

Samenvatting
Peter van Zonneveld: Album van Insulinde
De periode 1595-
In 1595 vertrok het eerste schip vanuit Nederland naar Indië. De oorlog met Spanje was een hinderpaal voor de handel, en de peper die de Portugezen uit Azië importeerden was duur. Daarom hadden de Hollanders besloten om die specerijen zelf te gaan halen.
In 1602 werd de Vereenigde Oostindische Compagnie opgericht. Deze onderneming kreeg
van de Staten-
Het hoofddoel was de handel; het ging er dus nog niet om, gebieden te koloniseren.
De bouw en de uitrusting van schepen betekende werk voor scheepswerven, touwslagerijen en zeilmakerijen. Ook op die manier profiteerde het vaderland van de handel met de Oost.
In Azië besliste vanaf 1610 de gouverneur-
Batavia, gesticht in 1619 door Jan Pieterszoon Coen, werd het commerciële en militaire centrum in de Oost. Ook Ambon, op de Molukken, speelde een belangrijke rol.
De retourlading bestond vooral uit peper, maar ook uit kruidnagelen, muskaatnoten, kaneel, suiker, katoen en zijde. In de achttiende eeuw kwamen er nieuwe importproducten bij, zoals thee, koffie en porselein. Het Verre Oosten had weinig belangstelling voor Europese producten, met uitzondering van goud en zilver. Om de kosten te dekken nam de VOC daarom intensief deel aan het handelsverkeer binnen Azië zelf.
Voor de schepen en de nederzettingen waren veel mensen nodig. Het lagere personeel werd in Nederland geworven door ‘koppelbazen’, die niet zelden hun toevlucht namen tot list en bedrog.
De reis naar de Oost was gevaarlijk: stormen, orkanen, zeerovers, muiterij, scheurbuik, schipbreuk, op de klippen lopen. Ook het leven in de factorijen was ongezond; tropische ziekten tierden er welig. Eenderde van de bemanning stierf al spoedig, éénderde bleef achter in Azië en ging daar dood en slechts eenderde zou het vaderland terugzien.
Het waren vooral mannen die kozen voor een avontuurlijk bestaan. Ze gingen met Aziatische vrouwen relaties aan. Het vrouwvolk dat meekwam uit Europa was aanvankelijk van laag allooi. Wat te doen? Coen wilde nette Hollandse dames importeren, maar uiteindelijk gaf de VOC daar niet de voorkeur aan. Die vrouwen waren duur vanwege de overtocht, stelden hoge eisen en zouden hun echtgenoot daardoor aanzetten tot corruptie. Het voordeel van Aziatische vrouwen was, dat zij de mannen vertrouwd maakten met het land, dat ze minder hoge eisen stelden, en het verlangen om terug te keren naar het moederland niet stimuleerden. Bovendien bleken de kinderen uit verbintenissen tussen Europeanen en Aziaten beter bestand tegen het tropische klimaat. De jongens traden in dienst van de VOC en de meisjes trouwden met uit Holland aangekomen employés. Zo ontstond in Batavia ook in de bovenlaag van de koloniale samenleving geleidelijk aan een mestiezencultuur, waarin Westerse en Oosterse elementen versmolten tot één geheel.
Het bedrijfsresultaat was in de zeventiende eeuw beter dan in de achttiende eeuw, toen de kosten veel sterker stegen dan de baten, vooral door de uitbreiding van het bestuur overzee. Concurrentie, corruptie, sluikhandel en een oorlog met Engeland deden de rest: op 31 december 1799 hield de VOC op te bestaan.
Wie kijkt naar de sporen die de Compagnie heeft nagelaten, vindt in de eerste plaats reisteksten. Uit de zakelijk gehouden journalen van de scheepskapiteins ontwikkelden zich reisbeschrijvingen die in Nederland en de rest van Europa veel aandacht trokken. Wanneer het fictieve element gaat overheersen, spreekt men van reisverhalen.
De meest beroemde reistekst is zonder twijfel het Journael ofte Gedenckwaerdighe
beschrijvinghe vande Oost-
De meeste reisteksten behandelen de overtocht en het leven in de factorijen van de
VOC. De VOC-
De slavernij bestond al voor de komst van de Portugezen in Azië, en ook de Nederlanders werden ermee geconfronteerd. Ze hadden er weinig moeite mee.
De natuur speelt bij de meeste auteurs uit deze periode een ondergeschikte rol, maar er is één belangrijke uitzondering: Rumphius.
De dichtkunst zal binnen de Indische letteren altijd een bescheiden plaats innemen.
Het gaat in de VOC-
Liedjes hebben een belangrijke rol gespeeld in de beeldvorming over Oost-
De periode 1800-
Herman Willem Daendels liet in 1808 de Grote Postweg over Java aanleggen, waardoor de reistijd tussen Batavia en Soerabaja werd teruggebracht van drie weken tot acht dagen.
Na de ondergang van de VOC diende de Nederlandse staat zich daadwerkelijk met Indië te gaan bemoeien. Dat betekende onder meer dat nu ook het binnenland moest worden ontsloten.
Intussen was ook de situatie in het moederland ingrijpend gewijzigd. Na de intocht
van de Fransen in 1795 was de Bataafse Republiek uitgeroepen, die de overzeese bezittingen
nu van de VOC overnam. Het contact met Indië werd bemoeilijkt door de oorlog tussen
Frankrijk en Engeland. Voorlopig moest Indië zichzelf maar zien te redden. Dat werd
anders tijdens het Koninkrijk Holland (1806-
In 1811 wisten de Engelsen zich van Java meester te maken. Onder leiding van Raffles
werden opnieuw hervormingen doorgevoerd. Hij wilde een liberale politiek voeren en
probeerde de herendiensten en de gedwongen cultures uit de VOC-
Na de val van Napoleon kreeg Nederland Java weer terug.
In 1824 werd de Nederlandse Handel-
Na het vertrek van de Engelsen waren op verschillende plaatsen opstanden uitgebroken.
Het meest ingrijpend was de Java-
De oorlogen kostten de Nederlandse staat veel geld. Om van Indië toch een winstgevend gewest te maken, werd in 1830 het Cultuurstelsel ingevoerd. Dat hield in dat de Javaanse boer eenvijfde van zijn grond moest bebouwen met producten voor de Europese markt, zoals koffie, suiker en tabak. Wie geen grond had, moest twee maanden per jaar voor het gouvernement werken. De opbrengst kwam geheel ten goede aan het moederland. In de praktijk moest de Javaanse boer doorgaans meer opbrengen dan officieel van hem gevraagd werd, omdat aan diegenen die toezicht moesten houden, zowel de Europese als de inheemse ambtenaren, een percentage van de opbrengst was beloofd.
In 1860 werd de slavernij afgeschaft.
In 1870 werd het Cultuurstelsel geleidelijk afgebouwd en Indië werd opengesteld voor particulier initiatief.
In reisteksten traden aan het eind van de achttiende eeuw belangrijke veranderingen op: de observatie van vreemde volken en het verspreiden van kennis – Verlichtingsidealen bij uitstek. Daarnaast was er invloed van de Romantiek: het ideaal van de ‘edele wilde’, de zuivere natuurmens, nog niet bedorven door de Westerse cultuur.
De wetenschappelijke belangstelling voor de archipel, onder Raffles ingezet, is ook terug te vinden in de reisteksten. Uithoeken van het gebieden worden geëxploreerd, en ook de binnenlanden van Java mogen zich nu in meer belangstelling verheugen. Zeden en gewoonten van de bevolking worden bijna gretig geïnventariseerd.
Omstreeks het midden van de eeuw wordt in reisteksten benadrukt, dat Nederland een taak te vervullen heeft in de archipel. Het kolonialisme krijgt een beschavende ondertoon: het gouvernement moet de inheemsen in staat stellen zich te verheffen.
De toegenomen aandacht voor de inheemse bevolking manifesteert zich in het uit Europa overgewaaide genre van de nationale typencollectie. De bedoeling van deze series was sterk didactisch. Men wilde vooral de Nederlandse lezer nauwkeurige informatie bieden over het leven in de kolonie. De illustraties speelden daarbij een prominente rol. In de beschrijving van Indonesische typen domineert het realisme, maar de weergave van de natuur is in deze periode nog sterk romantisch.
Indië speelt een rol in het werk van dichters die de Oost nooit hebben bezocht, zoals in talloze afscheidsgedichten voor hen die naar Indië gingen.
In de loop van de negentiende eeuw begon er in Indië behoefte te bestaan aan Indische
literatuur over Indische onderwerpen. Kranten waren de spreekbuis van het gouvernement;
gewone nieuwsbladen zouden pas na 1850 verschijnen. De eerste publicatie die echt
tegemoet kwam aan de vraag naar verstrooiing van eigen bodem was de almanak Lakschmi
(1840-
Zo nu en dan komen in deze almanakken ook onderwerpen als het concubinaat en de slavernij aan de orde. Het beeld van de Javaanse bevolking is in deze almanakken niet zonder meer positief. Onzedelijkheid, bijgelovigheid en opiumgebruik zijn meermalen terugkerende ondeugden.
Soms duikt ook de discussie over slavernij in de almanakken op. De slavenhandel wordt als verderfelijk beschouwd, maar wat de slavernij zelf betreft, wil men nog wel eens nuances aanbrengen. Zo zou een slaaf beter af zijn in Nederlandse dan in Javaanse of Chinese handen.
In de eerste helft van de negentiende eeuw verschenen er in Nederland slechts een paar romans waarin Indië of personages uit Indië een bescheiden rol spelen.
De eerste echte Indische roman was Max Havelaar (1860) van Multatuli – literair gezien
een meesterwerk, en politiek gezien bepalend voor de discussie die sindsdien over
het kolonialisme is gevoerd. De auteur, Eduard Douwes Dekker, verwerkte er zijn ervaringen
in als assistent-
Max Havelaar was een der weinige romans uit dit tijdvak. Het genre van de Indische roman zou pas in de volgende periode tot groei komen.
Jeugdliteratuur laat doorgaans een wereldbeeld zien dat strookt met dat van de ouders.
Daarom is het steeds een interessante bron voor wie de mentaliteit uit een bepaalde
periode wil reconstrueren. In de eerste helft van de negentiende eeuw verschijnen
de eerste Indische jeugdboeken. Het gaat daarbij vaak om leerzaam en nuttig geachte
werken waarin de avontuurlijke zeereizen uit een roemrijk verleden en de daden van
vermaarde gouverneurs-
De periode 1870-
In 1869 werd het Suez-
In 1870 werd Indië opengesteld voor particulier initiatief. Dit betekende dat nu
voor ondernemers de mogelijkheid bestond om zelf een plantage of ander bedrijf te
beginnen. Het aantal koffie-
De oostkust van Sumatra, Deli, bleek bij uitstek geschikt om tabak te verbouwen.
Omdat de lokale bevolking niet genegen was plantage-
De Atjeh-
Rond 1880 waren er in Indië op duizend Europese mannen nog geen vijfhonderd Europese
vrouwen. Veel mannen leefden samen met een inheemse, Indo-
De reisteksten uit deze periode zijn veel meer louter op feiten gericht dan die uit de voorgaande periode. De invloed van Verlichting en Romantiek is nagenoeg verdwenen, uitspraken over het kolonialisme ontbreken soms geheel.
Er ontstaat een nieuwe variant reisteksten: reisimpressies van de toerist. Na 1870 komen niet alleen steeds meer Europeanen zich in Indië vestigen, er zijn er ook die alleen maar een kijkje komen nemen om hun familie te bezoeken of om zaken te doen.
In de periode tussen 1870 en 1900 beleefde de Indische roman een ongekende bloei. Die bloei had alles te maken met de sterke groei van de Europese bevolkingsgroep na 1870. Allerlei Oostindische dames en heren wilden het thuisfront informeren over het leven in Indië.
Opmerkelijk is de rol van vrouwelijke auteurs in deze periode. Tientallen romans en verhalenbundels beschrijven het wel en wee van Hollandse vrouwen in Indië. De jonge vrouw die naar Indië komt, betreedt een totaal andere wereld, niet alleen wat klimaat, keuken en kleding betreft, maar ook op het gebied van zeden en gewoonten. Een strenge hiërarchie, maatschappelijk vertoon, sterke sociale controle en veel geroddel zijn belangrijke ingrediënten. Indonesiërs treden vrijwel uitsluitend op in de rol van baboe, kokkie, naaister of huisjongen, met wie de vrouw des huizes vaak heel wat te stellen krijgt. Soms wordt ze geconfronteerd met het amoureuze verleden van haar man. Heimwee en verveling kunnen hard toeslaan, vooral op afgelegen posten in het binnenland, waar haar man de hele dag in touw is en weinig tijd heeft om zich om zijn echtgenote te bekommeren.
Rob Nieuwenhuys rekent deze romans en verhalen tot het ‘damescompartiment’ van de Indische letterkunde. Daartoe behoren schrijfsters als Mina Krüseman, Melati van Java en Annie Foore.
De belangrijkste romancier van die dagen was ongetwijfeld P.A. Daum, die onder het pseudoniem Maurits een tiental romans schreef. Ze werden aanvankelijk in feuilletonvorm gepubliceerd, en dan later als boek uitgebracht. De stijl van Daum is helder en onderhoudend, humoristisch soms. Zijn boeken spelen zich af onder Europeanen, zowel in de steden als in de binnenlanden van Java. Het beeld dat hij schetst is niet onverdeeld positief. De Europeanen zijn uit op hun persoonlijk voordeel en geven zich over aan roddelzucht, corruptie en huichelarij. Zijn eerste roman, Uit de suiker in de tabak (1885), schetst de geschiedenis van James van Tuyll, een gesjeesde Leidse student die naar Indië gestuurd wordt omdat hij niet deugen wil. Hij past zich aan, wordt suikerplanter, treedt in het huwelijk, stapt over op de veel winstgevender tabak, maakt een reisje naar Europa en moet bij terugkomst vaststellen, dat het in de tabak niet al te best gaat. Zijn huwelijk is een mislukking; het karakter van zijn echtgenote is heel wat sterker dan het zijne. Hij eindigt gedesillusioneerd en verarmd op het platteland, in het gezelschap van een huishoudster voor wie hij eigenlijk niets voelt. De Indische samenleving is bepalend voor de gebeurtenissen, vandaar dat het boek kan worden beschouwd als de eerste naturalistische roman uit onze literatuur.
De confrontatie tussen Oost en West komt op magistrale wijze tot uitdrukking in De stille kracht (1900) van Louis Couperus. Het conflict tussen de strenge maar rechtvaardige Europese resident Van Oudijck en de oeroude Javaanse regentenfamilie die tekenen van decadentie vertoont, wordt beslist in het voordeel van de Aziatische zijde. Die maakt daarbij onder meer gebruik van goena goena, maar anders dan bij Daum gaat het hier niet om magie en mystiek, maar veeleer om politiek: de stille, maar doeltreffende kracht van de onderdrukten versus de luide, maar ontoereikende kracht van de overheersers. Bijna alle thema’s en motieven van de Indische literatuur komen in deze roman samen.
In Indië zelf was voor dichters geen emplooi, en hoe kon men schrijven over een land dat men niet uit eigen aanschouwing kende?
In de jeugdliteratuur komt er meer aandacht voor het dagelijks leven van Europese
kinderen in Indië. Inheemse hoofdpersonen komen nog minder voor dan in de periode
1800-
De periode 1900-
In de troonrede van 1901 hield koningin Wilhelmina haar toehoorders voor, dat Nederland tegenover de bevolking van Indië een zedelijke roeping te vervullen had. Daarmee was de toon gezet voor de ethische politiek.
De ethische politiek was een reactie op het liberaal-
Naarmate meer Indonesiërs de kans kregen Westers onderwijs te volgen, in Indië dan wel in Europa, werd ook het streven naar onafhankelijkheid sterker. Sommige nationalisten pleitten voor samenwerking met de Nederlanders, anderen wezen die coöperatie af.
De economische crisis van de jaren dertig kwam hard aan. Overal moest flink bezuinigd
worden. Veel Europeanen raakten hun baan kwijt. De Indo-
In Europa brak de Tweede Wereldoorlog uit, die Indië in een isolement bracht. De
Duitse bezetting van Nederland leidde tot hevige verontwaardiging: alle Duitsers
en NSB-
Het contact tussen het moederland en de kolonie werd, vooral na het relatieve isolement van de Eerste Wereldoorlog, intensiever. Dat reizen naar Indië steeds comfortabeler werd, weerspiegelt zich ook in de literatuur.
De ethische politiek drong ook door in het genre van de roman.
Officieel bestond de Indo niet: er waren voor de wet slechts Europeanen, Inlanders
en Vreemde Oosterlingen (Chinezen en Arabieren). Wettige of wettig erkende kinderen
van een Europese vader golden als Europeaan. Uit een gemengde verhouding geborenen
die niet erkend waren, gingen op in de inheemse samenleving. Veel Indo-
Een hoofdstuk apart vormen de Deli-
De autobiografische roman Het land van herkomst (1935), het meesterwerk van E. du
Perron, is te beschouwen als een spiegel van de Indische samenleving uit de eerste
twee decennia van deze eeuw. Het boek is geschreven door iemand die geboren en getogen
is in Indië, die – ook al wilde hij dat niet weten – ‘Indisch bloed’ bezat, en die
behoorde tot de maatschappelijke bovenlaag. Zijn alter ego Arthur Ducroo beziet de
Indische maatschappij uitdrukkelijk vanuit Europees perspectief. Vertegenwoordigers
van allerlei bevolkingsgroepen passeren de revue: Europeanen, Indo-
Er zijn maar weinig Indonesiërs die in het Nederlands geschreven hebben. Ze zijn allen te vinden in deze periode, waarin, onder invloed alweer van ethische politiek, het onderwijs aan de inheemse bevolking verbeterd werd. Een Soendanese onderwijzeres, Soewarsih Djojopoespito, had een boek geschreven dat de eerste Nederlandstalige roman van een Indonesische auteur zou worden: Buiten het gareel. Deze roman is een pleidooi voor de gelijkwaardige rol van de vrouw in het huwelijk, en beschrijft de ervaringen van een onderwijzersechtpaar dat zich inzet voor het onderwijs aan Indonesiërs, voor de ontwikkeling van nationale bewustwording.
In 1911 verscheen Door duisternis tot licht, een verzameling brieven van de Javaanse regentendochter Kartini. In die brieven toonde Kartini zich een vurig pleitbezorgster voor het onderwijs aan de Javaanse vrouw, en verzette zij zich hevig tegen polygamie en uithuwelijking, zoals die in hogere Javaanse kringen gebruikelijk was.
Volgens Rob Nieuwenhuys is de Indische literatuur ontstaan uit de brief naar huis. Velen in Indië voelden de behoefte het thuisfront te informeren over het leven dat zij in de kolonie leidden. Vele duizenden van zulke brieven zijn bewaard gebleven; de meeste hebben alleen historische betekenis. Sommige zijn echter zó goed geschreven, dat ze ook literair van belang zijn. Dat geldt zeker voor de brieven van Willem Walraven.
Opmerkelijk zijn de dagboekaantekeningen van Soetan Sjahrir, een van de nationalistische
leiders die voor de oorlog naar Boven-
Ook in de periode 1900-
De betekenis van het werk van Jan Prins ligt vooral in zijn weergave van de natuur.
De Javaanse prins Noto Soeroto studeerde in Leiden en ontwikkelde zich tot propagandist voor de Javaanse cultuur in Nederland. Hij probeerde niet alleen in zijn politieke streven maar ook in zijn poëzie Oost en West met elkaar te verzoenen: een synthese tussen het Nederlands en het Javaans. Noto Soeroto vond voor zijn idealen weinig gehoor: voor vele kolonialen gingen zijn ideeën over samenwerking tussen Nederland en Indonesië op basis van gelijkwaardigheid veel te ver, en de Indonesische nationalisten beschouwden hem als een collaborateur.
In de jeugdliteratuur is er veel aandacht voor aanpassing, zowel van kinderen die naar Indië komen als van kinderen die voor het eerst naar Holland gaan. Meer dan eenvijfde van de boeken heeft een Indonesische hoofdpersoon. De dominerende visie is gematigd koloniaal: de Nederlandse aanwezigheid wordt niet ter discussie gesteld, maar er wordt wel begrip gevraagd voor andere leefwijzen. Twintig procent van de kinderboeken gaat over het werk van de zending. In de meeste gevallen is er sprake van de heilzame werking van het christendom.
De periode 1942-
Op 8 maart 1942 capituleerde het Nederlands-
Niemand besefte toen dat hierdoor ook een einde kwam aan het Nederlandse bewind in de Oost.
Tijdens de Japanse bezetting werden geleidelijk aan alle Europeanen en de meeste
Indo-
Nationalistische leiders als Soekarno en Hatta bleven bereid tot samenwerking met Japan, om zo de onafhankelijkheid van Indonesië naderbij te brengen.
Naarmate de oorlog vorderde, werd de situatie in de kampen steeds slechter. Ook de inheemse bevolking had zwaar te lijden. Honderdduizenden werden geronseld als romoesha, arbeidskrachten.
Japan werd door de geallieerden steeds verder in het nauw gedreven. Op 15 augustus
1945 capituleerde Japan. Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta de Republiek Indonesië
uit. Omdat de geallieerden niet dadelijk troepen naar Java konden sturen, moesten
de gevangenen voorlopig in de kampen blijven. De Japanners kregen nu de opdracht
hen te beschermen tegen aanvallen radicale jongeren. Deze periode wordt de bersiap-
In 1947 werd het akkoord van Linggadjati ondertekend.