wpf6eeb3cb.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Aantekeningen hoorcolleges

Inleiding Indische letteren

Eerste semester 2006-2007

 

Hoorcollege d.d. 12-09-2006

 

Tijdens dit college wordt gebruik gemaakt van de volgende syllabi:

· Peter van Zonneveld: Album van Insulinde

· Rob Nieuwenhuys, Bert Paasman & Peter van Zonneveld: Bulkboek Oost-Indisch Magazijn

 

Aanvullende boekenlijst voor 8 ECTS (i.p.v. 4 ECTS):

· Theo D’haen: Europa buitengaats I, p. 33-132

· Multatuli: Max Havelaar

· Daum: Uit de suiker in de tabak

· Du Perron: Het land van herkomst

· Maria Dermoût: De tienduizend dingen

· Vincent Mahieu: Tjoek (titelverhaal)

· Kousbroek: Het Oostindisch kampsyndroom (over Brouwers)

· Brouwers: Bezonken rood

· Adriaan van Dis: Indische duinen

· Patty Scholten: Een tuil zeeanemonen

· Hella S. Haasse: Sleuteloog

· Louis Couperus: De stille kracht

 

Collegeschema:

· 12 september Inleiding

· 19 september Rumphius & Junghuhn

· 26 september Almanakken

· 10 oktober  Max Havelaar

· 17 oktober  Damescompartiment

· 31 oktober  Daum

· 7 november  Couperus

· 14 november Du Perron

· 21 november Tweede Wereldoorlog

· 28 november Maria Dermoût

· 5 december T jalie Robinson/Vincent Mahieu & Tweede Generatie

· 12 december Recente literatuur & afsluiting

 

Indische literatuur = alle in het Nederlands geschreven literatuur over Insulinde (koloniale tijd)

 

Indië is onderdeel van onze cultuur, ongeveer 5%.

 

Na WOII zijn 300.000 mensen uit Indië naar Nederland gekomen. In tegenstelling tot andere groepen is deze groep vrijwel probleemloos geïntegreerd in de Nederlandse samenleving.

 

Verschillen met andere culturen:

1. Lange traditie (vanaf 1600)

2. Vrijwel iedereen in Nederland is aangeraakt door Insulinde, bijv. oom, opa

3. Iedereen is het met elkaar oneens
Er zijn veel verschillende Indiërs, ieder met een andere achtergrond
Iedereen heeft zijn eigen Indië
Verschillen in leeftijd, sociale klasse, etnische verschillen, banden met Nederland

 

De belangstelling voor Indië is de laatste jaren toegenomen

Vanaf 1985 bestaat er een werkgroep Indische letteren

Jaarlijks is er een symposium en er bestaat een tijdschrift Indische letteren met ongeveer 800 leden

 

Belangrijke naslagwerken:

· Rob Nieuwenhuys: Oostindische Spiegel

· E.M. Beekman: Paradijzen van weleer

 

Centrale thema van de Indische literatuur: de historische en psychologische confrontatie van Oost en West, impliciet of expliciet, confrontatie betekent niet altijd conflict

 

De Indische literatuur begint al rond 1600 met de VOC-tijd

 

Europese vrouwen

 

Verplichte literatuur:

Jean G. Taylor: ‘Europese en Euraziatische vrouwen’. In: 7e Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 1986, p. 10-33.

 

Begin zeventiende eeuw: strijd

Dochters van de Compagnie: liederlijk en ontuchtig bestaan

 

Bij de VOC stond geld verdienen centraal, het was te duur om Nederlandse vrouwen in Indië te houden:

· Overtocht

· Herinnering aan Nederland bleef levend, man wil terug

· IJdele en inhalige natuur, de man wordt aangezet tot corruptie

· Kinderen ziekelijk

· Nakomelingen verloren als ze teruggaan naar Nederland

 

Nederlandse mannen konden een slavin vrijkopen en met haar trouwen. Aziatische en Euraziatische vrouwen kostten de VOC niets:

· Geen overtocht

· De man wil niet terug naar Nederland

· Minder hebzuchtig en dus minder corruptie

· Kinderen gezonder

· Zonen in dienst van de VOC, dochters trouwen met Nederlandse mannen

 

Jean G. Taylor: ‘Europese en Euraziatische vrouwen’. In: 7e Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 1986, p. 10-33.

 

Gehuwde vrouwen en dochters van de Compagnie drukten zwaar op de VOC-begroting.

1. Allereerst werd zonder noodzaak geld uitgegeven aan toelagen en bruidschatten.

2. Bovendien zouden Nederlandse vrouwen de herinnering aan de familieleden in Nederland te zeer levend houden en hun echtgenoot aansporen na afloop van zijn contract te repatriëren in plaats van bij te tekenen.

3. Ten derde zouden vrouwen, met hun ijdele en inhalige natuur, hun echtgenoot aanmoedigen zichzelf te verrijken door privéhandel, ten koste van het VOC-monopolie.

4. In de vierde plaats zouden de kinderen die Nederlandse vrouwen in de tropen baarden, vaak ziekelijk zijn en niet bestand tegen het hete klimaat.

5. Tot slot zouden de nakomelingen die de gevaarlijke kindertijd overleefden en zich aangepast hadden aan de tropen, verloren gaan voor de Compagnie als zij met hun ouders terugkeerden naar Europa.

 

Argumenten voor huwelijken met Aziatische en Euraziatische vrouwen:

1. De mannen zouden zelf de kosten van aankoop en onderhoud voor een Aziatische slavin op moeten brengen.

2. De Aziatische vrouwen zijn minder hebzuchtig dan Nederlandse en zouden genoegen nemen met het wettelijk salaris van hun echtgenoot.

3. Ten derde zouden zij vanwege hun familiebanden eerder geneigd zijn in de Nederlandse nederzettingen in de Oost te blijven.

4. Kinderen van gemengde afkomst zijn sterker en gezonder dan creolen (kinderen wier beide ouders Europese immigranten waren).

5. De jongens waren potentiële recruten voor het leger en de marine van de VOC, terwijl de meisjes konden trouwen met nieuwe generaties uit Holland aangevoerde VOC-employés.

 

De Compagnie gaf de voorkeur aan ongetrouwde employés, en het voorrecht een vrouw mee naar de Oost te nemen bleef voorbehouden aan mannen van hoge rang.

 

[…] Van directer belang was dat de bruid de status van Europese verkreeg. De vrouw kreeg immers de nationaliteit van haar echtgenoot. Alle kinderen die uit het huwelijk geboren werden, kregen ook de Europese status. Indien de bader onwettige kinderen erkende, hen liet dopen en als Europeanen opvoedde, konden ook zij de nationaliteit van de vader krijgen, met het vooruitzicht op een betrekking of huwelijk in de Europese gemeenschap.

 

Hoorcollege d.d. 19-09-2006

 

Het natuuronderzoek: Rumphius en Junghuhn

 

Verplichte literatuur:

W. Backhuys: ‘Over Klipkousen en Vliegescheetjes’. In: Indische Letteren 10 (1995), p. 30-40.

Peter Sep: ‘Licht en schaduwbeelden’. In: Indische Letteren 2 (1987), p. 53-64.

 

Rumphius (1627-1702):

· ‘De blinde ziener van Ambon’

· Duitser in Nederlandse dienst

· In 1645 geronseld voor de WIC

· 3 jaar in Portugal gewoond, hoorde daar dat Indië prachtig was

· In 1652 in dienst bij de VOC, naar Ambon: aanvankelijk als soldaat, later als koopman

· Stortte zich op het natuuronderzoek

· Zijn werk is na zijn dood gepubliceerd

· D’Amboinsche Rariteitkamer (1705)

· Het Amboinsche Kruidboek (1741-1750), 12 delen, 6 banden

· Beschrijvingen: kleurrijk proza en daarmee vormen ze een bijdrage aan de Nederlandse literatuur

· Naamgevingen door Rumphius heel veelzijdig, bijv. schelpen

· In 1670 wordt hij blind en krijgt hij een tekenaar toegewezen

· In 1674 wordt Ambon getroffen door een aardbeving, hij verliest zijn vrouw en dochter

· In 1687 gaat veel van zijn materiaal verloren bij een grote brand op Ambon

· In 1690 wordt het manuscript naar Nederland verzonden, maar het schip vergaat
Echter: het manuscript was gekopieerd

· In 1702 overlijdt Rumphius

· De VOC wilde niet dat bepaalde gegevens naar buiten kwamen (bijv. etnografische gegevens zoals volksgebruiken) en daarom duurde de publicatie zo lang

· Patty Scholten: Een tuil zeeanemonen (sonnetten over Rumphius)

· Bloemlezing over Rumphius, samengesteld door Mark Lodericks

· Belang: hoe natuuronderzoek een bijdrage kan leveren aan literatuur

 

Franz Wilhelm Junghuhn (1809-1864):

· Duitser in Nederlandse dienst

· Romantisch natuuronderzoeker

· Melancholicus

· Werd in 1835 Officier van Gezondheid in Indië

· Tot 1848 in Indië geweest, wegens ziekte teruggekeerd naar Nederland (Leiden)

· Keek naar de grote dingen, meer geoloog dan botanicus

· Heeft vulkanen uitvoerig beschreven

· Kraters: beeld van menselijke hartstochten

· Hoofdwerk Java (1852-1854), 4 delen

· Licht en schaduwbeelden (1854), geen succesvolle ontvangst

· In 1855 terug naar Indië

· Hield zich bezig met kina-aanplant op helling Tangkuban Prahie

· Gestorven in 1864, begraven op helling Tangkuban Prahie

 

Licht en schaduwbeelden:

· Kritiek op het christendom

· Somber beeld van de Europese beschaving

· Kolonialisme en christendom gaan niet samen

· Uitbuiting is niet erg: de natuur is hiërarchisch geordend, de Javanen zijn een natuurvolk en met harde hand bestuurd worden is noodzakelijk

 

Heruitgave Licht en schaduwbeelden in 1885 wordt positiever ontvangen:

· De theorie van Darwin was inmiddels doorgedrongen

· Max Havelaar is inmiddels verschenen

· De Duitse natuurfilosofie is bekend

 

Over klipkousen en vliegescheetjes

Nederlandse schelpennamen in Rumphius’ D’Amboinsche rariteitkamer

W. Backhuys

 

Inleiding

 

In 1702 overlijdt Rumphius en in 1705 verschijnt zijn d’Amboinsche rariteitkamer. Rumphius was sinds 1653 in dienst van de VOC. Onder uitzonderlijk moeilijke omstandigheden (Rumphius werd in 1670 blind, verloor bij de aardbeving van 1674 zijn vrouw en dochter, bij de brand van 1687 gaan zijn tekeningen en verzamelingen te gronde, en in 1692 gaat het manuscript van zijn Amboinsch kruidboek met de ‘Waterlandt’ ten onder) besteedde hij al zijn beschikbare tijd aan het beschrijven van de planten- en dierenwereld van Ambon.

 

Naamgeving

 

Om zaken, dieren en planten aan te kunnen duiden, geven we ze een naam. De bestaande hoeveelheid beschikbare ‘naam’woorden bleek echter volstrekt onvoldoende om de grote hoeveelheden nieuwe levensvormen te benoemen, die als gevolg van de ontdekkingsreizen de Westerse wetenschap in handen vielen. Zowel het Latijn als het Nederlands beschikken slechts over een beperkt aantal woorden om dieren en planten aan te duiden. Aanvankelijk trachtte men dit te ondervangen door de soorten waarover men schreef te omschrijven. Aangezien de toen gebruikelijke wetenschapstaal Latijn was, zijn deze beschrijvingen dan ook meestal in het Latijn.

 

Zo’n beschrijving is wel nauwkeurig, maar niet bruikbaar als naam, terwijl de Nederlandse naam niet bruikbaar is in andere landen. Dit probleem nu is opgevangen door het invoeren van een eenduidige nomenclatuur, waarbij iedere soort wordt aangeduid met een uit twee delen bestaande naam.

 

Carolus Linnaeus (1707-1778) is de eerste geweest, die consequent de binaire nomenclatuur heeft ingevoerd. De tiende editie van zijn Systema Naturae (1758) geldt als het begin van de algemeen gebruikte binaire nomenclatuur, waarbij iedere diersoort wordt aangeduid met een uit twee delen bestaande naam. Het eerste deel van de naam is de geslachts- of genusnaam en het tweede deel is het epitheton specificum. De combinatie van deze twee namen is de soortnaam. In de loop van de tijd is dit systeem verfijnd en het wordt in de diersystematiek nog algemeen gebruikt. Internationaal zijn er regels opgesteld, waaraan namen moeten voldoen om geldig gebruikt te kunnen worden.

 

Een begin van deze binaire nomenclatuur vinden wij reeds bij Rumphius, hoewel hij die niet consequent heeft toegepast. Vele namen uit Rumphius’ Rariteitkamer zijn door Linnaeus overgenomen en worden nog algemeen gebruikt.

 

Aangezien Rumphius voor een Nederlands publiek schreef, moesten voor al deze nieuwe soorten Nederlandse namen gevonden worden en hij heeft de Nederlandse taal dan ook verrijkt met een groot aantal namen voor schelpen, waarvan een aantal inmiddels zo goed als verdwenen is, maar een aantal andere nog steeds gebruikt wordt. Veel van de door Rumphius gebruikte namen zijn niet voor hemzelf verzonnen, maar circuleerden al in de kringen van schelpenverzamelaars. Het verzamelen van schelpen was in die tijd een hobby waar vele prominenten, koningen, keizers en kooplieden zich mee bezighielden. Grote bedragen werden voor sommige soorten betaald en men was steeds op zoek naar nieuwe, onbekende vormen.

 

Nederlandse namen bij Rumphius

 

Om de vele namen enigszins te ordenen, zullen wij ze hier de revue laten passeren op grond van de naamgevingsmotieven:

· Geografie
Wanneer soorten bekend zijn van bepaalde gebieden is het nuttig dit ook in de naam tot uitdrukking te laten komen. Dit hoeft niet te betekenen dat deze soorten uitsluitend daar voorkomen, maar meestal wel dat ze daar voor het eerst gevonden zijn.

· Vorm
Vormeigenschappen kunnen, vooral als ze specifiek zijn, aanleiding geven tot naamgeving.

· Zoölogie
Het dierenrijk is een rijke bron van inspiratie als het gaat om het vinden van nieuwe namen. Overeenkomst in vorm en kleur kan dan aanleiding geven tot namen, die reeds voor dieren gebruikt worden.

· Botanie
Het zijn vooral vruchten die hun naam gegeven hebben aan bepaalde schelpensoorten.

· Mythologie
Het is niet verwonderlijk dat bij vele groepen van mariene organismen namen gevonden worden die met Neptunus of Venus te maken hebben. Maar ook andere mythologische figuren komen voor.

· Muziek
Aan de muziek zijn slechts enkele namen ontleend.

· Godsdienst
De bekendste naam uit deze categorie is de St. Jacobs Schulp.

· Gebruiksvoorwerpen

· Scheepvaart en de zee

· Stadhouder en overheid

· Scatologie en seksuologie

 

De receptie van Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java van F.W. Junghuhn

Peter Sep

 

Junghuhn werd in 1809 in Mansfeld in Duitsland geboren. Vanwege een duel met dodelijke afloop kwam hij terecht in de gevangenis, waaruit hij, door krankzinnigheid te simuleren, wist te ontsnappen. Na een lange zwerftocht, waarbij hij onder andere in het vreemdelingenlegioen is geweest, vond hij uiteindelijk in 1835 een tweede vaderland in Nederlands-Indië.

 

In 1854 publiceerde Junghuhn Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java. Op het eerste gezicht is het een reisbeschrijving zoals er in die dagen zoveel geschreven werden. Het boek blijkt echter bij nader inzien veeleer een pamflet te zijn, waarin het reisverslag dient als de kapstok waaraan Broeder Dag zijn vrijgevochten denkbeelden kan ophangen. Want het gaat in het boek vooral om wat hij te melden heeft. Hij is de verteller en staat voor de verlichting. Broeder Nacht is dwalende in de duisternis met zijn onwetenschappelijke geloof in wonderen en Goddelijke Openbaring. Morgenrood en Avondrood hebben weliswaar aan de waarheid geroken, maar verblijven toch nog in de schemering.

 

Dags blijde boodschap

 

De toespraak die Broeder Dag houdt voor de Javanen van het dorpje Gnoerag bestaat uit 25 stellingen die min of meer logisch uit elkaar voortvloeien. Belangrijkste uitgangspunt is voor hem dat God niet passief boven de natuur staat, maar dat Hij de bezielende oerkracht in de natuur is. Hij is de actieve oerkracht die steeds de natuurwetten in stand houdt.

 

Het is nu ook begrijpelijk, waarom Junghuhn zijn ideeën in de vorm van een reisverslag presenteert. Een tocht door de natuur is voor hem een religieuze ervaring. Niet door de Bijbel, maar door bestudering van de natuur moeten we God leren kennen.

 

Dags zedenleer is dan ook volledig gebaseerd op natuurlijke principes. Zij bevat richtlijnen voor de opvoeding van kinderen, de zorg voor het lichaam en hygiëne, maar ook fundamentele kritiek op het christendom.

 

Veel positiever denkt Broeder Dag over de Javanen en hun beschaving. Ze zijn voor hem een onbedorven natuurvolk, dat in zedelijk opzicht hoger staat dan de Europeanen.

 

Dag ziet hun goede eigenschappen (hij noemt bijvoorbeeld gastvrijheid, mensenliefde, natuurlijke waardigheid en filosofische berusting) als bewijzen voor zijn stelling dat het christendom een overbodige leer is. Het is, trouwens, typerend voor de eenheidsfilosoof Junghuhn, dat hij een direct verband legt tussen het karakter van de Javanen en de natuur waarin zij leven. Dit maakt zijn houding wat ambivalent, als hij slechte eigenschappen van de Javaan (zoals luiheid en onverschilligheid voor geld) moet constateren.

 

Het hierboven geschetste beeld van de Javaan, vindt zijn weerslag in Junghuhns koloniaal politieke opvattingen. Ondanks zijn afkeer van de Europese beschaving en zijn achting voor de Javaan, staan de koloniale verhoudingen in L&SB niet ter discussie. Hij ziet die verhoudingen als een soort symbiose. De Europeaan profiteert van de technische, economische, administratieve en educatieve ontwikkeling van de Europeaan. Door het goede Europese voorbeeld, moeten zij ook de vreugden van een arbeidzaam leven leren inzien.

 

Junghuhn is fel tegen afschaffing van het cultuurstelsel ten gunste van een stelsel van vrije arbeid, waarbij de Javaan arbeid zou verrichten in ruil voor loon. Dit laatste werd in die dagen vurig bepleit door liberale en christelijke politici. Volgens Junghuhn zou de Javaanse onverschilligheid voor geld invoering van dit stelsel echter onmogelijk maken. Junghuhn verdedigt zelfs de despotieke manier waarop de Javaanse hoofden vaak met hun onderdanen omgaan. Hij redeneert namelijk als volgt: de natuur is hiërarchisch, de Javanen zijn een natuurvolk, zij moeten dus hiërarchisch bestuurd worden.

 

De invoering van het christendom op Java, tenslotte, moet volgens hem onmiddellijk worden stopgezet. Niet alleen omdat de leer als zodanig niet deugt, maar ook omdat christelijke naastenliefde en koloniale overheersing niet met elkaar in overeenstemming zijn te brengen. De Javanen zullen, anders dan de Europeanen, geen genoegen nemen met de kloof die gaapt tussen christelijke theorie en praktijk.

 

De receptie

 

L&SB verscheen niet in één keer, maar in drie afleveringen.

 

Als we nu de reacties op L&SB ten tijde van verschijnen (1854-1856) bekijken, vallen drie dingen op.

1. In de eerste plaats dat er betrekkelijk weinig gereageerd is op L&SB. Vooral als je bedenkt dat het boek in drie afleveringen verscheen, is het aantal van slechts negen reacties teleurstellend.

2. In de tweede plaats de ontzettende heisa die over L&SB gemaakt wordt. De weinige reacties die er zijn, zijn zeer fel, zeer negatief en ook zeer veelzeggend. Alles wijst erop dat, ondanks een poging tot doodzwijgen, L&SB insloeg als een bom.

3. In de derde plaats dat de reacties op L&SB, inhoudelijk gezien, nauwelijks hout snijden. De meeste recensenten struikelen over Junghuhns onvriendelijke kijk op het christendom, en hebben daarna weinig oog meer voor wat het boek nog meer te bieden heeft. Niemand gaat een filosofische discussie aan, of probeert de ideeën achter Dags evangelie te ontzenuwen; wat toch de beste manier zou zijn om het christendom te verdedigen.

 

Behalve deze inhoudelijke bezwaren tegen de morele strekking van L&SB, hebben de recensenten nog als bezwaar dat het boek anoniem verscheen.

 

Tenslotte is het een algemene klacht van de critici, dat de titel misleidend is. Dit verwijt is niet helemaal terecht. Hetgeen in de titel beloofd wordt is wel degelijk in het boek terug te vinden. Toch is de verontwaardiging wel te begrijpen. Men was gewend aan heel andere geluiden uit Indië: fraaie reisbeschrijvingen, didactische taferelen, en dat alles, als het even kon, met een positieve strekking.

 

Alles overziend komen we tot de conclusie dat de reacties in de jaren 1854-1856 emotioneel en weinig doordacht zijn.

 

‘Goede wijn behoeft geen krans’

 

Na deze korte, maar hevige uitwisseling van vijandigheden over en weer, blijft het 30 jaar stil rond L&SB. Pas in 1885, naar aanleiding van de zevende druk, wordt er weer over L&SB geschreven. Er verschijnen maar liefst vijf recensies van het boek. Alle vijf zéér positief. Junghuns kritiek op het christendom geeft nauwelijks nog aanstoot. Men heeft oog gekregen voor wat het boek nog meer te bieden heeft, zoals: land- en volkenkundige informatie, het beeld van de tijd dat erin gegeven wordt en Junghuhns alternatief voor de starre christelijke dogmatiek.

 

Flanor noemt de belangrijkste oorzaak van de plotselinge herwaardering van L&SB. Max Havelaar heeft de bakens van de tolerantie zó verzet, dat L&SB eindelijk acceptabel geworden is. Ook het voortschrijden van de natuurwetenschap zal een rol gespeeld hebben. Met name de verschijning van Darwins Origin of species deed veel van Junghuhns tegenstanders de das om.

 

De vergelijking tussen Junghuhn en Multatuli ligt voor de hand. Bij beiden zien we idealisme, zendingsdrang, tegendraadsheid en een voorliefde voor satire en karikatuur. Toch is er volgens Sep ook een belangrijk verschil: sociale bewogenheid met de Javaan is Junghuhn volkomen vreemd.

 

Een ander verschil is volgens Sep dat hij L&SB nooit tot de grote literatuur zou willen rekenen; daarvoor is het verhaal te zwak en doen Junghuhns moreel-didactische bedoelingen teveel afbreuk aan de leesbaarheid. Wèl wil hij verdedigen dat L&SB een belangrijk boek is door de voor die tijd zeer gedurfde en onconventionele boodschap ervan.

 

Hoorcollege d.d. 26-09-2006

 

Indische almanakken in de 19e eeuw

 

Verplichte literatuur:

Peter van Zonneveld: De tuin van de Indische romantiek

 

Almanakken:

· Oud genre

· Boekje waarin de stand van de sterren staat beschreven

· Jaarlijks verschijnend

· Informatief karakter

· Allerlei soorten almanakken: per provincie, bevolkingsgroep, leeftijd, levensbeschouwing, interesse etc.

· Belang: spiegel van de samenleving, geeft mentaliteitsgeschiedenis weer, nuances belangrijk

· 19e eeuw: literaire almanakken met de nadruk op literaire bijdragen

· Inhoud: historische verhalen (middeleeuwen, zeventiende eeuw), actuele verhalen (Belgische Opstand), liefdesgeschiedenissen (huwelijk en standsverschil), vergankelijkheid, gelegenheidsgedichten over de dood

· Literaire almanakken waren vrij duur: fl. 0,50 – fl. 4,50 (weekloon fl. 1,00)

 

Receptie:

· In Indië ontstond behoefte aan eigen Indische literatuur met eigen almanakken

· Twee reeksen: Lakschmi (1840-1842) en Warnasarie (1848-1858)

· Ook de Indische almanakken waren vrij duus (fl. 4,00 – fl. 5,00)
Waarom? Pas in 1839 eerste particuliere drukkerij Cijfveer, daarvoor alleen landsdrukkerij
Papier, illustraties en zetwerk waren duur
Censuur: alles moest voor publicatie worden voorgelegd aan de gouverneur-generaal

 

Beperkt aantal auteurs, o.a. Tollens (de zoon van onze grote dichter)

 

Inhoud aangepast aan het lezerspubliek

 

Inhoud van de Indische almanakken:

1. De geschiedenis van Indië voor de komst van de Nederlanders

2. Liefdesgeschiedenissen met Javanen in de hoofdrol, o.a. Aissa

3. Veel aandacht voor de dood, de dood speelt een allesoverheersende rol, hoge kindersterfte
Johannes van Soest:
Oostindische bloempjes (gedichten voor kinderen met Indische inhoud)

4. Kinderen die bleven leven, werden naar Nederland gestuurd uit zedelijke overwegingen (angst voor seksuele relaties met bedienden) en opleiding

5. Heimwee naar Nederland werd sterk gecultiveerd
Baren = nieuwelingen, oudgasten = Europeanen die al heel lang in Indië zijn

6. Schoonheid, van de natuur en van de vrouw
De natuur van Indië is bij uitstek romantisch, lieflijk, woest
In Nederland hadden we geen romantische natuur, alleen de zee
In Nederland hadden we geen natuur waarin je jezelf kon verliezen
Het schoonheidsideaal voor de vrouw was Koelit langsep: roomkleurig, mengeling wit en bruin

7. Het concubinaat
Veel Hollandse mannen met (Eur)Aziatische vrouwen
Taboe-onderwerp
Je mocht geen vrouw meenemen naar Indië
Mannen namen een huishoudster/njai
Na zes jaar eerste verlof in Nederland: confrontatie

8. Slavernij
Vooral huisslaven, geen uitbuiting op plantages
Voorzichtige discussie in almanakken
1860: afschaffing van de slavernij

 

Peter van Zonneveld: De tuin van de Indische romantiek

 

Belangwekkende bron

 

De term almanach zou al in de dertiende eeuw door de Arabieren in Europa zijn geïntroduceerd, en betekende toen zoiets als een tabel, waarin de bewegingen van zon en maan waren opgenomen, zodat je de kalender kon vaststellen. De eerste gedrukte almanakken zouden omstreeks 1450 in Neurenberg zijn gedrukt. Nadien heeft het genre een hoge vlucht genomen: kleine boekjes met een gevarieerde inhoud, van feitelijke informatie over jaarmarkten, trekschuiten en wagendiensten tot verhalen, kluchten, anekdoten en versjes. In de negentiende eeuw kwam vooral de literaire almanak tot bloei, waarin de feitelijke informatie tot een minimum beperkt bleef en de nadruk lag op proza en poëzie.

 

Doctotaalwerkgroep over literaire almanakken uit de periode 1830-1840

 

Die almanakjes bleken vooral bedoeld voor dames. Ze vormden een ideaal Sint-Nicolaasgeschenk.

 

De inhoud vertoonde bij alle verscheidenheid toch ook een paar constanten. Historisch-romantische taferelen, gesitueerd in de Middeleeuwen of de zeventiende eeuw, waren in ruime mate voorhanden. Ook klonk met regelmaat een betrokkenheid met de actuele politiek door (bijv. Belgische Opstand). Liefdesperikelen werden zowel in proza als in poëzie onder de aandacht van de lezers gebracht, maar steeds op zo’n manier dat dames er niet bij behoefden te blozen. Gelegenheidspoëzie bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen werd onbekommerd opgenomen.

 

Wie belangstelling heeft voor het beeld dat de negentiende eeuw bij voorkeur van zichzelf presenteerde, wie iets wil begrijpen van de toen heersende mentaliteit, vindt in de almanak een belangwekkende bron.

 

Indische almanakken

 

De drukpers in Indië was tot 1839 in handen van de overheid. Het papier was schaars en kostbaar. Goede zetters waren dun gezaaid; bekwame Europeanen vroegen een arbeidsloon dat soms het twintigvoudige was van wat hun collega’s in het moederland verdienden.

 

De eerste Indische almanak verscheen in 1840 te Batavia. Hij heette Lakschmi en was genoemd naar de Hindoe-godin van bevalligheid en vruchtbaarheid. Het beleefde maar drie afleveringen.

 

Warnasarie

 

Van 1848 tot 1858 verscheen Warnasarie, dat betekent ‘veelkleurigheid van bloemen’.

 

De kindersterfte moet hoog zijn geweest in het Indië van ton. De kinderen die in leven bleven, werden vaak op vroege leeftijd naar Nederland gezonden voor hun opvoeding.

 

Twee werelden

 

Heimwee naar Holland. Dat heimwee naar Holland weerhoudt het kleine groepje almanakschrijvers niet, zich te verdiepen in de geschiedenis, de cultuur, de zeden en gewoonten van het land dat zij nu bewonen.

 

Schoonheid

 

Allereerst is er de nu eens idyllische, dan weer woeste, maar altijd romantische schoonheid van de Indische natuur.

 

Van die twee aspecten, het liefelijke en het grootse, zo typerend voor de romantische natuurbeschouwing in onze literatuur, is het vooral dat laatste dat de aandacht trekt. Wat de Hollandse natuur niet te bieden heeft – of het zou de woeste, onmetelijke zee moeten zijn – geeft Insulinde in ruime mate.

 

Concubinaat

 

Relaties tussen Europese mannen en Javaanse vrouwen vormen de hoeksteen van de Indische literatuur. In de Nederlandse almanakken van die dagen ging het om huwelijk en standsverschil, in de koloniale letteren om relaties en rasverschil. De Indische almanakken zijn op dit punt iets terughoudender vanwege de dames.

 

Militairen en andere Europeanen die zich geen huwelijk met een Europese vrouw konden veroorloven, werden tot in de twintigste eeuw aangemoedigd te gaan samenwonen met een inheemse, Japanse, Chinese of Indo-Europese huishoudster, een njai. Wanneer zij dan later wel een Europese vrouw konden trouwen, werd de huishoudster, vaak voorzien van een handgeld, weggezonden. De meeste huishoudsters schikten zich in hun lot, maar anderen, zoals Aïssa, namen wraak. Die wraak is altijd een dankbaar ingrediënt van de Indische literatuur gebleven.

 

Slavernij

 

De slavernij was niet voor de Nederlanders uitgevonden.

 

In de zeventiende en achttiende eeuw nam de VOC het bestaande systeem over en breidde het zelfs uit. Zowel voor de aanleg van Batavia als in de huiselijke kring werd druk van slaven gebruik gemaakt.

 

In 1860 werd de slavernij afgeschaft.

 

Voor- en tegenstanders waren het er wel over eens, dat de slaven in Indië, die vooral huisbedienden waren, het beter hadden dan hun lotgenoten in de West.

 

Hoorcollege d.d. 10-10-2006

 

Multatuli

 

Verplichte literatuur:

Dik van der Meulen: Multatuli, p. 298-331.

 

Er is bijna geen taal waarin de Max Havelaar niet vertaald is.

 

Internationaal wordt de Max Havelaar gezien als een antikoloniaal boek, maar als je goed kijkt dan is het dat niet.

 

Het bestuurssysteem van Java:

· Java was verdeeld in 19 residenties onder leiding van een resident.
Een resident was altijd een Europeaan of een Indo-Europeaan.

· Europese bestuurslaag: resident, assistent-resident, controleur.

· Indische bestuurslaag: regent, demang, loerah.

 

Over de Max Havelaar:

· In februari 1869 klaagt Multatuli de regent aan wegens knevelarij.

· Zijn chef (Brest van Kempen) zegt dat dat niet kan zonder bewijs.

· De regent kreeg heel weinig geld van de Nederlandse reging.

· In 1830 was op Java het cultuurstelsel ingevoerd, maar niet in Bantam.

 

Over Douwes Dekker:

· Geboren in 1820.

· In 1856 benoemd in Lebak.

· Hij had gelijk in het conflict, er was iets aan de hand.

· Heeft hij juist gehandeld? Formeel: ja. In de praktijk: nee.

· Hij kon niet van zijn superieur verwachten dat hij zonder bewijs de regent zou arresteren.

· Hij kende te weinig de lokale gebruiken.

· Fasseur heeft de zaak onderzocht. Tussen 1830 en 1848 zijn op Java 12 regenten ontslagen.

 

Klopt het boek met de werkelijkheid?

· De toespraak tot de hoofden in Lebak was nooit zo mooi.

· In het boek gaat Multatuli ’s nachts op onderzoek uit: dat is niet gebeurd, dat was onmogelijk, zeker in de regentijd.

· De documenten in de Max Havelaar kloppen.

· Er wordt een karikatuur gemaakt van de tegenspelers.

· Max Havelaar is een geïdealiseerd zelfportret van Douwes Dekker, bijna een autohagiografie.

 

Is het erg dat er verschillen zijn?

Nee, je moet kijken naar de bedoeling van het boek:

· Aanklacht tegen de uitbuiting.

· Poging tot eerherstel, hij voelde zich beledigd.

 

Wat dreef hem?

· Verontwaardiging

· Machtsdroom, hij wilde keizer van Insulinde worden.

· Hij wilde zelf een grote rol spelen, hij was geen antikoloniaal

 

Maatschappelijke betekenis van de Max Havelaar:

· De kwestie van uitbuiting werd op de politieke agenda gezet

· Hij heeft een mooi boek geschreven

 

Hef heeft lang geduurd voordat het boek erkenning kreeg. Men zag gevaar: politieke betekenis.

 

Rond 1880 had iedereen in Indië het boek gelezen.

 

Dik van der Meulen: Multatuli, p. 298-331.

 

Op 4 januari 1856 werd Eduard Douwes Dekker officieel benoemd tot assistent-resident van Lebak, in de residentie Bantam, als opvolger van P.C.E. Carolus. De nieuwe assistent-resident wordt ontvangen door de regent van Lebak, Karta Nata Negara. Dit gebeurt in aanwezigheid van de resident.

 

De assistent-resident laat geen tijd verloren gaan. Overdag doet hij zijn werk als bestuursambtenaar; ’s avonds en ’s nachts bestudeert hij het archief van zijn voorgangers, ontvangt hij mishandelde en uitgeperste bewoners van de afdeling en onderzoekt hij in de wijde omtrek persoonlijk de gang van zaken. Zijn bevindingen zijn zeer belastend voor de regent en diens schoonzoon. Als hij vervolgens verneemt dat zijn voorganger – die dezelfde misstanden op het spoor was gekomen – vermoord is, besluit hij de regent formeel aan te klagen, met het verzoek hem terstond te schorsen, opdat de bevolking in vrijheid haar (belastende) verklaringen kan afleggen. Dat bevalt de resident helemaal niet. Hij probeert de assistent-resident op andere gedachten te brengen. Omdat die voet bij stuk houdt, is het de gouverneur-generaal die over de zaak uitspraak moet doen. De landvoogd besluit dat de assistent-resident overhaast en onjuist gehandeld heeft en niet langer op zijn post gehandhaafd kan worden. De assistent-resident wordt overgeplaatst. Dat is voor hem echter onaanvaardbaar, en hij dient zijn ontslag in. Pogingen om de gouverneur-generaal in een persoonlijk onderhoud te overtuigen lopen op niets uit, want ’s lands hoogste gezagsdrager in Nederlands-Indië weigert hem te woord te staan.

 

Vanaf de verschijning van Max Havelaar, mei 1860, zijn er verhitte debatten gevoerd over de waarheid van het boek en over de juistheid van Dekkers optreden in Lebak. Volgens zijn tegenstanders had Dekker overhaast gehandeld. Hij zou de adat niet hebben gekend, het complex van (ongeschreven) normen en wetten die (overigens per regio verschillend) ten dele de verhoudingen en gedragingen van de Nederlands-Indische bevolking bepaalden. Hij zou, anders dan Max Havelaar, niet met klagende Javanen hebben gesproken, omdat hij heen Soendanees kende, de taal van West-Java. ‘De ravijn’ achter zijn huis, waar de klagers zich verscholen zouden hebben, bestond niet. Hij handelde in strijd met de regels toen hij, buiten de resident om, de regent bij de gouverneur-generaal aanklaagde. Argumenten die door Multatuli zelf en door zijn aanhangers met kracht werden bestreden.

 

Multatuli heeft de gebeurtenissen te Lebak meer dan eens beschreven. Maar nergens zo uitvoerig als in Max Havelaar. Dat het hier niet om een gewone roman ging, werd in de jaren na het verschijnen van het boek onderstreept door publiekelijk uitgevochten discussies, waarbij de schrijver zich niet onbetuigd liet. Daarnaast voorzag Multatuli de vierde en de vijfde druk van de ‘roman’ van een nawoord en een groot aantal verklarende noten, waarin de ‘fictie’ voorgoed werd opgeheven. Zo werden de werkelijke namen van personen als Verbrugge en Slijmering geopenbaard. Karta Nata Negara kwam vanaf de vierde druk in de hoofdtekst onder zijn eigen naam voor.

 

In veel gevallen is het niet meer mogelijk de precieze waarheid te achterhalen.

 

De polemieken over Max Havelaar gingen over twee kwesties: was het waar wat Multatuli had geschreven, en zo ja: had de assistent-resident wel correct gehandeld?

 

Max Havelaar wilde de klagende boeren niet in moeilijkheden brengen door hen te sommeren de zaak in de openbaarheid te brengen – wat volgens Multatuli voor hen mishandeling of zelfs de dood zou hebben betekend. En dus kon Havelaar de klachten en de namen van de klagers niet op papier zetten. Maar dát er geklaagd werd, blijkt uit de stukken van Dekkers voorgangers. Daarin is meer dan eens sprake van klachten over buffelroof en afpersing.

 

Directe aanwijzingen dat ook Dekker door klagers werd bezocht, zijn schaars, maar ze zijn er wel.

 

Blijft de vraag hoe de klagers en Dekker elkaar begrepen. Spraken de klagers wat Maleis, of begreep Dekker iets van het Soendanees? Of was zijn klerk Rhemrev erbij, die op zijn hand was?

 

Mochten Havelaars nachtelijke onderzoekingen verzonnen zijn, dan is dat een uitzondering. Waar de mogelijkheid zich voordoet de roman te vergelijken met de werkelijkheid, blijkt over het algemeen dat de feitelijke verschillen gering zijn. Ook zijn ambtelijke brieven zijn vrijwel letterlijk in Max Havelaar weergegeven.

 

Dit alles wil niet zeggen dat Max Havelaar een punt voor punt exacte weergave van de werkelijkheid is. Dat het boek niet louter een verslag van de werkelijkheid kon zijn, werd de lezer al bij de eerste regels duidelijk. Zowel het optreden als de naam van Batavus Droogstoppel is immers fictief. Pas nadat de koffiemakelaar de pen heeft overgedragen aan de Duitser Stern, begint het karakter van de roman realistischer te worden. Maar ook dan behoudt het boek veel kenmerken van een roman, door zijn dialogen en gechargeerde personages. Bovendien ontwikkelt het boek zich in rap tempo tot een pleidooi dat, hoe overtuigend ook, per definitie niet objectief kon zijn. Gemakkelijk is het echter nooit, werkelijkheid en verdichtsel uit elkaar te houden. Dat blijkt als we de hoofdpersoon zelf, Max Havelaar, aan een nadere beschouwing onderwerpen.

 

Max Havelaar, zo is de algemene teneur van de boeken en artikelen – zowel van voor- als tegenstanders –, is de man die Multatuli had willen zijn. Maar hij was het hooguit ten dele. Toch is het niet eenvoudig uit te leggen wat de verschillen zijn tussen Eduard Douwes Dekker en Max Havelaar. Het wel zeer deugdzame beeld van Max Havelaar wordt niet zozeer veroorzaakt doordat Multatuli tekortkomingen achterwege laat, maar doordat hij an die zwakheden juist goede eigenschappen tracht te maken.

 

Verzonnen heeft Multatuli weinig. Maar hij heeft – als elke goede schrijver – een zorgvuldige en hoogst effectieve selectie van de feiten gemaakt. Zo gaat hij zo weinig mogelijk in op het feit dat de resident in het verleden wel degelijk was opgetreden tegen misbruik van gezag.

 

Max Havelaar is een roman en een pleidooi in één.

 

Men begreep in 1860 onmiddellijk dat Max Havelaar niet bedoeld was als het zoveelste romannetje, maar als een aanklacht tegen de stand van zaken in de Nederlandse Oost-Indische koloniën. Een aanklacht die door het talent van de schrijver veel meer opzien baarde dan de min of meer gelijkgestemde oudere brochures en boeken van dominee van Hoëvell en anderen.

 

Dat er in Lebak veel mis was, is hoe dan ook zeker. Zo iemand daar nog over twijfelde, een onderzoek uit de tweede helft van 1856 toonde het overtuigend aan. De naspeuringen werden uitgevoerd door Brest van Kempen zelf. Hij had daartoe opdracht gekregen van het gouvernement.

 

Hoorcollege d.d. 17-10-2006

 

Damescompartiment

 

www.damescompartiment.nl

Vrouwelijke auteurs die over Nederlands-Indië hebben geschreven

 

Verplichte literatuur:

Stéphanie Loriaux: ‘De stilte verbroken. Vijf luide vrouwenstemmen’. In: Indische Letteren 2005, p. 13-23.

Vilan van de Loo: ‘Tobben in Indië. Wijze vriendinnen adviseren Hollandse vrouwen’. In: Indische Letteren 1994, p. 67-80.

 

Na 1870 grote opbloei vrouwenliteratuur.

 

1870-1920: Toename aantal vrouwelijke auteurs.

 

1870:

· Opening Suez-kanaal

· Cultuurstelsel afgeschaft, ruimte voor particulier initiatief

→ toename aantal Europese vrouwen in Indië en daarmee toenemende europeanisering

 

1873: verhouding 1000:420 (1/7 Europees, 6/7 Indo-europees)

1896: verhouding 1000:500

1900: verhouding 1000:600

1930: verhouding 1000:900

 

De Europese vrouwen troffen in Indië een totaal andere wereld aan. Vrouwen schreven lange brieven naar huis, hieruit is de vrouwenliteratuur ontstaan. Vrouwen hadden bijna niets te doen. Ze leidden een saai leven. Ze hadden bedienden die het huishoudelijke werk deden. Ze leefden vaak geïsoleerd in het binnenland.

 

Scriptie Marijke Adriaansen: Romantiek in sarong en kabaja.

Over aanpassingsproblemen van Nederlandse vrouwen in Indië.

 

De eerste koloniale romanschrijfsters uit de Indisch-Nederlandse literatuur:

1. Mina Krüseman

2. Melati van Java (juffrouw Sloot)

3. Maria Carolina Frank

4. Adinda (Thérèse Hoven)

5. Annie Foore (Junius)

 

Romans versus ‘De wijze dames’ (gidsen met nuttige tips)

Overeenkomsten en verschillen:

1. Algemene aanpassingsproblemen
De meeste vrouwen hebben geen idee over Indië
De Indische huizen zijn heel anders dan de Nederlandse huizen
Vendutie = openbare veiling (veel verplaatsingen)
Wijze vrouwen: neem een paar mooie dingen mee uit Nederland om het huis een eigen karakter te geven
Bedienden deden het huishouden
Wijze vrouwen: wennen aan het eten, geleidelijk overgaan
Wijze vrouwen met betrekking tot verveling: zoek een bezigheid, maar jezelf nuttig (vrijwilligerswerk) om de verveling te bestrijden

2. Klimaat en kleding
Russen tussen 1 en 3 uur ’s middags (siësta)
Jong aangekomen Europese vrouwen hebben een rode blos, die langzaam weggaat
De tjap van de tropen = gele huid
Bloedarmoede kan depressie veroorzaken: men ging ‘naar boven’, naar de bergen
Wijze vrouwen: wennen, niet meteen teruggaan
Baren en oudgasten dragen andere kleding
Baren gaan zich op de Rode Zee verkleden
Wijze vrouwen: je moet je vooral luchtig kleden

3. Indische toestanden
Concubinaat
Mannen die met huishoudster samenwonen
Onder rang van officier: alleen ongetrouwd naar Indië
Wijze vrouwen reageren heel wisselend

4. Bedienden
Bedienden moet je goed in de gaten houden, strak houden, anders lopen ze over je heen
Kinderen raakten vaak gehecht aan de baboe → competitiestrijd tussen moeder en baboe

5. Indische samenleving is hiërarchisch
Sociale status is erg belangrijk

6. Roddel en achterklap
Reputatie is erg belangrijk

 

Wijze vrouwen met betrekking tot verveling: zoek een bezigheid, maar jezelf nuttig (vrijwilligerswerk) om de verveling te bestrijden

 

Stéphanie Loriaux: ‘De stilte verbroken. Vijf luide vrouwenstemmen’. In: Indische Letteren 2005, p. 13-23.

 

De eerste koloniale romanschrijfsters uit de Indisch-Nederlandse literatuur:

1. Mina Krüseman

2. Melati van Java (juffrouw Sloot)

3. Maria Carolina Frank

4. Adinda (Thérèse Hoven)

5. Annie Foore (Junius)

 

Deze schrijfsters hebben in hun eigen tijd een opmerkelijke productie tot stand gebracht en hiermee een groot succes bij het toenmalige leespubliek geboekt. Maar als we kijken naar de schrale aandacht die zij in hun eigen tijd en achteraf van de kritiek hebben gekregen, dan schijnen die grote productie en dat succes er nauwelijks toe te doen.

 

Een eerste, belangrijke vaststelling is dat de literatuur uit het damescompartiment zowel door haar conformiteit met de traditie van de Indisch-Nederlandse literatuur als door haar specifieke bijdrage daartoe wordt gekenmerkt.

 

Men treft bij de vrouwelijke auteurs elementen aan die ook typerend zijn voor de laat-negentiende-eeuwse Indische romans van mannelijke auteurs: de exotische woonomgeving, de koloniale maatschappelijke structuren en verhoudingen, de samengesteldheid van de bevolking, de Indische toestanden en de gevolgen van het bijgeloof.

 

Het gaat de vrouwelijke schrijfster in de allereerste plaats om de confrontatie van de Europese vrouw met het koloniale dagelijks leven. De hoofdrol wordt hierbij meestal gespeeld door een vrouwelijk personage, dat bovendien ook nog vaak als vertelinstantie optreedt.

 

Het bijzondere, vrouwelijke standpunt resulteert in twee belangrijke kenmerken, namelijk de onvrede met het toenmalige aan de ene kant en het verlangen naar verandering aan de andere kant.

 

Wat ten eerste de onvrede met het toenmalige betreft: deze komt in de eerste plaats tot uiting in de scherpe beoordeling van de koloniale levenswijze. De schrijfsters onderstrepen in het algemeen het decadente en verloederde karakter van de Europese gemeenschap in Indië, de prestigestrijd en het materialisme, de Indische toestanden (het samenleven van de Europese man met een njai) en de onbeschaafdheid van de inlanders.

 

Alle punten van kritiek zoals die zojuist zijn genoemd, weerspiegelen de algemene onvrede van de schrijfsters met de in hun tijd bestaande situatie in de kolonie. Dit ‘destructieve’ karakter van de literatuur uit het damescompartiment wordt echter genuanceerd door – en gaat ook vaak gepaard met – een meer ‘constructieve’ stelling, waarmee de schrijfsters hun verlangen naar verandering tot uitdrukking brengen. Beide tegengestelde tendensen berusten op dezelfde algemene opvatting, namelijk hun overtuigd zijn van de Europese superioriteit.

 

Voor de schrijfsters uit tempo doeloe zou de toekomst van Indië aldus slechts kunnen worden gewaarborgd door de heerschappij van een nieuw type van koloniaal, namelijk de ethisch correcte Europeaan. De nieuwe, op Europese maatstaven en fatsoensnormen gebaseerde koloniale maatschappij zou volgens hen voornamelijk mogelijk worden gemaakt door de grootschalige immigratie van vrouwen naar Nederlands-Indië.

 

Van een hoogstaande literaire waarde is in verband met het damescompartiment nooit sprake geweest. Maar van alle literaire waarde is die literatuur daarom nog niet verstoken: als geheel van socio-culturele documenten neemt zij in de geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur wel een ontegenzeggelijk belangwekkende plaats in.

 

De schrijfsters uit het damescompartiment behoren tot de idealistische traditie. Deze tendens ging, reeds in die tijd, teloor met de opkomst van nieuwe stromingen, en dan voornamelijk het naturalisme. Het feit dat deze schrijfsters niet met de literaire voorkeur van hun tijd meegingen, verklaart voor een groot deel de marginale plaats die zij binnen de literaire canon toebedeeld kregen. De vraag is nu echter vooral die naar de betekenis van de traditionele literaire keuze.

 

Vooreerst is het literair-sociologische belang van hun werk niet te ontkennen. Hun optreden hangt samen met de eerste vrouwenrevolutie die in de tweede helft van de negentiende eeuw de kop opstak en een grote specifieke lectuurbehoefte schiep. Op hun manier hebben de hier besproken vrouwelijke auteurs bijgedragen tot de culturele verheffing van de vrouw.

 

Daum vergist zich niet wanneer hij beweert dat de schrijfsters uit het damescompartiment in een beperkte belevingswereld verkeerden dat deze zich in hun literaire werk weerspiegelde. Alleen trekt hij hieruit de verkeerde conclusie: hun werk biedt wel degelijk een trouwe weergave van de toenmalige realiteit, maar dat was er een die men liever niet zag, of onbelangrijk vond, en aldus als onjuist bestempelde en denigreerde. Door deze literatuur te verzwijgen werd getracht, een belangrijk facet van de toenmalige werkelijkheid weg te denken.

 

Vilan van de Loo: ‘Tobben in Indië. Wijze vriendinnen adviseren Hollandse vrouwen’. In: Indische Letteren 1994, p. 67-80.

 

In het ‘Indische dameshandboek’ beschreeft een vrouw met tropenervaring problemen van de Hollandse vrouw in Indië en gaf ze oplossingen aan.

 

Hoe verschillend deze boeken ook waren, toch hadden ze drie dingen gemeen:

· Ten eerste waren er aanwijzingen dat er een sterke samenhang bestond tussen de persoonlijkheid van de schrijfster en de inhoud van haar boek; iedere ‘waarheid’ leek te berusten op de persoonlijke ondervinding of veronderstellingen van de auteur. Invloeden van de tijdsomstandigheden waren hierin onmiskenbaar.

· Ten tweede bespraken alle auteurs in meer of mindere mate vijf grote probleemgebieden.
(zie aantekeningen hoorcollege)

· Ten derde bleken ze zo hun eigen visie te hebben op de koloniale samenleving, de verschillende bevolkingsgroepen daarin en de soms broeierige verhoudingen tussen mannen en Europese vrouwen.

 

De schrijfsters:

· Koba Catenius-van der Meijden

· Jans Kloppenburg-Versteegh

· Beata van Helsdingen-Schoevers

· Cato Rutten-Pekelharing

· Stannie Swaan-Koopman

 

Het zal moeilijk zijn om boeken te vinden die meer concrete beschrijvingen geven van de moeilijkheden van de Europese vrouw in Indië. Het is overigens niet alleen deze informatie die de boeken interessant maakt. De lezers van nu kunnen zich een beeld vormen van de toenmalige denkbeelden over de koloniale samenleving met haar bevolkingsgroepen en precaire man/vrouw-verhoudingen.

Hoorcollege d.d. 31-10-2006

 

P.A. Daum (1850-1898)

 

Verplichte literatuur:

Gerard Termorshuizen: ‘Daum contra dubbele moraal’. In: Indische Letteren 1 (1986), p. 13-28.

 

Over het leven van P.A. Daum:

· Daum wordt in 1850 in Den Haag geboren

· Zijn moeder was een maintenee, hij was een kind van een ongehuwde moeder

· Gaat in 1876 als journalist bij een krant werken

· Vertrekt in 1879 naar Indië en wordt journalist bij De Locomotief

· In 1883 wordt hij journalist bij Het Indisch Vaderland

· In 1885 richt hij zijn eigen krant op: Het Bataviaans Nieuwsblad

· Indische kranten: functie van parlement, oppositie
De gouverneur-generaal was verantwoording schuldig aan de minister van kolonieën

· Vaak feuilletons als klantenbinder

· Daum had literaire aspiraties en hij ergerde zich aan de kostschoolliteratuur (helden, schurken) en hij gaat zelf feuilletons schrijven

· Kritisch ten opzichte van het Nederlandse beleid

· Voorvechter van onderwijs voor de vrouw

· Europese vrouwen zijn sterker dan de Europese mannen

· 1873: Atjeh-oorlog
Islamitisch gebied, dulden geen buitenlandse indringers
Daum: stevig optreden noodzakelijk, ook onderwijs en gezondheidszorg brengen

 

Over het werk van P.A. Daum:

· Natuurgetrouw beeld van Indië in de periode 1880-1900: tempo doeloe

· Met name Europese deel van de samenleving (dagelijks leven)

· 10 romans in feuilleton-vorm

· Daum was een aanhanger van Emile Zola: objectieve kijk, cynisch, naturalistische romans

· Kenmerkend voor zijn werk en de feuilleton-vorm: geen ruimte voor psychologische diepgang en uitgebreide beschrijvingen van natuurverschijnselen, wel spanning

· Slappe man, sterke vrouw

· Motieven: hiërarchie, materialisme, losbandigheid, tegenstellingen

 

Het werk van Daum:

· Van de suiker in de tabak (1883)
Gesjeesde Leidse student (‘presentkaasje’) die naar Indië wordt gestuurd
De dubbele moraal van mannen wordt aan de kaak gesteld

· Goena-goena (1887)

· Hoe hij Raad van Indië werd (1888)

· Intimiteiten (1888)

· L. van Velton-van der Linden (1889)

· H. van Brakel, ing. B.O.W. (1889-1890)

· Indische menschen in Holland (1890)

· ‘Ups’ en ‘Downs’ in het Indische leven (1892)

· Nummer elf (1893)

· Aboe Bakar (1894)
Islamitische wereld, niet-westerse samenleving Indië
Kind van Nederlandse man en njai, biologische vader is een Arabische man
Het kind blijkt bij overlijden van de Nederlandse man niet door hem erkend te zijn
Gevolg: het kind is een inlander, zijn sociale positie is weg

Gerard Termorshuizen: ‘Daum contra dubbele moraal. Maatschappijkritiek in Uit de suiker in de tabak’. In: Indische Letteren 1 (1986), p. 13-28.

 

Als men wil proberen te verklaren waarom de romancier Daum zo’n bijzondere positie inneemt te midden van de Nederlandse naturalistische auteurs van zijn tijd dan zal men er onder andere rekening mee moeten houden, dat het ontstaan van dat schrijversschap èn het karakter van zijn literaire werk niet los kunnen worden gezien van het journalistieke bestaan dat Daum in Indië leidde.

 

Ik wil enkele door Daum gehuldigde en in zijn krant naar voren gebrachte denkbeelden gebruiken als opstapje naar een belangrijk motief in Daums eerste roman, Uit de suiker in de tabak, namelijk dat van het Indische huwelijk.

 

Kennis van de werkelijkheid was binnen Daums levensvisie uitgangspunt en doel. Vermeerdering van die kennis door nimmer aflatende studie en onderzoek vormde in zijn ogen de basis van het streven naar waarheid. In dat licht zag hij ook de taak van de journalistiek. Naar zijn mening had zij behalve als nieuwsmedium een rol te vervullen ten dienste van de maatschappelijke ontwikkeling. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat Daum in zijn krant regelmatig ingaat op vraagstukken van algemeen maatschappelijke en levensbeschouwelijke aard.

 

Een pleidooi voor meer en beter onderwijs in de koloniën is een regelmatig terugkerend thema in Daums beschouwingen, in het bijzonder de rechten van de vrouw. De omstandigheden dat meisjes in Indië geen middelbaar onderwijs konden volgen, was in zijn ogen een onduldbare achterstelling. Slechts goed onderwijs kon volgens Daum verandering brengen in de toestand van ‘totale afhankelijkheid der vrouw in de Indische maatschappij’.

 

Het is een opmerkelijk standpunt, verdedigd in een Indië waar de ‘Vrouwen quaestie’ nog nauwelijks aandacht kreeg. Daum hoorde dan ook tot de eersten die zich in de koloniën hebben ingezet voor de emancipatie van de vrouw daar.

 

Van Daum als journalist naar Daum als schrijver van Uit de suiker in de tabak. De roman werd tussen december 1883 en juli 1884 als feuilleton afgedrukt in Daums eigen krant, Het Indisch Vaderland. In 1885 verscheen hij in boekvorm. Uit de suiker in de tabak is een boek geschreven volgens het ‘naturalistische’ concept, dat wil zeggen geschreven vanuit een opvatting van literatuur die de observatie en de zo objectief en natuurgetrouw mogelijke registratie van de werkelijkheid als primaire doelstelling zag. Het is de eerste naturalistische roman binnen de Nederlandse letterkunde. Het is de eerste Nederlandse ‘ik’-roman met een negatieve held. Die ‘ik’ is James van Tuyll die terugblikt op zijn levensloop vanaf het ogenblik dat hij als jongeman in Indië kwam, totdat hij zich, een dertigtal jaar later, geconfronteerd ziet met de brokstukken van een mislukt bestaan.

 

In Daums literaire werk wordt groot belang toegekend aan de Indische omgeving als een de personages determinerende en de intrige sturende factor.

 

In Uit de suiker in de tabak vinden we drie verhaalmotieven. Twee ervan liggen als het ware in elkaars verlengde. Het zijn Van Tuylls carrière als planter èn diens jacht op fortuin. Ze komen hier slechts zijdelings ter sprake. Ik wil hier vooral spreken over het derde, en verreweg belangrijkste, verhaalmotief: dat van het huwelijk tussen James en Hélène. Hun verbintenis vloeit niet voort uit een overwogen partnerkeus, maar is vooral het gevolg van toevallige omstandigheden: hij, een planten op een afgelegen onderneming, zoekt een Europese vrouw en ‘valt’ op de eerste de beste die hij na lange tijd ziet; en zijn, ‘als alle Indische meisjes reeds in haar vroege jeugd bevreesd voor de zuur-bier-toekomst’, ontdekt in de conscentieuze, omhoogstrevende James een goede partij. Het is dan ook niet de liefde die hen samenbindt, maar een gemeenschappelijk belang, namelijk zo snel mogelijk rijk worden. Dat ‘ideaal’ verhindert echter niet, dat zij uit elkaar drijven. Hun huwelijk strandt tenslotte, wanneer James zijn vrouw steeds openlijker bruuskeert en Hélène van haar kant alle respect voor hem verliest.

De verbintenis tussen James en Hélène is niet het enige huwelijk waarover we worden ingelicht. ‘Het Indische huwelijk’ kan men dan ook een leidmotief noemen in de roman. We maken bovendien kennis met het Indische concubinaat in de verhouding tussen Drossaarts en zijn Javaanse njai.

 

Drossaarts heeft dus een njai en is daar content mee, o.a. omdat hij bijzonder weinig fiducie heeft in in Indië tot stand gekomen huwelijken tussen Europeanen. Afgaande op wat er in de roman aan informatie wordt gegeven over Indische huwelijken heeft hij geen ongelijk. Bepaald gelukkig zijn die verbintenissen niet. Genegenheid en onderling begrip ontbreken meestal, een gemis dat, vooral van de kant van de vrouwen, wordt gecompenseerd door geldzucht en verkwisting. Ook met de huwelijkstrouw wordt het niet al te nauw genomen. Met name door de mannen. Toch zijn niet alle Indische huwelijken bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Dit wordt gedemonstreerd door de verbintenis tussen oom Willem en tante Jet, een Indo-europese, die elkaar oprecht liefhebben. Het gaat hier echter om een uitzondering!

 

Daum deed met zijn voorstelling van het Indische huwelijksleven de realiteit weinig geweld aan. Laten we eens letten op de exceptionele omstandigheden waaronder de Europese jongelui elkaar ‘vonden’. Die omstandigheden vloeien in belangrijke mate voort uit de onevenwichtige structuur van de Europese gemeenschap waarin het aantal mannen dat van de vrouwen verre overtrof. Bij zo’n geweldig mannenoverschot is het concubinaat meer regel dan uitzondering. De ‘gewenning’ aan een inlandse vrouw – dikwijls waren er ook kinderen – trok niet zelden een zware wissel op het huwelijk dat een totok uiteindelijk sloot met een Europese. Een belangrijk motief voor zo’n huwelijk was de op klassebewustzijn berustende sociale conventie waarbinnen een gemengd huwelijk minder gewenst was.

 

Voor veel Europese vrouwen betekende het huwelijk de mogelijkheid te ontsnappen uit de toestand van afhankelijkheid en isolement waarin zij leefden. Deel uitmakend van de koloniale gemeenschap met sterk materialistische trekken legde de maatschappelijke positie van de huwelijkskandidaat bij de honorering van een aanzoek dikwijls een beslissend gewicht in de schaal.

 

Het Indische huwelijk was problematisch. Vandaar bijvoorbeeld het betrekkelijk hoge percentage echtscheidingen in de kolonie. Ook Daum sprak zich in zijn krant verscheidene malen uit over deze kwestie. Zoals we hiervoor al zagen, vond hij dat Europese meisjes veel te jong trouwden. Dat kwam niet alleen, omdat zij numeriek in de minderheid en dus een ‘gewild’ artikel waren, maar ook omdat het hun ontbrak aan opleiding en carrièremogelijkheden. De andere door hem genoemde oorzaken zag hij eveneens in samenhang met ‘den geheelen aard der Indische samenleving’. Zo beschouwde hij de omgang van jonge Europese celibatairs met de ‘bruine zusters’ als een ernstige bedreiging voor het toekomstige huwelijksgeluk. Verantwoordelijk voor veel problemen achtte Daum tenslotte ook wat hij het verschil noemt in ‘geestesrichting, opvoeding en gewoonten’ tussen partners van wie de een in Indië werd geboren en grootgebracht, en de ander pas als volwassene naar de koloniën was gekomen.

 

Niet zelden dienen de beschreven relatieproblemen de schrijver als middel om een kritisch oordeel te vellen over de onder andere door de ‘dubbele moraal’ bestendige ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen.

 

Eerder kwalificeerde ik Uit de suiker in de tabak als een naturalistische roman, als een boek met andere woorden, waarin men de Indische werkelijkheid zo objectief en onpartijdig mogelijk beschreven vindt. Ik wil hier enkele relativerende opmerkingen maken en met een voorbeeld laten zien, dat de auteur op bepaalde momenten wel degelijk partij kiest ten aanzien van het sociale gebeuren. Hoe Daums visie op het maatschappelijk gebeuren in zijn Uit de suiker in de tabak doorklinkt, blijkt bijvoorbeeld uit de zeer kritische benadering van de zogenaamde ‘dubbele moraal’. Geraffineerd gebruik makend van bepaalde verteltechnische middelen toont Daum de lezer steeds maar weer de onhoudbaarheid van James’ opvattingen. De schrijver doet dat hier door zijn persoon zwakke of zelfs niet-kloppende redeneringen in de mond te leggen. Onveranderlijk rechtvaardigt hij amoureuze affaires met een beroep op de maatschappelijk algemeen aanvaarde ‘norm’ waarbij het de man gemakkelijk wordt vergeven wat een vrouw als een onvergeeflijke misstap wordt aangerekend.

Hélène Sanders wordt niet afgeschilderd als het in feite weerloze slachtoffer van een zelfzuchtige echtgenoot, maar daarentegen juist getekend als een toonbeeld van actief en onwrikbaar verzet tegen wat in de roman wordt getoond als een sociale misstand. Aan dat verzet ontleent zij haar allure. Door haar zelfstandigheid van oordeel, de kracht van haar argumenten en de wijze waarop zij tenslotte haar eigen weg kiest, wordt zij in het boek het voorbeeld van een geëmancipeerde vrouw. Het is trouwens niet de enige in Daums werk. Wilskrachtige en intelligente vrouwenfiguren komen daarin zelfs opvallend veel voor.

 

Hoorcollege d.d. 07-11-2006

 

Louis Couperus (1863-1923)

 

Volgens Van Zonneveld is De stille kracht het hoogtepunt van de Indische letterkunde. Redenen:

· Compendium van de Indische maatschappij

· Profetisch: in 1900 wordt het einde van de koloniale maatschappij aangekondigd

 

Gegevens over het leven van Couperus:

· Couperus is afkomstig uit een oude Indische familie met Aziatisch bloed

· Zijn overgrootvader was gouverneur van Malakka

· Zijn grootvader en vader waren bestuursambtenaren

· Hij is geboren in Den Haag (zijn vader was inmiddels met pensioen)

· Hij groeide op in een deftig Indisch milieu

· Tussen zijn 9e en 14e woonde hij in Indië (zijn broers hadden gestudeerd en waren bestuursambtenaren in de dop)

· Hij was vroegrijp (in Indië veel meer openheid m.b.t. seksualiteit)

· Hij was gefascineerd door het geheimzinnige oosten
Edward Saïd:
Orientalism → het westen heeft een droom gecreëerd (het sprookjesachtige) om het oosten te kunnen onderdrukken

· Hij trouwde met een nichtje Elisabeth Baud dat in Sumatra is opgegroeid

· Terug in Nederland volgde hij in Leiden colleges MO bij Ten Brink, maar hij maakte zijn opleiding niet af en hij ging schrijven

· In 1899 ging hij op reis naar Indië met zijn vrouw
Volgens Bastet heeft Couperus het huwelijk nooit geconsumeerd
Was Couperus homoseksueel/biseksueel (
De berg van licht)?
Volgens Van Zonneveld was Couperus een estheet die terugschrok voor aardse seksualiteit

· Erotiek speelt een belangrijke rol in zijn werk, vaak verbonden met Indië

· Tijdens zijn reis in Indië verblijft hij bij zijn broer en zwager Gerard Valette (hier vat hij het plan op om De stille kracht te schrijven)

· In 1900 wordt De stille kracht gepubliceerd, eerst als feuilleton in De Gids

 

De stille kracht:

· Hoofdpersoon is resident Van Oudijck in het denkbeeldige plaatsje Laboewangi

· Van Oudijck raakt in conflict met de regent Soenario

· De resident wordt positief neergezet

· Goena-goena (tovermiddelen) om de resident weg te pesten

· Lijn van de erotiek ook zeer belangrijk
Leonie (de vrouw van de resident) doet het met iedereen, zoals met haar pleegzoon Theo, de Indo-Europese jongen Addy de Luce en allerlei bestuursambtenaren. Theo is jaloers. Van Oudijck weet van niets.

· In het boek komen allerlei visies over de koloniale samenleving naar voren
Resident Van Oudijck ↔ regent Soenario
Volgens Couperus is de disharmonie/confrontatie tussen oost en west eigen aan het hele koloniale gebeuren

· Tegenwicht door controleur Van Helderen: ontevredenheid Javanen en Indo’s, dreiging van Amerika, Japan en Islam (pagina 40 Salamanderreeks)

· Eva Eldersma heeft interessante opvattingen over Indië: droom/sprookjesachtige sfeer tegenover de banale praktijk

· Hadje staat symbool voor de dreiging (een hadje is een islamiet die in Mekka is geweest en die zich in een wit kleed mag hullen)

· Van Oudijck haat Indo’s, terwijl zijn eigen kinderen Indo’s zijn
Si-Oudijck is de zoon van Van Oudijck en zijn huishoudster

· Op pagina 110-112 (Salamanderreeks) staat een sleutelpassage
Luide kracht van de overheersers
Stille kracht van de onderdrukte bevolking
Sluit aan bij het slot

· Beekman: Couperus is een hermafrodiet, hij verenigt het mannelijke (Europa: te beklemmend) en het vrouwelijke (Indië: te bedreigend) in zich. Couperus voelde zich het meest thuis in het mediterrane gebied.

 

Literatuur: het nawoord van Bastet bij De stille kracht, bladzijde 239-249 (Salamanderreeks)

 

Hoorcollege d.d. 14-11-2006

 

E. du Perron (1899-1940)

 

Verplichte literatuur:

Peter van Zonneveld: ‘De moord op Fientje de Feniks. Literatuur en werkelijkheid in Het land van herkomst’. In: Indische Letteren 5 (1990), afl. 4, p. 185-193

Over relatie literatuur-werkelijkheid

Conclusie: Du Perron maakt fouten, maar niet bewust

 

Over zijn leven:

· Du Perron komt uit een oude Indische familie met Aziatisch bloed

· Zijn vader was een planter die constant in conflict was met bestuursambtenaren

· Zijn vader had een Europese maîtresse

· Zijn vader kleineerde zijn zoon vaak

· Zijn vader kon hard optreden tegen de plaatselijke bevolking: laten zien wie de sterkste is

· Du Perron had ontzag voor zijn vader, maar hij was ook bang voor hem

· Zijn moeder komt uit een Indische familie en heette van zichzelf Bédier de Prairie

· Zijn moeder was veel soepeler en socialer

· Zijn moeder deed aan goena goena

· Zijn moeder ging stiekem kaarten met Chinese vrouwen

· Tot 1921 in Indië gewoond

· Tot 1932 in België gewoond

· Van 1932 tot 1936 in Parijs gewoond

· Van 1936 tot 1939 in Indië gewoond

· In 1940 naar Nederland, overleden als gevolg van een hartstilstand

· Geen gelukkig huwelijk, later opnieuw getrouwd

 

Over Het land van herkomst (1935):

· Du Perron heeft een eerlijk portret van de Indische samenleving tussen 1900 en 1920

· Geen vooroordelen tegenover een bepaalde groep, geeft van iedere groep positieve en negatieve voorbeelden, niet kritiekloos

· Vol kritiek, maar ook vol zelfkritiek

· 33 hoofdstukken, afwisselend heden en verleden

· Geschreven tussen februari 1933 en februari 1934

· Rekenschap afleggen tegenover zijn tweede vrouw

· Hoofdpersoon Arthur Ducroo

· Bijna autobiografisch, voor een vriend  heeft hij een exemplaar met aantekeningen nagelaten

· Sleutelpassage einde hoofdstuk 22, vlak voor einde beschrijving Indische jaren
VOC-tijd: vreselijke dingen gebeurd, maar Javanen moeten onderdanig zijn t.o.v. de Hollanders

· Harde kritiek Mieke Bal, maar zij heeft citaten uit hun context gegrepen, citaten deels weergegeven en ze kijkt met normen van nu naar teksten van toen

 

Voorbeelden van portretten in Het land van herkomst:

· Indo-Europeanen
Europese kindermeisjes, meesten van gemengd bloed
Du Perron mocht niet spelen met Indo-Europese kinderen
Gemengd bloed betekent een lagere sociale afkomst
Wèl respect voor o.a. Javanen
Beeld van de Indo is niet altijd positief

· Inlanders
Portret van de baboe
Kinderen hadden vaak meer contact met de baboe dan met de eigen moeder
Vaak heerst er een concurrentiestrijd tussen de baboe en de moeder

· Chinezen
Veel geldschieters, woekeraars en opiumdealers
Veel minachting van de inlander voor de Chinees
Chinezen tijdens WO II anti-Japans en solidair met de Nederlanders

 

Peter van Zonneveld: ‘De moord op Fientje de Feniks. Literatuur en werkelijkheid in Het land van herkomst’. In: Indische Letteren 5 (1990), afl. 4, p. 185-193

 

Dit artikel gaat over de relatie tussen Het land van herkomst en de historische werkelijkheid.

 

Het is bekend dat de schrijver een met blanco vellen doorschoten exemplaar van de eerste druk, bestemd voor Greshoff, van autobiografische aantekeningen heeft voorzien. Die aantekeningen zijn inmiddels openbaar gemaakt in de dertiende druk, die in 1989 bij uitgeverij Van Oorschot verscheen.

 

Allereerst vind je soms opmerkingen over welk hoofdstuk waar geschreven is, wanneer, en soms ook over hoe en waarom.

 

[…] Niet alle namen werden echter gewijzigd, want elders zegt hij: ‘De inlandse namen heb ik bijna nooit veranderd.’

 

Een fragment dat mij steeds geïntrigeerd heeft, betreft de moord op Fientje de Feniks, waar de jonge Ducroo een tijdlang slapeloze nachten aan overhoudt. Het lijkt mij nuttig om na te gaan hoe literatuur en werkelijkheid zich wat deze zaak betreft tot elkaar verhouden.

 

Hoofdstuk 19, ‘Het kind rijpt verder’.

 

Wie gaat zoeken in oude jaargangen van het Weekblad voor Indië kan vaststellen dat er in de jaargang 1913, aflevering 15, gedateerd 27 juli, een artikel is opgenomen dat ‘De moord op Fientje de Feniks’ heet. Nu was het Weekblad voor Indië bepaald geen sensatieblad. Dat verklaart misschien ook, waarom bepaalde details die Du Perron noemt, zoals de afgesneden borsten, hier te enen male ontbreken. Mogelijk heeft de schrijver als kind – hij was toen dertien jaar – ook andere bronnen onder ogen gehad. In deze bijdrage beperkt ik mij echter tot wat het Weekblad aan informatie verschaft. Daaruit blijkt, dat Du Perron de hele zaak uit zijn geheugen heeft opgetekend, want zijn weergave van de feiten klopt niet. De geschiedenis is heel wat ingewikkelder dan hij voorstelt.

 

De moord op Fientje de Feniks maakt duidelijk, hoezeer literatuur en werkelijkheid in Het land van herkomst verweven zijn. Du Perrons weergave van de feiten, twintig jaar na dato en ongetwijfeld slechts op grond van zijn geheugen, wijkt nauwelijks af van de realiteit.

 

Hoorcollege d.d. 21-11-2006

 

Indische literatuur en de Tweede Wereldoorlog

 

Verplichte literatuur:

Rudy Kousbroek: ‘Cliché en code’. In: Het Oostindisch kampsyndroom, p. 351-357.

 

Groot verschil tussen Duitse en Japanse kampen:

· Krijgsgevangenkampen ≠ vernietigingskampen

· 42.000 Europese krijgsgevangenen door de Japanners, waarvan 20% omgekomen
(van de Nederlandse krijgsgevangenen in Duitsland is 3% omgekomen)

· 100.000 Europeanen in Indië geïnterneerd, waarvan 17% omgekomen

 

Literatuur omvangrijk, drie verschillende genres:

· Dagboeken
Dagboeken werden vaak in het geheim geschreven
De manuscripten uit de kampen zijn authentiek, maar vaak is er later aan de fragmenten geknutseld

· Memoires
Hieruit blijkt vaak een andere visie: men wist immers hoe de oorlog af zou gaan lopen
Daarnaast vaak meer aandacht voor de grote lijnen

· Terugkeerromans
Na onafhankelijkheid Indonesië
Vanaf 1969: toenemend aantal reizen naar geboorteland
Bijvoorbeeld Rudy Kousbroek:
Terug naar negri panherkomst (= Terug naar het land van herkomst)

 

Diversiteit aan meningen:

· Mensen die zichzelf slachtoffer voelen: de oorlog als excuus voor alles wat slecht gaat

· Mensen die er wat aan gehad hebben: door kampervaringen sterker geworden

 

Ook: diversiteit naar plaats, man/vrouw, leeftijd, sociale positie, kampcommandant, kennis over kruiden e.d. (soms essentieel om te kunnen overleven), politieke overtuiging (links of rechts)

 

Tot 1980 was altijd de klacht: niemand luistert naar ons. Men vond in Nederland weinig begrip.

 

Jeroen Brouwers: Bezonken rood (1981)

· Maakte grote discussie los (zie verplichte literatuur)

· Brouwers geboren in 1940, als kleuter in kamp gezeten

· Beelden van Duitse kampen verplaatst naar Japanse kampen

 

C. Binnerts: Alles is in orde, heren …! (1947)

· Dagboek uit 1943

· Vrij laconiek boek, geen klager, iemand met afstand

· Inleiding door Rudy Kousbroek

 

Motieven in kampboeken:

· Beeld van de mentaliteit/geestelijke toestand van de gevangenen
Solidair met elkaar of niet?
Binnerts stelt solidariteit medegevangenen ter discussie

· Fysieke toestand, honger en ziekte

· Overlevingsmiddelen
Hoe kom je de tijd door? Godsdienst/sterke religieuze overtuiging, het hebben van kinderen, vriendschap (kongsi = samenwerkingsverband), het leven op geruchten (‘de geallieerden zijn in opmars!’), dagdromen (bijv. over het leven na de oorlog), het lezen, het schrijven (dagboeken, gedichten), humor en beeld van de absurde situaties.

· Visie op de verschillende bevolkingsgroepen
Zie je de Japanners als individu of als groep?
Wat zeg je over de Indonesiërs?
Indien genuanceerd beeld over Japanners, dan vaak ook genuanceerd beeld over de Indonesiërs

 

Functie van poëzie in de kampen:

· Ervaringen onder woorden brengen (ter plekke en later), o.a. Willem Brandt en J. Resink

· Gedichten die met het kamp te maken (lijken te) hebben, o.a. Leo Vroman (fantasierijke gedichten)

 

Met de bevrijding was de ellende nog niet afgelopen. Velen zijn tijdens de onafhankelijkheidsstrijd vermoord.

 

‘De atoombom heeft ons leven gered.’ De voorraden van de Japanners waren uitgeput.

 

Verschil tussen Duitsers en Japanners na de oorlog:

· Japanners hebben de oorlog nog niet verwerkt en voelen zich alleen slachtoffer

· Duitsers zijn heel schuldbewust en geven rekenschap van het verleden

 

Rudy Kousbroek: ‘Cliché en code’. In: Het Oostindisch kampsyndroom, p. 351-357.

 

Dit artikel gaat over Binnerts’ dagboek Alles is in orde, heren.

 

Wat zijn observaties zo waardevol en indringend maakt is namelijk dat zulke primitieve clichés weinig vat op hem hebben, dat je kijkt door de ogen van een intelligent mens die verder geen dingen ziet die er niet zijn, en niet blind is voor allerlei andere dingen die er wel zijn maar die door anderen nooit worden genoemd (niet gezien, niet opgemerkt, vergeten, verdrongen, bedekt met de mantel der vaderlandsliefde of des fatsoens).

 

‘De gemiddelde mens is niet veel zaaks’, noteert Binnerts op 16 juli 1943, schrijvend over het feit dat de gevangenschap een middel als geen ander is om de ware aard van de mensen te leren kennen. Ontdaan van het dunne laagje fatsoen blijken zij ‘klein en meestal weerzinwekkend, […] vrijwel alleen ingesteld op eigen kleine, materiële voordelen en zonder enige consideratie voor anderen.’ Voorbeelden daarvan vormen een groot deel van de inhoud van het dagboek, en dat is nu juist waardoor het principieel verschilt van de gangbare kampliteratuur. Daarin is het namelijk precies omgekeerd. In die boeken komen in de gevangenschap juist altijd de deugden en de goede inborst van de mensen aan het licht.

 

Er is behalve een grote oorspronkelijkheid ook een zekere moed voor nodig zich in een beschrijving niet te conformeren aan die zinnebeeldige voorstelling: alles wat ervan afwijkt roept heftig verzet op.

 

Het begrip ‘vrouwenkamp’, zoals zich dat in naoorlogse publikaties heeft gevormd en tot de huidige dag bewaard is gebleven, is van al deze voorstellingen ongetwijfeld de meest zinnebeeldige. Het is het zuivere prototype van het goed, belaagd door het kwaad: ‘onze dappere vrouwen’ weergaloos overgeleverd aan ‘Aziaten’. Het betreurenswaardige is ook hier dat het cliché elk uitzicht op de werkelijkheid in deze kampen verhindert.

 

Over de Japanse tijd zijn honderden boeken geschreven. De meesten zijn ‘niet waar’. Een handvol, minder dan tien, bevat dat zeldzame ingrediënt: oorspronkelijkheid, en dit dagboek is er een van. De wereld wordt genomen en beschreven zoals zij is, met alle ongerechtigheden erin. Er wordt niet van uitgegaan dat de mensen goed zijn, minst van al wijzelf in vergelijking met anderen.

 

Rudy Kousbroek: ‘Het tomatenketchup-Tjideng van Jeroen Brouwers’. In: Het Oostindisch kampsyndroom, p. 515-522.

 

Het Indische kampsyndroom is de onwil om na te gaan hoe het werkelijk geweest is en liever vast te houden aan een onwaarachtige voorstelling van zaken, aan een mythe.

 

Steeds weer wordt geprobeerd te suggereren dat de Indische kampen vernietigingskampen waren, zoals die waarin de Duitsers de joden opsloten.

 

De roman Bezonken rood van Jeroen Brouwers bevat gedetailleerde en schokkende beschrijvingen van het Tjideng-kamp, een buitenwijk van Batavia, waarin Brouwers met zijn moeder en zusje van zijn tweede tot zijn vijfde levensjaar heeft doorgebracht.

 

De werkelijkheid wordt geweld aangedaan. De kwestie is alleen: welke werkelijkheid?

 

Over de historische werkelijkheid kunnen we kort zijn. Wachttorens, de stereotype voorstelling van de Jap, verkrachtingen, mishandelingen, wreedheden, moorden: is dat allemaal echt gebeurd? Dat is de vraag niet. De vraag waarom het gaat is niet: waar of niet waar. Daarover is, zoals ik al zei, geen enkele twijfel; iedereen die de omstandigheden gekend heeft weet het (of hij het toegeeft of niet): het is niet waar. Het werkelijke dilemma is van een ander soort. Het is het dilemma: fantasme of leugen.

 

Het thema van het boek is dat Brouwers als kind zijn moeder vernederd heeft gezien en dat de herinnering daaraan hem ondraaglijk is. Zoiets kan je alleen maar respecteren. Of alles ook werkelijk zo is gebeurd als hij het vertelt doet er weinig toe: het is een roman, een fictieve reconstructie die een persoonlijke waarheid uitdrukt.

 

Ook Brouwers heeft de pretentie dat in zijn boek een objectieve werkelijkheid wordt beschreven die ‘tot dusver altijd gerelativeerd werd’, ‘uit angst voor huilerigheid en pathos’. Zowel in het boek zelf als in een interview (in de Haagse Post van 7-11-’81) wordt dat in zoveel woorden gezegd. Maar het is de waarheid niet, het is de mythe, het oude liedje, het Oostindisch kampsyndroom.

 

Wat is toch de betekenis van deze rare obsessie bij mensen die zich op de Indische internering beroepen? Hoe dan ook, waar het in laatste instantie altijd op neerkomt is onwil om kennis te nemen van de ware toedracht, de weigering om zich op de hoogte te stellen van de werkelijke feiten.

 

Bezonken rood is de zoveelste poging tot intimidatie, en het mechanisme van: spreek me niet tegen want ik heb zoveel geleden wordt er schaamtelozer en gewelddadiger in gemanipuleerd dan ooit.

 

Agressieve en misplaatste wansmaak. Het gaat er inderdaad om dat in een boek als dit niet alleen de geschiedenis, maar ook allerlei intieme gevoelens worden vervalst. Dat in Bezonken rood niet de objectieve werkelijkheid wordt beschreven doet er niet toe; maar het is ook niet een privé-waarheid. Het is een leugen. Er staat geen simpele, oprechte uitspraak in het hele boek.

 

Rudy Kousbroek: ‘Acht jaar maagpijn’. In: Het Oostindisch kampsyndroom, p. 538-556.

 

Mijn bezwaar tegen Bezonken rood was dat de verschrikkingen in Brouwers’ beschrijving van het Tjideng-kamp verzinsels zijn, ontleend aan een andere realiteit, i.c. de Duitse vernietigingskampen. Ik zeg dat hij met die wreedheden uit de Duitse kampen de boel vervalst en tracht zich de ellende van anderen toe te eigenen.

 

De Japanners hebben nooit Nederlanders systematisch vernietigd zoals de Duitsers met de joden hebben gedaan; het karakteristieke van hun optreden was ook juist het ontbreken van systeem. Dat is de reden dat de ervaringen van Indische oorlogsslachtoffers zo sterk verschillen, en wat de schuldvraag zo moeilijk maakt. De ene kampcommandant deed dit, de andere dat, en de meesten deden helemaal niets.

 

Mensen in Indische kampen zijn omgekomen door ondervoeding, mishandeling, tropische ziekten, torpederingen e.d. Ze zijn niet doelbewust, planmatig en met gigantische moordinstallaties uitgeroeid om hun ras.

 

Brouwers toont in Bezonken rood een voorliefde voor sadistische details.

 

Hoorcollege d.d. 28-11-2006

 

Maria Dermoût (1888-1962)

 

Verplichte literatuur:

Kester Freriks: ‘Afscheid en herinnering, stem en tegenstem. In: In Indië geweest. Schrijversprentenboek 30, p. 8-49.

 

Biografie over Maria Dermoût door Kester Freriks: Geheim Indië: het leven van Maria Dermoût 1888-1962

 

In 1970, 1974, 1982 en 2000 uitgave van haar verzameld werk: ruim 600 pagina’s

· Twee romans: Nog pas gisteren (1951) en De tienduizend dingen (1955)

· Vier verhalenbundels

· Schetsen

 

Over het leven van Maria Dermoût:

· Anna Sophie Halverhout, de moeder van Maria Dermoût, trouwde in 1885 met Frederik Ingerman.

· Maria is op 15 juni 1888 geboren op de suikerfabriek Tirto bij Pekalongan, een stad op Midden-Java. Een paar maanden na de geboorte van Maria stierf haar moeder aan bloedvergiftiging. Maria heeft haar moeder dus nooit gekend.

· Langs vaderszijde stamde Maria uit een familie die al sinds vele generaties in Indië was gevestigd.

· Haar vader werkte als administrateur op een suikerfabriek.

· Op 24 augustus 1894 hertrouwde Maria’s vader met de gouvernante Augusta Helena Lohmann.

· Van 1900 tot 1905 woonde Maria in Haarlem bij dominee Herman de Lang. Ze volgde er de meisjes-hbs en daarna vier jaar gymnasium. Maria beleefde een ongelukkige tijd. De ruimte die ze uit Indië kende was haar ontnomen en van enige vertrouwelijkheid in het gezin was geen sprake.

· In Haarlem ontmoette Maria haar jeugdliefde Aldert Brouwer.

· In 1905 vertrok Maria weer naar Indië, maar zij en Aldert Brouwer verloren elkaar nooit definitief uit het oog. Vele jaren later, beiden waren inmiddels getrouwd, zien ze elkaar terug in Indië, en na de dood van haar man in 1952 ontmoeten ze elkaar regelmatig in Nederland.

· In 1906 ontmoette Maria de jurist Johannes Dermoût, een jurist in dienst van het Indische gouvernement. Zij leerde hem kennen in een herstellingsoord, het bergplaatsje Tosari op Oost-Java., waar ze door haar ouders naar toe was gestuurd om op krachten te komen nadat ze was getroffen door de mazelen.

· Op 6 juni 1907 werd het huwelijk tussen mr. Isaac Johannes Dermoût en Antonia Maria Helena Elisabeth Ingerman te Semarang op Java voltrokken.

· Gedwongen door de omstandigheden leidt het echtpaar een rusteloos bestaan: Nederlandse bestuursambtenaren in Indië moeten veelvuldig van standplaats wisselen (ter voorkoming van corruptie). Ze woonden tussen 1907 en 1933 onder meer in Pati, Garoet, Ambon, Saparoea, Batavia, Poerwaredjo en Semarang.

· Maria Dermoût leed aan een zwakke gezondheid, evenals haar echtgenoot, voor wie het Indische klimaat ondraaglijk was. In 1933 repatriatie naar Nederland (Arnhem, later Noordwijk).

· De Dermoûts behoorden tot de hoogste klasse van de Indische samenleving. Haar man, begonnen als rechterlijk ambtenaar, voltooide zijn loopbaan als president van de Raad van Justitie in Batavia (1925) en tenslotte werd hij benoemd tot president van het Hooggerechtshof (1930), ook te Batavia.

· Voor Maria Dermoûts letterkundige ontwikkeling is het verblijf op de Molukken van groot belang geweest. Het echtpaar verbleef hier op Ambon tussen 1910 en 1914. Terwijl haar man wekenlang rondreisde tussen de eilanden verdiepte Maria Dermoût zich in het werk van de Duitse geoloog en botanicus Rumphius, wiens werkterrein lag op de Molukken.

· Haar man sterft in 1952.

 

Over haar werk in het algemeen:

· Citaat Peter van Zonneveld in NRC: ‘Het werk van Maria Dermoût is doordrenkt van het besef dat al het bestaande, de grote en de kleine dingen, liefde en dood, onheil en geluk een alomvattende eenheid vormt die je de kracht geven verlies, afscheid en gemis te dragen.’

· Maria Dermoût wordt vaak als Indische auteur beschouwd, haar thematiek heeft echter algemene geldigheid!

· Maria Dermoût is een aanhangster van het taoïsme: alles hangt met alles samen en alles vormt samen een eenheid (= ‘De tienduizend dingen’)

· Eigen stijl: heel langzaam, melodieus, herhalend, direct en toch verhullend, terloops komt er iets grimmigs tussendoor, spel van wisselend perspectief met vooruitwijzingen die spanning en dreiging oproepen, combinatie van oosterse elementen (nl. herhaling) en westerse elementen (nl. wisseling van vertelperspectief).

· Stilistisch is Maria Dermoût schatplichtig aan twee voorbeelden: een geschreven en een orale. Aan de werken van Rumphius dankt ze haar toewijding voor zelfs het nietigste wezentje uit de schepping, dat ze met gevoel voor detail introduceert in haar verhalen. De orale, inlandse verteltrant klinkt door in haar wijze van beschrijven. Ze suggereert meer dan dat ze rechtstreeks benoemt.

· Maria Dermoût debuteerde laat, in 1951, met Nog pas gisteren, ze was drieënzestig jaar. Aan het einde van de jaren vijftig verschijnt haar werk in verschillende talen: Duits, Engels, Spaans, Italiaans, Deens, IJslands, Maleis en Frans. In december 1958 koos het Amerikaanse weekblad Time de met lof ontvangen vertaling van Hans Koningsberger, The Ten Thousand Things, uit als een van de beste boeken van het jaar.

· Oorspronkelijk in het werk van Maria Dermoût is zeker de levende kracht die ze toeschrijft aan onbezielde voorwerpen. Een voorwerp is bij haar nooit een levenloos ding. De tijd van vroeger laat zich overal gelden. Voor haar lijkt het verleden niet te bestaan, want overal zijn herinneringen en waar een herinnering is, bestaat geen verleden.

· De kloof tussen Oost en West leidt in haar boeken nooit tot een openlijk conflict.

· Het zijn aldoor de uit Nederland afkomstige vreemdelingen in de Oost die bij Maria Dermoût een psychologische ontwikkeling doormaken. De Nederlanders blijven in zekere zin buitenstaanders. Niet omdat zij in maatschappelijk opzicht een hoge, onaanraakbare positie zouden hebben, maar omdat ze nooit werkelijk inzicht krijgen in ‘zulk soort dingen’, de geheimen van de Indische cultuur.

· Vertroosting blijkt een van de sleutelwoorden te zijn in haar oeuvre. Het is de balsem tegen de pijn van scheiding en eenzaamheid. In bijna elk van haar werken ontwikkelt zich een verhaallijn die loopt van ontmoeting of verbondenheid tussen mensen naar afscheid, verlies of scheiding. De levensvisie die hierachter schuilgaat is tweevoudig: mensen zijn aan elkaar verwant of met elkaar verbonden, maar juist die band maakt elke scheiding noodlottig.

· Haar aandacht gaat uit naar het onvermogen van de mens tot duurzame verbintenis.

 

Over De tienduizend dingen:

· De thematiek van de roman: de kracht van de herinnering aan de ‘tienduizend dingen’ waaruit iemands leven bestaat, moet het winnen van het voorbijgaan van de tijd. In de wereld van Maria Dermoût zijn doden nooit voorgoed dood en is vroeger nooit voorgoed in de vergetelheid verzonken. Wie beschikt over de gave van de herinnering roept het verleden vanzelf weer terug naar de tegenwoordige tijd.

· De literatuurgeschiedenis weet niet goed raad met het genre van De tienduizend dingen. Is het een roman, een raamvertelling of een verhalencyclus?

· Zelf noemde de schrijfster De tienduizend dingen een raamverhaal.

· 6 onderdelen: verhaal 1, 2 en 6 hangen samen en verhaal 3, 4 en 5 vormen afzonderlijke verhalen

· Uit ‘Allerzielen’, het laatste hoofdstuk, zijn de eerdere moordverhalen voortgekomen.

· Ogenschijnlijk hebben de moordverhalen over de professor, de posthouder en Constance en haar matroos weinig te maken met de Himpies-geschiedenis. Toch zijn ze noodzakelijk voor de betekenis van de roman. Deze drie zogenaamde ‘moordverhalen’ geven aan de herdenkingsdag Allerzielen een universele strekking. Die ene dag staat symbool voor alle dagen waarop mensen hun vermoorde beminden gedenken.

· Voor De tienduizend dingen is het werk en de persoon van Rumphius een belangrijke inspiratiebron.

· De ‘tienduizend dingen’ uit de titel geven de taoïstische gedachte weer waarin de schepping, van nietig steentje tot mens, als een alomvattend geheel wordt beschouwd. Toch is het te weinig de ‘tienduizend dingen’ kortweg als metafoor te zien voor al het bestaande. Dat zou betekenen dat de dingen los op zichzelf staan, onafhankelijk van elkaar. Maar het werk van Maria Dermoût verraadt juist de samenhang tussen alle verschijnselen van de schepping, zowel de zichtbare als de onzichtbare. In haar met het taoïsme verwante visie ziet ze de wereld als een eeuwige kringloop, een zichzelf herhalende cyclische rondgang. Er heerst harmonie, en wie harmonie zegt spreekt ook van de eenheid der tegenstellingen: de dag die niet zonder de nacht kan, leven niet zonder dood, liefde niet zonder scheiding. Mevrouw van Kleyntjes, Felicia, die jaarlijks met Allerzielen de vermoorden op het eiland gedenkt, verzet zich niet tegen de dood. Ze gedenkt dan ook niet de gestorvenen, wel de moedwillig vermoorden. Dood en leven horen in haar gedachten bij elkaar, maar moord op het leven niet. Een moordenaar verstoort de harmonische samenhang van de schepping.

· De bezieling van voorwerpen en de dreiging die daarvan uitgaat voor de westerling vormt de spil van De tienduizend dingen.

· In het openingshoofdstuk volgt een op het eerste gezicht onsamenhangende opsomming van het vervallen huis op het eiland, de bomen, de vogels, de baai, de bovennatuurlijke aanwezigheid van de doden enz. Dat zijn de ‘honderd dingen’ die een dod nooit mag vergeten. Het laatste hoofdstuk drukt de samenhang tussen de fragmenten uit: ‘Zij zat rustig in haar stoel, het waren ook geen honderd dingen, en niet alleen van haar, honderd keer ‘honderd dingen’ naast elkaar, los van elkaar, elkaar rakende, hier en daar in elkaar vervloeiende, zonder ergens enige binding, en tegelijkertijd voor altijd met elkaar verbonden…’

· Haar verhalen vertonen een losheid waarin de gebeurtenissen, handelingen en herinneringen schijnbaar terloops een vaste plaats krijgen. Pas bij nauwkeurige lezing blijkt al vanaf de eerste pagina’s alles elkaar te raken, in elkaar te vervloeien.

· Het noodlot van Himpies wordt voorbereid. Vooruitwijzingen o.a. Bibi hangt bij Himpies een schelpensnoer om de hals, dit brengt onheil. Transformatie eigen zoon Hans.

 

Hoorcollege d.d. 05-12-2006

 

De stem van Indisch Nederland: Tjalie Robinson

 

Verplichte literatuur:

· G.L. Cleintuar: ‘Tjoek van Vincent Mahieu’. In: Indische Letteren 4 (1989), p. 81-94.

· Beekman: Paradijzen van weleer. Hieruit de passage over J. Boon.
(relatie met het Amerikaanse zuiden: gemengde samenleving)

 

Jan Boon, twee pseudoniemen:

· Tjalie Robinson columns → kroniek van het straatleven

· Vincent Mahieu verhalenbundels → literair (te literair/te moeilijk voor veel Indo’s)

 

Dé vertegenwoordiger van de Indo-Europese gemeenschap in Nederland.

 

Geboren in Nijmegen, opgegroeid in Batavia.

 

Nederlandse vader, Indische moeder.

 

Kamptijd: ontmoeting met andere schrijvers.

 

Na de oorlog schrijft hij stukjes in de Bataviaanse krant ‘De Nieuwsgier’, deze stukjes zijn gebundeld onder de titel Piekerans van een straatslijper (vrij vertaald: gepieker van een lanterfanter).

 

Petjôh = de mengtaal van de Indo’s, Nederlands met Maleise grammatica

 

Vertrok in 1954 weer naar Nederland

 

Oprichter tijdschrift Tong Tong, later Moesson geheten

 

Oprichter Pasar Malam

 

Heeft de Indo zelfvertrouwen gegeven

 

Twee verhalenbundels:

· Tjies (1958)

· Tjoek (1960)

 

Over Tjoek:

Centraal staat een samenleving van twee jonge Indo-kinderen op een chinees graf.

Het graf heeft de vorm van een baarmoeder.

Vaak is het verhaal symbolisch opgevat: er bestaan twee werelden (de Indische en de Europese), maar de Indo past in geen van beide werelden.

 

Weduwe: Lilian Ducelle

 

De auteurs van de Tweede Generatie

 

Verplichte literatuur:

Bert Paasman: ‘‘De een draagt een bril en de ander is Indisch’. Inleiding op de literatuur van de Tweede Generatie Indisch-Nederlandse auteurs’. In: Indische Letteren 18 (2003), p. 162-169.

 

o.a. Marion Bloem, Jill Stolk, Adriaan van Dis, Ernst Jansz, Anneloes Timmerije

 

Tweede Generatie = kind van migrantenouders (sociologisch begrip)

 

Sfeer migrantenmilieu:

1. Situatie in het land van herkomst leidt tot vertrek

2. Reis leidt tot aankomst

3. Confrontatie met de cultuur van het nieuwe land (m.n. ouders)

4. Aanpassing en integratie

5. Identiteitsvraag: waar hoor ik nou bij?

6. Terugdenken aan/terugreizen naar

 

Typerend voor de Tweede Generatie:

1. Kennen Indië niet uit eigen ervaring

2. Nakomelingen van gerepatrieerden

3. Opgevoed volgens Indische normen

4. Worstelen soms met hun identiteit

5. Ontmoeten vooroordelen, onbegrip en onwetendheid

(Paasman:)

6. Historisch bewustzijn groeit, bijv. Marion Bloem: Vaders van betekenis

7. Belangstelling Indische cultuur, stijl en taalgebruik

8. Verzamelen van documentatie en gebruik van intertekstualiteit: lezen ook auteurs Eerste Generatie

9. Rootsreizen, reizen naar het land van herkomst: droomwereld ouders rijmt niet met werkelijkheid, ze beseffen dat ze toch meer Europees zijn dan Indonesisch

10. Sociale, raciale en gender-aspecten: uit welk milieu komen ze?

11. Indisch incest-taboe: Indo’s trouwen bij voorkeur niet met Indo’s, waardoor het Indische element langzaam gaat verdwijnen. Misschien speelt hierbij een rol dat de ouders meestal aangedrongen hebben op integratie.

 

Aanbevolen:

· Anneloes Timmerije: Indisch zwijgen (verwoordt wat het typisch Indische is)

· Reggie Baay: De ogen van Solo (portret vader, familie)

 

Bert Paasman: ‘De een draagt een bril en de ander is Indisch’. Inleiding op de literatuur van de Tweede Generatie Indisch-Nederlandse auteurs’. In: Indische Letteren 18 (2003), p. 162-169.

 

Tweede generatie: literatuur over Indië en het Indische of Molukse door mensen die er niet geboren en getogen waren, of soms nog net geboren en vervolgens op jeugdige leeftijd gemigreerd.

 

In de literatuurwetenschap verstaat men onder een generatie globaal: een groep auteurs met sterke overeenkomsten in hun biografie en hun oeuvre. Ze worden vooral gekarakteriseerd in verhouding tot hun voorgangers (in ons geval de Eerste generatie) en tot hun opvolgers (mogelijk een Derde generatie). De biografische overeenkomsten zijn voornamelijk hun geboortejaren, hun achtergronden en de jaren waarin hun eerste belangrijke werken verschijnen; de literaire overeenkomsten zijn vooral hun vormgevingsprincipes, noem het poëtica, en hun boodschap, noem het thematiek.

 

De schrijvers en dichters die wij hier bespreken voldoen wel aan die globale kenmerken: zij zijn rond de jaren 1950-1955 geboren, uit ouders van wie er tenminste één, soms twee in Nederlands-Indië verblijf gehouden hebben en ze hebben in ten minste een deel van hun werk de dekolonisatie van Nederlands-Indië als onderwerp. Ze beginnen rond 1980 met publiceren. Alleen in hun vormgeving zijn de overeenkomsten minder groot, al kan men in stijl en taalgebruik wel vaak het orale karakter, de parlando-stijl zoals Nieuwenhuys die noemt, en het Indisch-Nederlands met Maleise woorden en uitdrukkingen onderscheiden. Maar deze vormkenmerken zijn niet nieuw en niet exclusief en worden soms gedeeld met de Eerste-generatie-auteurs en hun literaire voorgangers.

 

In de hedendaagse migrantenliteratuur spelen de volgende elementen een kenmerkende rol:

1. De situatie in het land van herkomst die geleid heeft tot het vertrek

2. De reis (soms vlucht en omzwerving) van het land van herkomst naar het land van aankomst

3. De confrontatie met mens en cultuur, de normen en waarden van het nieuwe land (soms met vormen van wederzijds onbegrip tot en met discriminatie gepaard gaand)

4. Het proces van aanpassing en integratie (waarbij meestal het leren van de taal een centrale plaats inneemt)

5. De identiteitsvraag

6. Het terugdenken aan, soms terugreizen naar het land van herkomst of afkomst

 

Peter van Zonneveld vat de kenmerken van de Tweede-generatieschrijvers samen als:

1. Ze kennen Indië niet uit eigen ervaring, maar uit verhalen

2. Ze zijn nakomelingen van gerepatrieerden

3. Ze zijn opgevoed volgens Indische normen

4. Er is meestal sprake van een dominante vaderfiguur: streng, zwijgzaam, getekend door de oorlog

5. Ze worstelen soms met hun identiteit

6. Ze ontmoeten vooroordelen, onbegrip en onwetendheid

 

Deze kenmerken gelden eigenlijk evenzeer voor de auteurs als voor hun personages.

 

Aan de door Van Zonneveld genoemde kenmerken zouden de aandachtspunten historisch bewustzijn, Indische cultuur, stijl en taalgebruik, documentatie, intertekstualiteit en rootsreizen kunnen worden toegevoegd. Ook sociale, raciale en genderkenmerken zouden volgens ons wel wat meer aandacht mogen krijgen.

 

En wat te denken van het ‘Indisch incest taboe’: de voorkeur van Indo-mannen en –vrouwen voor een witte partner.

 

G.L. Cleintuar: ‘Tjoek van Vincent Mahieu’

 

‘Universaliteit’

 

‘Tjoek’ is de Indische jagersverbastering voor het Engelse woord choke: vernauwing aan het eind van de loop van jachtgeweren waardoor de afgeschoten kegelvormige hagellading nauwer wordt gebundeld en men dus een geconcentreerder schot (en beter effect) krijgt.

 

Indische jagers spelen in dit verhaal een belangrijke rol. Toch is Tjoek geen jachtverhaal. Het is meer dan dat.

 

De hoofdpersonen in Tjoek zijn twee jonge mensen: het meisje Tjoek en de jongen, Man genoemd. Het meisje is ongeveer twaalf jaar oud, de jongen twee jaar ouder.

Er is een weg die wegvoert vanuit de stad. Buiten die stad is aan die weg een Chinees kerkhof gelegen. Er is verder een plek op dat kerkhof waarop drie huizen staan. In het linkerhuis woont een muziekleraar die dag en nacht cello speelt. Het middelste huis is onbewoond. Er rust een vloek op en men meent dat het er ’s nachts spookt, maar op zondagen (zolang het dag is) dient dit huis als trefpunt voor jagers uit de stad. In het rechterhuis woont Tjoek met haar moeder. Aan de andere zijde van die weg strekt zich een groot moeras uit.

De Indochinees Go jaagt al zeven jaar op Si-Badak: een legendarisch, groot en onkwetsbaar everzwijn.

Op een dag komt Elmo Wyatt, de beste jager van allemaal, met lege handen terug. Wanneer hij alsnog een jachtbuit wil gaan zoeken, struikelt hij. Het geweer gaat af met de loop in zijn zij en hij is op slag dood. Bij het politieonderzoek blijkt dat Elmo’s lievelingsgeweer verdwenen is.

Dezelfde dag verdwijnt Man, maar deze is voor de meesten zo’n onbeduidend ventje, dat niemand verband legt tussen beide verdwijningen. De jongen verlaat de stad met het geweer van Elmo, dat hij op het Chinese kerkhof verbergt. Hij zal daarna het kerkhof en het moeras als zijn domein beschouwen en zich aan ons voordoen als een uitstekend jager en natuurkenner.

Man weet een achter struiken verborgen natuurlijke toegang tot het inwendige van een Chinese grafkelder. Aangezien het graf leeg is, maakt Man het tot zijn verblijfplaats. De jongen blijft echter niet lang alleen. Zijn schuilplaats wordt ontdekt door Tjoek, die hem daar voortaan geregeld komt bezoeken. Tjoek brengt steeds meer orde in zijn schuilplaats en brengt er de dingen uit de beschaving in.

Man heeft een probleem. Zolang Go op Si Badak blijft jagen, loopt hij voortdurend gevaar dat zijn zelfgekozen isolement zal worden verstoord. Man kan hieraan alleen ontkomen door Si Badak zelf te doden. Man, die zijn weg in het moeras uitstekend weet te vinden, laat Tjoek vaak met het geweer achter op een posteerpost, terwijl hijzelf valstrikken bedenkt en valse sporen legt om Si Badak hun richting op te drijven.

Op een nacht verschijnt dan tenslotte Si Badak aan Tjoek, die door het lange wachten bijna in slaap is gevallen. Ze schiet. Ze doodt echter niet Si Badak maar Man. Man zinkt weg in het moeras, onbereikbaar voor haar.

 

Het meest specifiek in Mahieu is zijn geloof in de mogelijkheid van een wezenlijke beschavingsbijdrage van de zijde van de ‘gemengde mens’, de mens die niet gevangen zit in één cultuur, maar die deel heeft aan meerdere.

 

Het kerkhof is een Chinees kerkhof. Een detailkwestie zonder diepere zin? Nee: een Chinees graf heeft een heel bijzondere symbolische vorm, namelijk die van de moederschoot. Daaruit wordt de mens geboren en daartoe keert hij weer terug. Het kan niet toevallig zijn dat Man een Chinees graf tot zijn schuilplaats en jachtbasis maakt. Zoals het evenmin toevallig is dat Mahieu zijn verhaal beëindigt door Tjoek zich te doen oprollen in haar bed. En is het toevallig dat Man zijn levenseinde vindt in het moeras, waar alle hogere levensvormen waarschijnlijk hun begin hebben gehad? Het lijkt er op dat kerkhof en moeras qua beeldfunctie onderling verwisselbaar zijn: beide zijn begin- en eindpunt.

 

Mahieu ziet de negatie of de verdringing van de dood in het dagelijkse leven als een fout in de moderne westerse samenleving.

 

Het moeras, begin- en eindpunt, moet bij Mahieu ook nog een andere functie hebben gehad. Het moeras is eigenlijk een onzekere werkelijkheidsvorm tussen land en water in.

 

Mahieu toont ons het beeld van de ‘marginale mens’, de grensmens, die leeft op de grens van twee sterk van elkaar verschillende culturen. In hem hebben zich de spanningen geconcentreerd van een gemengde samenleving.

 

Voor de marginale mens schijnen de wegen naar een oplossing heel vaak dood te lopen: men kiest voor de ene of voor de andere zijde, voor het vadervolk of voor het moedervolk, voor de cultuur van de vader of voor de cultuur van de moeder. Maar welke zijde ook gekozen wordt, de keuze zelf blijft onnatuurlijk aandoen.

 

Als men anders is dan het vadervolk en anders dan het moedervolk, als men geen landdier is en ook geen waterdier, geen vlees en geen vis, wat is men dan? Het antwoord kan heel eenvoudig zijn: een amfibie, en dat is een soort in zichzelf die zich op geen enkele manier bewust is van de tweeslachtigheid die het door anderen wordt toegeschreven.

 

De mens is in de grond van de zaak een sociaal wezen, hetgeen wil zeggen dat hij zonder andere mensen aan menselijkheid verliest. Hij kan geen ‘lonely hunter’ blijven, omdat dit soort isolement op den duur onvruchtbaar is en leeg als het Chinese graf van Man. In collectief verband gaat het beter, maar als zo’n verband ontbreekt, of als dat verband niet voldoende ‘draagt’ en ‘voedt’, is het minimum dat men nodig heeft als men een man is: een vrouw.

 

Man en vrouw, ieder voor zich de wereld en het leven ziende in een ander perspectief, hebben elkaar nodig. De één is niet belangrijker dan de ander, geen van beiden hebben ze volkomen gelijk, ze zijn complementair, ze dienen elkaar in evenwicht te houden. Want eerst dan krijgen ze hun wezenlijke functie.

 

Hoorcollege d.d. 12-12-2006

 

Voorbeeldtentamen

 

1. Wat zijn de typerende genres voor de VOC-tijd?

2. Waarom wijkt Max Havelaar af van de werkelijkheid?

3. Wat maakt Het land van herkomst als een portret van de Indische samenleving zo overtuigend?

4. Wat is de centrale idee in De tienduizend dingen?

5. Waarin verschilt het boek Familieziek van Indische duinen en hoe komt dat?

6. Welke bezwaren heeft Kousbroek tegen Bezonken rood?

7. In De tienduizend dingen hangt alles samen, met name hoofdstuk 1,2 en 6. Leg uit.

8. Wat verstaat Paasman onder de communicatieve functie van de Indisch-Nederlandse literatuur tussen periferie en centrum?

9. Verklaar de titel van Sleuteloog.

10. De bundel Een tuyl zeeanemonen van Patty Scholten bestaat uit 3 delen. Leg uit.

 

Recente literatuur & afsluiting

 

Madelon Székely-Lulofs (1899-1958)

· Rubber (1931)

· Koelie (1931)

· De hongertocht (1936)

· Tjoet Nja Din (1948)

· Madelon Székely-Lulofs is geboren op Java, te Soerabaja. Haar vader was bestuursambtenaar. Op haar vierde verhuist ze naar Midden-Sumatra. Op haar tiende verhuist ze naar Buitenzorg op Java, waar het Hof was gevestigd. Op haar achttiende trouwt Lulofs met een planter en ze vertrekt met hem naar Sumatra. Ze wordt geconfronteerd met het verschil tussen de wereld van de bestuurders en de ondernemers: een ambtenaar streeft in eerste instantie geen materiële belangen na en werkt mee aan de groei van de welvaart van zijn vaderland. Lijnrecht daar tegenover staat de particulier die altijd zijn eigen persoonlijke belang nastreeft. De koloniën brengen ook het gevaar van misbruik met zich mee, waar de bestuursambtenaar dan weer tegen op moet treden. In 1926 scheidt Lulofs van haar eerste man. Ze vertrekt met de Hongaar Székely naar Boedapest om te trouwen. Een jaar later komen ze weer terug op Sumatra. Ze gaan naar een nieuwe ontginning in het binnenland. Het hernieuwde verblijf op Sumatra is echter geen succes. Székely wordt gepasseerd bij benoemingen en in 1930 vertrekt het echtpaar definitief naar Europa. Aanvankelijk kunnen ze goed leven van het kapitaal dat ze hebben opgebouwd, totdat het na een ongelukkige belegging in de onderneming van Székely’s broer snel op is. Lulofs gaat nu schrijven voor het gewin.

· De roman Rubber schetst het leven op de rubberplantages op Oost-Sumatra (Deli) tussen 1920 en 1929, het jaar van de internationale beurscrisis waarin ook de rubbermarkt ineen stort.
De roman beschrijft een overgangsperiode: de pioniers maken plaats voor avonturiers en geldzoekers en voor het eerst doen Europese vrouwen hun intreden op de rubberplantages.
De roman schetst niet alleen de verwording van een toevallige, tijdelijke werkgemeenschap, maar ook de verveling en vooral het gevoel van ontworteld zijn. Alle Europeanen willen in korte tijd veel geld verdienen om dan thuis te kunnen rentenieren. Ondanks de torenhoge verdiensten, lukt het maar weinigen om echt te sparen. Uit verveling wordt het geld er doorheen gejaagd. Wie toch kans ziet een flink bedrag te sparen en teruggaat, merkt dat hij daar niet meer past.

 

Hella S. Haasse (1918)

· Bestuderen artikel P. van Zonneveld: ‘Een proces van innere Dekolonization’. In: Een nieuwer firmament.

 

Schrijvende ambtenaren

· Friedericy (Celebes)

· Alberts (Sumatra)

· Springer (Nieuw-Guinea)

· Bestuderen de hoofdstukken over Friedericy en Alberts van Beekman

 

Bep Vuyk (1905-1991)

· Vriendin van Du Perron

· Assertief, maakt met iedereen ruzie (zelfs met Van Zonneveld!)

· Kampdagboeken gepubliceerd, dingen verzonnen

 

G.J. Resink (1911-1997)

· Belangrijkste dichter van de Indische letteren

· Verzameld werk: Perifeer en efemeer (2001)

· Beschouwt zichzelf als Europeaan en Javaan, maar niet als Nederlander

 

Yvonne Keuls (1931)

· Bereikt (evenals Wieteke van Dort) een groot publiek en is daarom belangrijk voor de beeldvorming over Indië

· Door literatuurcritici niet beschouwd als hoge literatuur

· Mevrouw mijn moeder (1999)

 

Rob Nieuwenhuys (1908-1999)

· Samen met Tjalie Robinson grondlegger Indische literatuur in Nederland

· Heeft veel bloemlezingen samengesteld

· Bezwaar: gaat slordig met teksten om, past ze aan, weinig bronvermeldingen

· Maar: heeft wel belangstelling voor de Indische literatuur gewekt

· Oost-Indische Spiegel (1978)

· Bestuderen hoofdstuk over Nieuwenhuys van Beekman