wpfbf26ada.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info

Samenvatting

Peter van Zonneveld: Album van Insulinde

 

De periode 1595-1800

 

In 1595 vertrok het eerste schip vanuit Nederland naar Indië. De oorlog met Spanje was een hinderpaal voor de handel, en de peper die de Portugezen uit Azië importeerden was duur. Daarom hadden de Hollanders besloten om die specerijen zelf te gaan halen.

 

In 1602 werd de Vereenigde Oostindische Compagnie opgericht. Deze onderneming kreeg van de Staten-Generaal het alleenrecht voor de vaart op Azië, mocht forten bouwen, oorlog voeren, vrede sluiten en handelscontracten aangaan. Het werkgebied was het hele gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van Straat Magelhaen.

 

Het hoofddoel was de handel; het ging er dus nog niet om, gebieden te koloniseren.

 

De bouw en de uitrusting van schepen betekende werk voor scheepswerven, touwslagerijen en zeilmakerijen. Ook op die manier profiteerde het vaderland van de handel met de Oost.

 

In Azië besliste vanaf 1610 de gouverneur-generaal, bijgestaan door de Raad van Indië.

 

Batavia, gesticht in 1619 door Jan Pieterszoon Coen, werd het commerciële en militaire centrum in de Oost. Ook Ambon, op de Molukken, speelde een belangrijke rol.

 

De retourlading bestond vooral uit peper, maar ook uit kruidnagelen, muskaatnoten, kaneel, suiker, katoen en zijde. In de achttiende eeuw kwamen er nieuwe importproducten bij, zoals thee, koffie en porselein. Het Verre Oosten had weinig belangstelling voor Europese producten, met uitzondering van goud en zilver. Om de kosten te dekken nam de VOC daarom intensief deel aan het handelsverkeer binnen Azië zelf.

 

Voor de schepen en de nederzettingen waren veel mensen nodig. Het lagere personeel werd in Nederland geworven door ‘koppelbazen’, die niet zelden hun toevlucht namen tot list en bedrog.

 

De reis naar de Oost was gevaarlijk: stormen, orkanen, zeerovers, muiterij, scheurbuik, schipbreuk, op de klippen lopen. Ook het leven in de factorijen was ongezond; tropische ziekten tierden er welig. Eenderde van de bemanning stierf al spoedig, éénderde bleef achter in Azië en ging daar dood en slechts eenderde zou het vaderland terugzien.

 

Het waren vooral mannen die kozen voor een avontuurlijk bestaan. Ze gingen met Aziatische vrouwen relaties aan. Het vrouwvolk dat meekwam uit Europa was aanvankelijk van laag allooi. Wat te doen? Coen wilde nette Hollandse dames importeren, maar uiteindelijk gaf de VOC daar niet de voorkeur aan. Die vrouwen waren duur vanwege de overtocht, stelden hoge eisen en zouden hun echtgenoot daardoor aanzetten tot corruptie. Het voordeel van Aziatische vrouwen was, dat zij de mannen vertrouwd maakten met het land, dat ze minder hoge eisen stelden, en het verlangen om terug te keren naar het moederland niet stimuleerden. Bovendien bleken de kinderen uit verbintenissen tussen Europeanen en Aziaten beter bestand tegen het tropische klimaat. De jongens traden in dienst van de VOC en de meisjes trouwden met uit Holland aangekomen employés. Zo ontstond in Batavia ook in de bovenlaag van de koloniale samenleving geleidelijk aan een mestiezencultuur, waarin Westerse en Oosterse elementen versmolten tot één geheel.

 

Het bedrijfsresultaat was in de zeventiende eeuw beter dan in de achttiende eeuw, toen de kosten veel sterker stegen dan de baten, vooral door de uitbreiding van het bestuur overzee. Concurrentie, corruptie, sluikhandel en een oorlog met Engeland deden de rest: op 31 december 1799 hield de VOC op te bestaan.

 

Wie kijkt naar de sporen die de Compagnie heeft nagelaten, vindt in de eerste plaats reisteksten. Uit de zakelijk gehouden journalen van de scheepskapiteins ontwikkelden zich reisbeschrijvingen die in Nederland en de rest van Europa veel aandacht trokken. Wanneer het fictieve element gaat overheersen, spreekt men van reisverhalen.

 

De meest beroemde reistekst is zonder twijfel het Journael ofte Gedenckwaerdighe beschrijvinghe vande Oost-Indische Reyse van Bontekoe uit 1646. Na de avonturen van Bontekoe is het verhaal van de schipbreuk van de Batavia een goede tweede. Dit drama vol seks en geweld, misdaad en straf vond in verschillende vormen zijn weg naar de lezer. Het meest bekend werd de Ongeluckige Voyagie van ’t Schip Bativia uit 1647.

 

De meeste reisteksten behandelen de overtocht en het leven in de factorijen van de VOC. De VOC-vestigingen lagen altijd aan de kust, met het binnenland bemoeide men zich doorgaans niet.

 

De slavernij bestond al voor de komst van de Portugezen in Azië, en ook de Nederlanders werden ermee geconfronteerd. Ze hadden er weinig moeite mee.

 

De natuur speelt bij de meeste auteurs uit deze periode een ondergeschikte rol, maar er is één belangrijke uitzondering: Rumphius.

 

De dichtkunst zal binnen de Indische letteren altijd een bescheiden plaats innemen. Het gaat in de VOC-tijd doorgaans om gelegenheidspoëzie bij geboorte, huwelijk, benoeming, afscheid of dood.

 

Liedjes hebben een belangrijke rol gespeeld in de beeldvorming over Oost-Indië. Voor wie geen reisbeschrijvingen las, vormde de teksten op rijm die werden gezongen op de kermis en in de kroeg, op bruiloften en partijen, een informatiebron van betekenis. Veel liedjes lijken bedoeld om personeel te werven voor de VOC-schepen; het verre Indië wordt afgeschilderd als een luilekkerland vol goud en edelstenen, sits en specerijen, heerlijke spijs en drank en vrijmoedige vrouwen. Er zijn ook liedjes met een sterk moralistisch karakter: de reis is vol gevaren, het leven in dat Apenland heeft zijn schaduwzijden. Van enige belangstelling voor de Aziatische cultuur is in deze liedjes nog niets te merken, en de natuur is alleen van belang voor zover die eetbaar of verhandelbaar is.

 

De periode 1800-1870

 

Herman Willem Daendels liet in 1808 de Grote Postweg over Java aanleggen, waardoor de reistijd tussen Batavia en Soerabaja werd teruggebracht van drie weken tot acht dagen.

 

Na de ondergang van de VOC diende de Nederlandse staat zich daadwerkelijk met Indië te gaan bemoeien. Dat betekende onder meer dat nu ook het binnenland moest worden ontsloten.

 

Intussen was ook de situatie in het moederland ingrijpend gewijzigd. Na de intocht van de Fransen in 1795 was de Bataafse Republiek uitgeroepen, die de overzeese bezittingen nu van de VOC overnam. Het contact met Indië werd bemoeilijkt door de oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Voorlopig moest Indië zichzelf maar zien te redden. Dat werd anders tijdens het Koninkrijk Holland (1806-1810). Lodewijk Napoleon stuurde toen Daendels naar Indië om orde op zaken te stellen. Hij reorganiseerde het koloniale bestuur en voerde zowel een Europese als een inheemse bestuurslaag in.

 

In 1811 wisten de Engelsen zich van Java meester te maken. Onder leiding van Raffles werden opnieuw hervormingen doorgevoerd. Hij wilde een liberale politiek voeren en probeerde de herendiensten en de gedwongen cultures uit de VOC-tijd af te schaffen. Daar kwam het landrente-systeem voor in de plaats. Elke landbouwer diende aan het gouvernement, dat eigenaar van de grond was, rente te betalen: een bedrag dat overeenkwam met tweevijfde van de rijstoogst. In de praktijk betekende dit echter een verzwaring van de laten van de bevolking, mede doordat herendiensten en gedwongen cultures niet geheel verdwenen.

 

Na de val van Napoleon kreeg Nederland Java weer terug.

 

In 1824 werd de Nederlandse Handel-Maatschappij opgericht, een instelling die het alleenrecht kreeg voor de Hollandse handel met de Oost.

 

Na het vertrek van de Engelsen waren op verschillende plaatsen opstanden uitgebroken. Het meest ingrijpend was de Java-oorlog, die in 1825 uitbrak en tot 1830 zou duren.

 

De oorlogen kostten de Nederlandse staat veel geld. Om van Indië toch een winstgevend gewest te maken, werd in 1830 het Cultuurstelsel ingevoerd. Dat hield in dat de Javaanse boer eenvijfde van zijn grond moest bebouwen met producten voor de Europese markt, zoals koffie, suiker en tabak. Wie geen grond had, moest twee maanden per jaar voor het gouvernement werken. De opbrengst kwam geheel ten goede aan het moederland. In de praktijk moest de Javaanse boer doorgaans meer opbrengen dan officieel van hem gevraagd werd, omdat aan diegenen die toezicht moesten houden, zowel de Europese als de inheemse ambtenaren, een percentage van de opbrengst was beloofd.

 

In 1860 werd de slavernij afgeschaft.

 

In 1870 werd het Cultuurstelsel geleidelijk afgebouwd en Indië werd opengesteld voor particulier initiatief.

 

In reisteksten traden aan het eind van de achttiende eeuw belangrijke veranderingen op: de observatie van vreemde volken en het verspreiden van kennis – Verlichtingsidealen bij uitstek. Daarnaast was er invloed van de Romantiek: het ideaal van de ‘edele wilde’, de zuivere natuurmens, nog niet bedorven door de Westerse cultuur.

 

De wetenschappelijke belangstelling voor de archipel, onder Raffles ingezet, is ook terug te vinden in de reisteksten. Uithoeken van het gebieden worden geëxploreerd, en ook de binnenlanden van Java mogen zich nu in meer belangstelling verheugen. Zeden en gewoonten van de bevolking worden bijna gretig geïnventariseerd.

 

Omstreeks het midden van de eeuw wordt in reisteksten benadrukt, dat Nederland een taak te vervullen heeft in de archipel. Het kolonialisme krijgt een beschavende ondertoon: het gouvernement moet de inheemsen in staat stellen zich te verheffen.

 

De toegenomen aandacht voor de inheemse bevolking manifesteert zich in het uit Europa overgewaaide genre van de nationale typencollectie. De bedoeling van deze series was sterk didactisch. Men wilde vooral de Nederlandse lezer nauwkeurige informatie bieden over het leven in de kolonie. De illustraties speelden daarbij een prominente rol. In de beschrijving van Indonesische typen domineert het realisme, maar de weergave van de natuur is in deze periode nog sterk romantisch.

 

Indië speelt een rol in het werk van dichters die de Oost nooit hebben bezocht, zoals in talloze afscheidsgedichten voor hen die naar Indië gingen.

 

In de loop van de negentiende eeuw begon er in Indië behoefte te bestaan aan Indische literatuur over Indische onderwerpen. Kranten waren de spreekbuis van het gouvernement; gewone nieuwsbladen zouden pas na 1850 verschijnen. De eerste publicatie die echt tegemoet kwam aan de vraag naar verstrooiing van eigen bodem was de almanak Lakschmi (1840-1842), die zijn naam dankte aan de Hindoe-godin van de bevalligheid en de vruchtbaarheid. Later verscheen nog Warnasarie (1848-1858), dat ‘veelkleurige bloemen’ betekent. Almanakken waren kleine, fraai verzorgde boekjes gevuld met proza en poëzie. In Europa waren ze populair, vooral als geschenk voor dames. De Indische almanakken bevatten romantische en historische verhalen, reisschetsen, liefdespoëzie, afscheidsgedichten en andere gelegenheidsverzen. Vaak had de inhoud met Indië te maken. Bovendien treden nu regelmatig inheemse hoofdpersonen op. De dominante motieven zijn liefde, trouw, ontrouw, verraad, wraak en dood.

 

Zo nu en dan komen in deze almanakken ook onderwerpen als het concubinaat en de slavernij aan de orde. Het beeld van de Javaanse bevolking is in deze almanakken niet zonder meer positief. Onzedelijkheid, bijgelovigheid en opiumgebruik zijn meermalen terugkerende ondeugden.

 

Soms duikt ook de discussie over slavernij in de almanakken op. De slavenhandel wordt als verderfelijk beschouwd, maar wat de slavernij zelf betreft, wil men nog wel eens nuances aanbrengen. Zo zou een slaaf beter af zijn in Nederlandse dan in Javaanse of Chinese handen.

 

In de eerste helft van de negentiende eeuw verschenen er in Nederland slechts een paar romans waarin Indië of personages uit Indië een bescheiden rol spelen.

 

De eerste echte Indische roman was Max Havelaar (1860) van Multatuli – literair gezien een meesterwerk, en politiek gezien bepalend voor de discussie die sindsdien over het kolonialisme is gevoerd. De auteur, Eduard Douwes Dekker, verwerkte er zijn ervaringen in als assistent-resident in Lebak op West-Java. Hij beschuldigde de inheemse regent van ‘knevelarij’ van de bevolking en wilde hem laten wegvoeren, maar zijn directe superieur, de Europese resident, wilde niet overhaast te werk gaan. Dekker zocht steun bij de gouverneur-generaal, kreeg die niet, nam ontslag, ging naar Europa en schreef drie jaar later zijn Max Havelaar, dat zowel een aanklacht was tegen de onderdrukking van de Javaan als een poging tot eerherstel voor hemzelf. In de figuur van Max Havelaar schiep hij een geïdealiseerd zelfportret, en de gebeurtenissen in het boek zijn niet gelijk te stellen aan wat er in werkelijkheid geschiedde. Multatuli was niet tegen het kolonialisme, zelfs niet tegen het Cultuurstelsel; hij wilde alleen dat men zich aan de regels hield, en dat misbruik werd tegengegaan.

 

Max Havelaar was een der weinige romans uit dit tijdvak. Het genre van de Indische roman zou pas in de volgende periode tot groei komen.

 

Jeugdliteratuur laat doorgaans een wereldbeeld zien dat strookt met dat van de ouders. Daarom is het steeds een interessante bron voor wie de mentaliteit uit een bepaalde periode wil reconstrueren. In de eerste helft van de negentiende eeuw verschijnen de eerste Indische jeugdboeken. Het gaat daarbij vaak om leerzaam en nuttig geachte werken waarin de avontuurlijke zeereizen uit een roemrijk verleden en de daden van vermaarde gouverneurs-generaal uit de doeken worden gedaan. Er zijn ook negentiende-eeuwse reisverhalen bij, en prentenboeken met plaatjes en versjes. Boeken met inheemse hoofdpersonen komen sporadisch voor. Zoals te verwachten is, wordt het kolonialisme nergens ter discussie gesteld, maar er zijn wel nuances.

 

De periode 1870-1900

 

In 1869 werd het Suez-kanaal geopend. De reis naar Indië duurde voor een zeilschip nu zes weken in plaats van drie maanden.

 

In 1870 werd Indië opengesteld voor particulier initiatief. Dit betekende dat nu voor ondernemers de mogelijkheid bestond om zelf een plantage of ander bedrijf te beginnen. Het aantal koffie-ondernemingen en suikerfabrieken op Java nam toe. Dat gold ook voor de theeplantages in de Preanger (West-Java). Maar de grootste expansie deed zich buiten Java voor.

 

De oostkust van Sumatra, Deli, bleek bij uitstek geschikt om tabak te verbouwen. Omdat de lokale bevolking niet genegen was plantage-arbeid te verrichten, werden contract-koelies aangeworven: eerst Chinezen van het eiland Penang, daarna Chinese koelies uit Kanton, en tegen het eind van de eeuw vooral werkkrachten uit Java. Ze hadden een zwaar leven: ze moesten hard werken, en wie zich niet aan de regels hield, werd streng gestraft.

 

De Atjeh-oorlog begon in 1873 en duurde tot 1912. Het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL), opgericht in 1833, speelde in Atjeh een belangrijke rol.

 

Rond 1880 waren er in Indië op duizend Europese mannen nog geen vijfhonderd Europese vrouwen. Veel mannen leefden samen met een inheemse, Indo-Europese of Japanse concubine of njai. Wanneer men op iets oudere leeftijd met een Europese vrouw wenste te trouwen, werd de relatie met de njai beëindigd, vaak met niet meer dan een financiële vergoeding voor de bewezen diensten. Dat leidde uiteraard tot conflicten, soms zelfs tot bloedige wraak.

 

De reisteksten uit deze periode zijn veel meer louter op feiten gericht dan die uit de voorgaande periode. De invloed van Verlichting en Romantiek is nagenoeg verdwenen, uitspraken over het kolonialisme ontbreken soms geheel.

 

Er ontstaat een nieuwe variant reisteksten: reisimpressies van de toerist. Na 1870 komen niet alleen steeds meer Europeanen zich in Indië vestigen, er zijn er ook die alleen maar een kijkje komen nemen om hun familie te bezoeken of om zaken te doen.

 

In de periode tussen 1870 en 1900 beleefde de Indische roman een ongekende bloei. Die bloei had alles te maken met de sterke groei van de Europese bevolkingsgroep na 1870. Allerlei Oostindische dames en heren wilden het thuisfront informeren over het leven in Indië.

 

Opmerkelijk is de rol van vrouwelijke auteurs in deze periode. Tientallen romans en verhalenbundels beschrijven het wel en wee van Hollandse vrouwen in Indië. De jonge vrouw die naar Indië komt, betreedt een totaal andere wereld, niet alleen wat klimaat, keuken en kleding betreft, maar ook op het gebied van zeden en gewoonten. Een strenge hiërarchie, maatschappelijk vertoon, sterke sociale controle en veel geroddel zijn belangrijke ingrediënten. Indonesiërs treden vrijwel uitsluitend op in de rol van baboe, kokkie, naaister of huisjongen, met wie de vrouw des huizes vaak heel wat te stellen krijgt. Soms wordt ze geconfronteerd met het amoureuze verleden van haar man. Heimwee en verveling kunnen hard toeslaan, vooral op afgelegen posten in het binnenland, waar haar man de hele dag in touw is en weinig tijd heeft om zich om zijn echtgenote te bekommeren.

 

Rob Nieuwenhuys rekent deze romans en verhalen tot het ‘damescompartiment’ van de Indische letterkunde. Daartoe behoren schrijfsters als Mina Krüseman, Melati van Java en Annie Foore.

 

De belangrijkste romancier van die dagen was ongetwijfeld P.A. Daum, die onder het pseudoniem Maurits een tiental romans schreef. Ze werden aanvankelijk in feuilletonvorm gepubliceerd, en dan later als boek uitgebracht. De stijl van Daum is helder en onderhoudend, humoristisch soms. Zijn boeken spelen zich af onder Europeanen, zowel in de steden als in de binnenlanden van Java. Het beeld dat hij schetst is niet onverdeeld positief. De Europeanen zijn uit op hun persoonlijk voordeel en geven zich over aan roddelzucht, corruptie en huichelarij. Zijn eerste roman, Uit de suiker in de tabak (1885), schetst de geschiedenis van James van Tuyll, een gesjeesde Leidse student die naar Indië gestuurd wordt omdat hij niet deugen wil. Hij past zich aan, wordt suikerplanter, treedt in het huwelijk, stapt over op de veel winstgevender tabak, maakt een reisje naar Europa en moet bij terugkomst vaststellen, dat het in de tabak niet al te best gaat. Zijn huwelijk is een mislukking; het karakter van zijn echtgenote is heel wat sterker dan het zijne. Hij eindigt gedesillusioneerd en verarmd op het platteland, in het gezelschap van een huishoudster voor wie hij eigenlijk niets voelt. De Indische samenleving is bepalend voor de gebeurtenissen, vandaar dat het boek kan worden beschouwd als de eerste naturalistische roman uit onze literatuur.

 

De confrontatie tussen Oost en West komt op magistrale wijze tot uitdrukking in De stille kracht (1900) van Louis Couperus. Het conflict tussen de strenge maar rechtvaardige Europese resident Van Oudijck en de oeroude Javaanse regentenfamilie die tekenen van decadentie vertoont, wordt beslist in het voordeel van de Aziatische zijde. Die maakt daarbij onder meer gebruik van goena goena, maar anders dan bij Daum gaat het hier niet om magie en mystiek, maar veeleer om politiek: de stille, maar doeltreffende kracht van de onderdrukten versus de luide, maar ontoereikende kracht van de overheersers. Bijna alle thema’s en motieven van de Indische literatuur komen in deze roman samen.

 

In Indië zelf was voor dichters geen emplooi, en hoe kon men schrijven over een land dat men niet uit eigen aanschouwing kende?

 

In de jeugdliteratuur komt er meer aandacht voor het dagelijks leven van Europese kinderen in Indië. Inheemse hoofdpersonen komen nog minder voor dan in de periode 1800-1870.

 

De periode 1900-1942

 

In de troonrede van 1901 hield koningin Wilhelmina haar toehoorders voor, dat Nederland tegenover de bevolking van Indië een zedelijke roeping te vervullen had. Daarmee was de toon gezet voor de ethische politiek.

 

De ethische politiek was een reactie op het liberaal-kolonialisme, dat in 1870 de overhand had gekregen. Er waren enorme winsten gemaakt, die niet werden aangewend ten gunste van de kolonie. Nu echter kreeg de regering meer oog voor het welzijn van de inheemsen. Zij wilde hen beschermen tegen uitbuiting, en hen ‘opheffen’ uit hun miserabele situatie. Onderwijs en gezondheidszorg moesten ook aan de inheemse bevolking ten goede komen, zodat deze zich verder zou kunnen ontwikkelen. Het einddoel van deze politiek was Indonesisch zelfbestuur, zij het naar Westers model en onder Nederlandse leiding. Om deze idealen te verwezenlijken, diende, zo meende men, eerst de hele Indische archipel onder Nederlands gezag te worden gebracht.

 

Naarmate meer Indonesiërs de kans kregen Westers onderwijs te volgen, in Indië dan wel in Europa, werd ook het streven naar onafhankelijkheid sterker. Sommige nationalisten pleitten voor samenwerking met de Nederlanders, anderen wezen die coöperatie af.

 

De economische crisis van de jaren dertig kwam hard aan. Overal moest flink bezuinigd worden. Veel Europeanen raakten hun baan kwijt. De Indo-Europese groep voelde zich bedreigd door de concurrentie van meer ontwikkelde Indonesiërs op de arbeidsmarkt, vooral in de administratieve sector. De grote meerderheid van de inheemse bevolking leed het meest. Honderdduizenden verloren hun baan. Hier en daar leefde men op de rand van de hongersnood. De jonge academici onder de Indonesiërs vonden geen functie die bij hun opleiding paste en die werd ook niet voor hen gecreëerd. Zo ontstond een intellectueel proletariaat waarin de idealen van het nationalisme heel goed konden gedijen.

 

In Europa brak de Tweede Wereldoorlog uit, die Indië in een isolement bracht. De Duitse bezetting van Nederland leidde tot hevige verontwaardiging: alle Duitsers en NSB-ers in Indië werden geïnterneerd. Het KNIL was bedoeld als een politieleger dat binnen de archipel de rust moest bewaren; het was niet geschikt om een binnenvallende vijand met een sterk leger te weerstaan. Ondanks de dreiging durfde men het echter niet aan om de inheemse bevolking te bewapenen en vertrouwde men vooral op de steun van de geallieerden.

 

Het contact tussen het moederland en de kolonie werd, vooral na het relatieve isolement van de Eerste Wereldoorlog, intensiever. Dat reizen naar Indië steeds comfortabeler werd, weerspiegelt zich ook in de literatuur.

 

De ethische politiek drong ook door in het genre van de roman.

 

Officieel bestond de Indo niet: er waren voor de wet slechts Europeanen, Inlanders en Vreemde Oosterlingen (Chinezen en Arabieren). Wettige of wettig erkende kinderen van een Europese vader golden als Europeaan. Uit een gemengde verhouding geborenen die niet erkend waren, gingen op in de inheemse samenleving. Veel Indo-Europeanen voelden zich bedreigd door de ethische politiek, die immers kansen bood aan de inheemse bevolking.

 

Een hoofdstuk apart vormen de Deli-romans, die zich afspelen aan de oostkust van Sumatra, en veelal geschreven zijn door vrouwen. Het centrale thema is de demoraliserende invloed die van Deli uit zou gaan. De bekendste Deli-roman is zonder twijfel Rubber (1931) van Madelon Székely-Lulofs.

 

De autobiografische roman Het land van herkomst (1935), het meesterwerk van E. du Perron, is te beschouwen als een spiegel van de Indische samenleving uit de eerste twee decennia van deze eeuw. Het boek is geschreven door iemand die geboren en getogen is in Indië, die – ook al wilde hij dat niet weten – ‘Indisch bloed’ bezat, en die behoorde tot de maatschappelijke bovenlaag. Zijn alter ego Arthur Ducroo beziet de Indische maatschappij uitdrukkelijk vanuit Europees perspectief. Vertegenwoordigers van allerlei bevolkingsgroepen passeren de revue: Europeanen, Indo-Europeanen, Javanen, Soendanezen, Chinezen en Arabieren. De vader van Ducroo is het symbool van de koloniale machthebber: een ‘particulier’ die een hekel aan bestuursambtenaren heeft, die spreekt over de knoeiboel van de ethische richting, die weet hoe hij tegen de ‘inlanders’ moet optreden. Ook de zoon, die op zijn twintigste bij een krant is gaan werken, blijkt bepaald geen anti-koloniaal te zijn. Arthur Ducroo vertrekt naar Europa. Vijftien jaar later is er in zijn visie een verschuiving opgetreden, die, wat de auteur zelf betreft, profetisch blijkt te zijn.

 

Er zijn maar weinig Indonesiërs die in het Nederlands geschreven hebben. Ze zijn allen te vinden in deze periode, waarin, onder invloed alweer van ethische politiek, het onderwijs aan de inheemse bevolking verbeterd werd. Een Soendanese onderwijzeres, Soewarsih Djojopoespito, had een boek geschreven dat de eerste Nederlandstalige roman van een Indonesische auteur zou worden: Buiten het gareel. Deze roman is een pleidooi voor de gelijkwaardige rol van de vrouw in het huwelijk, en beschrijft de ervaringen van een onderwijzersechtpaar dat zich inzet voor het onderwijs aan Indonesiërs, voor de ontwikkeling van nationale bewustwording.

 

In 1911 verscheen Door duisternis tot licht, een verzameling brieven van de Javaanse regentendochter Kartini. In die brieven toonde Kartini zich een vurig pleitbezorgster voor het onderwijs aan de Javaanse vrouw, en verzette zij zich hevig tegen polygamie en uithuwelijking, zoals die in hogere Javaanse kringen gebruikelijk was.

 

Volgens Rob Nieuwenhuys is de Indische literatuur ontstaan uit de brief naar huis. Velen in Indië voelden de behoefte het thuisfront te informeren over het leven dat zij in de kolonie leidden. Vele duizenden van zulke brieven zijn bewaard gebleven; de meeste hebben alleen historische betekenis. Sommige zijn echter zó goed geschreven, dat ze ook literair van belang zijn. Dat geldt zeker voor de brieven van Willem Walraven.

 

Opmerkelijk zijn de dagboekaantekeningen van Soetan Sjahrir, een van de nationalistische leiders die voor de oorlog naar Boven-Digoel en het eiland Banda was afgevoerd. De titel is Indonesische overpeinzingen en het bevat notities uit de periode van zijn internering. Het is misschien het laatste boek van een Indonesiër dat in het Nederlands verschenen is. Onder het pseudoniem Sjahrazad werd het in 1945 in Nederland gepubliceerd. Op aangrijpende wijze maakt het duidelijk, hoe moeilijk het voor een Westers opgeleide Indonesiër was te leven in een koloniale samenleving.

 

Ook in de periode 1900-1942 neemt de poëzie in het literaire Indische landschap maar een bescheiden plaats in. Er is nog altijd geen poëtische traditie ontstaan; er zijn een paar op zichzelf staande dichters, die elk op hun eigen manier gedichten schrijven over natuur, liefde, heimwee en melancholie, de alledaagse werkelijkheid en de confrontatie tussen Oost en West.

 

De betekenis van het werk van Jan Prins ligt vooral in zijn weergave van de natuur.

 

De Javaanse prins Noto Soeroto studeerde in Leiden en ontwikkelde zich tot propagandist voor de Javaanse cultuur in Nederland. Hij probeerde niet alleen in zijn politieke streven maar ook in zijn poëzie Oost en West met elkaar te verzoenen: een synthese tussen het Nederlands en het Javaans. Noto Soeroto vond voor zijn idealen weinig gehoor: voor vele kolonialen gingen zijn ideeën over samenwerking tussen Nederland en Indonesië op basis van gelijkwaardigheid veel te ver, en de Indonesische nationalisten beschouwden hem als een collaborateur.

 

In de jeugdliteratuur is er veel aandacht voor aanpassing, zowel van kinderen die naar Indië komen als van kinderen die voor het eerst naar Holland gaan. Meer dan eenvijfde van de boeken heeft een Indonesische hoofdpersoon. De dominerende visie is gematigd koloniaal: de Nederlandse aanwezigheid wordt niet ter discussie gesteld, maar er wordt wel begrip gevraagd voor andere leefwijzen. Twintig procent van de kinderboeken gaat over het werk van de zending. In de meeste gevallen is er sprake van de heilzame werking van het christendom.

 

De periode 1942-1995

 

Op 8 maart 1942 capituleerde het Nederlands-Indische leger op het vliegveld Kalidjati bij Bandoen voor de Japanners. Drie maanden eerder, op 8 december 1941, hadden de Japanners onverhoeds de Amerikaanse basis Pearl Harbor aangevallen. Nederlands-Indië had Japan toen onmiddellijk de oorlog verklaard.

 

Niemand besefte toen dat hierdoor ook een einde kwam aan het Nederlandse bewind in de Oost.

 

Tijdens de Japanse bezetting werden geleidelijk aan alle Europeanen en de meeste Indo-Europeanen geïnterneerd.

 

Nationalistische leiders als Soekarno en Hatta bleven bereid tot samenwerking met Japan, om zo de onafhankelijkheid van Indonesië naderbij te brengen.

 

Naarmate de oorlog vorderde, werd de situatie in de kampen steeds slechter. Ook de inheemse bevolking had zwaar te lijden. Honderdduizenden werden geronseld als romoesha, arbeidskrachten.

 

Japan werd door de geallieerden steeds verder in het nauw gedreven. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan. Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta de Republiek Indonesië uit. Omdat de geallieerden niet dadelijk troepen naar Java konden sturen, moesten de gevangenen voorlopig in de kampen blijven. De Japanners kregen nu de opdracht hen te beschermen tegen aanvallen radicale jongeren. Deze periode wordt de bersiap-tijd genoemd (bersiap: wees paraat).

 

In 1947 werd het akkoord van Linggadjati ondertekend.