of zeven jaar geleden, Liza. Een maand geleden had hij haar weer gezien.

Toen Jeroen een jongetje van een jaar of vijf was, zat hij met zijn grootmoeder, zijn moeder en zijn zusje in het vrouwenkamp Tjideng in Indië. Daar leefden duizenden geïnterneerde Europese vrouwen met hun kinderen op zeer kleine oppervlakten. De familie Brouwers woonde in het aanrecht. Over die Japanse kampen is altijd erg relativerend geschreven, alsof het allemaal niet zo erg zou zijn. Jeroen Brouwers kan en wil de geschiedenis van die kampen niet schrijven. Daarvoor was hij toen te jong en bovendien heeft hijzelf niet geleden, hij heeft geen honger gehad, en hij is niet ziek geweest. De Japanse kampen brengt hij hier ter sprake om reden van ‘octaviteit’ (dit begrip komt uit het boek De compositie van de wereld van Harry Mulisch): het is niet hetzelfde maar ook niet niet-hetzelfde , zoals de eerste en de achtste toon van een toonladder.

Het was een verschrikkelijke tijd in het kamp: de Japanners martelden en verkrachtten de vrouwen, en er was altijd honger. Maar wat er gebeurde liet de kleuter Jeroen Brouwers onaangeraakt. Dood en martelingen waren voor hem ‘dood’gewoon. Hij nam alles gretig in zich op, en daar heeft hij nu nog steeds wroeging om. In het kamp liep hij rond met een grote helm. Hij had het boekje over Daantje, met daarin een foto van zijn vader, altijd bij zich. Zijn vader was krijgsgevangene in Japan, en zijn twee oudere broers zaten in mannenkampen op Java.

Nettie Stenvert en Jeroens grootmoeder stierven in Tjideng. In het kamp was Jeroen erg gehecht aan zijn moeder. Hij bleef bij haar in de buurt toen ze een keer 's nachts naakt buiten moest staan, hij nam altijd plechtig afscheid van haar met een Maleise zegewens als hij mee moest met de 'jongetjeskaravaan', en hij liet haar hem beloven dat zij hem nooit verraden zou of in de steek zou laten. Toen het Rode Kruis een keer vrachtwagens met voedsel stuurde, werd al het eten vernietigd, uit wraak voor het vallen van de atoombom. Jeroens moeder probeerde wat rijst achter te houden, maar ze werd betrapt. Ze werd door de kampleiding vreselijk afgeranseld. Jeroen zag alles, en op dat moment hield hij op van haar te houden.

Na de oorlog werd Jeroen door zijn ouders in Nederlandse pensionaten gestopt. Hij vond dat vreselijk; hij begreep het principiële verschil tussen de Japanse kampbewakers en de Nederlandse kloosterlingen niet. Bij het afscheid nemen van zijn moeder voelde hij zich verraden. Vanaf toen was er een soort traliewerk tussen hem en haar. Na verloop van tijd dacht hij nooit meer intensief aan haar. Af en toe belde zij hem op, maar als hij de hoorn had opgepakt, zei ze dat ze verkeerd verbonden was. Zo was hij de laatste tijd voorgoed verkeerd verbonden met zijn moeder.

Op de avond dat zijn moeder stierf had hij bezoek van een Nederlandse schrijver. Daarna had hij op de Duitse televisie een Japanse film gezien, die nagesynchroniseerd was in het Duits. ‘Het maakt de dood niet uit welke taal zijn knechten spreken.’ Terwijl Brouwers naar de film keek, bewerkte hij zijn voeten met een eeltschaaf. Doordat hij in het kamp altijd op blote voeten had gelopen, had hij nu nog steeds last van overmatige eeltgroei. Telkens denkt hij weer terug aan de gruwelijkheden in het kamp en telkens voelt hij weer wroeging. Hij herinnert zich een feestje waar hij, halfdronken, met een geweer had geschoten op de afbeelding van een naakte vrouw. Plotseling herinnerde hij zich toen hoe zijn moeder in het kamp had gestaan in het licht van de schijnwerpers, met verschillende geweren op haar gericht, en hij was toen in huilen uitgebarsten. In de dagen tussen de dood en de crematie van zijn moeder hoopte hij dat zijn moeder hem zou bellen en dat ze met de stem van Liza zou zeggen: ‘Ik houd van je. Kom je naar me toe?’

Jaren geleden was hij een paar dagen bij Liza geweest. Het stadje waar ze woonde was versierd. Er was een Maria-optocht geweest waar Liza ook in had meegelopen, ze was schooljuffrouw. Hij had zich toen voorgesteld dat Liza een soort moeder voor hem was. Later had hij een angstdroom gehad waarin hij Liza en zijn moeder met elkaar verward had.

Wat er gebeurd was in het Tjideng-kamp had hem nog wel 30 à 40 jaar beziggehouden, maar nu hij het opgeschreven had, hoefde hij het niet meer te onthouden en viel het van hem af.

Toen zijn dochtertje werd geboren wilde hij er niet bij zijn, want hij herinnerde zich het ‘kikkeren’ in het kamp en hij vond dat door de geboorte van een kind de schoonheid van de vrouw duurzaam beschadigd werd. Na de geboorte ging hij toch naar zijn vrouw kijken, en toen hij haar gehavende lichaam zag dacht hij: ‘nu wil ik een andere vrouw’, zoals hij ook ooit een andere moeder had gewenst.

De ik-figuur gaat nauwkeurig na wat zijn moeder op de avond van haar dood gedaan heeft. Alle tv-programma's van die avond schrijft hij op. Opnieuw brengt hij Liza in verband met zijn moeder. Hij bekijkt de fotoalbums van zijn moeder. Hij citeert uit een brief van zijn moeder aan zijn vader, geschreven op 5 oktober 1945, toen zij nog in het kamp verbleef. Hij geeft een beschrijving van haar crematie. Op diezelfde middag reed hij geheel overstuur door de bossen. Het was erg mistig. In een bos dacht hij weer terug aan de kamptijd. Met de plechtige Maleise zegewens nam hij afscheid van zijn moeder. Maar er gebeurde niets. Hij reed terug naar huis en ging zogenaamd onaangeraakt verder met zijn werk: hij schreef een boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur. Maar hij voelde zijn gezicht papperig worden en van zich afdruipen.

 

Opdrachten

 

Opdracht 1

Bovenstaande biografie van Jeroen Brouwers verscheen in 1991. Inmiddels heeft Brouwers nieuwe publicaties op zijn naam staan. Vul op basis van recente informatie de biografie aan zodat de informatie zo actueel mogelijk is.

 

Opdracht 2

Welke overeenkomsten herken je tussen de biografie van Jeroen Brouwers en de inhoud van Bezonken rood?

 

Brouwers’ roman Bezonken rood wordt voorafgegaan door twee spreuken:

 

1. Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte sich in Geheimnisse, indem er mich mit grossen Augen anblickte und mir die Worte wiederholte: Die Mütter! Mütter! 's klingt so wunderlich! - JOHANN PETER ECKERMAN, Gespräche mit Goethe .

 

2. Zoek mij terwijl ik er ben. Leer mij kennen, omdat ik er ben. Ik ben er immers. En toch is zeker dat ik er niet ben . Dodenlied, Zuid Celebes.

 

Opdracht 3

Wat is de relatie tussen bovenstaande spreuken en de inhoud van de roman?

 

Het volgende fragment is afkomstig uit Brouwers’ roman Bezonken rood:

 

In de loop van de dagen tussen de dood en de crematie van mijn moeder heb ik in al mijn boekenkasten gezocht naar een boekje waarvan ik doen nog zeker wist dat ik het bezat, maar dat ik niet meer blijk te bezitten. Te vaak verhuisd en daarbij boeken kwijtgeraakt, gaandeweg te cynisch geworden en mijn liefde voor boeken verloren, te vaak te veel dingen uit mijn verleden verbrand zogenaamd uit onsentimentaliteit, zogenaamd uit afschuw voor dat verleden.

Dat boekje is Daantje gaat op reis, geschreven door Leonard Roggeveen. ‘Stap-stap-stap. Daar gaat Daantje …’

Ik wenste mijn moeder te gedenken in het beste dat ze mij heeft meegegeven: -mijn moeder heeft mij, uit dat boekje, uit dat alsnog verloren gegane vooroorlogse exemplar, dat was bevlekt, besproet, verkreukeld en gescheurd, leren lezen. In Indië, in het Jappenkamp, begin van de jaren veertig. Ik kreeg het boekje op mijn vijfde verjaardag.

Gezete aan mijn schrijftafel had ik, op het moment dat mijn moeder tweehonderd kilometer verderop in de vuuroven verdween, te harer ere, hardop uit dat boekje willen voorlezen, om haar daarmee mijn hommage te brengen, zoals ik het goed dacht te doen.

 

 

 

 

Opdracht 4

Kun jij je – net als Jeroen Brouwers – nog herinneren uit welk boek je hebt leren lezen? Heb je dat boek bewaard?

 

Bezonken rood deed om verschillende redenen veel stof opwaaien. De scherpste kritiek, getiteld ‘Het tomatenketchup-Tjideng van Jeroen Brouwers’, kwam van Rudy Kousbroek en werd later opgenomen in zijn omvangrijke essay-bundel Het Oostindisch kampsyndroom (1992):

 

Het tomatenketchup-Tjideng van Jeroen Brouwers

 

Bestaat er zoiets als een Oostindisch kampsyndroom? Best wel, zoals dat in het moderne spraakgebruik heet.

Het Indische kampsyndroom, zo heb ik al vaker betoogd, is de onwil om na te gaan hoe het werkelijk geweest is en liever vast te houden aan een onwaarachtige voorstelling van zaken, aan een mythe.

De werkelijke, de meest interessante vraag is hoe dat komt. Wat is de reden dat telkens opnieuw geprobeerd wordt de Japanse burgerkampen in Indië als erger voor te stellen dan zij waren?

Daarmee bedoel ik niet dat de internering niet een ellendige belevenis was, maar, om me te houden aan een kamp waarin ik zelf heb gezeten: dit werd door Willem Brandt, die er ook geïnterneerd was, beschreven als ‘het Bergen-Belsen van Azië’. Ter vergelijking: in ons kamp is 6 procent van de geïnterneerden omgekomen; in Bergen-Belsen 70 procent.

Ondanks disproporties van deze orde wordt steeds weer geprobeerd te suggereren dat de Indische kampen vernietigingskampen waren, zoals die waarin de Duitsers de joden opsloten. Het eigenaardige is dat mensen die zulke omstandigheden willen oproepen er blijkbaar van uitgaan niet door vroegere mede-kampbewoners te zullen worden afgevallen. Ze rekenen kennelijk om een soort medeplichtigheid van de zijde van andere ex-geïnterneerden, die toch onmogelijk niet kunnen weten dat deze voorstelling van zaken niet klopt. Dat is wat ik bedoel me het Indische kampsyndroom – het zich laten aanleunen van dergelijke beschrijvingen, het stilzwijgend ermee instemmen, terwijl het vestigen van de aandacht op de onjuistheid ervan als deloyaal wordt beschouwd, en woede opwekt.

Ook door het oproepen van associaties wordt geprobeerd deze identificatie met de Duitse vernietigingskampen tot stand te brengen. Dezelfde Willem Brandt laat bijvoorbeeld in een beschrijving raven krassen op het dak van het kampziekenhuis. Andere geijkte Fremdkörper zijn wachttorens met mitrailleurs en zoeklichten, en verdere zaken die behoorden tot de standaarduitrusting van de Duitse kampen maar niet van de Indische.

Zo zijn er nog allerlei andere details – de manier waarop het uiterlijk van ‘de Jap’ wordt weergegeven bijvoorbeeld – waaraan onmiddellijk te zien is dat niet de werkelijkheid wordt beschreven maar een mythe, details die niet ontleend zijn aan observatie maar aan een stereotiepe voorstelling.

Zoals gebruikelijk met stereotypen (joden, negers), is ook deze voorstelling racistisch. In de context van ‘de Jappenkampen’ kan over Aziaten geschreven worden op een manier die in geen enkel ander verband toelaatbaar zou zijn (openlijk pejoratief beschreven raskenmerken etc.). Een vast onderdeel is ook de Japanner als verkrachter van ‘blanke vrouwen en meisjes’. Het doet er niet toe dat dit niet strookt met de historische werkelijkheid – er zijn bijna geen gevallen bekend – het hoort nu eenmaal bij de mythologie van de ‘zich aan Europese vrouwen vergrijpende oosterling’.

Ik heb het al vaker geschreven: er is geen twijfel aan dat de internering door een groot deel van de koloniale samenleving ondergaan werd als een raciale vernedering – ‘overwonnen te zijn door Aziaten’, ‘behandeld te worden als koelis’, ‘ten overstaan van de bevolking’, etc. etc. Dit aspect is buitenstaanders niet gemakkelijk duidelijk te maken maar gebrek aan inzicht daarin werkt sterk vertekenend op de geschiedenis van deze episode.

De reden dat ik het hier nog eens heb samengevat is dat het Indische kampsyndroom –  daarmee bedoel ik dus het vasthouden aan een mythe en de weigering te onderzoeken hoe het werkelijk was – kortgeleden de proporties van een apocalypse heeft bereikt in de roman Bezonken rood van Jeroen Brouwers.

Dit boek bevat gedetailleerde en schokkende beschrijvingen van het Tjideng-kamp, een buitenwijk van Batavia, waarin Brouwers met zijn moeder en zusje van zijn tweede tot zijn vijfde levensjaar heeft doorgebracht.

Ondanks het persoonlijke en soms bijna hermetische karakter van deze beschrijvingen moet iemand die de internering zelf heeft meegemaakt – en zelfs een buitenstaander die zich een beetje in het onderwerp heeft verdiept – al gauw ontdekken dat de werkelijkheid geweld wordt aangedaan.

De kwestie is alleen: welke werkelijkheid? Over de historische kunnen we kort zijn.

‘… waar in het kamp om de zoveel meter een wachttoren stond waarin de Jap met verrekijker en machinegeweer van bovenaf toezicht stond te houden …’

‘… beschenen door vijf of zes schijnwerpers …’

‘… in alle wachttorens wezen de machinegeweren in onze richting …’

Kortom, het Tjideng dat in dit boek wordt beschreven komt uit de hierboven aangeduide Neurenberger bouwdoos. Ook de andere attributen van de mythe zijn van de partij.

‘… de “Jap”, dit begrip stond voor kleine, gedrongen, vaak pafferig volgevreten kereltjes in puilende uniformen, met koppen als van een Japanse hond of een Japanse aap, maar nog het meest als van een Japanse kikker, waarin de felle oogjes, die door de natuur in een altijddurende loer- of gluurstand waren gezet, een ieder doorschouwden tot in het merg …’

Verkrachtingen – Brouwers beschrijft er niet één, maar meerdere. Mishandelingen, wreedheden, moorden, ondraaglijk om te lezen. Is dat allemaal echt gebeurd? Dat is de vraag niet. De vraag waarom het gaat is niet: waar of niet waar. Daarover is, zoals ik al zei, geen enkele twijfel; iedereen die de omstandigheden gekend heeft weet het (of hij het toegeeft of niet): het is niet waar. Het werkelijke dilemma is van een ander soort. Het is het dilemma: fantasme of leugen.

Die gedaante heeft het niet meteen. Toen ik begon te lezen en onverwacht werd overweldigd door die stroom rauwe en gewelddadige beelden, was mijn eerste reactie een soort schroom. Misschien is dat ook wat Doeschka Meijsing bedoelde toen zij over dit boek schreef: ‘zo hevig dat ik er het zwijgen toe doe.’ In het begin dacht ik: zo was het niet, maar dat doet er niet toe. Het is irrelevant of het echt gebeurd is: het is zoals hij het zich herinnert. Het is iemand z’n privé-waarheid. Wanneer iemand bijvoorbeeld als kind een bombardement heeft meegemaakt en hij beschrijft later een schrikbeeld waarin hij het paleis op de Dam ziet branden en instorten, dan is het irrelevant om aan te komen met de tegenwerping dat het paleis er nog staat en nooit is weg geweest.

Zo zou je hier kunnen zeggen: het thema van het boek is dat Brouwers als kind zijn moeder vernederd heeft gezien en dat de herinnering daaraan hem ondraaglijk is. Zoiets kan je alleen maar respecteren. Of alles ook werkelijk zo is gebeurd als hij het vertelt doet er weinig toe: het is een roman: een fictieve reconstructie die een persoonlijke waarheid uitdrukt. Hij heeft iets meegemaakt dat in zijn herinnering, in zijn bewustzijn, de vorm heeft gekregen van die paleisbrand.

Maar een vrijbrief om vol te houden dat het paleis nu verdwenen is kan er ook dan niet aan worden ontleend. Er dreigt hier een bekende wisseltruc: het is duidelijk dat er iets niet klopt als de schrijver tegelijk wil bewijzen dat het paleis ook werkelijk verbrand is en iedereen die zegt dat het er nog staat beschuldigt van kwade trouw.

Ook Brouwers heeft de pretentie dat in zijn boek een objectieve werkelijkheid wordt beschreven die ‘tot dusver altijd gerelativeerd werd’, ‘uit angst voor huilerigheid en pathos’. Zowel in het boek zelf als in een interview (in de Haagse Post van 7-11-’81) wordt dat in zoveel woorden gezegd. Brouwers beroept zich zelfs op een ‘polemische toon’, bedoeld om de waarheid van deze dingen kracht bij te zetten. Maar het is de waarheid niet, het is de mythe, het oude liedje, het Oostindische kampsyndroom:

‘Hirohito, dat is onze Hitler. Een oorlogsmisdadiger. Wim Kan heeft ertegen geprotesteerd, maar ja, dat was Wim Kan. Een cabaretier. Met alle respect voor hem: de mensen namen hem niet serieus, ze dachten dat ze om hem moesten lachen. Ik heb zijn bloedige ernst goed begrepen, maar men niet. Dat de Nederlandse regering Hirohito ontvangen heeft was een klap in het gezicht van duizenden mensen die in Indië de oorlog hebben meegemaakt. Het was: schandalig. Maar wat had ik ertegen moeten doen? Bommen gooien? …’

Nee, zo is het nu eenmaal: niets helpt, ook niet met bommen gooien. Want het is niet waar, heel eenvoudig. Hirohito, daar is allang geen kwestie meer over, is niet in enige redelijke betekenis van het woord een oorlogsmisdadiger te noemen.

Ongetwijfeld, de keizer was het nominale Japanse staatshoofd, maar dat is niet voldoende om hem uit te maken voor een ‘oorlogsmisdadiger van hetzelfde formaat als Hitler’, zoals Brouwers doet (Bezonken rood, bladzijde 48).

De eigenlijke vraag is alweer: met welk doel? Van hetzelfde formaat als Hitler! Alweer made in Germany, dat verband moet blijkbaar tot iedere prijs worden gelegd. Wat is toch de betekenis van deze rare obsessie bij mensen die zich op de Indische internering beroepen?

Is het omdat het tijdens de oorlog gewoonte was Hirohito als de grote boeman en aanstichter van alles te zien, en zijn zij er nooit achtergekomen dat het in werkelijkheid anders was? Zijn ze blijven steken in de oorlogspropaganda? In een infantiele wereld waarin koningen en keizers de werkelijke machthebbers zijn? Hoe dan ook, waar het in laatste instantie altijd op neerkomt is onwil om kennis te nemen van de ware toedracht, de weigering om zich op de hoogte te stellen van de werkelijke feiten.

Zo was het ook al met Wim Kan, destijds. Wat hij goedbeschouwd opeiste was het recht om die werkelijke feiten aan zijn laars te lappen: ‘Dat mag ik doen, want ik heb gevangengezeten.’ Toen verluidde dat in Amerika een zekere Bergamini een boek had geschreven waarin het bewijs werd geleverd dat Hirohito inderdaad een oorlogsmisdadiger was geweest, struikelde Wim Kan over zijn eigen voeten om zich op dit boek te beroepen. Hij kon het toen onmogelijk gelezen hebben want het was nog niet eens verschenen (al het kabaal berustte op voorpubliciteit), maar dat was geen bezwaar.

Toen later bleek dat Bergamini een malafide figuur was, die het hele verhaal uit zijn duim had gezogen, liet Wim Kan niet van zich horen. Hij vond kennelijk helemaal niet dat het hem verplichtte iets te herroepen. Letterlijk alsof hij het recht had Hirohito in alle media die hem ten dienste stonden voor oorlogsmisdadiger uit te maken en evidentie van het tegendeel hem niet aanging. Sterker nog: alsof er iets onrechtmatigs en schandelijks in school wanneer hij in dit streven werd gedwarsboomd.

Dat dit een ontoelaatbaar principe is hoef ik toch niet uit te leggen?

Stel dat iemand een kind heeft verloren en zich in het hoofd heeft gezet dat het vermoord is door Wim Kan. Hij eist het recht op om Wim Kan in woord en geschrift, op radio en televisie, vanaf de bühne en op grammofoonplaten een kindermoordenaar te noemen. Als iemand hem vertelt dat de befaamde chansonnier naar de best beschikbare inzichten onschuldig is wordt hij razend en zegt dat zijn lijden niet wordt erkend. De Nederlanders willen niet luisteren, roept hij verbitterd, ze willen me niet aan het woord laten – intussen vergeet hij dat hij aan één stuk door aan het woord is geweest en dat hij het eigenlijk zelf is die niet wil luisteren, die nooit heeft willen luisteren.

Bezonken rood is de zoveelste poging tot intimidatie, en het mechanisme van: spreek me niet tegen want ik heb zoveel geleden wordt er schaamtelozer en gewelddadiger in gemanipuleerd dan ooit.

De macht van dit mechanisme, vooral wanneer het gehanteerd wordt door iemand die een beetje kan schrijven, is groot. het is een speculatie op de schaamte en het fatsoen van de lezer, op het feit dat het pijnlijk is en blijk lijkt te geven van harteloosheid om verschrikkelijke dingen in twijfel te trekken. Hoe verschrikkelijker, hoe pijnlijker.

Brouwers heeft, zoals hij het zelf noemt, ‘hard gekapt’ in dit boek. Een paar voorbeelden:

‘Er waren vrouwen die door het onmenselijke gespring, dat schoksgewijze en aanhoudende druk op de organen in hun onderlichaam uitoefende, zichzelf binnenstebuiten begonnen te keren: met hun ontlasting kwamen er losgeschoten organen hun lichamen uit, – men begon zijn darmen te verliezen, men begon springend aan het ter wereld brengen van bloed en blubber …’

‘Een vrouw wordt door de Jap vol water gegoten tot haar dunnen lichaam ervan uitpuilt en men het water in haar kan horen klotsen, zoals men water kan horen klotsen in een regenton. Dan begint de Jap met een stok op haar maag te slaan.’

Zo kapt Brouwers erop in. Hij was de kleuter met de gave der wonderbaarlijke aanwezigheid. Je moet er niet aan denken dat we hier niet te maken hebben met een ooggetuigenverslag, maar met de bedenksels van Brouwers zelf.

Van verkrachtingen in Indische kampen mogen maar zeer weinig gevallen bekend zijn: hij, stap-stap-stap Daantje, vier jaren oud, hij stond erbij en hij keek ernaar. Niet zomaar één verkrachting, maar aan de lopende band; hij zag er ‘in verschillende varianten’. Een andere ex-geïnterneerde uit Tjideng, Fred Lanzing, de schrijver van een monografie over dit kamp (‘Geen school, geen schoenen, geen ouders’, Maatstaf, november 1980) tien jaar ouder en wonend in dezelfde straat, heeft nooit gehoord over verkrachtingen, die trouwens ook niet genoemd worden in de getuigenverklaringen van het proces dat na de oorlog is gevoerd tegen de kampcommandant Sonei.

Zomin als de gebeurtenissen beschreven op bladzijden 79-80, die aan ‘tientallen vrouwen’ het leven zouden hebben gekost: ‘Er waren er die uitgeput gingen liggen en niet meer overeind wensten te komen, ook niet nadat de Jap op hen had staan dansen. Er waren vrouwen die krankzinnig werden en de Jap te lijf gingen, zij werden opgevangen door een bajonet of werden neergeschoten …’

Ik herinner me van jaren geleden het geval van een anti-vivisectionist, die allerlei misselijkmakende beschrijvingen van dierproeven zelf verzonnen bleek te hebben: deze toedracht (met diezelfde merkwaardige ongeïnteresseerdheid in de werkelijkheid: het ging hier immers om de ‘ware aard’ van de vivisectie) kwam aan het licht doordat het een deskundige opviel dat de details niet klopten. Zo ook hier; niet alleen de dingen die ik al noemde, de wachttorens met machinegeweren en zoeklichten verdere anomalieën zoals vlammenwerpers (bladzijde 114), compleet met ‘vrouwen die krijsend hun dood tegemoet rennen door de Jap te lijf te willen gaan, of door zich voorover in de kuil te storten … waarbij men de vlammen door hun kleren ziet slaan …’

De verkeerde details, zoals de ‘sluikharige hoofden’ der Japanse soldaten (hier steeds ‘knechten van de dood’ genoemd): in werkelijkheid waren ze gemillimeterd; ze zagen er juist niet vaak ‘pafferig’ en ‘volgevreten’ uit (integendeel) en ze droegen niet vaak ‘spijkerlaarzen’ – meer een soort gymschoenen. Die spijkerlaarzen zijn kennelijk weer import uit Duitsland, net als de zwepen (bladzijde 41).

Je hoeft niet zelf in Tjideng te hebben gezeten om een detail als die rode vliegen (bladzijde 46) die ‘het bloed van de vleugels droop’ toe te schrijven aan Brouwers’ bourgondische barok, maar mij dunkt dat ook allerlei andere beschrijvingen zelfs de minst deskundige lezer achterdochtig moeten maken, details waarvan je gaat vermoeden dat ze niet ontleend zijn aan observatie, maar aan, laat ik het maar noemen: een zekere voorkeur. Al die vrouwen die almaar ‘in het kruis’ worden getrapt, al die schoppen (daar waren die spijkerlaarzen voor) ‘tussen de benen’, vergezeld door een voortdurend Marias Lobgesang, dat onafgebroken gezanik van Zuiverste maagd! Heerlijke moeder! Gezegende onder de vrouwen!

Hoe is het mogelijk dat dit boek niet meer achterdocht heeft opgewekt? Het is door de, zover ik weet, unanieme Nederlandse kritiek jubelend besproken. Harde, hevige emoties! Schokkende beelden! – Van de manier waarop dat waar is geeft Brouwers in het boek zelf een uitstekend voorbeeld: hij ziet bij gelegenheid van een ‘vrouwenstakingsdag’ op de Dam in Amsterdam vrouwen die hun kruis hebben besmeerd met tomatenketchup en met hun dijen uit elkaar op straat zijn gaan liggen.

‘Wie langs komt is welhaast verplicht ernaar te kijken, al wil hij niet en bonkt het hart hem tegen de slapen van weerzin tegen deze agressieve en misplaatste wansmaak en begint hij over zijn hele lichaam te beven: van angst, van kwaadheid, van “plaatsvervangende” wroeging …’

Agressieve en misplaatste wansmaak. Het gaat er inderdaad om dat in een boek als dit niet alleen de geschiedenis, maar ook allerlei intieme gevoelens worden vervalst. Dat in Bezonken rood niet de objectieve werkelijkheid wordt beschreven doet er niet toe; maar het is ook niet een privé-waarheid. Het is een leugen.

Wansmaak: dat geklier met dat eelt aan zijn voeten (symboliek! symboliek!) het hele boek door. En nog zoveel meer. De uitspraak dat ‘Indische kampkinderen, nu de veertig gepasseerd, te herkennen zijn aan hun voetzolen’ is trouwens flauwekul. Zoals zoveel.

In een opstel over Godfried Bomans (‘De Wereld van Godfried Bomans’, Vrij Nederland, 5 december 1981) beschrijft Brouwers hoe Bomans op 13 juli 1971 in zijn dagboek noteerde: ‘Ik ben als de dood voor exhibitionisme van mijn diepere gevoelens.’ Commentaar van Brouwers: ‘Het is precies die angst die Bomans heeft belet een groot schrijver te worden.’

Dat weet ik nog zo net niet, of dat de reden was, ik heb daar mijn twijfels over. Maar het is zeker dat het precies dat exhibitionisme is dat Brouwers belet een groot schrijver te worden.

Het gaat er niet om dat sommige gevoeligheden niet mogen worden getoond: het gaat om hun echtheid. Brouwers denkt dat dit probleem kan worden opgelost door heel hard te brullen. Als je maar hard genoeg schreeuwt, dat je niets voelt! dat je kitschgevoelens hebt! dat je nooit hebt leren voelen! En, daar komt de aap uit de mouw, ‘dat komt allemaal door het kamp’. Het ideale excuus, het perfecte alibi, de bomvrije schuilkelder. Loeien, zich op de borst trommelen, van de daken verkondigen: Mijn moeder is dood en ik voel niets. Garneren met schaamhaar, bloed, eelt, schoppen ‘tussen de benen’, losgeschoten organen, gekwaak en Maria-devotie: allervoorzichtigste maagd, eerwaardige maagd, lofwaardige maagd. Allerreinste moeder, koninklijke moeder, en zo maar door. Hoe krijgt iemand het uit zijn pen.

‘Wij zullen elkaar niet verraden, hè mama? Hè, hè mama?’

Nee, zij hem niet, want ze is dood. Ze zal niet meer zeggen: Jeroen, waar haal je al die hoogdravende leugens vandaan? Waarom doe je dat? Het antwoord van Jeroen luidt: ‘om reden van octaviteit’ (bladzijde 23). Octaviteit? Amehoela, zoals mijn zoon placht te zeggen. Als de heilige maagd zich niet gevleid voelt dan tenminste Harry Mulisch wel. Het is allemaal mooischrijverij, gesnoef, vleierij, grote woorden en vals pathos. Werkelijk, er staat geen simpele, oprechte uitspraak in het hele boek, dat doet denken aan iemand die er telkens weer in slaagt je niet recht in de ogen te zien.

 

 

Opdracht 5

Geef in je eigen woorden weer wat Kousbroek onder het Oostindisch kampsyndroom verstaat.

 

Opdracht 6

Wat is de voornaamste kritiek van Kousbroek op Brouwers’ Bezonken rood?

Wat vind jij van zijn argumenten en waarom?

 

Opdracht 7

Schrijf een tekst voor de achterflap van de kaft van een nieuwe uitgave van Brouwers’ Bezonken rood. Geef kort en krachtig de inhoud van de roman weer. Neem eventueel citaten uit recensies op die het boek aanprijzen.

 

MARIA DERMOûT: DE TIENDUIZEND DINGEN

 

[…]

 

ADRIAAN VAN DIS: INDISCHE DUINEN

 

[…]