

De briefwisseling tussen Pieter Corneliszoon Hooft en Constantijn Huygens
1 Inleiding
Deze nota is geschreven in het kader van de masterwerkgroep ‘Nederlandse humanistenbrieven’
onder leiding van de heer Harmsen in het tweede semester van het collegejaar 2007-
2 P.C. Hooft (15 maart 1581 – 21 mei 1647)
Pieter Corneliszoon Hooft werd geboren op 15 maart 1581 in Amsterdam als zoon van
een koopman en een boerendochter. Hooft bezocht de Latijnse school in zijn geboortestad.
Op zijn zeventiende jaar stuurde zijn vader hem op reis, zodat hij de relaties van
de handelszaak zou leren kennen. In 1598 verbleef hij in La Rochelle. In 1599 verbleef
hij in Parijs en Italië, met name in Venetië, Rome en Florence. In het voorjaar van
1601 keerde hij over Duitsland en Friesland terug naar Amsterdam. In de jaren 1605-
Hooft nodigde vaak kennissen, veelal geïnteresseerd in literatuur, uit om in het Muiderslot te logeren. De benaming ‘Muiderkring’ is een schepping van de negentiende eeuw en is eigenlijk misleidend: van een georganiseerde vaste kring met een uitdrukkelijk literair streven of program was geen sprake. Hooft maakte er slechts een gewoonte van zijn familie, vrienden en bekenden dikwijls bij hem thuis uit te nodigen. Het gevolg van die ruimhartige gastvrijheid was, dat er zich met name in de zomermaanden op het Muiderslot een komen en gaan van vrienden en verwanten voordoet. De samenstelling van de ‘kring’ van tegelijk aanwezige gasten was in hoge mate wisselend en bijna altijd toevallig. Tot de vaste vriendenkring van Hooft behoorden onder andere Tesselschade, Huygens, Barlaeus, Vossius, Van der Burgh, Brosterhuysen, Mostaert, Wicquefort en Baeck.
In mei 1647 moest Hooft naar Den Haag voor de uitvaart van Frederik Hendrik; daar werd hij ziek en overleed. Hij is in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven. Zijn weduwe overleed in 1661.
Mogelijk al rond 1598 schreef Hooft zijn Achilles en Polyxena, een in veel opzichten
belangrijk werk. Niet alleen was het opvallend dat dit werk door een zeventienjarige
was geschreven, het leidde ook een nieuw tijdperk in van de dramatische kunst in
de Nederlanden: het is ‘het eerste classieke spel, dat in de zeven provinciën is
opgevoerd’. Hooft heeft zijn belevenissen tijdens zijn ‘grand tour’ vastgelegd in
zijn Reis-
In de jaren hierna verschijnt regelmatig werk van Hooft. Enkele hoogtepunten zijn
de bundel Emblemata amatoria (1611) en zijn toneelstukken Geeraerdt van Velsen (1613),
Granida (1615) en Baeto (1617) en Hendrik de Gróte (1626). Hooft gebruikte zijn toneelstukken
om zijn gematigd-
In 1628 begon Hooft met zijn hoofdwerk, waaraan hij tot zijn dood heeft gewerkt:
de Nederlandsche historien. Naast letterkundige, had Hooft ook een grote taalkundige
belangstelling. Dit blijkt als hij in 1622-
3 Constantijn Huygens (4 september 1596 – 26 maart 1687)
Constantijn Huygens werd geboren op 4 september 1596 als zoon van Christiaan Huygens
(sr.) – secretaris van de Raad van State – en Suzanna Hoefnagel. Constantijn kreeg
een zorgvuldige opvoeding, waarbij geen der ‘artes’ verwaarloosd werd. Na een jaar
juridische studie te Leiden (1616-
In 1627 trouwde Huygens met zijn nicht Suzanna van Baerle. Zij overleed in 1637.
Na de dood van zijn vrouw, betrekt hij een huis aan de noordzijde van het Binnenhof.
Dit huis was door hem zelf ontworpen, evenals zijn buiten, Hofwijck. Zijn bouwwerken
zijn van groot belang geweest in de ontwikkelingsgang van de Nederlandse bouwkunst.
Een andere belangrijke technische prestatie was zijn plan voor de aanleg van de ‘Zeestraet’
van Den Haag naar Scheveningen, die tijdens zijn verblijf in Frankrijk tot stand
kwam (1663-
Op 28 maart 1687 overlijdt Huygens. Een week later wordt hij in de Grote Kerk te Den Haag begraven.
Al op zijn elfde jaar schreef hij verzen in het Latijn, sinds zijn zestiende in het
Frans. Zijn eerste Nederlandse gedichten dateren van 1617. Huygens schreef tijdens
zijn leven honderden puntdichten, die hij ‘sneldichten’ noemde. Zijn eerste grote
dichtwerk is Batava Tempe, dat is ’t Voor-
4 Het ontstaan van de vriendschap tussen Hooft en Huygens
Huygens en Anna Roemers Visscher
Op 3 februari 1619 gaat Huygens samen met zijn moeder naar Amsterdam ter viering van de bruiloft van haar neef Marcus de Vogelaer met Geertruyd van Ceulen. Voor het bruispaar schrijft Huygens een bruiloftsdicht en hij verontschuldigt zich bij bruid en bruidegom dat hij niet voor hen staat met ‘handen vol papiers’ (r. 7):
AENDE EERENTFESTE Sr. MARCUS DE VOGELAER
ENDE JOFFre. GEERTRUYT VAN KEULEN
TEGHENS
HAERLUYDER AENSTAENDE BRUYLOFT FEEST
’Ten is noch hert, noch sin, noch lust, noch wil, noch jonst,
Die my, Heer Bruydegom,
op deser uer ontbreecken
Om U een Bruyloft-
Vervolgens
t’oudt gebruyck: ’Tis wetenschap en const.
(5) ’Ten is noch luyheyt sloff, noch ledicheyt
vermuft
Die my voor U, Vrouw Bruyt, beletten te verschynen
Met handen vol papiers,
met verssen by dozynen,
Met Liedtgens sonder endt: ’Tis faute van vernuft.
Hoe zoud’
ick connen zyn zoo buyten-
(10) Dat ick aen d’Amstel-
Met myn onrymich rym, myn onbeschofte reden,
Myn ydel-
Aen d’Amstel-
Dat noyt
(den ouderdom can myn gelooff niet binden)
(15) De rechte Helicon in Griecken was
te vinden,
Noyt voetstap Pegasi, noyt Hippocrene stondt.
Aen d’Amstelstroom daer my
een wyt-
Een Anna Rymers roem doet vastelick gelooven
Dat hy myn Vaderlandt
syn eyghen eer gaet rooven
(20) Die Pieri geslacht besluyt in dry mael dry.
Neen, daer
en coom ick niet: my is wel eer vertelt
Hoe eens een jonghe guyt, die syn vlucht niet
en cortte
Op de maet van syn wieck van boven neder stortte
By Samos in het meer dat
synen naem noch stelt.
(25) Een oudt wyff seyd’ my eens hoe dat het kint van Sol
(Wat
vreemder naem! docht ick) syn Vaertgiens wagen mende,
En juyst om dat den bloet de
paerden niet en kende
Quam tuymlen uyt de locht over hol over bol.
Dat was een kinder-
(30) My dunckt dat ick het
sie hoe de luy met hem lachten.
Neen, hola, ’twas te bout, dat sal ick my wel wachten
Hy
past voor eerst syn pols die seker springen sal.
Vergeeft ’tmy Bruydegom, nu vryer, merghen man,
Vergeeft het my Vrouw Bruyt, nu vryster,
merghen vrouwe,
(35) Zoo ick voorsichtelyck van vreese dat ’tmy rouwe,
Van gronde niet
en wil die ’tswemmen niet en can.
God gev’ u veel genuchts veel winter-
Een
wil, een siel, een hert, een sinnen, een gedachten
Godt gev’ u veel geluckx veel Jaren
in en uyt
(40) Bekende Bruydegom, en onbekende Bruyt.
Ludebam quam ocyssime Proprid. Cal. Febr. (30 Jan.)
Als excuus voor zijn magere arbeid voert Huygens aan dat hij met zijn ‘onrijmich
rijm’ (r. 11) niet te voorschijn wil treden in een stad waar de tiende van de negen
Muzen, Anna Roemers Visscher, woont (r. 17-
AEN ANNA R.
Myn ongeluck doet my myn ongelyck verstaen,
Ick come my van selfs voor U te rechte
stellen,
Hebb’ ick een onwaerdt Rym u’ waerde naem doen spellen
De wel-
(5) Ick zie waer ’t henen wil; de wraecke staet u aen,
Om
uwen niewen vriendt al lachende te quellen
Ghy weygert hem u mondt met u pen te versellen,
Ghy
laet hem t’halver vreucht, ter halver weldaet staen.
Doch, Anna, hoort myn raedt,
geeft my u soete seggen
(10) In schrifte, dat ick mach met sinnen over-
’Toneyndelyck
verschil van u geest byde myn’,
Ghy sult my t’uwer eer, tot myner schandt doen smaecken
Wat
Son myn wasche wieck getracht heeft te genaecken
Verdubbelt zal u wraeck, myn vreucht
verdubbelt zyn.
14 Feb.
Vijf dagen later, op 19 februari 1619, roept Huygens de eerbiedwaardige Amstelstroom te hulp bij zijn poging om van Anna Roemers schriftelijke bewijzen van haar mondelinge lof aan zijn adres te verkrijgen:
CONSTANTIN HUYGENS WENSCHT DEN AMSTEL-
WELVAERT EN VEEL-
Oudt-
Zoo u een coude corst het oore niet
en dooft,
Zoo u de Vriesche vorst in u huys laet met vreden
Zoo uwen ouden ruggh’ beseylt
wordt, niet betreden,
(5) Gheeft my verloff en tydt om clagen mynen noot
Die ick gedwonghen
stort in uwen blauwen schoot.
’Tbeleefde Wellecom, dat my voor weynich weken
Een Werelts-
Dat suycker-
(10)
Wordt my versaeckt, ontkent, verloochent in ’t gesicht.
Zoo haest en hadd’ ick niet
u crystallyne stroomen
Verloren uyt het oogh: hadd’ niet zoo haest vernomen
De dorre
schorre hey, het hooghe drooghe sandt
Daer my den hemel gaff myn aerdtsche vaderlandt,
(15)
Onnoosel, onbedacht beghin ick my te stellen
U minnelyck onthael een yeder te vertellen:
De
reden leerde my, cost ick niet metter daet
Ten minsten danckbaer zyn met woorden en
gelaet.
Wat comt my hier te voor’? Een pronckaert hooch vermeten,
(20) (Sy noemen ’t
Courtizaen die beter niet en weten)
Een van dat licht gespuys des werelts ydel caff
Dat
allesins van spreeckt, en weet doch nerghens aff.
Arm, slecht goet-
Wat meynt ghy dat wy zyn, off menschen sonder sinnen
(25)
Oft kieckens zonder hooft? dat wy van stonden aen
Gelooven, recht oft crom wat ghy
ons voor comt slaen?
Ey lieve wane-
Wat welle-
Den Amstel hier en daer, die dit cost, die dat mocht
(30)
(Ick weet niet wat hy daer niet over hoop en brocht)
Den Amstel, in een woordt, die
spyt syn stroom-
Schoon Hollandts schoonste Stadt syn eyghen naem doet vueren.
Neen
maeckt ons dat niet wys: te hooff en looft men niet
(Dat weet ghy emmers wel) dan
datmen tast en siet.
(35) Ten minsten hadt ghy ons, tot styven van u seggen,
Wat schriftelyck
bescheets voor den neus connen leggen
Dat waer wat meer geseyt; wy mochten ons beraen
Hoe
verre men daerop sou moghen achte slaen.
Dat trapten op myn seer: daer stondt ick
zonder spreken
(40) Niet wetende myn leedt, noch hoe, noch waer te wreken.
O vingerbreedt
pampier (seyd’ ick [in] myn gemoet)
Is’t dan om uwentwil dat ick dit lyden moet?
Zal
ick om uwent wil des’ spytighe gesellen
Te schimpe staen, en my ter weer niet derven
stellen?
(45) ’Ten baette gheen suer sien, daer was gheen helpen aen;
Den licht-
Out-
Ghy cont hier in versien, doet zoo veel, wilt het mede:
’Ten is niet onverwachts
het ghene my geschiet,
(50) ’Ten is van gisteren noch daer te voren niet
Dat ick myn
beste doe om sulcx te mogen wycken,
U Anna uwen roem zal lichtelyck doen blycken
Wat
moeyte, wat versoeck ick niet en hebb’ gedaen
Om eenen reghel schrifts uyt uwen naem
t’ ontfaen.
(55) T’was al verloren praet: de redelycxte reden,
Het minnelyxte woordt,
d’ootmoedelyckxte beden
En hadden gheen gewicht om haer hartneckicheyt
Sy gaft den
naem van Trouw) te brenghen tot bescheyt.
Wat ick songh, wat ick peep, zy hadd’ uyt
last gesproken
(60) (Stracx hadd’ sy my het woordt met desen slach gebroken)
Zoo wilde
zy dan oick uyt laste schryven noch,
Cost ick haer desen last vercrygen ’twas genoch.
Dit’s
haer’, ja mynen last die my belast en pranghet,
Oudt-
(65) Zoo zy u groote naem de werelt door bekent
Zoo moet ghy
altydt vlien, en nemmer sien u endt,
Zoo moet ghy dagelycx menich beseylde waghen
Naer
uwen rycken Dam hoochmoedich helpen draghen,
Zoo moete noyt by u te vergelycken zyn
(70)
Noch Ty’, noch Leck, noch Scheld, noch Maes, noch Wael, noch Ryn.
Ghunt my een gunstich
woordt, helpt my myn schande myden
Stopt den mondt aen die ghen’ die my u gunst benyden:
Stelt
U ontsach te werck: geeft u beroemde maecht,
Daer Hollandt moet op schept, daer Nederlandt
van waecht,
(75) Den voorgewenden last: gebruyckt de schoone handen
(Hebt ghy den mondt
gebruyckt) die haers gelyck noyt vanden,
’Tverschil is cleyn off gheen, haer pen is
waert haer tael,
Haer tongh is waert haer handt: Wat maeck ik langh verhael?
Hebt ghy
haer voor u Tolck uyt duysenden gelesen,
(80) Waerom en sou sy niet U Secretaris wesen?
19°. Feb. Hag.
Op 7 maart reageert Anna Roemers met een sonnet. Zij stelt daarin dat zij door de
dood van haar moeder in ‘Huijs-
SONNET. AEN DE SANG-
Helaes! voochdinnen van myn eerbaer zoete lusten
Ick moet, ayme! ick moet gedwongen
vanden noot
U selschap laten, ach! door dien de leyde Doot
Myn schielyck heeft ontruckt
daer hert en sin op rusten.
(5) U aengenaem gequeel, dat my zoo lieflyck susten
In
goet-
De Huys-
Wie had doch dat gedacht doe ick u laestmael custen?
Maer zoo u goedicheyt
melyen heeft met myn,
(10) Beveelt dan ernstelyck u brave Constantyn
U liefste Voetster-
Ten minsten eens ter maent wat deuntgens dat ghy neurt,
En
wat op Helicon al soets en nieuws gebeurt
Soo zal ick dencken dat ick noch niet ben
vergeten.
Anna Roemers.
Huygens antwoordt in een sonnet op dezelfde rijmwoorden namens de ‘Sang-
SONNET. DE SANG-
Neen, Anna, dat ’s gheen deegh; het most u beter lusten,
Wy smaecken u verdriet, wy
kennen uwen noot,
Maer daer en is’t niet al: een Moeders rype doot
Laet stracx gheen
dochter toe in leecheyt luy te rusten.
(5) Noyt wasser druck die tydt en reden niet
en susten.
Zoudt ghy u soo terstondt uyt onsen Voester-
Vervoeren onder schyn
van Huys-
Dat was de meeningh niet doen wy u laestmael custen.
Wy
gheven U een maent maer langher gheen termyn,
(10) Dan roepen wy u thuys: Wat aengaet
Constantyn,
Die was hier noyt bekent; veel min dat hy zou weten
Wat men op Helicon
speelt, veelt, springt, singt of neurt:
Comt en besiet het self wat datter nieuws
gebeurt,
Die selden wordt gesien, wordt lichtelijck vergeten.
Constanter. 7° Mart.
Anna Roemers heeft op dit gedicht niet meer gereageerd. Huygens bleef haar echter in gedichten prijzen en verleiden tot een antwoord. Hij roemt haar graveerkunst en jaar fluitspel en reageert op 17 november 1619 met een gedicht ‘Op ’t claechdicht Van Anna Roemer Visschers aen D’heere Grotius’:
OP ’T CLAECHDICHT VAN ANNA ROEMER VISSCHERS
AEN D’HEERE GROTIUS
Swijcht Rym-
Beydt letter-
En ghy medooghend oogh, spaert U geleerde tranen,
De rechte schreyens-
(5) Wanneer haer (Och! off noyt) een altydt wrede Doodt
Zal
roemen t’onser spyt den overgrooten Groot
Te hebben doen betreên de veer-
Wat segh ick, schreyens tydt? Noch zalmen dan de wielen,
Noch de Victorie-
(10) Zien voeren d’eere-
Hoe
zouden van nu aff dry wallen en dry grachten
Dien meer als Dedal-
Daer van bekennen zal d’oyt onverwonnen Doodt
Op sulcken harden stael
is myne Zeyssem loodt.
17° Novemb.
Tot een persoonlijke ontmoeting komt het pas op 11 februari van het volgende jaar 1620. Deze kennismaking vond plaats tijdens de begrafenis van Anna’s vader, Roemer Visscher. Deze begrafenis bracht Hooft en Huygens bij elkaar. Anna Roemers Visscher was de bemiddelaarster. Huygens kende Anna alleen nog maar via de poëzie, Hooft kende haar persoonlijk. Roemer Visscher was namelijk een van de leiders van de Amsterdamse rederijkerskamer ‘De Eglantier’, waarvan ook Hooft lid was. De families Hooft en Visscher waren bevriend. Hooft was voor en na zijn reis naar Italië bij Roemer Visscher te gast en groeide op met zijn dochters Maria Tesselschade en Anna. Hooft schreef het grafschrift voor Roemer Visscher:
Roemer Visscher rust hier binnen // moegespeelt met Hollandsch jóck.
Want hij quicken bij de schóck // schreef, en popte met de sinnen:
Siend’ al ’s werelds wetenschap // aen, voor vulsel vande kap.
Huygens stuurt enige tijd na zijn eerste gezantschapsreis naar Venetië de zusjes
Visscher en Hooft een gedicht dat herinnert aan de dood van Roemer Visscher en de
kennismaking tussen hen vernieuwt. Het begint met een klacht over de dood van Roemer
(r. 1-
AEN DEN HEERE DROSSART HOOFT, ENDE DE IOFF.wen ANNA
ENDE TESSELSCHADE VISSCHER, OP
’T OVERLIJDEN
VAN HAER’ VADER
De Visscher diemen roemt dat nemmer niet en miste,
Die uyt den Poppen-
De Roemer daer Natuer haer schatten in verschonck,
Daer all dat mondigh was
siel-
(5) Was eindelijck gevelt, en die Oraclen sweghen,
Met als
den Tempel-
Wijse Anna sagh bedroeft, schoon’ Tessel stond
verbaest;
Ach! seyde d’een dus vroegh! en d’ander, ach! dus haest!
Dus jong en Vaderloos!
O myn’ bestorven dichten,
(10) Waer is de Sonne nu die u behoort te lichten?
Waer is
’tbegheerigh oogh dat uwer voeten pass
En altydt vierich volchde, en altydt gierich
las?
En Ghy gepresen Stift, en ghy vernaemde Naelden,
En ghy beroemde Pen die myn’
gedachten maelden
(15) By tyden op den Doeck, by buyen op ’tgelas,
By beurten op ’tpapier
als ’t ernst en yver was,
Waer is de blyde handt die lievers niet en raeckte
Dan daer
van uwer dry yet bleeck, yet blonck, yet blaeckte?
Troostloose Weesen-
(20) Die t’uwer onderwys noyt toe, noyt still en stondt?
Waer is. De
voorder klacht wierdt schielyck wedersproken,
De diepst geschapen sucht in synen traen
gebroken
Door een bekende Stem, het droeffelyxste woordt
Soo tydelyck gestopt als minnelyck
gesmoort.
(25) Der Princen taelman Hooft (die ’t Nederlandt ter eeren
Den Koninghen
syn’ spraeck, den Keyseren doet leeren,
Roept eewen achterwaerts, brenght landen in
syn landt,
Sleept steden in syn’ Stadt, dwinght scepters in syn’ handt)
Beweeghde dit
gekerm. Stelpt die verloren tranen
(30) O een’ en ander Maeght (begon hij te vermanen)
Vermeestert
uwen rouw, Wat schaet een ancker quyt
Zoo langhe ’tschip ter zee noch op een ander
rydt?
De Vader die ghy mist belett ick U te derven,
Mijn leven zij voor U in plaetse
van sijn sterven,
(35) In ’sWerelds drooghe diep, en ongebaeckte sandt
Belov’ ick U
myn hulp, myn’ herssenen, myn’ handt.
De daghen myner jeughd en ombevleckte nachten,
In
deughden toe gebroght, en ernstighe gedachten,
In weten-
(40) In tael en wetenschap geluckelick besteedt
Bested’ ick weer voor U, de
langh verleden jaren
Van ’s Werelds maecksel aff, en zoo veel holle baren
Als zedert
tot op nu daerover syn gejaeght
En zyn mij niet ontkent, ick hebb’ het al doorknaeght,
(45)
En all tot uwer baet, zoo verr’ u lust te maeyen
My lust soo goeden grondt van ’tmijne
te besaeyen.
Op ’tsluyten van een Sin in rijmende gedicht
(Hoewel daerin u handt voor
niemant niet en swicht)
Verstaen ick ruym mijn deel, en mogelick wat vonden
(50) Wt
mijnen koker u by wylen sullen monden,
Wy konnen ’t al niet all, de groote Ghever
geeft
Aen eenen menighmael dat ijeder niet en heeft.
’Twas te gewilden waer om langer
aen te prijsen
Der maeghden blij gelaet begonde te verrijsen,
(55) De droeve Wolck
verdween, de Sonne scheen verheucht,
Strack schreyd’ er twee van rouw, strack loegh’
er 3. van vreught.
O meer als echte knoop geluckelyck gebonden!
O drijhoeck vande Deughd
van boven aff gesonden!
Volmaeckste Sielen-
(60) Wat
vruchten wachten wy, wat vruchten van u niet?
Geluckich Hooft-
En Hollandt baren sal, O! onder de vermaerde
Vermaerste Sophoclist, waer was
’t U mogelyck,
’Ten hadde hier geweest, te vinden Ws gelijck?
(65) ’Ten hadde hier
geweest, waer was het U te raden
Dat swanghere vernuft zoo mildelyck t’ontladen?
Geseghent
Suster-
Verarmt den Hemel U off seghent hy u meer?
Neen
hy ont-
(70) Dus moet ghij t’eener tydt verliesen
en verlieven,
Dus gheeft hy nemende (dat ’s hemellyck gerooft)
Hier zoo verwaerden
kop, daer zoo vermaerden Hooft.
17° Kal. Ian. (16 Dec.)
Huygens heeft vermoedelijk Hoofts grafschrift op Roemer Visscher gekend. De woordspelingen
gebaseerd op de naam Roemer en zijn Sinnepoppen vinden wij ook bij Huygens (r. 1-
SONNET AEN HEERE CONSTANTIN HUYGENS
Men voede’ Achilles op, met mergh wt Leeuweschoncken.
Dies siedende’ oorloogh-
Van rusten wierdt hy mat; van woelen, frisch: en schrap
Stondt
hy veel liever, dan hy stack in lust versoncken.
(5) Maer Huyghens inborst, die, voor
sogh, heeft opgedroncken
Der eed’ler konsten claer en zinne-
Vlamt op
het eerlijk fraey: Waer nae syn vryerschap,
Uijt allen ijver rent, geprickt met heilghe
voncken.
Dies luistren nu sijn luit, syn stem, syn streelend dicht,
(10) Nae wetten
van die geest op alles afgericht.
Nae dese, schickt haer ’tpuyck synre wtgeleesen
zeeden.
Doch dit’s maer voorspel. T’hans, de welvaerdt van syn Landt
En vrijgevochten
volck, aenstellen wil haer trant,
Op maetslagh eenes ziels soo vol van rijm en reden.
P.C. Hooft. Omnibus idem.
Huygens ontving dit sonnet op 9 januari 1621 en beantwoordde het nog dezelfde dag met een sonnet op dezelfde rijmwoorden:
AEN HEERE P. C. HOOFT
Ick byden Helt gestelt, die uijt de Leeuweschoncken
Den oorloghijver soogh, en ’tleeuwelycke
rap,
Die Troyen holpe’ in d’asch, en stelden Hector schrap?
Zoo diep en legg’ ick niet
in eyghen-
(5) Zoo veel en hebb’ ick niet uyt Lethe opgedroncken,
Dat
ick ’s mij weerdigh kenn’, al paert het streelend’ sap
Van uwe hoofsche pen ’tonnoosel
vrijerschap
Van een rondt Batavier, bij d’edel’ Griecksche voncken.
Wat can hy weerdigh
zyn die op stem noch op Dicht
(10) Ervaren, noch op luyt mach heeten afgericht,
Veel
minder op het puyck van wtgeleesen zeden?
Dies vinde’ ick in u Dicht (Puyckdichter
van ons landt)
Const, jonst, geneghentheyt, maet, rijm en reghel-
(Vergeeft mij
’tredelyck ontkennen) maer gheen reden.
(5)° id. (9) Ian.
Deze dichterlijke ontmoeting kunnen we beschouwen als het begin van de wederzijdse vriendschap tussen Hooft en Huygens. Via Anna zijn twee grote Nederlandse dichters uit de vroege zeventiende eeuw met elkaar in vriendschappelijk contact gekomen. Deze vriendschap was gebaseerd op de erkenning van elkaars talent en op wederzijdse bewondering. Het lijkt erop dat Hooft, aanvankelijk gecharmeerd door de hem toegedichte rol van peetvader van de zusjes Visscher, steeds meer onder de indruk kwam van Huygens’ dichterlijke ingenieusheid en speelsheid. Hooft prijst later Huygens’ inventio en neemt zijn versvorm over. Huygens had vooral bewondering voor Hoofts klassieke scholing.
5 De briefwisseling tussen Hooft en Huygens
Zoals ik reeds in de inleiding heb aangekondigd, staat in deze nota de briefwisseling
tussen Hooft en Huygens centraal. Uit de periode 1622 tot en met 1645 zijn ruim negentig
brieven overgeleverd. Om de vereiste diepgang te bereiken, heb ik mezelf beperkt
tot de analyse van acht brieven, daterend uit de periode december 1636 tot en met
maart 1638. Voor de selectie en de overname van de brieven heb ik gebruik gemaakt
van de uitgave van Van Tricht uit 1976-
Brief 851 (signatuur UBL Pap. 2)
Mijn’ Heere;
2Den meesten somer hebb ick te Roomen geweest, ende de Tael3 gesproken, diemen daer plagh te verstaen; nu veel min daer, als4 veel elders verstaet. U.E. heefter haer deel in geleden; de5 Hr Barlaeus noch zedert, ende heel onlangs, sijn hujs vol6 onduijtsicheit af gehadt. Thuijs komende van over ’tgeberghte, 7 beghinn ick van niews met mijne Landsluijden ende Moeders8 kinderen te leeren stameren. Hier neffens gaet de eerste proeve in9 langen van ’taengeboren ambacht. de stoffe was te goed: sij soude10 Croesus kind de tong ontbonden hebben. U.E. werpe een 11 genadigh oogh opden ijver ende de ongewoonte, die dat stuck12 wercks soo goed ende soo quaed gemaeckt hebben: ende13 vertrouwe, dat noijt ongewoonte sal meester werden vanden ijver, 14 die mij seggen doet, inde beste woorden die ick uyt Italien gebracht15 hebbe, dat ick oprechtelick ben,
16Mijn Heere,
17U.E.
18ootmoede ende dienstwste dienr
19C Huijgens.
18In ’s Gravenhaghe. den
193en Decemb. 1636.
Deze brief stuurde Huygens op 3 december 1636 aan Hooft. Na maandenlang in het Latijn gedicht te hebben, stuurt Huygens zijn eerste Nederlandse vers sedert lang:
D’EERSTE STEEN VANDEN DOEL IN ’S GRAVENHAGE GELEGHT BY PRINS WILLEM VAN ORANGE, ’S DAEGHS VOOR BIDDAGH 2.EN DECEMB. 1636.
De wel geboren hand, die God sal leeren stryden,
De schutterlijcke hand, die Schutster heeten moet
Van Hollands schutterij, van Holland, eens bebloedt,
Nu bloeyende over ’tbloed van die sijn Bloem benijden,
Sijn vrijheid, fiere Bloem, stelt Holland in verblyden
In ’tbotten van haer’ Ieughd: versorght een’ vasten voet
Aen Doel en Schutterij; Het strydbare gemoed
Voorseght der Wapen-
Merckt met een’ Witten steen de hoôp van desen dagh;
Bidt merghen, Hof en Haegh, dat waerheid werden magh
Wat nu waerachtigh is: ’Tsal aen de Hand niet schorten,
(Verworpen Hoeck-
Haer doel sal ’t voorhooft zijn, en Goliath sal storten,
En David sal ’them doen, en met den eersten Steen.
3. Dec.
Huygens heeft het grootste deel van de zomer in het Latijn gedicht en buiten Rome zijn nu meer Latijnkenners dan in Rome zelf. Zo bevat het derde deel van Worps verzameling van Huygens’ gedichten in de periode van 18 maart tot 18 november louter Latijnse gedichten, met uitzondering van een vertaling uit Aeneis. Hooft had een aantal gedichten op de een of andere manier in handen gekregen en waarschijnlijk heeft ook Van Baerle ze gelezen. Nu houdt Huygens op met Latijnse poëzie en begint hij opnieuw in de taal van zijn landgenoten en de kinderen van zijn moeder te leren stamelen. Hij beschouwt het dichten niet als een ambacht dat men leert, maar dat aangeboren is. Huygens vraagt zijn vriend Hooft om de een blik te werpen op zijn dichtlust en de ontwenning die zijn werk zo goed en zo kwaad als het is gemaakt hebben. Hij vertrouwt erop dat ontwenning nooit de baas zal worden van de passie. Hij heeft zijn werk geschreven in de beste (Nederlandse) woorden die hij na al dat Latijn behouden heeft.
Brief 854 (signatuur UBA II C 11.419)
1Mijn’ Heere,
2Verhujzende van bujten herwaerts, ben ik bewelkoomt met het 3 banket, dat daer op gewacht had; Uwer Ed. gestr. gunstigh4 schrijven, braef sonnet, Latijnsche gedichten vol vonden van5 d’andre wereldt, ende dien allersmaeklijksten brief aen den Heere6 Barlaeus: lekkernijen zoo nae mijnen mondt, als haersgelijke mij7 zelden voor de neuz koomen. Gevoelende mijn’ ejghen’ armoê, 8ende des te min zuchts niet om mede eenighszins den jongen9 grooten metselaer voor opperman te dienen, heb ik wat steenen bij10 de bujrt geraept, die niet lichtlijk te verwerpen zijn; hoewel mij die11 van David zonder weêrgaê dunkt, ende bij dat werk te passen oft hij 12daer toe gewassen waer. In ’t vorderen van ’t mijne ben ik13 gekoomen tot zekren ’s vijands aenslagh op Vlissingen, aen het14 tegenbelejdt des welken U. Ed. gest. Heer Vaeder z.g. zijn deel 15 gehadt heeft, met schaeken eens gijzelaers, tot Londen, ujt het hujs16 van den Ambassadeur Don Bernardin van Mendoça. Over 17 d’omstandigheden van dat bedrijf, daer, zonder twijfel een’ eunjere18 behendighejt toe behoort heeft, wort, in mijnen zin, veel te19 luchtigh heene gestapt van de schrijvers die ’t aenroeren. Derhalven, 20indien U Ed gestr. mij aen ’t jujste beschejdt konde helpen, ik21 moghte mij belooven dat de fijnte van zulken diamant, de splinters22 van enkel glas, waermeê mijn’ brabbelingen zich meenen mooij te23 maeken, ten minsten bij geen’ heel scherpe kenners, voor glad24beeken zouw doen doorgaen. De Heer Barlaeus is bezigh met het25 zoete nieuwe jaer; een kindeken is ons gebooren. ’T en heeft niet26 weenigh in, tot een deuntjen zoo versleten, dat op dujzenderlej27 wijzen gezongen is, nooten te verzieren, die d’ooren knellen. Op 28Zaterdagh der naeste weeke zal de groote school waeghen van zijn’29 bandelooze rede doorspekt met eenighe vejrsen. Deze drokhejt, en30 de zinnen verzonken in aendacht en ootmoedt, gebieden hem, zijne31 gebiedenissen t’uwer Ed. Gestr. te bevelen aen den babbelbek dezer32 penne, die ’t quaedt genoegh met zich zelf heeft, om ujt te staemelen33 ’t kleenste deel der onderdaenighejt en eerbiedenis, waermede 34 swanger gaet, ende van de welke, bij mangel van kracht, vreest 35nemmer volkomentlijk te zullen geleggen,
36Mijn’ Heere, ’t hart van
37U. Ed. gestr.
38Verplichtsten, ganscheighen dienaer
39P C Hóóft.
38Ujt Amsterdam, 18en van
Wintermaent. 1636.
40Mijn ontwerp van ’t stuk van Vlissingen voegh ik hier bij, op dat 41 U. Ed. gestr. te lichter speure wat mij is ontbrekende.
Deze brief is een reactie van Hooft op de hiervoor besproken brief van Huygens (brief 851). Hooft bedankt hem voor het sonnet D’eerste steen, een aantal Latijnse gedichten en een brief van Barlaeus. Het sonnet staat volgens Hooft vol goddelijke vondsten. Hij realiseert zich dat zijn eigen dichtkunsten van een veel lager niveau zijn, maar daarom voelt hij niet minder lust om de jonge grote metselaar als opperman te dienen. Hooft bedoelt met ‘de jonge grote metselaar’ de tienjarige Willem II, die de eerste steen van de Nieuwe of St. Sebastiaens Doelen in Den Haag legde. Hooft heeft wat stenen bij elkaar geraapt. Met ‘wat stenen’ bedoelt hij vier gedichten van Barlaeus ter ere van de jonge Willem II. Hooft prijst het slot van Huygens’ gedicht waarin hij Willem II vergelijkt met David die, door Gods hand geleid, met de eerste steen uit zijn slinger zijn tegenstander Goliath velde. Hooft vindt de vondst van Huygens ‘zonder weergae’ (zonder gelijke, iets unieks): die steen van David past precies in het gedicht alsof hij ‘daer toe gewassen waer’ (ervoor geschapen was). Hooft zelf heeft het druk met zijn eigen werk, zijn Nederlandsche historien. In dit werk vertelt hij het klassieke geschiedverhaal van de Nederlandse Opstand. De eerste twintig boeken, eindigend met de moord op Willem van Oranje, kwamen uit in 1642, het onvoltooide vervolg (lopend tot in 1587) twaalf jaar later. Hij is gekomen tot de vijandelijke aanval op Vlissingen, waarbij Huygens’ inmiddels overleden vader een belangrijke rol heeft gespeeld in de tegenwerking daarvan door het bevrijden van een gijzelaar. Over de details van die daad is volgens Hooft veel te weinig aandacht besteed. Hij verzoekt zijn vriend om hem aan de juiste inlichtingen te helpen. Er volgt een beeldspraak: door die diamant zullen de glassplinters doorgaan voor valse diamanten, ofwel de leugens omtrent de hele zaak zullen eindelijk ontmaskerd worden. Ten slotte bericht Hooft dat Barlaeus bezig is met een gedicht over het nieuwe jaar en de geboorte van Jezus. Het is moelijk om voor een liedje, zo afgezaagd, dat op duizend manieren gezongen is, muziek te maken, die de oren boeit. Hooft verwijst hiermee naar Barlaeus’ Latijnse gedicht Praesepe Christi. Op 27 december zal Barlaeus zijn oratie Homilia in praesepe, sive nativitatem Domini et Servatoris nostri I.C. uitspreken en aan deze oratie was dit gedicht toegevoegd.
Brief 855 (signatuur UBL Pap. 2)
1Mijn Heere;
2Dewijle het vervolgh onser Geschiedenissen U.E. door soo dichten 3Bosch beleidt heeft tot aenden stamm daer ick een slechte Tack af4 heete, wenschte ick U.E. met soo bondighe onderrichtingen, 5 aengaende die bewuste ende, mijns bedunckens, wel denck6waerdighe sake, te konnen bij zijn, alsmen dienaengaende onder7 ijemand vanden onsen behoorden te vinden, wanneer wij ten tijde8 onses Vaders, sal: ged: niet te naerlatigh waren geweest, van die 9ende dergelijcke sijne verhalingen in ’slands voorleden saken, 10welcker hij seer kundigh was, uijt sijnen mond op ’tpapier te 11vergaderen. Dien misslagh verwijte ick mij menighmael met12 verdriet; ende erdencke des te ernstigher somwijlen, hoe seer de13 luijden van mijnen tijd beklagen sullen het onschattelicke versuijm, 14 dat’ er heden werdt gepleeght aenden persoon van Graef Henrick15 vanden Bergh; een Heer, als U.E. bekent is, die, bijnaest even oud 16 als onse heetste Beroerten, alle deselve (ick en sondere gheene uijt) 17 ofte als soldat, ofte als Overste, ende Opperoverste, bewandelt18 heeft: die soo verschen heughenisse vande overste heeft, soo innerlicken vande geheimste, ende d’eene en d’andere 19 soo geern ende soo mildelick mede deelt. Ick ben getuijghe van20 menighe trefflicke onderrichtingen die hij aen S.Exe ende andere,21 selfs aen mij, soo wanneer ’t mij gelust heeft, tot uijterste genoeghen22 heeft weten te doen, in verscheiden voorvallen, vande welcke men23 hier de verthooninghe buyten de Gaerdijne alleen hadde gesien. 24 Wat waerder dan, Mijn Heere, meer aen vast, dan dat ijemand sich25 ontrent den voornn Heere (welckers gelijck niet te hopen en staet) 26 voor weinigh tijds onthoudende, op d’eene ende andere27 geschiedenissen, diemen wiste sijner kennisse niet te hebben konnen 28 ontstaen, schriftelicke aenteeckeningen maeckten van ’tgene hij29 met soo veel gemacks ende genoeghens van hem soude hebben 30 vernomen? ende waermede sullen sij het tegendeel verantwoorden, 31 dien heden ten dienste vande gemeene sake, ende om haer eighen32 eere will soo hoochel aen het ondervinden onser waerheden ende 33 anderen onwaerheden is geleghen? U.E. sal twijffelen dat ick, Gus, 34 seggende, de beste Hoenderen met de slechtste meene, ende ick en 35 sal ’t niet ontkennen, maer hiermede mijnen ijever stakende, U.E. 36 naecktelick aenbieden all wat sij in mijn vermoghen sal oordeelen37 om tusschen deselve ende gemte Heere soodanighen onderlinghen verstand ende vrundschap te maeckelen als U.E. ten uijtvoer van39 sijn deftighe werck nutt ende aengenaem wesen sal. Dus verre mij40 van mijnen ouden stamm verpraet hebbende keer ick derwaerts, 41 Mijn Heere, et gratias ago, nam video, si celebretur à te, 42 immortalem gloriam esse propositam, et multum perpetuitati eius 43scriptorum tuorum aeternitatem additurum. soo sprack de groote44 man U.E. bekent, tot eenen dien het maer neffens U.E. en paste. 45 Belangende de saecke; hebb ick voor desen de weinighe stucken46 gevonden die hier neffens gaen. Mijns vaders Last tot in Zeeland47 toe, ende een beworp (beide van sijn eighen hand) van ’t werck, in 48Engeland te beleiden. noch Copie van D. Bernardins Verbinte49nisse; Pasport bijden Secretaris Walsijngham, doemaels groot dienr50 vande Coninghinne, ende deser Landen vrund, geteeckent, naer51 ’tstuck verricht was; ende endtlicke des Princen voorschrijven aen52de Staten van Zeeland ten behoeve vanden Helbaerdier; mij53 onder andere stucken bij gevalle eens ter handen gekomen. Namen54 ende andere kleine omstandicheden sal U.E. uijt ’teen en ’tander55 konnen trecken. Het meeste beleidt andersins ende den grond 56daervan, acht ick Rhedanus wel ten besten verhale, soo dat ick57 geloove hij mijn’ vader mondeling daerop gehoort sal moghen 58 hebben. Mij heeft dese wel verhaelt gehadt, hoe dat hij afscheidt59 vanden Prince nemende, ende in ’tuijtgaen vande Stove, haperende60 aende Touw, die de deure met gewicht toe haelde, de Prince61 lacchende hem waerschouwde, het waer als een voorspoock, hij62 hadde sich, in dit werck, vande Coorde te wachten. Daer en is niet63 te twijffelen oft hij heeft ter wederkomste een daghelix verhael van64 sijn wedervaren gelevert: maer sulx en hebb ick tot noch toe niets65 ondervonden. Binnen Londen hebb ick verscheidene reisen in66 ’tselve huijs vanden Ambassr gegeten, bijde Weduwe vanden67 He Winwood, die het in eigendom bewoonde, ende wel kennisse68 van ’tfeit hadde; soo mij noch onlanghs Mijlord Audever, vanden69 huijse Howard, verhaelt heeft, de geschiedenisse tot den Grave van70 Arondel, sijnen oom, (dien wij desen avond wachten) in schilderije71 uijtgebeeldt te hangen. Ick meene daernaer te talen, ende een72 dobbel daeraf te bekomen is ’t doenlijck. Want den aenslagh, 73 schoon geensins van de grootste zijnde, is daerin wat aensiens74 waerd, dat hij met vernuft en stilte, en niettemin met spoed moste 75 verricht werden, om de Ratten sonder schrick aende vall te 76krijgen; sulx doch van elders belett werde. Sonder gevaer en ging77 oock alles niet toe. d’Ambassr (naer veel dreighens ende ver7spiedens, daertoe een bijgeleghen kerxken seer diende) op eenen 79 naermiddagh wandelen gereden zijnde, vattemen den jongen van onder de dienaers ende kinderen daer hij mede speelde: paeijden81 hem in ’t schreewen met klein geld, of appelen, of ijet sulx; en82 ruckten hem in ’thuijs dat daertoe open stonde. van daer doorstack83 men hem, soo ick meene de schrijvers wel verhalen; maer daer84 quam bij, dat de Spaensche Knechts in hujs gevolght zijnde, 85dewijle de gemeente te hoope quam, mijn Vader, ende den 86 Helbaerdier, eenen wenteltrap met den deghen mosten ver87dedighen; soo dat, het middel van geweld feilende, ende den88 Ambassr daerover thuijs komende, met luijd geschreew over straet, 89 mi hijo mi hijo etc. den wegh van ’thof koos; rende flux naerde90 Coninghinne: maer keerde ongehoort: men wende voor, het was91 laet, ende de Cone vertoghen in ’tgemack. U:E: sal daer aen, ende92 uijt dese Stucken oordeelen, dat die Mat niet ongewaerschouwt93 was. hoewel sij inde saecke niet en roerde, als door haere eene 94hand; Walsijngham: die mijn’ Vader, noch voor middernacht, met95 den jongen, in een’ gedeckte Barge, bij sich onbode, ende96 hertelick geluck over d’uijtkomste wenschte. Oock met de voors 97 Paspn sonder melden van eenighe sijne Bedieningh in Nederland, 98 versagh. D’Ambassr woedden ende woelden ondertuschen als te99 dencken is. en speurde seker den Schaecker soo dicht opde hielen, 100 gewapender hand, ende selfs met eenighen schijn van hooger hands101 weghen, dat ’t als niet en scheelde, hij en hadde den Jaegher met de102 proije betrapt, in seker scheepken daer sij versaeckt, oft versteken, 103 oft andersins uijtgeholpen werden: want die omstandicheidt, vele104 der andere waerdigh, is mij ontgaen. T’huijs werde de saecke ende105 haer beleidt gelovet, de goede dienaer gedanckt, ende hem te keure106 gestelt, een stuk ter gedachtenisse daervoor te doen maken. de 107kennisse van sijns Meesters ongelegentheid was het snoer van sijn’ 108begeerte: ende het loon een Goude Penningh, met de hoofden109 vanden Prince ende Princesse ten weder zijden, ende opde dickte110 van ’t metael dese woorden, wichtigher dan haer stoffe: Mandati111 Strenuè Executi Monum. Mijn Broeder bewaert het êåéìçëéïí. 112 Mij heugt de spreucke des te meer, dat ick mijn Vader hebbe113 hooren verhalen, hoe sich de He van St Aldegonde ende andere114 tegens het woord Executi, vergrepen, als oft het passivè onroomsch115 luijde. tegens ’tgene hij dienaengaende naerder ondersocht hadde, 116 als inder daed bijde suijverste schrijvers soo gebruijckt zijnde. de 117 plaetse in c. 19 A. de Jurisd. hebb icker mede door onthouden. Hoe118 dwaelde ick wederom vanden Boom, Mijn Heere! maer U.E. heeft119 mij door dese struijckjens heeten wandelen, et potissima excerpet. 120 aliud est enim epistolam, aliud historiam; aliud amico, aliud 121 omnibus scribere, seijt noch eens die groote man, die sijn’ oom niet liever en konde hebben, dan ick mijn’ Vader. Het vermaeck123 dan van dese sijn’ gedachtenisse, ende het ontsich van U.E. bevelen 124sullen mijn’ onschuld ten halven doen. Ick scheider uijt, met dese125 bede, dewijl U.E. doch gelieft ter oorsaecke van dit verhael, in sijn126 dappere werck mijner onwaerdicheits te gedencken, ende den 127 nakomelingen een baken te thoonen van de vrundschap die wij 128 gevoedt hebben, dat het in soodanighe woorden geschiede, bij de129 welcke niemand oorsaeck en neme van twijffelen of ick de man 130was. Ick eische, Mijn Heere, eenen hoed, die mij op het hooft131 passe, ende niet over ’taensicht schiete. nu gae ick ten schouderen132 toe in die vorm. waer salmen mij vinden? Auguror (nec me fallit133 augurium) historias tuas immortales futuras (noch eens, en voor134 ’tleste, een goed woord van Plinius zijn neef) quo magis illis 135 (ingenuè fatebor) inseri cupio. sed esse nobis curae solet, ut facies 136nostra ab optimo quoque artifice exprimatur. daer wilde ick geern 137wesen. ende en eische maer ’tmijn: quis enim se prudens ob aliena138 miratur? nu is ’t tijd van scheiden, Mijn Heere; of ick geraeke139 wederom op ’t Roomsche pad, daer ick lestmael van daen seide te 140komen. Tegenwoordigh en dient het ’er mij niet; want in141 Nederlandsch hebb ick noch voor mijn’ gewichtigste boodschap 142 te seggen, dat ick me Vrouwe Hooft ende U.E.
143Mijn Heere, eewigh blijven sal,
144Haer ootmoedigste dienr
145C Huijgens.
146In ’tkrabbelen van dit langhe geschrift, ’twelck ick noch lust noch 147 tijd en hebbe te herlesen, is overgeslagen, dat de gevrijdde jonghen148 naermaels Capn te water ten dienste deser Landen is geweest. ende 149’tgeluck sijner verlossinghe voor mijn Vader veeltijds bevroedt 150 ende erkent heeft. als hebbende opdentrapp van geestelicke ende151 lichamelicke slavernije gestaen.
152Vanden He Barlaeus wacht ick wat deeghs op dat voornemen. ende153 bedancke mij der moeijte van hem gaende gemaeckt te hebben154 over onsen eersten steen. maer U.E. gedencke sich van ’t opper155ampt te ontlasten; daerd’er hier twee naer verlangen.
156’s Gravenhaghe den 22en dec. 1636.
In antwoord op Hoofts brief van 18 december 1636, verhaalt Huygens uitvoerig over
de bevrijding in 1581 van een jonge gijzelaar uit het huis van de Spaanse gezant
te Londen door zijn vader. Dit verslag vormt de basis voor de verhandeling in Hoofts
Nederlandsche historiën (bladzijde 720-
Brief 859 (signatuur UBA II C 11.906)
1Mijn’ Heere,
2Wie kan ’t geduldt der penne vollooven, over ’t afleggen van zulk 3
een’ rejze t’eener toght? oft den heuschen ijver haers meesters, die, 4 mij te gevalle,
zoo veel tijds ujt den brandt der bezigheden gehaelt 5 heeft? Ujt haere aenmelding,
en de stukken hier bij t’hujs keerende, 6 heb ik het werk, waerdigh voorwaer van
lidt tot lidt verrekent te7 worden, ontrent zevenmaels zoo lang gerekt als ’t eerste,
dat ik8 Uwer Ed.gestr. toezond. Ik wenscht’ het afgemaelt met zoo9 rijzend’ een’
geest, als het gezight van de schilderije des graeven10 van Arondel misschien ijemandt
zouw inblaezen. Hadd’ ik wat 11 veel van gelijke stof, ’t waer’ om mij hoope te geven,
dat de kijkers, 12 zich daeraen vergaepende, wejnigh aenstoots vinden zouden inde13
wanschaepenhejt van ’t maxel. Dit lapken denk ik Uwer Ed14 gestr. te vertoonen, op
dat zij mij berichte wat ’er aen te ver15hanselen stae, voor ’t afschrijven. Want
de plejten drejghen mij16 haest eens derwaerts te daeghen: bij welke geleghenhejt
ik17 verzoeken moghte, wat ’er te putten waer ujt
die forsse borst, tot hoogh bedrijf
gebooren,
19(zoo lujdt mijn’ Hollandsche Groet aen den Prinse) graeve Henrik20 van
den Bergh. Maer, dewijl de vejrzen boven koomen, 21 zoo hebbe ’r U.Ed.gestr. hier
een koppel, dat ujt het bespieghelen22 der daedt van Uwer Ed.gestr. Heere vader,
z.g. gebooren is, Zekerst23 past men gemeenlijk de voorspooken op de geschiede dingen:
ik24 zoo wislijk op de toekoomende, als op de gebeurde, ’t geen hier nae 25volght,
gespelt ujt Naemverspelling.
Ghij die met doen verheughd’ en ’t ijder heughen deedt,
Is HUIGHENS, aen uw naem, oft HEUGHNIS best besteedt?
28Indien ’er nu wat lekkers
vast is aen ’t rijden, in den zaedel eener29 eerlijke faeme, op de tonge der werelt;
ik ontkenne niet des30 eenighe bekooring te lijden,
Neque enim mihi cornea fibra est:
32maer heb daer toe nojt kans gezien, eer U.Ed.gestr. geliefde mij te33 paerde te
helpen. Die nae ’t Spaewaeter van laet leeven dorst, moet34 het ujt die bron van
Heughnis zujpen. Ujt geschrompelde adren35 als de mijne, leeken slechts drabbighe
droppen, goedt om aerd36wormen huns gelijk te fokken: ende zoo wij ons verstouten
de37 doorluchtighe lujden daermeê te besprengen, ’t is ujt enkele zucht38 van onze
naemen met hunne vermaerthejt te schepen, om voor een’ korte wijle der doodt t’ontzejlen.
Dies is ’t zoo verre van ijets40 aen Uwe Ed. Gestr. te konnen leenen ujt mijn’ armoê,
dat ik haer 41 noch veel van ’t haere onthoude: ende doet zij, daerenboven zich42
zelve te kort mij aenziende voor den grooten hoedemaeker, daer ik 43 mij op dat ambacht
luttel verstae, ende min op ’t stofferen. Maer ’t 44 lust mij, mij te vlaijen met
dezen Uwer Ed.gestr. misslagh te wijten45 aen de gunste die elk draeght tot het geen
hem eighen is; om daer46 ujt te beslujten t’ mijner eere, dat U.Ed.gestr.
47Mijn’ Heere, 48zich gewaerdight heeft te aenvejrden, den over lang opgedraeghen 49 aen haer, ende eeuwighen ejghendoom van
50Uwer Ed. gestr.
51Onderdaensten dienaer
52P C Hóóft.
51Ujt Amsterdam. 52 In Louwmaent. 1637.
Hooft bedankt Huygens voor zijn brief van 22 december 1636. Hij heeft bewondering voor het uitvoerige verslag dat Huygens hem heeft gestuurd: dankzij dit verslag is het stuk voor de Nederlandsche historiën inmiddels zeven keer zo lang geworden. Hooft hoopt dat hij het verhaal tot dusver wil beoordelen. Zelf heeft hij het op dit moment druk in Den Haag met processen waarin hij verwikkeld is. Hooft prijst vervolgens Huygens sr., de vader van Constantijn. Zeer vernuftig is de ‘naemverspelling’: hij ordent de letters van de naam ‘Huighens’ tot een nieuw, zinvol geheel en dit levert ‘Heughnis’ op. Dit woord heeft twee betekenissen die volgens Hooft allebei op Huygens van toepassing zijn: ‘heugnis’ (blijdschap) en ‘heugenis’ (herinnering). Het aandeel van Huygens sr. in de bevrijding van de gijzelaar heeft namelijk voor veel blijdschap gezorgd en zal nog lang in de herinnering van het volk blijven hangen. Door deze grote man te loven, heeft Hooft het gevoel dat hij enigszins in de hem toegebrachte eer mag delen. Hooft beklaagt zich er ten slotte over dat hij niet meer vlot dichten kan, wat hij dan wel aan het prozaschrijven wijt.
Brief 881 (signatuur UBA II C 11.911)
1Mijn’ Heere,
2Mijn’ hoope had haeren mondt gemaekt op het genot der eere van3 Uwer Ed.gestr. aenspraek in ’t legher: maer wert door krankhejt4 mijns gelux te leur gestelt. De boodschap was, te verstaen, oft5 U.Ed.gestr. ontfangen hadde mijne jongste afmaeling van den6 aenslagh op Vlissingen, en de verlossing van des hopmans zoontjen,7 door Uwer Ed.gestr.Heer vaeder z.g. tot Londen. Welk deel mijner8 brabbelingen ik, ten daeghe van onze laeste verzaeming in den9 Haeghe, aen U.Ed.gestr. zond, om geschouwen en beschouwt te10 werden. Hebbende des geen afschrift, verlangt mij te weeten oft11 het behouden zij: ende zoo Uwer Ed.gestr. geleghenhejt des lijdt, 12 ik wenschte wel ’t zelve, verbetert nae haer jujst oordeel, eerst13daeghs t’ mijwaerts te zien keeren, om het te moghen doen14 dubbelen. ’T nevensgaende gedicht, overgewaejt van Alkmaer, 15 heb ik te min geschreumt voorts te vejrdighen, in toeverlaet, dat16 het onder ’t vroolijk zeghegeschal der trompetten en trommen, 17 Uwer Ed.gestr. ooren te min quetsen zal; en te min haer gemoedt 18 onder die meenighte van gepejnsbreekende bezigheden. Dat ik ze19 steuren dar, wijte U.Ed.gestr. haer’ ejghe heushejt, die de stouthejt20 om er op te zondighen geeft,
21Mijn’ Heere, aen
22Uwer Ed.gestr.
23Onderdaensten,
24toegedaensten dienaer
25P C Hóóft.
24Van den Hujze te Mujde,
2519en in Wijnmaent, 1637.
In deze brief doet Hooft een goed woordje voor zijn achterneef Simon van Hooren. Een ruzie is dusdanig uit de hand gelopen, dat hij tijdens een handgemeen een andere jongeman van fatsoenlijke huize heeft doodgeslagen. Hooft beschouwt het voorval als een ongelukkig ongeval; van opzet is geen sprake. De familie van het slachtoffer is niet tot verzoening bereid en Hooft hoopt dat Huygens de Prins van Oranje om vergiffenis wil vragen. Argumenten voor de aan de Prins verzochte gratie zijn alleen de fatsoenlijke familie en de sombere moeder van de dader. Eén van zijn familieleden, Jacob Simonszoon de Rijk, was bevelhebber van de watergeuzen. Hij had een belangrijke rol gespeeld in de Nederlandse Opstand: hij had Den Briel helpen innemen, Vlissingen en Kampveer beveiligen, Zierikzee veroveren en hij had als balling bovendien veel geleden. Hooft vraagt of hij de Prins wil beoordelen of de bloedverwantschap (wat Hooft persoonlijk betreft), de goede daden (waarvan de gemeenschap geprofiteerd heeft) en de sombere stemming van de moeder/weduwe verplichtingen scheppen.
Brief 898 (signatuur UBA II C 11.526)
1Mijn Heere:
2Ik hebbe den He Wicquefort vertrouwt dat hij U.E. getuijghenisse3 soude geven van
mijn heftigh leedwesen, over het vermissen van4 U.E. ontmoetinghe, doe Holland hier
was, ende wij het legher in5 ’tgedrangh zochten. sonder de hope van dien vrundelicken
dienst,6 hadde’r sich mijn’ eighen hand voor desen van gequeten. nu sal7 haer werck
zijn U.E. te verwittigen, hoe dat ick ’tvereischte stuck8 sijner Historien ’sdaeghs
voor mijn vertreck ujt den Haghe in seer9 gewisse handen hebbe gelaeten. maer soo
gewisse, sie ick nu met10 verwonderingh, dat sij van geen kom-
36Mijn Heere,
37U.E.
38ootmoedighste dienr
39CHuijgens.
38In ’tLeger bij Breda.
den 2en Novemb. 1637.
Tijdens het beleg van Breda vanaf 23 juli 1637 tot na de capitulatie op 6 oktober 1637 verbleef Huygens in de legerplaats voor Breda. In november keerde Huygens in Den Haag terug. Hooft had in de legerplaats Huygens’ oordeel willen vragen over zijn weergave van de bevrijding van een gijzelaar door Huygens’ vader waarover hij hem eerder inlichtingen had verstrekt (zie brief 855). Zijn wens werd echter niet vervuld doordat het geluk niet met hem was. Door omstandigheden had hij Huygens niet te spreken gekregen. Een deel de geschiedenis had hij ter goedkeuring naar Huygens gestuurd en omdat Hooft er zelf geen kopie van had, informeert hij of het behouden is gebleven. In dat geval verzoekt Hooft zijn vriend Huygens om het terug te sturen, zodat hij er een kopie van kan maken. Hooft heeft aan de brief een gedicht toegevoegd, namelijk het troostdicht van tesselschade voor Huygens naar aanleiding van het overlijden van zijn vrouw Susanna van Baerle. Zoals Huygens in 1634 haar troostte toen Crombalch en haar oudste dochtertje overleden, zo komt Tesselschade nu met een troostdicht voor haar vriend. Zij richt het tot Hooft en spreekt over Huygens in de derde persoon:
AEN MYN HEER HOOFT OP HET OOVERLYDEN VAN MEVROUW VAN SULEKOM
Die als een Baeck in Zee van droefheidt wort gehouwen,
Geknot van stam en tack, en echter leeven moet,
Zeynt Uw dit swack behulp voor 't troosteloos gemoet,
Gedompelt in een meer van Baerelycke rouwen.
(5) Zeght Vastaert, dat hij moght pampieren raet vertrouwen,
Zoo dinnerlycke smart zich schriftlyck uyten kon.
Hij staroogh in liefs glans als Aedlaer in de Son,
En stel syn leed te boeck, zoo heeft hij 't niet t'onthouwen.
Pampier was 't waepentuijch, waermee ick heb geweert
(10) Te willen sterven, eert den Heemel had begeert;
Daer overwon ick meê en deed mijn Vyand wijcken.
Zijn eijgen letter leer hem matigen zijn pijn,
Want queling op de maet en kan soo fel niet syn;
Besweer hem, dat hy sing op maetsangh droevelijcken.
Tesselschade Roemer Visschers.
September AO. 1637.
Hooft heeft niet geschroomd het gedicht door te sturen, in het vertrouwen dat hij onder het vrolijke zegegeschal van trompetten en trommels Huygens minder zal kwetsen, omdat de vele bezigheden hum niet toestaan te denken aan zijn verdriet.
Brief 899 (signatuur UBL Pap. 2)
1Mijn Heere:
2Ik hebbe den He Wicquefort vertrouwt dat hij U.E. getuijghenisse3 soude geven van
mijn heftigh leedwesen, over het vermissen van4 U.E. ontmoetinghe, doe Holland hier
was, ende wij het legher in5 ’tgedrangh zochten. sonder de hope van dien vrundelicken
dienst,6 hadde’r sich mijn’ eighen hand voor desen van gequeten. nu sal7 haer werck
zijn U.E. te verwittigen, hoe dat ick ’tvereischte stuck8 sijner Historien ’sdaeghs
voor mijn vertreck ujt den Haghe in seer9 gewisse handen hebbe gelaeten. maer soo
gewisse, sie ick nu met10 verwonderingh, dat sij van geen kom-
36Mijn Heere,
37U.E.
38ootmoedighste dienr
39CHuijgens.
38In ’tLeger bij Breda.
den 2en Novemb. 1637.
Huygens betreurt het dat hij Hooft in Breda is misgelopen (zie brief 8980. Hij verontschuldigt zich over het niet terugsturen van de kopij. Hij zal dadelijk na thuiskomst – binnen enkele dagen – onderzoeken wie die in bewaring heeft. Hij meent zich te herinneren dat het Van Baerle was. Huygens verwijst naar de vele gedichten e.d. die inmiddels op de inneming van Breda zijn gevolgd. Het gedicht van Heinsius spant volgens hem de kroon. Hij verwacht echter ook nog goed werk van Barlaeus en anderen. Huygens spreekt zijn lof uit voor het gedicht van Tesselschade op het overlijden van zijn vrouw Susanna van Baerle. Later zal hij haar zijn dank overbrengen.
Brief 909 (signatuur KA CLXXI ab 127)
1Mijn Heere,
2Hier bij komt Henrik de Groote, ijets verandert en gemeerdert: 3 oft ook gebetert, waere mij konst te weten, die wel gehoort heb4 dat Titian, waenende in sijn’ ouwde daeghen eenighe schilderijen, 5te vooren gewracht, fraeijer te maeken, de selve met groove6 kladden verleelijkte. Dies zeind ick dit stuk, om het te strijken7 aen den toetsteen van uwer Ed. gestr. oordeel, ’t welk, daer over 8 gestreeken, mij een slotvonnis verstrekken zal, waer nae ick mij 9 hope in andre te richten. Twee gaen ’er nevens, voor de Heeren10 Doublet en vander Burgh. Ick bid UEd gestr. dezelve aen Hunne11 E.E. te doen houden, nevens mijne wel ootmoedighe gebiedenissen; 12 ende te houden in haere beste gunste,
13Mijn Heere,
14uwer Ed. gestr.
15onderdaensten, verplichtsten
16dienaer
17P C Hooft.
16Ujt Amsterdam, den
17naestlesten van len-
18temaent, 1638.
Hooft stuurt Huygens, Doublet en Van der Burgh de herziene druk van zijn herdersspel
Henrik de Groote. Hij heeft enkele zaken veranderd en toegevoegd, net zoals de kunstschilder
Titiaan. Zijn leerlingen beschreven deze scholder als een perfectionist die vaak
een schilderij maandenlang niet aanraakte, waarna hij het opnieuw zeer kritisch bekeer
en dingen die hem niet aanstonden zorgvuldig verbeterde. Hooft hoopt dat Huygens
zijn werk kritisch wil bekijken en zijn kritiek wil geven. Henrik de Groote was Hoofts
eerste geschiedwerk. Hooft had grote bewondering voor de renaissance-
6 De briefwisseling in relatie tot Erasmus’ De conscribendis epistolis en Mostarts Vermeerdere Nederduytsche Secretaris oft Zendtbrief Schryver
Erasmus’ De conscribendis epistolis
Erasmus’ De conscribendis epistolis is een van de bekendste werken over het schrijven van brieven. De geleerde schreef zijn brievenboek rond 1495 in Parijs voor zijn leerling Robert Fisher. Hij bleef er jaren aan werken. Pas in 1522 liet hij het voor het eerst drukken. In het boek geeft Erasmus veel voorbeelden van brieven die je in bepaalde situaties kunt schrijven. Zijn bedoeling was dat lezers de voorbeelden aanpasten aan hun eigen situatie.
Erasmus’ brievenboek – dat geschreven is in het Latijn – bevat in de Toronto-
Mostarts Vermeerdere Nederduytsche Secretaris oft Zendtbrief Schryver
Een ander voorbeeld van een brievenboek is Mostarts Vermeerdere Nederduytsche Secretaris oft Zendtbrief Schryver. Als man van zijn tijd betoont Mostart zich in de ‘Toeeygening’ een voorstander van zuivering van de eigen taal. Als belangrijke taalzuiveraars uit zijn eeuw noemt hij overigens onder andere Hooft en Huygens. Met zijn boek over de kunst van het briefschrijven wil Mostert in een leemte voorzien: ‘Erasmus en andere hebben in ’t Latijn, geleerdelijk, en Guarini en Tasso Italianen, elk, op een’ byzonder manier in hun tael, d’een wijdloopigh, en d’ander in ’t kort, dees konst van ’t briefschryven verhandelt, maer niemandt, dat ik weet, van d’onze.’
De Zendbriefschryver is opgebouwd uit drie boeken. In het eerste boek geeft Mostart impliciet een rhetorica. Hij neemt de opbouw van een tekst door, onderscheidt manieren van spreken en behandelt stijlfiguren. In het tweede en het derde boek behandelt hij alle soorten brieven binnen de twee hoofdcategorieën handelsbrieven en complimentbrieven. Net zoals Erasmus geeft hij talloze voorbeelden.
Hieronder vergelijk ik een aantal voorschriften die Erasmus en Mostart in hun brievenboeken geven met de briefwisseling tussen Hooft en Huygens, in het bijzonder de door mij eerder besproken brieven. Het is uiteraard niet mogelijk om alle voorschriften te behandelen en ik heb dan ook een keuze moeten maken.
Het begin van de brief
Volgens Mostert moeten bovenaan de brief altijd de plaats en tijd van schrijven, de schrijver van de brief en de ontvanger van de brief vermeld worden. Ook volgens Erasmus moeten de namen van beide personen (schrijver en geadresseerde) bovenaan genoemd worden. Zowel Hooft als Huygens voldoen niet aan deze eis en beginnen de brief gewoonlijk met ‘Mijn’ Heere’ en sluiten de brief af met de plaats en tijd van schrijven en de afzender.
Aanbiedingsbrief
Brief 851 is een duidelijk voorbeeld van een aanbiedingsbrief: na maandenlang in het Latijn gedicht te hebben, stuurt Huygens zijn vriend Hooft zijn eerste Nederlandse vers sinds lang. Ook brief 909 is een duidelijk voorbeeld van een aanbiedingsbrief: Hooft stuurt Huygens (en daarnaast Doublet en Van der Burgh) de herziene druk van Hendrik de Groote. Opvallend genoeg hebben zowel Erasmus als Mostart deze brief niet als afzonderlijke soort opgenomen. Wat betreft de terminologie lijken deze brieven nog het dichtst in de buurt te komen van de vriendschapsbrief (Erasmus) en de brief van gedienstigheid (Mostart). Door middel van het aanbieden van eigen werk wordt getracht de relatie tussen de verzender en de ontvanger te verbeteren of in stand te houden. Erasmus en Mostart geven geen specifieke voorschriften voor dit soort brieven.
Verzoekbrief
Brief 854 van Hooft aan Huygens is een duidelijk voorbeeld van een verzoekbrief: Hooft verzoekt zijn vriend om hem aan de juiste inlichtingen omtrent een bepaalde zaak te helpen. Volgens Erasmus moet een verzoek aan vier eisen voldoen. Ten eerste moet voldoen aan het verzoek binnen de macht liggen van degene die het verzoek wordt gedaan. Ten tweede moet de rechtmatigheid van het verzoek worden verklaard. Ten derde moet een indicatie worden gegeven van de wijze waarop aan het verzoek kan worden voldaan. Ten vierde moet worden verklaard dat een beloning zal volgen. De eisen die Mostart aan de verzoekbrief stelt, zijn vrijwel gelijk: bij hem ontbreekt de beloning die in het vooruitzicht zal worden gesteld en hij legt extra nadruk op de nederige houding die degene die het verzoek doet moet aannemen. Hoofts verzoek voldoet aan al deze eisen: over de zaak gaan allerlei verhalen de ronde, maar hij beschikt niet over de gewenste details. Hij is ervan overtuigd dat Huygens hem de inlichtingen kan verstrekken, omdat de vader van Huygens een belangrijk aandeel in de betreffende zaak – namelijk de bevrijding van een gijzelaar – heeft gehad en hij vraagt hem dan ook nederig schriftelijk inlichtingen te verstrekken. De beloning zal groot zijn: ‘Derhalven, 20indien U Ed gestr. mij aen 't jujste beschejdt konde helpen, ik22moghte mij belooven dat de fijnte van zulken diamant, de splinters22 van enkel glas, waermeê mijn' brabbelingen zich meenen mooij te 2maeken, ten minsten bij geen' heel scherpe kenners, voor glad24beeken zouw doen doorgaen.’ De gedachte is dus dat door die diamant de glassplinters zullen doorgaan voor valse diamenten, althans bij de niet werkelijk deskundigen. Brief 898 is eenzelfde soort verzoekbrief: Hooft vraagt om terugzending van kopij, welke Huygens in zijn bezit heeft. Hooft heeft de kopij dringend nodig en wil graag een kopie voor eigen gebruik maken. Brief 881 van Hooft aan Huygens is een ander soort verzoekbrief. Hooft doet een goed woordje voor zijn achterneef Simon van Hooren die een doodslag begaan heeft. De familie van het slachtoffer is niet tot verzoening bereid. Hooft vraagt Huygens of hij om gratie wil vragen bij de Prins. Erasmus schrijft voor dat je in een situatie waarin je pleit voor genade in de eerste plaats schuld moet bekennen. Hooft erkent dat zijn achterneef schuldig is. Als de brief verder gaat, moet je volgens Erasmus de daad kleiner maken. Hooft doet dat door de fatsoenlijke familie en de sombere moeder op te voeren, en niet – zoals Erasmus voorschrijft – door onervarenheid, de jonge leeftijd, het feit dat het de eerste misstap was en het feit dat een deel van de schuld bij de ander lag op te voeren.
Antwoordbrief
Brief 855 is een antwoordbrief: op verzoek van Hooft verhaalt Huygens uitvoerig over de bevrijding van een jonge gijzelaar uit het huis van de Spaanse gezant te Londen, in 1581, door zijn vader. Mostart geeft aan dat het beantwoorden van een brief een belangrijke plicht is. Dit getuigt van vriendschap en beleefdheid. Wanneer niet aan een bepaald verzoek kan worden voldoen, moet hiervoor een goede reden worden gegeven. Dat doet Huygens in brief 899: hij verschuldigt zich uitvoerig en met goede redenen over het niet terugsturen van de door Hooft gevraagde kopij: hij zal dadelijk na thuiskomst – binnen enkele dagen – onderzoeken wie die in bewaring heeft. Erasmus onderscheidt deze brief niet als een afzonderlijke soort.
Brief van dankzegging
Ook brief 859 is duidelijk een brief van dankzegging: Hooft bedankt Huygens uitgebreid voor de door hem vertrekte inlichtingen. Geheel conform de eis van Erasmus overdrijft Hooft de gunst die hij heeft ontvangen en hij realiseert zich hoezeer hij nu een wederdienst schuldig is aan de ander: ‘Wie kan 't geduldt der penne vollooven, over 't afleggen van zulk een' rejze t' eener toght? oft den heuschen ijver haers meesters, die,3mij te gevalle, zoo veel tijds ujt den brandt der bezigheden gehaelt heeft?’ Mostart acht het noodzakelijk dat de vergelding of het uitvoeren van een wederdienst een noodzakelijk compliment is. Hooft stelt echter geen concrete wederdienst in het vooruitzicht. Na de dankzegging gaat Hooft daarentegen meteen over tot het prijzen van Huygens sr.: Hooft heeft bewondering voor zijn aandeel in de bevrijding van de jonge gijzelaar.
Verhulling door citaten en allusies
Volgens Erasmus is een heldere, toegankelijke stijl, de perspicuitas, in bepaalde gevallen een vereiste, bijvoorbeeld wanneer men een ernstig verzoek richt aan iemand die niet werkelijk geletterd is, een moeilijk karakter heeft of het erg druk heeft. Maar ook is het zo, dat obscuritas in een brief meer toelaatbaar is dan in welk genre ook, bijvoorbeeld wanneer twee ontwikkelde mensen elkaar bestoken met geleerde scherts, die niet voor iedereen bestemd is. Weliswaar moet men altijd obscuritas vermijden waar ze een obstakel vormt, maar ze is – mits ze niet uit ongeletterdheid voortkomt – in geen genre eerder te verontschuldigen dan in de brief. Daarin mag iemand bijvoorbeeld gebruik maken van duistere allusies, toespelingen die alleen ingewijden begrijpen. De briefwisseling tussen Hooft en Huygens heeft een behoorlijke gehalte aan obscuritas als gevolg van allusies en verhullende citaten met een schertsend karakter. Een goed voorbeeld is brief 851: deze brief staat vol van beeldspraak. Een argeloze lezer zou kunnen denken dat Huygens net terug is van een reis naar Italië: ‘Den meesten somer hebb ick te Roomen geweest, ende de Tael3 gesproken, diemen daer plagh te verstaen; nu veel min daer, als4 veel elders verstaet.’ Huygens geeft met deze woorden echter aan dat hij het grootste deel van de zomer in het Latijn heeft gedicht en dat er buiten Rome nu meer Latijnkenners zijn dan in Rome zelf. Een ander voorbeeld zijn de toespelingen op de tienjarige Willem II in brief 854. Hij wordt ‘den jongen grooten metselaer’ wordt genoemd, omdat hij in 1636 de eerste steen van de Nieuwe of St. Sebastiaens Doelen in Den Haag had gelegd.
De brieven van Hooft en Huygens staan vol met Latijnse citaten en toespelingen die voor de huidige lezer – vaak niet vertrouwd met het Latijn en de verhalen uit de Klassieke Oudheid – moeilijk te begrijpen zijn. In brief 851 wordt bijvoorbeeld naar de zoon van Croesus verwezen: ‘Hier neffens gaet de eerste proeve in9 langen van ’taengeboren ambacht. de stoffe was te goed: sij soude10 Croesus kind de tong ontbonden hebben.’ Om deze opmerking te begrijpen, zul je toch echt moeten weten dat de stomme zoon van Croesus een Pers op zijn vader zag afrennen, waarna hij opeens kon spreken (Herodotus I 85; FV 129). Met name in brief 855 laat Huygens de ene Latijnse uitspraak op de andere volgen, hoewel hij in brief 851 duidelijk aangegeven had weer in zijn eigen taal te gaan schrijven. Hij verontschuldigt zich: ‘nu is 't tijd van scheiden, Mijn Heere; of ick geraeke wederom op 't Roomsche pad, daer ick lestmael van daen seide te komen. Tegenwoordigh en dient het 'er mij niet; want in Nederlandsch hebb ick noch voor mijn' gewichtigste boodschap te seggen, dat ick me Vrouwe Hooft ende U.E. Mijn Heere, eewigh blijven sal’.
Conversatietoon
Wat is nu eigenlijk kenmerkend voor een brief? Erasmus, die juist de veelvormigheid van de brief benadruk, wil toch niet voorbijgaan aan deze vraag. Gesteld dat men alleen van een brief spreekt wanneer vrienden elkaar over privézaken schrijven, dan kun je volgens hem geen raker typering geven dan wanneer je zegt dat een brief qua stijl hoort te zijn als converstatie tussen vrienden. Daarom niemt hij als passende eigenschappen ‘simplicitas’ (eenvoud, eerlijkheid, het vrij zijn van bijbedoelingen), ‘candor’ (ongedwongenheid), ‘festivitas’ (opgewektheid) en ‘argutia’ (geestigheid). Men dient uit te zijn op aardigheden in allerlei vormen, tenzij de onderwerpen of de personen andere eisen stellen. Men mag verder niet te lang bij een onderwerp blijven stilstaan en de onderwerpen moeten voldoende diversiteit bieden. Bij dit type brief past volgens Erasmus het beste een laag stijlniveau.
De briefwisseling tussen Hooft en Huygens komt volgens mij dicht in de buurt van
het type dat Erasmus voor ogen heeft. Het valt bijvoorbeeld op dat Hooft in zijn
brieven meer dan eens gebruik maakt van uitdrukkingen die waarschijnlijk bij een
laag stijlniveau horen. Nu is het moeilijk een zeventiende-
Vocativus
Een brief verschilt van ander proza door zijn gerichtheid op een individu: hij begint met een vocativus. Hooft en Huygens behoorden tot de kring waarin het aanspreken van een persoon sterk beheerst werd door de rang van de aangesprokene. In de aanspraak speelde het Frans nog een belangrijke rol. Niemand, ook de beste vriend niet, werd met zijn voornaam aangesproken. Hoofts correspondenten, meestal hoge ambtenaren, krijgen allemaal ‘Heer’ en epitheta naar rang en stand. De betekenis van de schakeringen is niet atijd achterhaalbaar. Vrouwen worden, ongeacht hun leeftijd en burgerlijke staat, ‘Mejoffrouw’, tenzij zij van adel, vrouw van een ‘ridder’ of abdis van een klooster zijn: dan heten ze ‘Me Vrouw’.
Het einde van de brief
Erasmus noemt ‘Vaarwel’ als algemeen afscheid aan het einde van een brief. De wensen aan de ontvanger moeten volgens hem na de afscheidsgroet worden geschreven. Vervolgens kan men dan ook niet iets schrijven wat men voorheen had willen zeggen, maar dat (al dan niet doelbewust) is vergeten. Een mededeling na de afscheidsgroet blijft immers sterker gegrift in het geheugen van de lezer. Een ander voordeel van zo’n mededeling is dat het het idee van gekunsteldheid en pretentieusheid van een brief tegengaat. Erasmus merkt op dat de klassieken direct na het afscheid de plaats en datum van het schrijven van de brief vermelden. De datum kan zowel op de officiële manier (in jaartallen) als informeel (door benoeming van het dagdeel) genoteerd worden. In de tijd van Erasmus is het nog maar recentelijk gebruikelijk geworden ook maand en dag van schrijven in brieven te vermelden. Ook het benoemen van feestdagen is toegestaan. Mostart geeft aan dat in de afscheidsformule blijk gegeven moet worden van eerbied en vernedering, behalve bij het aanschrijven van lageren. De plaats en tijd van schrijven moeten volgens hem bovenaan de brief worden weergegeven.
Zowel Hooft als Huygens hanteren hetzelfde schema om de brief af te sluiten. Dit
schema wijkt af van de voorschriften van zowel Erasmus als Mostart: na een afscheidsgroet
(waarbij soms gevraagd wordt complimenten aan anderen over te brengen), volgt respectievelijk
de naam van de verzender, de plaats en de datum waarop de brief is geschreven. Het
is opvallend dat Hooft bij de datering de ‘oud-
7 Conclusie
Pieter Corneliszoon Hooft en Constantijn Huygens hebben – dankzij de tussenkomst van Anna Roemers vanaf 1620 een innige vriendschap ontwikkeld, gebasseerd op de erkenning van elkaars talent en wederzijdse bewondering. In de periode 1622 tot en met 1645 hebben zij elkaar ruim negentig brieven gestuurd. In deze nota stonden de brieven uit de periode december 1636 tot en met maart 1638 centraal. De verscheidenheid van de brieven is groot: aanbiedingsbrieven, verzoekbrieven, antwoordbrieven en brieven van dankzegging zijn de revue gepasseerd. Erasmus en Mostart hebben in hun brievenboeken voorschriften gegeven voor deze afzonderlijke soorten brieven, waaraan Hooft en Huygens zich over het algemeen houden. Hebben zij de brievenboeken actief gebruikt als naslagwerk of was de inhoud destijds wijd verspreid, zoals ook nu nog briefconventies onder brede lagen van de bevolking bekend zijn? Wat betreft het begin en het einde van de brief houden Hooft en Huygens zich niet aan de voorschriften van Erasmus en Mostart en gaan zij hun eigen weg. Ten slotte kan opgemerkt worden dat de correspondentie tussen de twee geleerden met name gekenmerkt wordt door verhullende citaten en allusies en een vriendschappelijke conversatietoon. Met de juiste achtergrondinformatie – waarin Van Tricht ruimschoots voorziet in zijn editie van de correspondentie van Hooft – vormen de brieven een rijke en op gezette tijden zeer vermakelijke verzameling van egodocumenten.
Bibliografie
KONING 1997 – P. Koning: ‘Hooft en Mostart. Een Nederduitse secretaris voor P.C.
Hooft’. In: J. Jansen (red.): Omnibus idem. Hilversum: Verloren, 1997, p. 83-
LEERINTVELD 1982 – A. Leerintveld: ‘Hooft en Huygens. Kroniek van een vriendschap
1620-
MEER 1998 – T. ter Meer: ‘Stijlmiddelen in de brieven van Hooft’. In: J. Jansen (red.):
Zeven maal Hooft: lezingen ter gelegenheid van de 350ste sterfdag van P.C. Hooft.
Amsterdam: AD&L, 1998, p. 35-
RAVESTEYN 1656 – J. Ravesteyn (ed.): D. Mostarts Vermeerdere Nederduytsche Secretaris oft Zendtbrief Schryver: waer in allerley slagh van sendbrieven, van die soo wel te hove als in alle voorvallen en ommegangh der menschen noodigh zijn werden voorgestelt. Met een tytelboexken. Amsterdam: Tijmon Houthaeck, 1656.
SNELLER & MARION 1994 – A. Agnes Sneller en Olga van Marion (ed.): De gedichten van Tesselschade Roemers. Verloren, Hilversum 1994.
SOWARDS 1985 – J.K. Sowards (ed.): Erasmus. De conscribendi epistolis. Toronto [etc.] : University of Toronto Press, 1985. Collected works of Erasmus 3.
STRENGHOLT 1986 – L. Strengholt: ‘Over de Muiderkring’. In: R. van Uytven e.a.: Cultuurgeschiedenis
in de Nederlanden van de Renaissance naar de Romantiek: liber amicorum J. Andriessen
s.j., A.Keersmaekers, P. Lenders s.j.. Leuven: Acco, 1986, p. 265-
TRICHT 1976-
WORP 1892-
WORP 1920 – J.A. Worp: Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, 1496-
Deze en de volgende pagina’s bevatten mijn werkstuk voor de master-
Veel leesgenot!