wp970f0615.png
wpeb664b97.png
www.nederlandseliteratuur.info
“Cultuurkringen in de Middeleeuwen”

Inleiding

Dit werkstuk is geschreven ten behoeve van het college ‘Benaderingswijzen in de Mediëvistiek’, dat onderdeel uitmaakt van het spectrumbijvak ‘Mediëvistiek’. Het werkstuk bestaat uit twee delen. In het eerste, algemene deel wordt antwoord gegeven op de hoofdvraag: in hoeverre was er in de late Middeleeuwen sprake van duidelijk onderscheiden cultuurkringen? In het tweede, specifieke deel wordt de hoofdvraag aan de hand van een concrete casus, namelijk het leven van Jeroen Bosch, uitgewerkt.

Deel 1  Cultuurkringen in de Middeleeuwen

Hoofdstuk 1 Welke cultuurkringen bestonden er in de Middeleeuwen?

In de Middeleeuwen bestonden drie cultuurkringen: de hofcultuur, de stadscultuur en de cultuur van kerk en klooster.

Hof
Wat verstaan we onder het hof? Historici hanteren verschillende definities. Ten eerste kan onder het hof worden verstaan de dagelijkse omgeving van de vorst. Ten tweede hanteren sommige historici een ruimere betekenis: de bredere kring rond de vorst, met name tijdens bijzondere gebeurtenissen wanneer de vorst ‘hof houdt’. Ten derde kan men spreken van het hof als men het heeft over het gebouwencomplex van de vorst. Het hof verplaatst zich regelmatig. Een vorst reist rond, omdat hij zijn macht moet vestigen door zichtbaar aanwezig te zijn. In de vroege Middeleeuwen bestond er nog geen geld en ging de vorst de goederen ophalen en het voedsel opeten bij zijn leenmannen. Er komen vaste residenties voor, maar deze zijn vrij zeldzaam. De omgeving van de vorst verandert bij iedere verplaatsing deels van samenstelling en er is dus sprake van een vloeiend gezelschap.
Een voorbeeld van een hof is het Hollands-Beierse hof. Het Hollandse hof was echter slechts één van de vele hoven in de Middeleeuwen. De middeleeuwse Lage Landen waren verdeeld in allerlei kleine vorstendommen, waarvan de meeste onder de Duitse keizer vielen. Aan het hoofd van ieder vorstendom stond een graaf of hertog, die zich omringde met edelen die hem konden bijstaan in het bestuur van zijn gebied.

Stad
Wat verstaan we onder een stad? Ook voor dit begrip hanteren historici verschillende definities. Vaak worden de volgende kenmerken genoemd: geen agrarische activiteiten, een vrij intensieve bebouwing op een klein gebied, bestuurlijke zelfstandigheid en een centrale functie voor de omgeving (bijvoorbeeld marktplaats of productiecentrum van ambachtelijke goederen).
Er bestaan een aantal misverstanden over middeleeuwse steden. Zo werd lang niet iedere middeleeuwse stad gekenmerkt door de aanwezigheid van wallen, muren en poorten. Ook bezaten niet alle steden stadsrechten. Onder stadsrechten verstaat men de privileges die een plaats ontving van de landheer. De verlening van stadsrecht hield in het algemeen in, dat de stad een eigen bestuur, wetgeving en rechtspraak kreeg, geheel los van het omringende platteland. Verlening van stadsrechten kan men niet gelijkstellen met de stichting van een stad.

Kerk en klooster
Wat verstaan we onder het klooster? Het centrale kenmerk van een klooster is afsluiting van de wereld. Kloosterlingen trokken zich terug uit de zondige wereld om zich aan God te wijden. Veel kloosterordes volgden een bepaalde kloosterregel, die de regels voorschreef waarnaar de kloosterlingen moesten leven. Vanaf circa 600 groeide de kloosterregel van Benedictus uit tot de belangrijkste in het westerse christendom. De enige taken die een monnik volgens Benedictus had, werden samengevat in het motto ‘ora et labora’: bid en werk. Wie toe wilde treden tot een klooster, moest de kloostergelofte afleggen. Door het afleggen van deze gelofte verplichtte een kloosterling zich tot maagdelijkheid, armoede en gehoorzaamheid.
Het ideaal van een klooster was afsluiting van de buitenwereld, zodat de kloosterlingen zich konden terugtrekken uit de zondige wereld om zich volledig aan God te kunnen wijden. Maar in hoeverre waren kloosters daadwerkelijk afgesloten van de buitenwereld? Een kloostergemeenschap kon zichzelf vrijwel nooit volledig afsluiten van de buitenwereld. Er waren allerlei praktische redenen die het onderhouden van contact met de buitenwereld noodzakelijk maakten. Voor de rekrutering waren klooster afhankelijk van de buitenwereld: alle nieuwe kloosterlingen kwamen van buiten. Kloosterlingen bleven na hun intrede vaak nog contacten onderhouden met hun familie en vrienden. Veel kloosters waren met betrekking tot de voedselvoorziening weliswaar voor een groot deel zelfvoorzienend, maar er waren altijd wel producten van buiten nodig. Soms werden de overschotten die het klooster had geproduceerd, verkocht op de markt. Kloosters onderhielden ook onderling contact met elkaar, er werd vaak contact onderhouden met de stichter(s) van een klooster en ook voor de bescherming was het klooster vaak afhankelijk van de buitenwereld.
Het klooster was niet alleen maar afhankelijk van de buitenwereld, maar vervulde zelf voor de buitenwereld ook een aantal belangrijke functies. De kloosters speelden een belangrijke rol in de verstrekking van zielzorg en medische zorg. Daarnaast waren kloosters belangrijke schrijfcentra: er werden niet alleen religieuze teksten geschreven, maar ook teksten voor de buitenwereld zoals oorkonden. Ook boden veel kloosters tijdelijk onderdak aan reizigers in hun gastenverblijven.
Vanaf de dertiende eeuw komen er twee nieuwe vormen van religieus samenleven op: de bedelorden en de begijnen. De bedelorden zagen niet alleen af van privé-bezit, maar ook van gemeenschappelijk bezit. Zij voorzagen in hun levensonderhoud door in de steden te bedelen. In ruil voor de schenkingen predikten de monniken hun boodschap, verleenden zij zielzorg en verzorgden zij onderwijs. De begijnen waren leken die zich gezamenlijk op het religieuze leven toelegden.

Hoofdstuk 2 Interferentieverschijnselen tussen cultuurkringen

In hoeverre was er in de late Middeleeuwen sprake van duidelijk onderscheiden cultuurkringen? Er was geen sprake van drie strikt gescheiden werelden: tussen de verschillende cultuurkringen was sprake van onderlinge afhankelijkheid en wederzijdse beïnvloeding. In het vorige hoofdstuk heb ik al uitgebreid stilgestaan bij het feit dat het voor kloosterlingen vrijwel onmogelijk was om geen contact met de buitenwereld te hebben. Het was dus onvermijdelijk dat er interferentieverschijnselen tussen enerzijds de wereld van kerk en klooster en anderzijds de wereld van stad en hof optraden. Aan de hand van een voorbeeld zal ik aantonen dat er ook interferentieverschijnselen tussen enerzijds het hof en anderzijds de stad optraden:

Willem van Hildegaersberch (ca. 1350-ca. 1408)
Frits van Oostrum heeft in Het woord van eer een onderzoek ingesteld naar het literaire leven in het Hollands-Beierse hof omstreeks 1400. Eén van de meest gewaardeerde sprooksprekers aan dit hof was Willem van Hildegaersberch. In de rekeningposten van het hof komen duiken betalingen aan hem op.
Willem van Hildegaersberch werkte niet alleen voor het hof. De sproke Vanden sloetel maakte hij waarschijnlijk in opdracht van het Leidse stadsbestuur.
In 1313 verbood de Hollandse graaf Willem III de vorming van vrije gilden door ambachtslieden, waarschijnlijk omdat hij de macht van dergelijke gilden vreesde. In Leiden bestonden wel gilden, maar deze waren niet vrij: ze werden volledig door hogerhand bestuurd en gecontroleerd en bezaten als zodanig geen macht van betekenis. De ambachtslieden die in de lakenindustrie werkten, waren niet tevreden met de situatie en eisten vrije vorming van gilden. Er braken regelmatig opstootjes uit, met als hoogtepunt het oproer van 1393. Men slaagde erin het geïntimideerde stadsbestuur te dwingen tot het uitvaardigen van een keur vóór ambachtslieden en Albrecht van Beieren stuurde hierop zijn grafelijke raad naar Leiden voor een vergadering met het stadsbestuur. Het stadsbestuur wilde niet overgaan tot nietigverklaring van de ordonnantie. Albrecht maakte zich op voor het beleg van de stad, maar Leiden bond in voordat het zover kwam. De straf die Albrecht vervolgens aan de stad oplegde, was niet gering: de opstandigen werden verbannen en de stad kreeg een aanzienlijke boete van ‘vyf duysent Hollandse schilde’ opgelegd.
Willem van Hildegaersberch ging in zijn sproke Vanden sloetel op de Leidse kwestie in. Hier volgt een korte samenvatting van de inhoud van de sproke: in zijn opening noemt Willem de Leidse kwestie niet direct, maar hij vertelt hoe met Lucifer de hoogmoed in de hemel kwam. God verbandde Lucifer naar de verst denkbare uithoek, zodat beiden voor altijd gescheiden zouden blijven. Hierop volgde de zondeval van Adam en Eva. De hemel werd gesloten. God is immers slot en sleutel en met de zondeval is de sleutel ontstaan om het kwaad te kunnen buitensluiten. Met Christus kwam de verlossing en werd de hemel ontsloten. De duivel doet echter nog alle dagen zijn werk in de wereld. Door het werk van de duivel moet men overal sloten en versterkingen aanbrengen om zich tegen het kwaad te verdedigen. Wie men de sleutel toevertrouwt, moet ook betrouwbaar zijn. Hiermee maakt Willem een toespeling op wat gaat volgen: het feit dat Leiden ondanks alles terecht de sleutelstad is. Vervolgens vertelt Willem de Petruslegende. Zoals Jezus Petrus tot sleuteldrager maakte, zo maakte de vorst Leiden ooit tot betrouwbaar sleuteldrager. Beiden begingen ooit een misstap, maar beiden maakten dit ook weer goed. Vervolgens vertelt Willem over een droom, een truc die hij toepast om zich in te dekken met betrekking tot de gevoelige kwestie: een ik-figuur wandelt over een veld waar een kamp van legertenten is opgeslagen. De ik-figuur komt bij de tent van de landsheer, kijkt naar binnen en ziet rond de landsheer allemaal bewakers staan. De wapenschilden van de bewakers worden beschreven: een wit veld met twee rode gekruiste sleutels: het stadswapen van Leiden. De bewoners van Leiden bewaken de tent van de landsheer. Dit was geen fictie: Floris V had ingesteld dat vijfentwintig Leidenaars in oorlogstijd de tent van de graaf zouden bewaken. Willem maakt vervolgens een toespeling op de verbolgenheid van Albrecht van Beieren in verband met het Leidse oproer in 1393. De ik-figuur spreekt de volgende woorden: als Leiden werkelijk trouw is aan Albrecht, dan zal de graaf de relatie met de stad herstellen.
Het valt niet te bewijzen, maar het is aannemelijk dat Willem deze sproke heeft geschreven ten behoeve van een aantal belanghebbenden in de Leidse kwestie. Het is voorstelbaar dat Willem samen met een aantal afgevaardigden van het Leidse stadsbestuur naar de graaf is gegaan om de sproke voor te dragen. Het is ook mogelijk dat de sproke niet aan het hof is voorgedragen, maar in de stad Leiden zelf toen de graaf er met zijn gevolg verbleef. Op deze manier probeerde het stadsbestuur de relatie met de graaf te herstellen.

Deel 2  Jeroen Bosch (ca. 1450-1516)

Hoofdstuk 3 Hoofdlijnen van zijn leven en carrière

Zijn leven en carrière
Jeroen van Aken, later bekend als Hiëronymus Bosch, werd rond 1450 geboren in Den Bosch. Hij was afkomstig uit een echte schildersfamilie, die oorspronkelijk uit Aken kwam. De voorouders van Jeroen Bosch behoorden tot de middenklasse. Ze bezaten niet veel geld en goederen en ze bekleedden geen belangrijke posities in bestuurlijke organen of andere instellingen. Toch had zijn familie een goede reputatie opgebouwd in ’s-Hertogenbosch. Zonder deze reputatie en zijn succes als kunstenaar was het huwelijk van Jeroen Bosch met de welgestelde Aleid van de Meervenne waarschijnlijk onmogelijk geweest. Tussen 1479 en 1481 trouwde hij met deze vrouw, die als bruidschat een huis aan de Markt en enkele landerijen niet ver van ’s-Hertogenbosch meebracht. Door dit huwelijk was Jeroen Bosch de rest van zijn leven gevrijwaard van geldzorgen en klom hij op tot de hoge burgerij.
De oude archieven van ’s-Hertogenbosch geven niet veel informatie over de opdrachtgevers van Jeroen Bosch en zijn familieleden. De belangrijkste opdrachtgever was de Lieve Vrouwe Broederschap. Andere belangrijke opdrachtgevers waren onder andere de kerkmeesters van de Sint-Jan, de gilden en andere broederschappen in ’s-Hertogenbosch. We weten vrijwel niets over particuliere opdrachten binnen en buiten ’s-Hertogenbosch. Particulieren lieten hun kunstopdrachten doorgaans nauwelijks op schrift vastleggen. Of als dat wel gebeurde, zijn deze in ieder geval niet bewaard gebleven.
Jeroen Bosch overleed in 1516. Op 9 augustus van dat jaar vond zijn uitvaartplechtigheid plaats.

Na deze korte introductie wordt in de volgende hoofdstukken beschreven welke relatie Jeroen Bosch met en welke betekenis hij voor de drie onderscheiden cultuurkringen in de late Middeleeuwen had.

Hoofdstuk 4 Relaties met/betekenis voor de hofcultuur

’s-Hertogenbosch maakte ten tijde van het leven van Jeroen Bosch deel uit van het Bourgondische rijk. De stad had geen vaste residentie waar de hofhouding vaak voor langere tijd verbleef, in tegenstelling tot steden als Brussel, Leuven, Mechelen en Brugge. Des te belangrijker voor ’s-Hertogenbosch waren daarom de regelmatig terugkerende bezoeken van Bourgondische en Habsburgse vorsten. Tijdens de ‘Blijde Inkomsten’ werd de nieuwe vorst ingehuldigd. Ten tijde van Jeroen Bosch hadden dergelijke ceremonies plaats in 1467 met Karel de Stoute, in 1496 met Philips de Schone, in 1508 met Maximiliaan (als voogd voor zijn kleinzoon) en in 1515 met Karel V. Het stadsbestuur liet zich bij zulke gelegenheden doorgaans van zijn beste kant zien. De stad werd rijkelijk versierd, er vonden allerlei plechtigheden plaats en er werden kostbare geschenken overhandigd. Ook politieke verwikkelingen, waaronder met name de Gelderse Oorlogen, brachten de Bourgondische en Habsburgse vorsten aan het einde van de vijftiende eeuw met grote regelmaat naar ’s-Hertogenbosch. Het verblijf van de vorsten en hun gevolg duurde soms weken of zelfs maanden. Zij verbleven dan bij welgestelde en ruim behuisde particulieren of in kloosters.
Voor ’s-Hertogenbosch bleven de regelmatige bezoeken van de vorsten niet zonder gevolgen. Zo schonk Maximiliaan in 1481 als dank voor de betoonde gastvrijheid een grote som geld ten behoeve van de kloosterbibliotheek. Ook Jeroen Bosch profiteerde van de aanwezigheid van de Bourgondiërs in de stad. Tijdens het langdurige verblijf van de vorsten in de winter van 1504 op 1505 verbleven Maximiliaan en zijn zoon Philips de Schone in het predikherenklooster. Bianca Sforza, de ‘nieuwe huysvrou’ van Maximiliaan, vond onderdak bij de buurman van Jeroen Bosch, Lodewijk Beys.
Waarschijnlijk behoorden de vorsten van het Bourgondische hof tot één van de opdrachtgevers van Jeroen Bosch (Van Oudheusden & Vos, 2001). Er is weinig met zekerheid bekend over de opdrachtgevers van Bosch. Voor geen enkel werk is een document bewaard gebleven dat hier direct betrekking op heeft. De werken waarvoor wel documenten beschikbaar zijn, bestaan niet meer. Het verblijf van de keizerin wordt echter vaak in verband gebracht met een voorschot van 36 pond dat Philips de Schone in september daaraan voorafgaande had laten betalen aan Jeroen Bosch voor het schilderen van een paneel met een voorstelling van het Laatste Oordeel. Dat geldt evenzeer voor de aankoop door Filips de Schone in 1505 van een schilderij dat bedoeld was als een geschenk aan zijn vader Maximiliaan. Het ging daarbij om een groot drieluik dat een voorstelling bevatte van de geschiedenis van de heilige Antonius.
Niet alleen tijdens het leven van Jeroen Bosch bestond er vanuit hoffelijke kringen belangstelling voor zijn werk. Koning Filips II van Spanje was een hartstochtelijk verzamelaar van zijn schilderijen. Hij had in 1574 maar liefst drieëndertig schilderijen van Jeroen Bosch in bezit, waaronder enkele topstukken zoals de Tuin der Lusten, de Hooiwagen en de Aanbidding der Wijzen.

Hoofdstuk 5 Relaties met/betekenis voor de stadscultuur

Jeroen Bosch wordt wel de ‘wereldberoemdste Bosschenaar aller tijden’ genoemd. De laatste jaren is er door systematisch archiefonderzoek steeds meer bekend geraakt over zijn leven in ’s-Hertogenbosch.
In de tijd waarin Jeroen Bosch leefde, was ’s-Hertogenbosch een welvarende stad. Dat was heel goed te zien in het hart van de stad, de Markt, waar handelswaar uit alle windstreken te koop werd aangeboden. Aan de Markt woonde Jeroen Bosch. Het huis aan de Markt stond ter plaatse van het huidige pand Markt 61 en werd bij hun huwelijk door het echtpaar als woonhuis in gebruik genomen. Het huis stond bekend onder de naam ‘In den Salvatoer’ en staat afgebeeld op het schilderij De Lakenmarkt. Niet ver van zijn woonhuis woonde in het huidige pand Markt 29 de familie van Jeroen Bosch: zijn ouders, zijn broers en een neef. Er zijn aanwijzingen dat zijn familie het pand Markt 29 als atelier heeft gebruikt. Ook Jeroen Bosch kan hier gewerkt hebben, hoewel hij daarvoor ook in of achter zijn eigen huis genoeg ruimte had.
Iedere donderdag werd op de Markt de wekelijkse markt gehouden. Hier stonden kooplieden uit de nabije omgeving met gebruiksartikelen zoals lakens, schoenen, kousen, leren veters, hoeden, mutsen, spelden, manden, ketels, potten en touw. Daarnaast stonden er kramen waar groente, fruit, meel, vleeswaren, boter en kaas werden verkocht. Jeroen Bosch beeldde de bedrijvigheid op de Markt af op het bekende schilderij De Lakenmarkt van omstreeks 1525.
Jaarmarkten zorgden voor een nog grotere drukte in de stad dan de wekelijkse markt. Ze trokken niet alleen kooplieden, maar ook muzikanten, bedelaars, kwakzalvers en goochelaars die op eigen wijze een graantje probeerden mee te pikken. Op het schilderij De Goochelaar heeft Jeroen Bosch een beurzensnijder afgebeeld: terwijl een goochelaar het balletje-balletje-spel uitvoert, wordt een geboeide omstander door een compagnon van de illusionist van zijn beurs bestolen.
Veel ambachtslieden vervaardigden gebruiksvoorwerpen en andere producten van de grondstoffen die van ver werden aangevoerd. Zo kende ’s-Hertogenbosch een belangrijke metaalnijverheid waar onder meer spijkers, spelden en messen werden gemaakt. De Bossche messen waren in het buitenland beroemd. Deze messen zijn op schilderijen van Jeroen Bosch vereeuwigd. Op het rechter paneel van de Tuin der Lusten beeldde Bosch een met de letter ‘M’ voorzien mes af. Bodemvondsten tonen aan dat hij hier exact naar de realiteit schilderde.

Hoofdstuk 6 Relaties met/betekenis voor de cultuur van kerk en klooster

’s-Hertogenbosch stond vol met kerken en kloosters: de geestelijkheid was zeer nadrukkelijk aanwezig. De prominente positie van kerk en geestelijkheid in de stad leidde tot een stroom van opdrachten voor kunstwerken. De kerk zorgde voor een mecenaat van indrukwekkende omvang. Aan het einde van het leven van Jeroen Bosch, in het begin van de zestiende eeuw, telde ’s-Hertogenbosch meer dan dertig kerken en kapellen. De bouw en de inrichting daarvan zorgde voor een vrijwel onophoudelijke stroom van opdrachten aan allerlei verschillende soorten kunstenaars, zoals de schilder Jeroen Bosch.
In 1380 was men gestart met de bouw van een geheel nieuwe kerk: de Sint-Jan. Drie factoren speelden hierbij een belangrijke rol: de verheffing van de oude Sint-Jan tot kapittelkerk in 1366, de toenemende Mariabedevaart en de explosief gestegen welvaart van de stad. De bouw van de kerk was een enorme onderneming die bijna 150 jaar heeft geduurd. Zijn gehele leven heeft Jeroen Bosch dus de werkzaamheden zien vorderen, maar de voltooiing van de kerk heeft hij niet meer beleefd.
De Sint-Jan bood plaats aan een groot aantal altaren. Veel van die altaren waren voortgekomen uit het initiatief van rijke inwoners van de stad die omwille van hun zielenheil in hun testament geld beschikbaar stelden voor het regelmatig lezen van missen aan een altaar. Maar ook veel ambachtsgilden hadden een altaar, ter ere van hun patroonheilige en ter nagedachtenis aan overleden gildenbroeders. Een aantal van de altaren in de Sint-Jan was tot in de zeventiende eeuw versierd met schilderstukken van Jeroen Bosch. In aantekeningen over de stad die de heren Van Balen, Loeff en Everswijn tussen 1606 en 1609 samenstelden ten behoeve van Jan Baptist Gramaye, de officiële geschiedschrijver van de aartshertogen, worden ze expliciet vermeld (Van Oudheusden & Vos, 2001). Het betreft onder meer de volgende werken: De Schepping van de Wereld, Geschiedenis van David en Abigaël, Salomon en Bathseba, Johannes de Doper, Johannes op Patmos, Aanbieding van geschenken door de Driekoningen, Judith en Holofernes en Esther en Mardocheus.
In het begin van de veertiende eeuw was de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap opgericht. In 1486 of 1487 treedt Jeroen Bosch als lid toe tot deze broederschap. Het was een religieus gezelschap dat mannen en vrouwen, leken en geestelijken verenigde in de verering van Maria. De broederschap wijdde zich behalve aan de Mariaverering ook aan liefdadigheid, hierbij duidelijk geïnspireerd door de leefregels van de Broeders en Zusters van het Gemene Leven. De broederschap zorgde voor veel kunstopdrachten in de stad. De Lieve Vrouwe Broederschap bezat een eigen kapel in de Sint-Jan: de Broederschapskapel, nu Sacramentskapel geheten. Deze kapel werd tussen 1479 en 1494 gebouwd en ook Jeroen Bosch was bij de bouw en inrichting van de nieuwe kapel betrokken. Hij kreeg van de broederschap de opdracht om één van de gebrandschilderde ramen te ontwerpen, adviseerde bij het polychromeren van het nieuwe Mariaretabel en schilderde daar later enkele altaarluiken voor.

Jeroen Bosch als mysticus?
Veel van het werk van Jeroen Bosch beeldt de zonde uit, het falen van de menselijke moraal, of de kwaadaardigheid en de dwaasheid van de mensheid. Zijn schilderijen bevatten veel fantasiefiguren en veel symboliek. Tijdens zijn leven werden de eigenaardigheden in het werk van Jeroen Bosch nooit verdacht gevonden, omdat de mensen er niets meer in zagen dan vermakelijkheid. In de twintigste eeuw hebben veel onderzoekers zich gebogen over de diepere betekenis van de symboliek. De iconografie van Jeroen Bosch is nooit helemaal verklaard. Sommige onderzoekers interpreteren zijn werk als ketters, maar meestal wordt hij beschouwd als een vroom lid van de kerk die was gespecialiseerd in het schilderen van de hel en duivels. Lynda Harris beschouwt Jeroen Bosch als een mysticus, die in zijn schilderijen een spirituele boodschap uitdrukt. Ze probeert in haar boek (1996) aan te tonen dat Jeroen Bosch geïnspireerd was door de leerstellingen van de Katharen.
Harris geeft in het eerste deel van haar boek een uitgebreide uiteenzetting over het katharendom weer. De katharen vormde een middeleeuwse sekte, die zich vanaf het midden van de twaalfde eeuw over geheel West-Europa verbreidde. De katharen werden door veel christenen beschouwd als ketters en de rooms-katholieke kerk vervolgde eeuwenlang hun aanhangers.
De katharen beleden een gnostische godsdienst. De katharen waren sterk dualistisch en het contrast tussen het licht van de geestelijke wereld en de duisternis van de stoffelijke wereld werd sterk benadrukt. De geboorte in het fysieke lichaam wordt door gnostici beschouwd als een valstrik waaruit ontsnapping van de ziel bijzonder moeilijk is. De gevangenschap hoeft niet eeuwig te duren, want uit het rijk van licht wordt een redder gezonden om hem te redden. Tijdens het Laatste Oordeel zal de aarde en het stoffelijke universum vernietigd worden door vuur. De uitverkorenen zullen zich voegen bij de verlosser ergens boven het firmament en neerzien op het lijden van de verdoemden in de brandende hel.
De katharen geloofden dat bepaalde zielen zo verstrikt konden raken in Satans wereld, dat zij niet langer in staat waren zich te verzetten tegen de aantrekkingskracht ervan. Voor hen was redding uitgesloten. De schilderijen van Bosch beelden ditzelfde lot uit voor de gewone, op een dwaalspoor gebrachte mensen, die geen moeite doen om aan Satans web te ontsnappen.
Volgens Harris was Jeroen Bosch duidelijk geïnspireerd door de leerstellingen van de Katharen. Het oeuvre van Jeroen Bosch kan volgens haar alleen verklaard worden als we hem beschouwen als een dualist, die geloofde dat God en de natuur volstrekt los stonden van elkaar. Voor Bosch was de fysieke wereld door en door slecht, geschapen door Satan en volledig binnen zijn invloedssfeer. De fysieke wereld zoals Bosch die afbeeldt, is soms letterlijk donker. Vaker echter is zijn wereld van een verleidelijke helderheid en schoonheid, maar fundamenteel ziek. Bosch stelt de wereld dikwijls voor als een cirkel omgeven door wolken, die vaak wemelen van de duivels. De wereld wordt vaak bevolkt door demonen en vreemd gevormde planten. De wereld is het terrein en het maaksel van een boze god. Slechts wie erin slaagt zich volledig los te maken van dit stoffelijke rijk en zijn invloeden, zal in staat zijn de verlossing te bereiken. Deze losmaking moet zowel mentaal als fysiek zijn.

Bibliografie

W. van Anrooij: ‘Literatuur, het Hollandse hof en de Hollands/Zeeuwse adel’. In: Duizend jaar Holland, vol. 31 (1999), afl. 4-5, p. 234-243.

L. Harris: Ketterij en esoterie in het werk van Jeroen Bosch. Zeist: Uitgeverij Christofoor, 1996.

D. Hogenelst en F. van Oostrum: Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen. Amsterdam: Promotheus, 2002.

T. Meder: ‘Willem van Hildegaersberch en het Leidse oproer van 1393’. In: Literatuur, vol. 8 (1991), afl. 3, p. 149-157.

J. van Oudheusden, A. Vos (red.): De wereld van Bosch. ’s-Hertogenbosch: Adr.Heinen Uitgevers, 2001.